CHRISTINA GUIRLANDE
              EEN TAAL VAN AS EN TEER

                 Over de dichtbundel ‘BIJNA THUIS’ van WIM MENHEER

De tweede dichtbundel ‘BIJNA THUIS’ van de Tiense dichter Wim Menheer
(géén pseudoniem!), uitg. Cin, Tienen (bvba Cinafot), 2005, kreeg als motto twee
versregels mee van Raymond Herreman:

     
 ‘Van het leven dat zij droomden
      is dit leven de weerglans niet’

‘Bijna thuis’ omvat 24 gedichten over ouderdom, aftakeling en dementie, een
thema waarover slechts weinigen het aandurven te schrijven, laat staan erdoor
geïnspireerd worden, want ontluisterend en gevaarlijk: men laat zich al te
makkelijk overrompelen door medelijden en valse sentimentaliteit.
Door zijn nuchtere en picturale stijl - Wim Menheer is fotograaf van beroep -
heeft de dichter deze valstrik omzeild. De anonieme auteur van de tekst op de
achterflap heeft gelijk waar hij schrijft: ‘De dichter neemt geen standpunt in.
Hij beschrijft. Maakt foto’s met taal. Maakt taal met foto’s.’
Behalve de omslagfoto, waarop alleen het strak naar achteren gekamde haar van
een oude vrouw is te zien, samengebonden met een strik, werden nog tien foto’s
in de bundel afgedrukt, meestal van voorwerpen die in verband staan met het
dagelijkse leven in het ‘rusthuis’: rolstoelen in een halve cirkel geplaatst, een
oude handtas, een lege stoel, pantoffels, een schilderij met per uitzondering
daaronder het grimmige gezicht van een oude man, een vogelkooi, een tafel met
een onherkenbaar personage, een oude prentkaart, een lange lege gang, een pop…
Alles is gereduceerd tot het essentiële, het suggestieve, ook in de gedichten die
getuigen van een scherp observatievermogen. Gesynchroniseerde beelden zijn
daarvan het resultaat. Het oog van de fotograaf wordt het oog van de dichter.
Enkele voorbeelden:

      
‘Uit de muil van een kartonnen handtas
      Vist zij de foto met een hand van was:
      Met zwierig haar kijkt het verkleurde kind
      breed lachend in de wind.’ (Het meisje)

      ‘Zij zit ontvleesd, de metronoom van haar bot
      In slaande ruzie met een tafelpoot,
      Steekt een hand van blauw marmer op…’
      ‘…Maar zij, met een schouder als een guillotine…’(In gezelschap)

      ‘Zo was hij geworden:
      Een wrakhouten man
      In een land van kopzorgen,
      Een gezicht oneindig lang

          Met ogen hol en droef
      In een gordijn van ingevallen wangen
      Waar hij zijn plooien in begroef…’
      ‘… In zijn mond blikkerde het beslag
      Van een losgelagen tandenvloot…’ (Vriend)

Wat de dichter een ‘wereldreis ‘noemt, is de reis van het eigen huis, ‘waar hij(de
bejaarde) / Op het krimpende tuinpad/ Dat hij vijftig jaar had/ Uitgehold
bleef staan…’naar het tehuis waar ‘schimmen in witte uniformen’ rondlopen, als
‘engelen uit hogere kringen’, waar men ‘gekamd wordt tot zilvergaas’, waar het
‘zwijgen luider klinkt/ Dan de stilte op de gang’.
Herinneringen, vaag wanneer ze recent zijn of integendeel heel scherp wanneer
ze dateren van veel vroeger, vullen de dagen: ‘Onvast neuriet zij het wijsje uit
haar tijd/ ‘Plaisir d’amour’, terwijl zij allen met haar zingen…’ tot wanneer
iedereen ‘Met slepend onderstel/ Lijf aan lijf weer weggerold’ niets anders meer
te doen heeft dan ‘de tijd met slapen doden’.
De dichter van ‘Bijna thuis’ draait de lezer geen rad voor de ogen. De
geschonden en van zichzelf en zijn omgeving vervreemde mens, de niet meer om
te keren realiteit, worden onverbloemd bij hun naam genoemd. De dichter
accentueert ze zelfs.

