François VERMEULEN
(© François Vermeulen)
François Vermeulen  °1952 is een erg gedreven en productief auteur.   Als uitgever van
Eigen-Zinnige publicaties, publiceerde hij o.a.: De Ganzeveer (zesmaandelijks tijdschrift
1987-1997), Eigen-Zinnig (driemaandelijks tijdschrift 1996-2001),De aandelen (1997),
Kortloop (1998), Fly-fly-why (1998), Woordpoort naar 2000 (1999), Diptiek (2000),
Nevertheless (2000, ill. Ineke Dalman), Contouren (2000) ISBN 90-805664-1-1, De
Laaglanden van de Verbeelding (2000, met Rose Vandewalle, Francis De Preter, Hannie
Rouweler en Rita Bongaerts) ISBN 90-805664-2-X, Een onvermoeibaar missen (2001, met
Bert Bevers, Roger Nupie en de fotografen Leen Cools, Inge Taeymans en Inge Van
Dooren), Galopvaardig (hinnik mee) (2001) ISBN 90-805664-3-8, SSSNIPPERSSS (2002)
ISBN 90-805664-4-6. Black Sun Town (2002, Annmarie Sauer), Hoefgetrappel onder het
zwerk (2002, met Sven Cooremans, Carl De Strycker), Het Schone Landschap der Verzen
(2003), Sporen (2003).
Hij heeft ook een website te bezoeken op het adres:
http://users.pandora.be/francois.vermeulen1/index.htm.
Over zichzelf zegt hij op zijn website: " Ik probeer in mijn gedichten een verhaal te brengen.
Als salonrevolutionair heb ik regelmatig de drang om wat sociaal engagement in mijn
teksten te verwerken en het existentiële is ook nooit veraf. Ik voel geen behoefte om het
'onzegbare trachten te benoemen' en nadenken 'over de werkelijkheid en de ervaring van
de werkelijkheid' bezorgt me hoofdpijn.  De werkelijkheid is irreëel: je staat aan de rand
van een bos, de zon schijnt maar er zijn wat wolken. Je kijkt naar het prachtige groen van
de bomen. Telkens de lichtinval wijzigt krijgt het groen van de bladeren een andere tint.
Waarom ik schrijf? Niet omdat het moet want dat veronderstelt dwangmatigheid en daar
lijd ik gelukkig niet aan. Het is de combinatie van drang met inspiratie. Ik ga niet voor een
leeg blad zitten met de gedachte 'hier komt zo meteen een gedicht tot stand'. Veeleer moet
ik het hebben van een 'spontane opwelling' en dan is het snel zoeken naar pen en papier.
Mijn gedicht is het neerschrijven van een momentopname in een bepaalde
gemoedstoestand. Een uniek gebeuren? In ieder geval verander ik achteraf weinig aan de
tekst en de structuur. Hoe meer tijd verstrijkt hoe meer ik van het gedicht vervreemd. Ik
kan die ervaring niet herbeleven. Er blijft enkel de herinnering aan dat ontstaansmoment
en die is te subjectief gekleurd. Het is een houdbare doch lastige situatie want een gedicht
is nooit af, perfectie bestaat niet. De dichter droomt van het ultieme gedicht zoals de surfer
wacht op 'the ultimate wave'. Een mooie leugen, een bewust zelfbedrog, want het kan -
gelukkig - altijd beter."
In de bundel "sssnippersss" komt deze poëticale geaardheid naar onze mening het best tot
zijn recht.  En dat vond blijkbaar ook Aleidis Dierick die het werk grondig analyseerde.


EEN WINTERTUIN.  DE SPOREN VAN KINDERSCHOENEN door
Aleidis DIERICK (*)

De dichtbundel SSSNIPPERSSS (2002, ISBN 90-805664-4-6) van de
Antwerpse dichter François Vermeulen omvat, tussen de cyclus INTRO (één
gedicht) en de cyclus OUTRO (één gedicht), vijf cycli van wisselende lengte en
zwaarte; alles samen drieëndertig gedichten; een intrigerend 'dagboek' van een
romantisch, eenzaam man. In het openingsgedicht 'Bibliotheek' tracht de dichter
vat te krijgen op de hem toegemeten ontplooiingsruimte en op de hem toegemeten
tijd. Is er een haven, een landschap, een klein eiland van tijdeloosheid waar hij
tot zichzelf kan komen? We kennen Slauerhoff 'Alleen in mijn gedichten kan ik
wonen. We kennen Marsman 'dit is de ruimte waarin ik wil klinken' . We kennen
Du Perron 'misschien komt alles voort uit de geur van het papier'. Altijd hebben
dichters de grenzen afgetast, hun ruimte afgebakend. Niet toevallig opent deze
dichtbundel met dit gedicht. Zal de dichter in deze ruimte tot zijn recht komen?
Fier zijn rug- kunnen strekken? Aan de tijd ontkomen? Zal de ontvankelijke
lezer zijn boek open-slaan? Zal het gedicht beklijven? Worden beiden, dichter
en lezer, opgetild tot een hoger bewustzijnsniveau. Worden beiden beklimmer
van deze bundel die een, met inspanning en geduld, 'te nemen heuvel' is?

