EEN KORTVERHAAL VAN VALDEMAR ROODKLAUW

De porseleinen pop

Kleine dampwolkjes losten op in de koude avond terwijl de koetsier zich al wrijvend
probeerde warm te houden, wachtend op het moment om naar huis te rijden. Eindelijk ging
de kasteeldeur open.
‘Dan geloof ik dat we tot een overeenkomst gekomen zijn’, zei de oude landheer Goidens.
‘Gefeliciteerd met uw aankoop, meneer Musorfsky.’
‘Bedankt’, Ferdinand schudde de knokige hand van de landeigenaar.
‘Ik hoop dat u het fijn zult vinden in het kasteel van Horsteau.’ Met een brede glimlach
trok Goidens de wandelstok onder zijn arm en draaide zich naar de edelvrouw. ‘En
natuurlijk u ook, mevrouw Musorfsky.’ Hij maakte een nogal hoekige buiging en drukte
een kus op de rug van haar hand.
‘Ik ben er zeker van dat dat geen probleem zal worden, heer’, zei ze. Ferdinand zag de
blos.
‘Mijn neef Wout woont amper twintig kilometer ten westen van hier in een dorpje dat
Harof heet. Hij zal u helpen mochten er zich problemen voordoen. Mij kunt u soms vinden
in Imnea maar ik ben vaak weg voor mijn werk, dus is het beter dat u hem contacteert
bij een probleem.’ Goidens haalde zijn hoed van de haak en plaatste hem op het van
oranjekleurige vlekken voorziene kale hoofd. Enkel de grijze plukjes haar bij zijn oren
kwamen onder de rand tevoorschijn. Uit een van de zakken van zijn overjas diepte hij een
goudblinkend horloge op. ‘Mijn koetsier zal mogen doorrijden als we voor tien uur in
Imnea willen aankomen.’ Behendig klikte hij het klepje dicht en liet het horloge met het
fijn geweven kettinkje terug in zijn zak glijden. ‘Nog een goedenavond aan u beide.’ Met
de wandelstok duwde hij zijn hoed ietsje omhoog en stapte vervolgens de treden van het
kasteel af naar de zwarte koets. Ineengekrompen wachtte de koetsier tot zijn meester
aangaf dat ze mochten vertrekken. Eenmaal gezeten, tikte Goidens op het houten luikje
en terwijl zijn bediende de paarden op dreef bracht, knikte hij even naar mevrouw
Musorfsky, die naast haar man in het portaal stond. Het licht van de rijlantaarn stierf
weg toen de koets de oprijlaan afreed. Voor ze naar binnen stapten, hoorden ze nog hoe
de koetsier de poort tot hun domein met een scherp gepiep achter zich sloot. Ferdinand
vergrendelde de deur.
‘Ga de kinderen halen’, zei hij. De hakken klakten op de marmeren treden terwijl
Josephine naar boven liep. Onderzoekend keek hij door de hal die verlicht werd door de
wandkandelaars en de kristallen luchter die stevig verankerd zat in het hoge plafond.
Aan de muren hingen de familieportretten die hij vorige week samen met de meubels al
had laten overbrengen vanuit zijn landhuis. Daar waar de trap voor hem zich opsplitste,
hing zijn portret dat hij tijdens zijn reis naar Rome in 1770, door een onbekende
Spaanse schilder had laten maken. Het ruiteruniform dat hij daarvoor had gedragen, gaf
het geheel een deftig karakter. Zachte klanken tintelden zijn oren en Ferdinand besefte
dat ze van het muziekdoosje afkomstig waren. Hij had zijn vrouw nochtans gevraagd het
geschenk van Goidens af te zetten toen ze de bibliotheek verlieten. Terwijl hij naar
ginder stapte om het toestel uit te schakelen stopte de muziek echter, de band was
waarschijnlijk afgelopen.
De vrolijke lach van Helena brak de stilte terwijl ze de trap afhuppelde. Ze werd
gevolgd door Josephine en zijn zoon Ardulca die met vaste tred de trappen afstapte.
Helena struikelde bijna toen ze beneden kwam maar versnelde weer voor haar sprong in
vaders armen.
‘Papa’, kirde ze en Ferdinand liet haar op zijn arm rusten. Zoals ze vroeger zoveel uit
nieuwsgierigheid had gedaan, haalde ze haar vingertjes door zijn ruige baard, terwijl hij
haar krullen fatsoeneerde.