Om deze onontkoombare en uitzichtloze realiteit ietwat draaglijk te maken, tot
men ‘bijna thuis’ is ‘houdt zij de dingen in de gaten’, kijkt naar een foto waarop
‘een slanke man in geel brokaat/ ‘En danseuse’ de bergen op (fietst)’, worden
honderdjarigen gevierd ‘met een hoedje van papier, gelukwensen van behang’,
mogen ze de vertoning bijwonen van een oude film ‘in zestien millimeter breed
gevangen’.
Behaalt levensmoeheid de overhand, wordt men zich bewust van wat komende is,
dan is ‘zij een vraag met bange blauwe ogen/ Die zich het hoofd op mijn lippen
breekt’, en kijkt zij ‘als een dier achter schrikdraad’, of ‘loopt hij op de klippen
van zijn wanhoop/, Ondraaglijk bars/ In een karkas van leegstand’.

Kan men deze gedichten zeker niet opwekkend noemen, ze getuigen alleszins van
de oprechtheid en de bewogenheid van de dichter en krijgen daardoor een
spankracht die het anekdotische ver overtreft. De beheerste emotie tilt elk
gedicht uit de banaliteit.
Wim Menheer maakte een tijdlang in opdracht pasfoto’s van bewoners in diverse
rusthuizen. Wat het oog van de fotograaf waarnam, werd later verwoord in
gedichten. De existentiële eenzaamheid van elke mens, zeker in deze situatie,
trof hem zodanig dat hij niet anders kon dan erover te schrijven. Hiermee trekt
hij de poëzie op van een hoogst individuele ervaring naar een maatschappelijk
evenement, want ook de lezer voelt zich betrokken en verantwoordelijk.

In een interview met collega-dichter Danny Rega, gepubliceerd in het literaire
tijdschrift Verba (Vereniging van Vlaams-Brabantse Auteurs) waarvan Wim
Menheer hoofdredacteur is,(jg.7 nr. 4), vertelt de dichter openhartig over deze
bewogen ervaring: ‘Ik weet nu dat zij een onuitwisbare indruk hebben nagelaten.
Waarschijnlijk komt het omdat ik werd geconfronteerd met de essentie van
leven en dood.(…) Sommigen vinden mijn gedichten hard en gruwelijk.
Waarschijnlijk is dat ook zo. Maar mijn doel was registratie, verslag uitbrengen
over mensen die ‘Bijna thuis’ zijn. Mijn pasfototoestel speelt in de gedichten een
voorname rol.’
Toch zoekt de dichter-fotograaf niet naar sensatie. ‘Voor een flitsend rendez-
vous’ laat hij ‘de sluiter zacht zingen’, flitst haar ‘ademloos verleden naar bijna
over’, en wanneer hij een foto maakt van een man die ooit ‘ontwerper van juwelen
was’, ziet hij ‘het stof van fijngemalen edelstenen/ Dat rond zijn hoofd een
nimbus brandt’.
Voor de bejaarden is de fotograaf een ‘vriendelijke grote jonge man/ Eindelijk
eens een vriend om mee te praten/ Ook al heeft hij een hoofd met wel vier
gaten/ En een bliksemoog…’, want ‘van mijn oog is zij niet bang/ Ook niet als ik
rijs, haar omtrek meet/ Verdwaal in engelenhaar…’

De bundel vangt aan met het gedicht ‘Wereldreis’, een eerste reis die ook de
laatste zal worden, want wie hier woont is ‘Bijna thuis’, heeft bijna de eindstreep
bereikt, heeft zijn /haar opdracht in dit leven bijna volbracht, het leven
waarvan R. Herreman vindt dat het een àndere weerslag verdient. De zekerheid
dat de eindstreep in zicht is, de nabijheid van de dood, wordt zeer subtiel
weergegeven: ‘Achter het zachte woud van licht (…): Luistert hij naar wat er
nadert(…) Is het de echo van een ver gevecht?/ Of wordt hij reeds beademd /
Door de koning van de elfen(Verwijzing naar de figuur ‘Erlkönig’ uit het
gelijknamige gedicht van Goethe)/ Die zijn wade op zijn schouders legt?’(Zoveel
vragen)
Ook al is men fysisch nog in leven, ‘het brein gaf al lang de geest’. Wat
overblijft vergelijkt Wim Menheer in het gedicht ‘In de ring’, (naast een foto
van rolstoelen in een halve cirkel), met een dagelijks gevecht: ‘Zoals iedere dag
bijeengedreven/ In de ijzige ring waar alles is gezegd’. En dan, merkt hij :
‘Smeekt hun opgeheven kin/ Om een handdoek in de ring/ De zegen van een
laatste uppercut’.
Dan wordt het de dichter te machtig. Terwijl hij een foto neemt van een oude
man aarzelt zijn hand, hij wordt als het ware van de hand gods geslagen: ‘In het
smeken van zijn ogen/ Wordt mijn aarzelende hand/ Door God tot lood geslagen’.