Bibliotheek

In deze ruimte
viert kennis aan de lopende meter.

De tijd heeft geen vat
op het geduld van boeken,
hun ruggen fier gestrekt.

De lezer waadt nieuwsgierig
door de geur van inktwoorden,
elk boek een te nemen heuvel.

In deze ruimte
stijgt het soortelijk gewicht van bewustzijn. (pag.6)

De tweede cyclus heet KLEM TONEN. De dichter aarzelt waar hij de klemtoon
zal leggen. Hij bezint zich. Hij maakt balans op. Zijn machteloze opstand is
toonloos; 'mokers1agen op dons'. Hij zit klem. Als een ziekte is het 'innerlijk
gevecht'. Deze cyclus van vier gedichten is een monoloog. Hij stelt vragen aan
zichzelf maar hij stelt ook zichzelf 'in Frage'. Het huis van de jeugd is
onbewoonbaar geworden. Liefde bleek een illusie al blijft de dorst naar liefde.
En die dorst kwelt méér dan ooit. Zelf ligt hij uitgegoten 'als water' en hij
spiegelt de eigen eenzaamheid én de eenzaamheid van het tijdsbestek waarin hij
leeft: 'lege handen en ziel'. In deze eenzaamheid; welke toon zal hij aanslaan?
Vermeulen schrijft - en meteen geeft hij het grondthema van zijn werk aan -
'hoe moet ik verder, waar hoor ik thuis'.
Uit deze poëzie spreekt een sterk gevoel van ontheemd-zijn. 'buiten schuift een
vreemde wereld voorbij'. In hem is 'een geladen stilte', de stilte van 'een
dennenbos'. Van dit bos zijn de vruchten hard en oneetbaar. Maar ook duurzaam
en, op een bepaalde wijze, mooi; symbool voor de poëzie waarin en waardoor de
dichter op zoek gaat naar de eigen kern. Hij wil 'boetseren', werken aan een
'zelfportret'. Het is een queeste waaraan hij niet ontsnappen kan, het is
'schrapen van vele lagen'. Als het leven kantelt naar een nieuwe levensperiode is
de zoektocht naar zichzelf een 'noodzaak', een koorts. Vermeulen heeft die
'noodzaak' aangevoeld. Hij heeft de uitdaging aanvaard. De-ze poëzie is er de
neerslag van; van zijn worsteling met de verstikking. Er is hoop op 'dageraad'.
De dageraad is goed, 'hij schenkt u goede vogels'. Het beeld van de vogels doet
hem opwaarts kijken. Het geeft ruimte aan zijn blik. Maar de eenzaamheid van
de dag keert zijn blik naar binnen. Er is 'in een zee van egoïsme geen warme
'geborgenheid'. Het leven, als een ongeschoren gelaat, verwondt hem. Waar is de
ruimte waarin hij: 'kan klinken? Het verweer van een dichter is het woord;
daarmee 'trekt hij cirkels' rond  de chaos van zijn leven. Hij tracht te
ontsnappen aan 'andermans banaliteit'. De zwakte van de dichter is -altijd-  zijn
openbaringsdrang; zijn behoefte tot onthullen. Of hij begrepen wordt, moet hij
weerloos afwachten. Uit dit dilemma tracht ook F. Vermeulen te ontsnappen. Hij
maakt voornemens. op een dag'. 'op een dag' zal hij alles achterlaten, wortels
doorsnijden, zijn 'roots' verloochenen. Ja, op een dag zal hij 'de Rubicon
overtrekken. "Alea iacta est"; de teerling is geworpen. De eerste cyclus is
voltooid. De dichter, kan hij wortel-loos verder?
Aansluitend op dat 'overtrekken' volgt de cyclus OVERTROKKEN. In
vergelijking met de vier gedichten van KLEM TONEN, die sober van vorm zijn,
compact en verdicht, is Overtrokken, inderdaad, overtrokken. De gedichten
beslaan haast de hele pagina. De mededelingen deinen uit. Wijdlopend wordt de