‘Hoe vinden jullie het?’ De jongen opende zijn mond maar Helena was hem voor.
‘Geweldig, er zijn veel kamers, en veel schilderijen van thuis en ik heb zo'n groot bed.’
Helena strekte haar armen zover ze kon om te tonen dat het nog groter was, groter dan
de hal als haar armen ver genoeg reikte.
‘Ardul?’ Zijn zoon keek op.
‘Het is een mooi huis vader’, zei hij en even leek hij er iets achteraan te mompelen.
Ferdinand negeerde het.
‘Hoe vind je je kamer?’
‘Zeer mooi, vooral het uitzicht op de tuin bevalt me.’ De jongen had niet willen
vertrekken uit hun landhuis. Natuurlijk had hij dit niet geuit in kinderlijke
woedeaanvallen, zijn zwijgzaamheid zei genoeg. Ferdinand besefte dat hij een jongeman
werd. In de stilte die viel sprak enkel het huis met het monotone gekraak van uitzettende
en krimpende planken.
‘Het is al laat geworden, ik denk dat het beter is dat jullie gaan slapen’, zei Josephine.
‘Morgen staat er ons een zware dag te wachten.’
‘Slaap wel papa.’ Voor ze van de harige arm sprong, drukte Helena een kus op vaders
wang. Ze huppelde de trap op. Zwijgend draaide Ardulca zich om en volgde haar naar
boven.
‘Ik ga ook slapen’, zei Josephine. Ferdinand bleef staan toen zijn vrouw de eerste trede
opstapte.
‘Ik kom zo’, zei hij. Weer werd het stil. Hij haalde de kaarsendover van de haak naast de
deur en begon de vlammen te doven, voor de eerste en – als morgen de bedienden kwamen
– waarschijnlijk ook voor de laatste keer. Zodra de luchter zijn licht niet meer
verspreidde, restte enkel de kandelabers die hun wankele gloed over de portretten
wierpen. De laatste kaarsen die hij doofde waren die naast zijn portret. Even leek het
dat zijn donkerbruine ogen hem vanonder de zwarte helm aanstaarde. Een moment dacht
Ferdinand zelfs dat ze bewogen. Hij glimlachte bij de gedachte dat zelfs na het bloed
dat hij had zien vloeien, een simpele afbeelding op linnen angst bij hem kon opwekken.
Ook die kaarsen gedoofd stapte hij naar beneden, naar het kaarsje op de trapleuning. De
vlam flakkerde toen hij passeerde waardoor deze bizarre schaduwen op de muren liet
dansen. Het geluid van ketsend metaal klonk onverwacht hard toen hij de ijzeren staaf
terug aan zijn haak hing en galmde na in het donkere
huis. Met de blaker ging hij de trap op. Het was nu stil boven, op het zachte koeren van
enkele duiven na. Bovenaan was hij bijna naar links gestapt als hij niet had bedacht dat
zijn nieuwe slaapkamer zich aan de rechterzijde bevond. In de kamer brandde de open
haard nog maar zijn vrouw bewoog niet toen hij binnenkwam. Terwijl hij zich uitkleedde
bedacht Ferdinand hoeveel genot de haard hen schenken zou de komende winter.
Voorzichtig vleide hij zich naast haar van geest beroofde lichaam, en drukte een kus op
haar voorhoofd waarna hij het kaarsje uitblies.

Als sinds de eerste rondleiding had de slaapkamer angst bij Ardulca opgewekt, en nu
werd het nog een tikkeltje akeliger door de kooi van schaduwen die de maneschijn op de
kale muren toverde. De beuk die reeds vele maanden zijn bladeren had verloren, wierp
op het plafond zijn slecht gesponnen web. Wat het precies was dat zijn angst
veroorzaakte wist Ardulca niet. Misschien waren het de gotische ramen met de gillende
cherubijntjes bovenaan, opgejaagd door de demonen die uit de vensterbank naar boven
kropen. Als morgen de bedienden arriveerden kon hij de paarse muren behangen met de
vele landkaarten en enkele boeken die hij bezat. Nu waren het bed en de klerenkist de
enige meubelstukken die de kamer een beetje opfleurden. Het bed kraakte terwijl hij
onrustig de deken wat strakker om zijn lijf trok. Er klonk de roep van een uil die op de
oude beuk neergestreken was en met zijn schaduw de deur bedekte. Enkele momenten
luisterde Ardulca er aandachtig naar en hoorde hij de wind die zich door de tochtgaten
van het huis joeg, en onvermijdelijk kwamen daar de spookverhalen die zijn grootvader
hem ooit verteld had. Het geroep van de uil werd de schreeuw van de reuzenalbatros, die
aan zijn duikvlucht naar peuters begon om deze daarna door zijn jongen te laten
oppeuzelen; en het gehuil van de wind leek erg veel op de zware adem van de dode boer
Antoon als deze, gewapend met een hooivork, de koppeltjes van zijn veld kwam spoken.