Misschien zullen de gedichten van ‘Bijna thuis’ door sommigen vergeleken worden
met de Moedergedichten en het gedicht ‘Het huwelijk’ van W. Elsschot, waarin
het de dichter evenmin om te doen was ‘mooi’ te schrijven. Ter illustratie
hieronder het volledige gedicht ‘Zij ligt’. Een vrouw ligt, aan slangetjes en
buisjes ‘waarmee zij langs haar neus eet’, te wachten op het einde. Haar leven is
bijna over. Zij is ‘Bijna thuis’. De fotograaf neemt wellicht haar laatste foto:

      
Zij ligt, als de gebalsemde bliksem, met ingestorte mond
      En speldenknoppen van kwik. Alleen haar kin is gaaf
      Gepolijst tot biljartbal, een blozende sarcofaag
      Die straalt en maalt, loerend naar de lont

      Waarmee zij langs haar neus eet
      Een doorgelegen jichtjaar lang,
      Neen, van mijn oog is zij niet bang
      ook niet als ik rijs, haar omtrek meet

      Verdwaal in engelenhaar
      Dat uit lakens groeit als suikerspin.
      Viervoudig ligt zij in de tover

      Van het masker met de ijzeren ring.
      Onbewogen flits ik haar
      Ademloos naar bijna over.

De poëzie van Wim Menheer wil vooral meedelen, de lezer opmerkzaam maken.
De dichter trekt zich allerminst terug in het eigen narcistische wereldje waarin
de strikt persoonlijke belevenissen het middelpunt vormen. En ondanks zijn
nuchtere ‘verslagen’ blijft hij de milde dichter van uitgezuiverde, beeldrijke
poëzie: ‘Met zandgestraalde ogen/ Liep zij verder door de gang’, ‘een jichtjaar
lang’, ‘een zoon van ijs’, ‘kraken de kloven in hun kaken open’. Het gedicht
‘Wasbeurt’ is in dit opzicht een pareltje. Een zoon herinnert zich een
(wekelijkse?) wasbeurt uit de tijd toen hij nog maar een kind was, in een teil op
de tafel. Hij weet nog :

      
Toen vulden je handen mijn oksels, vloog ik
      Als vuile lichtmatroos, naar het kraaiennest
      Van mijn schommelend tafelschip.

Nu is de situatie omgekeerd. Het gedicht wordt afgesloten met de beklijvende
regels:

      
Tot ik mijn handen in je oksels sla
      En je, als zeemanszoon, uit het ruim
      Van je zinkende zetel til.

Het is wellicht interessant even te grasduinen in het werk van enkele dichters
die eveneens over dit onderwerp hebben geschreven. In de dichtbundel ‘De
Heksenkring’, (Uitg. De Roerdomp, 1987), publiceerde de Kempense dichter
Robin Hannelore enkele gedichten over zijn moeder. ‘Wij zwijgen over
ontzettend veel/ mijn moeder en ik, als wij praten…’ schrijft hij. Er zijn immers
nog zo weinig gemeenschappelijke interesses. Moeder en zoon, twee werelden
apart die steeds verder uit elkaar groeien. Of, zoals Bie Wouters het verwoord
heeft, maar dan vanuit het standpunt van de moeder: ‘De zoon die mij in alle
onschuld vreemd werd’.
In een ander gedicht schrijft Robin Hannelore: ‘Zo vaak breng je mij van de
wijs/ door je verslag van een vreemde reis…’

Johan Van Oers wijdde tot hiertoe drie dichtbundels aan ouderdom en dementie:
‘De onderkant van de bodem’, ‘Een reus ontploft’ en ‘Het afscheid laat op zich
wachten’. Hij is werkzaam in een psycho-geriatisch centrum en maakt dagelijks
deel uit van het leven van mensen die, oud geworden, de weg zijn kwijtgeraakt:

      
De gangen zijn hier lang
      en leiden vrijwel naar
      niets.