'MISS VROUW' beschreven; zij is 'aanwezigheid' die doordringt in de zijne.
Het 'observatievermogen' blijft haperen aan de oppervlakte, aan de buitenzijde.
'oogcontacten, 'neusje in de wind', 'schaamteloze blik'; het leest vlot weg. De
lezer deint wat mee met deze Spielerei en wordt dan ook, door de slotregels,
opgeschrikt 'tot ik uw dood /laat volgen'. De dichter bezit de macht om een
'aanwezigheid' op te roepen. Hij bezit ook de macht om te 'doden'. Doodzwijgen
is zo'n middel. Het gedicht krijgt plots een wrange wending. De slotzin is de slag
van de afgewezene. En ver-mits de afgewezene een dichter is wordt de slag niet
toegebracht maar verinnerlijkt en verwoord. 'als mokerslagen op dons is uw
opstand'. Doeltreffend?
Nog méér is het gedicht KERMIS, het tweede gedicht van deze cyclus, een
eenzijdige belevenis, hoe sfeervol de kermis ook wordt opgeroepen. De
krachtpatserij en de sfeer vindt weerklank in de 'overtrokken' stijl van het
gedicht, in het machogedrag van de bewonderaar die zijn 'Liefste' zal redden
van 'skinheads, gelederde pakkenmannen' en ander tuig. Vermeulen roept de
schilderijen van Ensor, op. Een kermis met 'verhitte Ensorgezichten'.  
Inderdaad. Het derde gedicht verwoordt een kort ogenblik van geluk; twee
voorbijgangers zeggen de dichter 'spontaan goeden dag'. Dit maakt de dichter
haast sprakeloos van ver-wondering en geluk. Het treft hem tot in de
vereenzaamde ziel; dat dit nog bestaat. Dat dit hém kan overkomen. De geuite
gevoelens zijn wellicht ook 'overtrokken'; toch ontroert het gedicht. Het
verwijst tevens naar 'het jongetje' dat, in deze dichtbundel, op elke bladzijde
aanwezig is. De vijftigjarige dichter is kinderlijk gelukkig om die groet in die
'verlaten straat'. Een kinderhand is gauw gevuld. Geluk is schaars. Een zeldzaam
kruid. De wereld is een koude woonplek. De nacht wekt de demonen. De dichter
heeft geen verweer tegen de vreselijke, uit het dagdagelijkse geboren, beelden,
tegen de 'gemeenste woorden', tegen 'de vreemdste gedachten. Hij moet het
ondergaan en beleven hoe dicht vriendschap en moord bij elkander liggen. Een
bizarre wereld die pijnlijk bijblijft en de dag bepaalt. Vermeulen noemt die
demon 'de nachtloper'. Hij 'klopt', 'stuwt' en 'hapert' in zijn hoofd als een
renner op een innerlijke piste. Het einde van de nacht brengt de troost van
'daglicht'. En het kortstondige geluk 'van vroege vogels'.
In de vierde cyclus plaatst Vermeulen zes gedichten onder de titel
SMELTLEVEN. Smeltleven, smeltkroes, smeltijs. Het leven ontglipt hem, de
vijftigjarige. Hoe steviger men grijpt, hoe vormelozer het wordt; mensen, leven,
land. Wie wil niet, als Marsman,"groots en meeslepend" leven. Ook Vermeulen
leeft in dit laagland, kijkt ernaar, beoordeelt het vanuit zijn verlangen naar
ruimte:
    
Schittering

Ik ken dit land
waar voetstappen terugkeren
naar zomers vol sproeten,
motten rond de avondlamp.

Hij kent dit land. Hij is er kind geweest, in het dorp aan de bruine rivier. Hij
herinnert zich speelgoed, kinderkleren en braafheid. Hij ziet het zoals hij
vroeger TV keek: zwart-wit. Vooral zwart. Kleinburgerlijk. Aardegeur. Alleen
op postkaarten schittert het.

Ik ken dit land
waar ineengeslagen handen
kleinburgerlijkheid dragen.
Het schittert op postkaarten.