Het gerammel en gepiep van de poort werd door de strakke noordenwind naar het kasteel
gedragen.
Bij het horen van een rinkelend geluid schrok Ardulca op. Even keek hij naar de door de
bedstijlen gedragen paardenhoofden om te zien of ook zij het gehoord hadden. Hij was er
zeker van dat er ergens glas gebroken was en nu de stormwind de takken van de beuk
tegen het raam liet tikken, bedacht hij dat het misschien een raam was. Besluiteloos bleef
hij zitten tot de koelte zijn bovenlijf bereikte om dan aan zijn nieuwsgierigheid gehoor
te geven. De haren van het tapijt kriebelden tussen zijn tenen. Hij trok een broek aan.
Door het raam zag hij de uil op een tak zitten. De maan wierp een schaduw over het
hartvormige gezicht van de kerkuil, wiens geeloranjekleurige veren glommen als bladgoud.
De kop draaide langzaam naar rechts en terwijl de zilverglinsterende bek zich wijd
opensperde, stootte de uil een schrille kreet uit en vloog weg. In een tel was hij
verdwenen, opgeslorpt door de duisternis. Doffe voetstappen op de overloop deden
Ardulca opkijken. Snel stapte hij naar de deur.
Aarzelend eens hij de deurknop in zijn hand voelde en terugdacht aan geest Antoon.
Geruisloos opende de deur zich.

Gewekt door de kreet sperde Ferdinand zijn ogen open, en sloot ze even snel voor het
felle maanlicht dat op het hemelbed viel. Het gefladder onder hun raam trok zijn
aandacht. Roerloos en onwetend zweefde naast hem Josephine in een zee van inspiratie,
daar waar ze rovers bestreed, mannen beminde, leven schonk en meer dan eens haar dood
zou vinden. Door het tapijt gedempte voetstappen weerklonken vanuit de gang.
Aandachtig luisterde hij naar het minste gekraak van de planken dat het wezen van een
derde zou verraden. Weer hoorde hij iets; een lichte kreun van pijn op de overloop.
Langzaam stond hij recht. Proberend om zo min mogelijk rumoer te maken, stapte hij naar
de stoel en haalde uit de broeksriem een kromdolk waarvan het heft ingelegd was met
robijnen. Als kind had hij die van zijn vader gekregen bij diens terugkeer uit Spanje.
Gesterkt door het wapen drukte Ferdinand zijn oor tegen de deur. Toen hij niets hoorde,
opende hij zachtjes de deur en stak zijn hoofd in de gang. De schemering die het
maanlicht schonk, volstond net om de magere man op de trap te onderscheiden.
Voorzichtig stapte Ferdinand de gang op. Met grotere passen stappend wanneer de
vijand zich verzette, geraakte hij al gauw op vier meter van de man. Dicht genoeg om toe
te slaan zonder dat de ander een kans op verweer kreeg. Hoog hief hij de dolk en bad in
stilte tot God.

Al een hele tijd had Ardulca het gevoel bekeken te worden en nu er een fluistering klonk
draaide hij zich om. Geschrokken door het spierwitte gezicht van zijn vader en de blik
van woede die in een plotseling ongeloof omsloeg, verloor Ardulca zijn evenwicht en
indien hij zich niet op het allerlaatste moment had kunnen vastgrijpen aan de leuning zou
de val van de marmeren treden hem waarschijnlijk fataal geworden zijn. De dolk
kletterde tegen een trede en met slagen die in de hal weergalmden buitelde hij van de
trap.
