KORTVERHAAL VAN EVELINE VAN AMSTEL

SCRIPT

M. was zijn naam. Niemand kende hem nog, maar dat zou weldra veranderen. Hij knoopte
de laatste draadjes van zijn bomgordel vast. De stilte nam hem in bezit en hij gaf zich
begerig aan haar over. Zijn naam zou nagalmen in het weergaloos heelal. Hij was zojuist
met haar getrouwd en belofte maakt schuld. Zij had hem verleid met haar gesplitste
vurige tong. Ooit was zij een engel geweest en nog was zij als een engel des doods. Maar
haar val was diep geweest. Vanuit haar hemelse tent was zij neergestort op aarde, maar
een gloed had zij behouden. Door deze gloed werd hij nu bevangen. Niemand, maar dan
ook niemand zou hem nog kunnen weerhouden. Zijn ziel was reeds de hare. Ze wacht op
hem totdat hij komt. Zijzelf kan niets doen. Machteloos zal zij toe moeten kijken. Ja, hij
is nu zelfs machtiger dan zij. Zij heeft hem nodig voor de daad van dodelijk liefde voor
haar. Hij prevelde iets. Riep hij haar? Deed hij een poging om nu al een te worden met
zijn geliefde. Maar zij was nog ver. Slechts een ster die fonkelde en lonkte en die het
heelal met haar verleidelijke licht probeerde te bemachtigen.
De douanier bekeek zijn paspoort aandachtig. De enkele reis  New York had geen
argwaan gewekt. M. vertok geen spier. Hij was wonderbaarlijk rustig. Het liegen ging
hem goed af, alsof hij nooit anders gedaan had. Het leek alsof het zijn tweede natuur was
of eerder zijn ware aard eigenlijk. Zou hij de waarheid gesproken hebben, dan zou hij in
paniek zijn geraakt. Het liegen maakte hem rustig. Zijn ziel was reeds daar waar zij in
haar dodelijke gloed op hem wachtte. Hij voelde zijn macht groeien en keek de douanier
minachtend aan. Een worm was hij slechts. Een hand vol stof niets meer dan dat. Nog
nooit had hij zich zo goed gevoeld als nu, goddelijk. Zijn hand zou straffen en de
ongelovige zou terugkeren tot stof en as. Het zou worden als de dagen van weleer, nog
ver voordat hemel een aarde geschapen waren uit het Niets. Tot het Niets zou de mens
terugkeren. De ongelovige wist niets van de gloeiende liefde tot de verleidster.  Hij
geloofde immers niet en kon ook niet zien en weten zoals hij. De douanier deinsde bij zijn
aanblik achteruit. De priemende ogen beangstigden hem. Snel liet hij hem door, zonder
zijn taak naar behoren te vervullen. Tot hij uit zicht was, haalde hij opgelucht adem.
De adem van M.  was niet gestokt. De regelmaat van zijn ademhaling  verried zijn
goddelijke rust. De rust die een ander slechts in het hiernamaals zou kunnen ervaren. Hij
maakte er reeds deel van uit, van die andere wereld. Zij, de ongelovigen, ze wisten niet
waardoor een mens gedreven kon worden. Hoe goddelijk zijn opdracht was. Zij keken,
maar zagen hem niet zoals hij was. Zij luisterden, maar hoorden niet wat hij zei. Talloze
keren had hij zijn dreigementen over de wereld laten gaan. Gelachen hadden ze. Niet
wetend en ongelovig. Wereldkundig had hij het gemaakt. Met naam en toenaam had hij
zijn plannen ontvouwd, maar zij hadden niet geluisterd.  Zij zouden weldra van hem horen.

(geplaatst op 20-12-2007)

terug naar boven
© 2002/ 2007 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.