Hij is vijftig; hij is te oud om van dit land de kleinheid niet te zien. Hij is nog
veel te jong om van dit land te houden. Hij stoot zich. In het gedicht LEVEN
verwoordt hij hoe hij dit 'leven' ondergaat 'Een vuil spel wordt gespeeld'.
Willens nillens wordt men in dit 'spel' betrokken, wordt men zelf 'kameleon',
'spin' en puttengraver voor de andere. De dichter wendt, van zijn spiegelbeeld,
beschaamd de ogen af. Hij weet het, ieder is én 'slachtoffer' én 'dader'. Als
smeltijs verdwijnt schoonheid en grootsheid. Hij zit klem. Vindt hij een
medemens waarbij hij weerklank vindt? De medemens is leeg; hij heeft,
'stadslichten /in het hoofd'. Mensen 'koeren als rare vogels', 'zij verstrooien
zichzelf'. Verstrooien en vergooien in een wereld zonder dankbaarheid . Mensen
'bijten steels/in de hand/boven hun hoofd'.
En de aarde 'triviaal schuivend/door de kosmos' is een 'open wonde'. De
pijnkreet van die verknoeide aarde wordt door het 'oor' van de dichter
opgevangen. Verwij-zend naar de theaterwereld noemt hij het bestaan 'een
éénakter/met verknoeide première'. Dit is een sombere cyclus. De dichter
beleeft zijn wintertijd, 'de tuin ligt verlaten/de heg vol wintergaten'(..) 'ik ben
de tuin'. De 'wintermus' lijdt honger en koude; 'ik ben de mus'. Als kind van een
verwarde, post-christelijke tijd voegt hij er geen verwijzing naar bijbelse
beeldspraak aan toe. Er is geen hand die de mus koesterend omvat. Om zich te
warmen heeft de dichter slechts de eigen 'vacht'. Om te zingen heeft hij slechts
de eigen toon 'diep in de vacht/hoge noten zacht'. Ook van de 'liefste' leeft hij
'door een oceaan gescheiden'. Niemand heeft 'weet van de ander'. De dichter
heeft een 'somber gewei'. Hij is een boom met 'neerhangende takken. Hij treurt.
Hij betreurt wat hem door de handen is geglipt; de eenvoud van het kind-zijn, de
hoge verwachtingen van de jongenstijd. Hij schrijft onrustig en gekwetst zijn
'nutteloos eindpleidooi'.
Niet onverwacht heet de vijfde cyclus VREEMD HOUVAST .
De mens, ook de dichter, is ongeneeslijk hoopvol. Dichten is een
bewustwordings-proces. Inkering. F. Vermeulen keert in tot zichzelf in
Sluitingstijd.

Het is sluitingstijd in mijn hart-
dat onverwarmde nest,
in de steek gelaten,
mijn zachthart aan lagerwal
-van geen langer nut-

Hij zet de verloren illusies op een rij. De eeuwige liefde is zeer tijdelijk
gebleken. Op zijn gevoelens wil hij niet langer bouwen. Hij kan er niets voor
kopen op die luidruchtige markt van het leven

ik stop met het assembleren
van gevoelens die als kleingeld
in mijn broekzak rammelen

Eén ding heeft hij nog: zijn 'onvervulde wensen'. En, op een vreemde wijze,
blijven die een houvast. Hij is geenszins uitgeblust. Wel integendeel. Dichten
opent nieuwe deuren. De man die "le démon du midi" in zijn nek voelt blazen,
tast de mogelijkheden af; als GEILBAARD legt hij 'om haar en terug, /de lussen,
de vicieuze cirkels, /en de spiralen van de verleiding'. Hij bouwt  zijn'
luchtkasteel' en wijdt zich aan de versiering 'steen na ..steen', 'couche na
couche' en aan het bewonderen en bezingen van 'ogen, lippen, een fijn oortje'.
Heel koeltjes bedenkt hij ; ze lopen er toch telkens weer in, in mijn versierd
luchtkasteel. Blijft de vraag: wie is de jager, wie het wild? In het gedicht
DREUN is alvast de dichter de opgejaagde 'Als opgejaagd wild, hortend, /werd
ik het struikgewas ingedreven'. De romantische sterren en de galopperende
paarden (in dit geval bisons) maken blijkbaar veel goed. Tijdelijk verwijlt de
dichter in 'het tijdperk JIJ! Plots, in dit tijdperk, stoten zich twee vliegtuigen
in twee torens. In deze cyclus krijgt die gebeurtenis een vreemde betekenis.
Het gedicht NA DIE 11 SEPTEMBER stelt een abrupt einde aan de erotische
verzencyclus. Alsof de dichter beseft dat hij zijn 'houvast' niet in die warme
binnenkamers zal vinden nu er een nieuwe papavertijd,  een nieuwe
oorlogsperiode is aangebroken