Enkele seconden staarden ze elkaar aan. Boven de huilende wind klonk de pendule die hun
leven wegtikte. De confrontatie met zijn half aangeklede zoon had de man met
verstomming geslagen. Een tel later had hij de dolk tussen de schouderbladen van de
jongen gejaagd. De magere borstkast met de korte haren bewoog onrustig op en neer. Er
was geen bloed. Lijkbleek was de jongen die hem angstig aankeek. Schitterend in het
maanlicht lag het wapen op de vloer.
‘Maak dat je in je bed ligt’, zei Ferdinand terwijl hij naar het ronde raam boven de
voordeur keek. Zonder dat raam en de schemering.
‘Ik dacht…’
‘Ga slapen!’ onderbrak hij de aarzelende verklaring. Ardulca boog het hoofd en wandelde
hem geruisloos voorbij. Ferdinand wou de ogen van zijn zoon niet zien. Zeker vijf
minuten bleef hij daar staan, terwijl hij hoorde hoe de jongen zijn kamerdeur sloot en de
poort zijn aldoor durende klaagzang voortzette.

Met geen woord werd er de volgende morgen gerept over wat er die nacht gebeurd was,
en hoezeer Ardulca ook zocht, nergens vond hij een spoor van gebroken glas. Het was een
rustige dag geweest maar toen het schamele avondmaal op tafel stond, werd er zwijgzaam
gegeten; ieder wist dat er iets fout zat.
‘Waar blijven ze toch?’ zei Josephine terwijl ze zenuwachtig voor het keukenraam stond.
“Ze”, waren de drie bedienden en de keukenmeid die normaal bij het ochtendkrieken
hadden moeten arriveren met de rest van de bagage en de proviand. Nu was de avond al
een poos gevallen en nog steeds was er niets te zien van hun huishouding. Het gezin
Musorfsky had zo goed als de hele dag binnenhuis doorgebracht behalve Helena, zij had
met haar pop buiten gespeeld. Tegen de avond was ze smerig binnengekomen en sindsdien
liep ze in haar nachtjapon. Zij had er blijkbaar geen erg in dat de maaltijd enkel uit
kapot gekookte aardappelen en aangebakken varkensvlees bestond – het was jaren
geleden dat Josephine nog gekookt had –, maar aan het gezicht van Ferdinand was af te
lezen dat het hem helemaal niet aanstond. Hij legde het bestek op zijn bord en stapte
naar zijn vrouw. Vluchtig fluisterde hij enkele woorden in haar oor waarna zij een
twijfelende blik op haar zoon wierp. Ferdinand ging terug naar zijn plaats en schonk
zichzelf nog een glas rode wijn in.
‘Ardul morgen ga ik met je moeder naar Wout in Harof, ik wil dat je ondertussen op je
zuster past, begrepen?’ Ardulca legde het bestek op de rand van zijn bord en veegde
zijn mond proper aan het roze servet, waar nog wat vegen van de morgen en de middag op
zaten.
‘Denkt u dat hij weet waarom onze bedienden zoveel vertraging hebben?’
‘Misschien, en anders hoop ik daar een telegram te kunnen verzenden naar oom August om
te controleren of er iets fout gelopen is bij het vertrek. We vertrekken morgen bij
zonsopgang, we zullen de tafel gedekt laten. Met het beetje dat we nog hebben
natuurlijk’, voegde Ferdinand er zacht aan toe.
‘Wanneer komen jullie terug thuis, papa?’ vroeg Helena. Ze had het gesprek aandachtig
gevolgd maar begreep niet waar ze zich zorgen over maakte. Zij wachtte enkel op de
komst van haar poppen en Anita, de keukenmeid die altijd een extra koekje voor haar
opzij hield.
‘Ik denk wel dat we tegen de avond terug zullen zijn.’
‘En dan eten we iets lekkers hé?’ Snel liep ze naar haar vader, de pop aan een arm
vasthoudend zodat hij vrolijk dartelde bij haar passen. Josephine leek de woorden van de
kleine niet gehoord te hebben.
‘Ja, dan eten we iets lekkers’, zei hij en ging met zijn ruwe hand door haar lange lokken.