      Wie hier wandelt
      loopt rechtlijnig
      naar een dood punt.

      Gerammel aan gesloten deuren
      onder het bordje ‘uitgang’.


(Uit De onderkant van de bodem)

Bij Wim Menheer lezen we:

      
Ik zal hem volgen in de gang
      Zo geraak ik hier weg en dan de straat op…

In een gedicht van Van Oers hoopt een bejaarde vrouw ‘in een kartonnen doos/
een fragment te vinden, een scherf/ een laatste beetje moeder’.(Uit: Het
afscheid laat op zich wachten)
Vertwijfeld op zoek zijn naar wie men is geweest. Bij Wim Menheer lezen we in
het gedicht ‘Meisje’:

      
Uit de muil van een kartonnen handtas
      Vist zij een foto met een hand van was:
      Met zwierig haar kijkt het verkleurde kind
      Breed lachend in de wind.

      ‘Dat ben ik’, zegt ze en zij lacht precies als toen…’

Van Oers vraagt zich af:’Wie is die man/ die stukje bij beetje/ in zichzelf
verdwijnt?’ Wim Menheer schrijft:

      
En niemand vraagt zich af
      Waarom haar zwijgen luider is
      Dan het leven op de gang.

In ‘Stoel’ van Wim Menheer vindt men deze regels:

      
In de stoel onder het kruisbeeld
      Is tijd voor haar een vreemdeling(…)
      Zij roept op moeder, gaat tekeer…

Deze situatie is vanzelfsprekend ook Johan Van Oers bekend:

      
Zij zegt moeder tegen de dochter
      die tweemaal in de week langskomt…

‘Zoveel vragen’ van Wim Menheer, vangt aan met het kwatrijn

      
Zijn kamer staat op stelten
      Hij neemt geen blad meer voor de mond
      Sinds hij de geest aanroept die vingers kromt
      En mieren in het hoofd zich melden…

Het gedicht ‘Doe maar’ van Johan Van Oers uit ‘Het afscheid…’ geeft hierop een
antwoord:

      
Maar wees gerust.
      Ik jaag de dieren van je laken weg.
      Ik zal je overleden kind zijn.
      Ik dweil het water.

‘Hij sprak een taal van as en teer’, lezen we in het gedicht ‘Vriend’ uit de bundel
‘Bijna thuis’. De poëzie van Wim Menheer is eveneens een taal van as: zij
verzamelt wat uiteen viel, wat overblijft na het opbranden en maakt hieruit
kleine monumenten; zij is ook van teer, want teer is taai, bewaart, verstevigt.
Naast indringende gedichten schrijft hij eveneens cursiefjes die voornamelijk
gepubliceerd worden in Verba, is de auteur van de verhalenbundel ‘In de
schaduw van de eik’, van de thriller ‘Het purperen oog’ en van een eerste
dichtbundel ‘Spoorloos’.
Geregeld worden gedichten gepubliceerd in literaire tijdschriften. Tot hiertoe
boetseerde hij zijn gedichten meestal in blanke of vrije verzen. Enkele
fragmenten:

      
Nu hij liggen blijft en het land
      zich ademloos verwondert
      trek ik stap voor stap
      mijn spoor van krakende verminking
      langs de bekoring van het vlekkeloze (…)
      Takken buigen onder repen suikerspin
      en boven streperige velden
      tussen stiltes door
      slaat een molik in smoking de maat
      voor het losgeslagen kraaienkoor.