Liefdeswoorden
zweven als
papaverbloemen
in een vacuüm

In dit vacuüm past slechts 'de passende stilte' na de schok om het
onvoor-stelbare. En de liefde de papaver, de bloem van één dag, de bloem die
men niet plukken mag, verijlt tot een handvol rode snippers. In SLAPELOOS
woelt de weemoed om de 'verloren tijd'. De voetstappen klinken niet langer op
'de oude overloop'. De kamers van vroeger zijn leeg, onbewoonbaar. Deuren
staan open. Wind is 'tocht' geworden. ln het fluweel 'van de wandtapijten' liggen
de beelden van het verleden verweven. De sikkel van de maan klieft de dromen.
Er is in deze poëzie veel verlangen naar geborgenheid. Vermeulen lijdt aan een
'verward wereldbeeld'. Was vroeger alles eenvoudiger, trager, warmer?  Was
er vroeger geborgenheid?
In de cyclus (V)LAGEN VAN GEBORGENHEID vervolgt de dichter zijn
zoektocht.
Vreemd genoeg, en om een 'vreemd houvast', grijpt hij terug naar het verleden,
naar de roots, de wortelstok. Besef daagt soms bij het vinden van een foto; 'dit
is mijn moeder', zei moeder'. Dit is het begin; de grootmoeder, de oermoeder.
De vrouw met het witte haar die negentien kinderen baarde, die verbonden was
met de aarde en met de hemel. De ongenaakbare, hard. Als we haar waarde
beseffen is ze al weg. Als we geluk hebben is er nog dé moeder die een
vergeelde foto toont en zegt 'Dit is mijn moeder'; het zou betekenen dat de
band niet doorge-sneden is, dat de weg ergens vandaan komt en ergens heenleidt.
Klem-TONEN. Muziek!
Vermeulen laat de muziek van de kindertijd klinken in STRIJK-ENSEMBLE. Hij
roept het ritme en het ritueel op; wasdag, droogdag, strijkdag. Het glijdende,
strelende strijkijzer wordt tot strijkstok. En 'tussen de plooien door geeft de
moe-der het toekijkend jongetje wijze levenslessen. Voorlichting. Hoeveel moed
ze daarvoor moest opbrengen kunnen huidige generaties niet beseffen. Ze dééd
het. Omdat ze haar plicht wou doen. Vermeulen heeft het ontroerend verwoord.
In deze koel-beschrijvende cyclus zit veel oprechte warmte. Hij registreert: En
het gaat hem ter harte. Hij roept op wat hij verloren waande, hij her-ijkt wat
hij, jeugdig , terzijde had gelegd. Als kleine jongen was hij al toeschouwer. Hij
zag zichzelf zitten en wist dat hij er niet in paste, in die 'ongemakkelijke
zondagnamiddagen' in die 'oases van eenvoudig huiselijk geluk'. Vooruitlopend op
later observeerde hij reeds. Dat plaatst hem buiten de kring. Hij wil 'grenzen
verleggen'. Toch zijn dit, ook voor een toekomstig dichter, onmisbare en hoogst
belangrijke jaren. In alle poëzie vindt men die kindertijd als basis en houvast
terug. Het eerste buurmeisje, de eerste kus, de slagers van toen, de films, de
haar-dracht. Wie vijftig is, begint terug te spoelen, de film ontrolt zich
achterwaarts, tot aan het begin. Daarom opent deze cyclus met het gedicht
Grootmoeder. Het is een lange 'levenslijn'. Een tocht waarbij ook de vrouw, de
zoon, de dochter zijn betrokken. Toch blijft de dichter 'een eiland', zij het
verzorgd en gevoed door de 'bezorgde, geduldige geliefden.

Soms sturen zij een lieve boodschap
een boot met picknickmand. Etenstijd!