‘Ga nu maar slapen.’ Na de kus op haar voorhoofd en een tikje tegen haar achterste,
rende ze de kamer door naar de hal. ‘Jij ook Ardul, en geen nare dromen meer.’ De jongen
glimlachte even. Snel dronk hij het glas water leeg en volgde zijn zusje naar boven. Met
een zucht schoof Ferdinand het bord opzij. Als ze zelf met de koets naar hier waren
gekomen, in plaats van met Goidens vanuit Imnea mee te rijden naar Bramden, zou hij
morgen in een wip terug zijn. Nu echter, omdat de koets nodig was om de laatste meubels
te brengen, keken ze aan tegen een voettocht van bijna veertig kilometer – tenzij ze
alsnog een hoeve tegenkwamen onderweg, maar daar twijfelde hij sterk aan daar de
zandgronden van Bramden amper vruchtbaar waren. Toen zijn vrouw iets later naar bed
ging bleef hij zitten, zo nu en dan eens van zijn wijn nippend. Nog altijd diep nadenkend
over wat er gebeurd kon zijn op zijn landhuis en over de vorige nacht. Tegen
middernacht herhaalde hij de procedure van de vorige avond en ging slapen.
Die nacht sliep Ardulca slecht, eerst uren onrustig liggen woelen bij het zoeken naar het
juiste plekje om in te dommelen, om dan later wakker te worden badend in het
angstzweet. Hij was wakker geschrokken, net geen schreeuw uitroepend. De frisse lucht
die zijn rug aaide toverde kippenvel op zijn armen. De deken was op de grond gekieperd.
Nu lag hij stil in het licht van de ochtendschemering, wachtend op het opkomen van de zon
en het antwoord op wat hem gewekt had. Hoezeer hij ook poogde, Ardulca slaagde er niet
in de droom boven te halen. Eerst had hij gedacht dat iets hem gewekt had en meende hij
ook iets in zijn kamer gezien te hebben, maar zodra hij overeind had gezeten was er
enkel de lege kamer geweest. Met de deken over zich heen getrokken keek hij door het
raam naar de duistere wolken die voorbij dreven. Plotseling klonk er het geluid van
piepende scharnieren, het begin van de klaagzang en hij besefte dat het zijn ouders
moesten zijn. Vlug kleedde hij zich aan en rende naar beneden waar hij merkte dat het
huis leeg was en de tafel gedekt. Langzaam stapte hij terug naar boven om zich
fatsoenlijk aan te kleden. Piekerend over de vraag of zijn vader niet had gezegd dat ze
bij zonsopgang zouden vertrekken, trok hij zijn kousen en schoenen aan en bij gebrek
aan een spiegel keurde hij zichzelf in de reflectie van het raam waarboven de
cherubijntjes lachten om zijn verschijning. Net legde hij zijn kraag fatsoenlijk of iemand
bewoog achter de weerspiegeling van zijn arm. Voor Ardulca met de ogen kon knipperen
verdween de kleine gestalte achter een struik. Zo snel hij kon liep hij naar beneden langs
de slaapkamers van de bedienden en door de keuken naar de achterdeur. Het was kil
buiten en het gras nat door de ochtenddauw. Even bleef hij staan, peinzend om op zijn
stappen terug te keren en een wapen te halen, maar de tijd die hij hierdoor verliezen zou
en de trots van zijn vader deed hem anders beslissen. Met volle moed en meer
vertrouwen stapte hij naar de plaats waar de gedaante verdwenen was. Angstzweet
bevochtigde voor de tweede keer die dag zijn handpalmen toen hij de struiken naderde.
Al waren ze nauwelijks een meter hoog, ze stonden zo dicht op elkaar dat zelfs een
struise kerel zich erachter kon verbergen, om van daaruit naar de bomen en uiteindelijk
naar de muur rond het domein te sluipen. Doodstil was het, akelig bijna. Alsof alle vogels
hun gezang staakten om de ontknoping te aanschouwen en dan hun lied verder zetten. Een
tak brak.
‘Ardul’, klonk een jonge meisjesstem. Verdwaasd keek hij om zich heen. In het portaal van
de achterdeur stond zijn zusje. Ze had enkel haar witte nachthemdje aan en toen hij zich
omdraaide liep ze blootsvoets naar hem. Aan de kiezelsteentjes die soms gevaarlijk
scherp konden zijn, scheen Helena zich niet te ergeren, ze lachte zelfs vrolijk toen de
grassprietjes tussen haar tenen kriebelden. Nog eenmaal keek hij rond om er zeker van
te zijn dat er niemand aanwezig was. Zenuwachtig gaf zijn zusje een rukje aan zijn hemd.