(Uit het gedicht Eerste sneeuw)

Uit het met de derde prijs in de Concept-Poëzieprijs 2004 bekroonde gedicht
Jeugd:

      
Toen was oorlog een vreemde naam,
      angst het knippen van nagels door moeder
      weerzin een naderende lepel levertraan        
      en geluk
      de dagelijkse spurt met vader tot de hoek…

De laatste tijd kneedt Wim Menheer zijn gedichten in de vorm van het sonnet,
zo ook het gedicht Snoeister, geïnspireerd door een bezoek aan Sudeley Castle
in Engeland. De dichter vertaalde het zelf in het Engels en in die versie werd
het opgenomen in het tijdschrift van bovengenoemd Castle.
De scherpe waarneming verraadt ook hier het oog van de fotograaf:

      
Tussen schuivend volk, mouwen bollend opgestroopt,
      gevangen in het carré van buxushoven
      kent zij slechts de taal van rozen
      duwt zij teder stengels weg en buigt het hoofd

      alsof zij luistert naar hun hart
      en haar vingers glijden langs de stelen
      en ik weet, de traagheid van dat strelen
      maakt doornen rozenzacht…

Wim Menheer is lid van de literaire vereniging Mengmettaal, behaalde in 1997
de tweede Poëzieprijs van Tongeren en in 1998 de derde Poëzieprijs van Sint-
Truiden. In 2000 ontving hij de Jeanne Van de Putteprijs voor Poëzie van de
stad Blankenberge (met het gedicht  Meisje uit de latere cyclus ‘Bijna thuis’) en
in datzelfde jaar kreeg hij voor "De rog" een eervolle vermelding in de
Poëzieprijs van de stad Oostende rond het opgelegde thema ‘Ensor’.
In 2003 werd zijn inzending voor de Poëzieprijs van Merendree, het manuscript
van ‘Bijna thuis’, beloond met een eervolle vermelding. Daarvoor had hij de 24
gedichten omgezet in …sonnetvorm, zoals ze nu uitgegeven werden. Voorzeker
geen makkelijke klus. Gedichten in een voorgeschreven vorm gieten vraagt heel
wat discipline.

De sonnetten van Wim Menheer tellen, zoals voorgeschreven, veertien verzen,
onderverdeeld in twee strofen van elk vier regels, kwatrijnen genaamd (samen
het octaaf), gevolgd door twee strofen van drie regels, twee terzetten (samen
het sextet).
Ze zijn echter veel vrijer dan het klassieke sonnet, dat voor elke versregel 11 of
12 lettergrepen of alexandrijnen vereist. Hier telt men soms zelfs maar drie
lettergrepen per regel. Ter illustratie van deze vaststelling twee terzetten uit
het gedicht Tram:

      
Ik zei dat hij nu snel zou komen
      En minzaam
      Knikte zij met scheve wang.

      Opgericht voornaam
      Met zandgestraalde ogen
      Liep zij verder door de gang.

In het klassieke sonnet gebeurt er een ook wending tussen de twee kwatrijnen en
de terzetten, niet alleen wat het rijmschema betreft, maar ook naar de inhoud.
Geven de eerste acht versregels de vaststelling weer, in de zes volgende regels
komt het besluit of de toepassing aan de orde.
De dichter heeft hier het strenge schema van het sonnet naar eigen gevoel
aangepast, wat zijn goed recht is. Deze werkwijze doet geenszins afbreuk aan
de kwaliteit van de gedichten. Het rijmschema volgt wel strikter de
voorgeschreven regels. Meestal is dit als volgt: abab/cddc/efe (of efg) en
nogmaals efg (of gfg). Het is een grote verdienste dat het rijm nergens stoort en
nergens voorspelbaar is noch aan rijmdwang onderhevig.

Met ‘Bijna thuis’ is ons poëtisch landschap verrijkt met een degelijk, volwassen
en waardevol werk over een moeilijk en delicaat thema. Tot besluit volgt hier
het aangrijpende slotgedicht "In zijn huid" in zijn geheel:

      
Wat is hij vriendelijk die grote jonge man
      Eindelijk eens een vriend om mee te praten
      Ook al heeft hij een hoofd met wel vier gaten
      En een bliksemoog, ik zal hem volgen in de gang

      Zo geraak ik hier weg en de straat op,
      O neen meneer, naar ons huis is het niet ver lopen
      Misschien kan ik mijne Robbedoes nog gaan kopen
      Bij dik Marieke met haar paarse kop,

      Neen, ga nu niet weg, luister naar wat ik zeg,
      Ik heb een broer die koning was meneer
      En mijn zoon, jawel, die van op ’t behang,

      Die ging om brood en kwam nooit weer,
      Laat me niet alleen, geloof me ik ken de weg,
      De gang, die deur en dan de straat, en dan en dan…

juli 2005

      
(geplaatst op 21-07-2005)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.