De kwelling bestaat in die 'golvende zee /van bladzijden, wat heet onbegonnen
werk. Het uitdagende, witte blad. Het onvermogen tot formuleren. Het gebrek
aan inspiratie of moed. We lezen het in deze bundel, tussen de regels.
De zevende cyclus (drie gedichten) heet dan ook, duidelijk, SURPLAS 50. Wat
heeft Vermeulen gezocht?Waarheen heeft het hem gevoerd?

er tast een jongetje
aan de randen
van zijn universum

kranig en kerels
omarmt hij
de goede wereld

ongelovig, bijna
een halve eeuw later,
de voetsporen eigen

uitgewist
door de dwang
te herkennen


Hier vat de dichter samen wat uit geduldige lezing duidelijk werd. Gedreven
door de drang naar zelfkennis liet hij veel achter, maakte grote bochten,
bewandelde zijwegen. Hij moet de snippers van het verscheurde bijeenrapen, en
'herkennen' en aanvaarden. Hij voelt dit aan als een Ter plaatse; een toestand
van schijnbare stilstand, die, uiteraard, tijdelijk is. De bedoeling van een surplas
is het winnen van de wedstrijd. Wat niet wegneemt dat het een pijnlijke periode
is. Een halve eeuw is een zwaar gewicht. Daarbij komt, voor de dichter, het
periodieke proces van 'ontbolsterd' en 'pitloos' staan, prijsgegeven tot in de
kern aan een onbegrijpend en verbijsterd publiek. De uitgave van een
dichtbundel is als het incasseren van een vuistslag; 'mijn verzoeknummers/
lachend geweigerd'...Zijn gevoelens ontbloot: 'naakt sta ik'; een openbare
biecht, 'huid over geweten'! Vermeulen schrijft 'schiet op de pianist', hij weet
dat hij niet op vergoelijking moet rekenen. De goegemeente wil desnoods dansen
op slechte muziek maar zij wil door poëzie niet worden verontrust. Vermeulen
spreekt van 'een zurig verval' dat de mensheid heeft aangetast.Hij vergelijkt
het egoïsme met een ongeschoren mannenkin. Dit verwondt hem

deze ongeschoren
wereld raspt
over mijn ziel

Een wereld die de voetsporen van kinderschoenen heeft uitgewist kan geen
zachte wereld zijn. Weinig dichters durven het woord 'ziel' neerschrijven;
daarbij de wereld berovend van haar sterkste en diepste kern. In de
'winter-tuin' heerst, voetdiep, een angstwekkende koude.
In OUTRO tenslotte, besluit Vermeulen zijn dichtbundel met een schrijnend
portret 'De schrijfvazal'.
De 'bibliotheek' is hier tot 'boekenfabriek' verworden. De bedoeling is: 'te
scoren' wat uiteraard leidt tot verkramping en tot het produceren van
'functionele banaliteit'. In dit gedicht is de dichter 'een dromer'; wat hij juist
niet mag/kan zijn en komt hij nauwelijks met de hakken over de woordsloot'. Het
is geen fraai beeld dat Vermeulen hier ophangt. Het is een gedicht vol bitterheid
en teleurstelling. Komt daarbij de mannelijke paniek om die vijftigste verjaardag
en het opdoemen van de gevreesde, zij het onbekende bejaardheid. En 'onrust
graaft als een worm'.
Als dit gedicht bedoeld is als zelfportret dan heeft de dichter het met veel
moed, genadeloos, uitgetekend. Misschien is dat, even, de juiste therapie maar
'Schrijfvazal' zijn is geen schande, wel noodlot. Eens ontdooit de wintertuin.
Dan komen voetsporen aan het licht.
De vraag van de dichter 'hoe moet ik verder, waar hoor ik thuis' kan alleen
hij-zelf beantwoorden. Niemand kan voor hem, de snippers verzamelen en er een
nieuwe wegenkaart mee samenstellen. Daarom stelt hij zichzelf die vraag.
Dit is een sterke dichtbundel. De intelligente en geduldige poëzielezer zal het
alvast uit het hoofd laten om te schieten op deze pianist! Met SSSnipperSSS
heeft Vermeulen zowel voor 'het jongetje' als voor de rijpe dichter een plaats
veroverd in dat land dat nooit zijn 'schittering' verliest: het land van de poëzie.
SSSNIPPERSSS vraagt een dosis inlevingsvermogen.We geven de lezer de
beproefde raad:

" Wer den Dichter will verstehen
muss in Dichters Lande gehen." (Goethe)

(*) Aleidis Dierick °1932, dichteres, essayiste, publiceerde negen bundels, met als meest
recente Het Vrijgeleide (2001).  

Deze tekst verscheen eerder in Stroom nummer 6,  E-Zine van François Vermeulen.

(geplaatst op 04-09-2004)
ssSSNIPPERSSss van François
Vermeulen.  Antwerpen 2002, uitgave
Eigen-Zinnig - 52 blz.
omslagontwerp: de auteur zelf
ISBN 90-805664-4-6-
contact auteur:
francois.vermeulen@pandora.be
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.