‘Wat zoek je?’ Zonder op antwoord te wachten zocht ze mee met haar grote broer.
‘Niets’, zei hij en zag dat ze een andere pop in haar hand had.
‘Oh,’ ze klonk niet overtuigd, ‘waar is mama en papa?’
‘Die zijn al vertrokken. Heb je het niet wat koud aan die voetjes?’ Afwisselend wreef ze
een voet droog aan haar kuiten en zonder dat ze het zelf scheen te beseffen, krabde ze
op gelijk tempo met het handje van haar pop aan haar bekken.
‘Nee, nee wanneer komen ze terug? Ik wil papa mijn nieuwe pop tonen.’ Nog steeds zocht
ze naar wat haar broer gezocht had. Toen Ardulca zag dat ze rilde zette hij haar op zijn
arm. De ijskoude billetjes drukten op zijn huid.
‘Is dit een nieuwe pop?’ vroeg hij terwijl hij naar het huis stapte.
‘Ja, vind je hem mooi?’
‘Euh...’ Tevoren wist hij niet zeker wat eraan scheelde maar met die vraag sloeg ze de
spijker op zijn kop; mooi? Ardulca bekeek het sneeuwwitte gezichtje met de veel te roze
wangen en bijna zwarte lippen, het haar met de rode strik viel tot op het doffe met
tulpen en vlekken versierde kleedje. Waar eens het tweede groene oog had gezeten,
gaapte nu een donker gat. Ooit was de porseleinen pop misschien mooi geweest, nu kon hij
moeilijk de vergelijking doorstaan met de houten poppen van Helena. ‘Ja, ik vind hem
mooi. Bijna zo mooi als je andere poppen.’ Hij hoopte dat het voldoende was.
‘Ik vind hem veel mooier dan al die andere’, zei ze alsof hij haar beledigd had. Ze sprong
uit zijn armen en rende door de keuken naar de eetkamer, hier en daar een grassprietje
achterlatend. Langzaam volgde hij haar. Toen hij de eetkamer binnenkwam zat ze al aan
tafel, ongeduldig te wachten tot haar broer haar een snee brood zou afsnijden. Op de
stoel naast haar zat de pop. De tafel was een beetje rommelig, kennelijk snel gezet,
helemaal niet zoals ze thuis gewoon waren. Voor hen beiden schonk hij een kop melk in en
sneed hij een stuk van het brood dat hij vervolgens besmeerde met boter om samen met
een brok kaas aan Helena te geven.
‘Dank u wel’, zei ze en begon te eten, als een muisje aan de kaas knabbelend. Zelf at hij
enkel een homp brood met boter. De hele maaltijd schoof Helena onrustig over haar stoel,
steeds aan haar pop frunnikend. Door de kussens op de stoel stak de pop met het hoofdje
boven de tafel uit. Gelukkig was het hoofdje naar zijn zus gedraaid zodat hij het lelijke
gezicht niet hoefde te bekijken en enkel de haren zag. Er kleefde rag in.
‘Heb je goed geslapen in je nieuwe bed?’ vroeg hij en dronk van de lauwe melk. De
stroperige drank kleefde in zijn mond.
‘Ja, het bed is veel groter, juist genoeg plaats voor mijn poppen. Alleen maakt het huis
veel lawaai ’s nachts’, zei ze en terwijl ze sprak vlogen de kruimels over haar bord.
Normaal zou moeder haar op de vingers getikt hebben maar nu ze alleen waren vond hij
het best.
‘Ja, ze hebben papa tevoren gezegd dat het een heel oud huis was.’
‘Hmm.’ Ze bekeek haar lege bord. ‘Nog een boterham met kaas, en melk’, zei ze op bijna
commanderende toon en haalde de glimlach boven waarmee ze later ongetwijfeld veel
mannenharten zou veroveren. Ardulca gaf haar wat ze wilde, maar toen hij opstond om de
melk in te schenken glipte het kannetje bijna uit zijn trillende handen. Een scheut melk
dretste op het tafelkleed en Helena proestte het uit. Geschrokken zweeg Ardulca.
Misschien was het zijn verbeelding of anders was het hoofdje van de pop zonet naar hem
gedraaid. De eenoog staarde hem aan, het hoofdje ietwat geheven. Met een theedoek
debde hij de melk en ging terug zitten. Hij slaagde er niet in zijn ogen te wenden van de
pop wiens haren door Helena nu keurig werden gelegd. Besluitend dat Helena het hoofd
hiervoor gedraaid kon hebben en dat heel dit gedoe wel eens de nawerking van de
nachtmerrie kon zijn, kalmeerde hij.
‘Wat wil je vandaag doen?’ vroeg hij en dronk zijn kopje leeg.
‘Spelen met mijn nieuwe pop. Jij mag meespelen’, zei ze en ze nam direct een hap van de
boterham en voor ze uitgekauwd was zette ze het kopje aan haar lippen.
‘Goed, maar alleen als je me vertelt waar je die pop vandaan hebt.’
‘Neen’, zei ze kortaf en klemde de lippen strak op elkaar. Snel trok ze de pop op haar
schoot alsof hij gedreigd had die af te nemen.
‘Wil je het niet zeggen of is het een geheim?’ Hoe lief hij ook probeerde te klinken,
vastberaden zweeg ze. ‘Als je het zegt krijg je een stukje cake’, zei hij, al wist hij niet
of er nog iets restte van de cake waarvan ze gisteren hadden gegeten. Nog nooit had dit
trucje gefaald.
‘Hij lag bij mijn andere poppen.’ Ze loenste naar de pop.
‘Dank je Helena, nu weet ik dat tenminste’, zei hij. Een schijnheilige glimlach verscheen
om haar mond. Dat ze loog bevestigde wat hij vermoedde: dat ze hem in het huis gevonden
had en bang was om dit te zeggen, omdat ze misschien dacht dat ze hem dan terug zou
moeten geven aan de vorige eigenaars. Hij had geluk, er was nog een stukje cake over.

De voormiddag verstreek zonder enig probleem. Zoals ze had gewild speelden ze binnen
met haar pop, tot Ardulca bedacht dat er een damspel in zijn klerenkist zat. Gelukkig
ging ze ermee akkoord te dammen, al hield ze zelfs toen de pop op haar schoot. Zij ging
volledig op in het spel en hij probeerde zich zo goed mogelijk op haar vermaak te
concentreren. 's Middags hadden ze het brood met wat kaas opgegeten. Helena was
dadelijk met haar pop van tafel gelopen en nadat Ardulca de tafel had afgeruimd, had hij
zich in een zetel gezet en was in slaap gevallen. Weer droomde hij onrustig tot hij
gewekt werd door de pendule die drie uur sloeg. Iets later dan hij eigenlijk wou, al was
hij nu toch uitgerust. De slaap uit zijn ogen wrijvend wandelde hij naar de keuken waar
hij een slok nam van de halflege wijnfles waar zijn vader de vorige avond aan begonnen
was. Een dunne sliert droop van zijn kin, viel op zijn witte hemd en creëerde daar een
bloedvlek. De stilte die in het huis heerste was het eerste dat hem opviel. Zijn ouders
waren nog niet terug en hij hoopte dat ze voor de avond kwamen, want met het brood
hadden ze daarstraks het laatste voedsel opgegeten dat in huis lag. Ardulca zette de fles
terug en ging naar boven om te controleren of Helena op haar kamer was. Leeg. Net als
de drie andere slaapkamers en de vijf waarin nog niets stond. De droom van de vorige
nacht kwam bovendrijven, en veel duidelijker was nu de hand die hem gewekt had en
dewelke hij zeker een moment had gezien, net als de gestalte erachter tot hij opschrok
en beide verdwenen waren. Hij voelde zich duizelig worden en met wankele stappen ging
hij de trap af, zich steeds goed aan de leuning vasthoudend. De gedachte alleen al dat er
iets gebeurd was maakte hem ziek, niet te vergeten de reactie van zijn vader wanneer
deze dit te horen kreeg. Halverwege de trap hield hij stil en wreef langs zijn ogen.
Misschien was ze in de tuin gaan spelen. De frisse buitenlucht verdreef de mist voor zijn
ogen. De wind die gisteren met krachtige rukken zijn raam had laten trillen en de
klaagzang van de poort tot bij het huis had gedragen, had vandaag zwarte wolken
gebracht. Het leek alsof de avond reeds gevallen was en de lucht was drukkend door het
dreigende onweer. De donkere openingen tussen de struiken gaapten hem aan als de diepe
holen waarin de monsters van de nacht scholen. De ruisende wind verried hem niets over
de positie van zijn zusje.
‘Helena’, eenmaal riep hij haar naam. Het enige antwoord dat volgde was dat van de
ritselende bladeren en het schuddebuikende gelach van de struiken om de jongen die op
de drempel stond. Langzaam liep Ardulca op de paadjes tussen de struiken en bomen,
steeds luidkeels haar naam roepend. Steeds sneller passeerde hij het groen en de met mos
bekleedde beelden. Uiteindelijk bereikte hij de hoge muur die de tuin afbakende. Al de
mogelijke paden en zijwegen hadden zijn voetzolen gezien, en mocht hij er een gemist
hebben dan had ze toch wel antwoord gegeven aan zijn geroep. Een pak rammel kon ze
krijgen als ze zich nu ergens verstopt had, zo dacht hij in de hoop dat ze een spelletje
speelde. Terug op adem gekomen begon hij in een drafje naar het huis te lopen om de
voorzijde te controleren.
Koele waterdruppels voegden zich bij het warme zweet op zijn voorhoofd en al gauw
veranderde het druppelen in een regenbui. Even vervloekte hij de God die hem dit
aandeed, tot hij bedacht dat de regen de pret van Helena zou bederven als ze zich
ergens verstopt had. Aandachtig rond zich kijkend liep Ardulca de oprijlaan naar de
poort af, hier aangekomen merkte hij dat deze stevig op slot zat en ze in geen geval langs
hier naar buiten kon. De regen die hij daarnet nog als verkoelend beschouwde, ging nu
over in een stevige bui. Met doorweekte kleren liep hij door de struiken in de hoop haar
bij de vijver te vinden. Hij rende langs de drassige oever. Steeds naar de door
rietstengels verborgen overkant loerend, struikelde hij over een hard voorwerp. Modder
en gras verzachtten de val en zorgden ervoor dat hij meer dan twee meter verder schoof.
Met een hand in de vijver bleef hij liggen, nauwelijks beseffend wat er gebeurd was.
Ondanks de regen die op hem neerplensde en de modder die zijn lippen raakte wou
Ardulca een moment dat hij kon blijven liggen. Toch stond hij op en wandelde terug naar
de plek waar hij gestruikeld was. Half verscholen in de modder lag de porseleinen pop
die Helena de hele voormiddag met zich had meegesleurd. Naakt. Tussen twee vingers
tilde Ardulca de zware pop op, die nu lichter werd door het water dat uit de lege oogkas
klaterde. De zwarte lippen waren tot een grijns vertrokken. In de hoop dat zijn zusje
hem niet meer zou vinden wierp hij hem in het water. Even bleef hij nog drijven maar met
een laatste luchtbel zonk de pop dan toch. Verstomd bleef Ardulca staan. Het witte
handje was het laatste dat hij van de pop zag. Erachter ontwaarde hij iets anders; traag
dreef het met tulpen versierde kleedje in het midden van de vijver. Een traan rolde van
de neus over de trillende lip. Een schreeuw gevolgd door de eerste donderslag weerklonk
over het gebied van Horsteau, terwijl Ardulca zich op zijn knieën stortte en met vuisten
vol modder de goden besmeurde.
‘Helena!’ Verder gebrul werd door zijn handen geblokkeerd en zodra het woord uit zijn
keel ontsnapte spleet de bliksem de iep die aan de overzijde stond en nu smeulend
achterbleef. Tranen vloeiden over zijn gezicht, de verwijten sproeiden uit zijn mond en
zijn vuisten sloegen het veel te domme hoofd. Langzaam verdrong gloeiende pijn zijn
woede en met zijn handen voor zijn ogen boog Ardulca zich voorover tot zijn hoofd de
koele modder raakte. Alleen met verdriet bleef hij zitten.
Een oneindigheid later stapte hij wankel naar het huis, in zijn bruine kleren die blonken
bij elke bliksemflits. Het zandweggetje was een modderpoel geworden, drassiger
naarmate hij dichter bij het huis kwam. Een felle bliksemflits lichtte het huis op. Als aan
de grond vergroeid keek Ardulca omhoog, daar vlak onder de dakgoot bevonden er zich
twee raampjes die hij tevoren niet had opgemerkt, en waarachter nu kaarslicht brandde.
Een schaduw schoof voorbij een van de ramen.
‘Helena!’ brulde hij en stormde het donkere gebouw binnen. Hoop herleefde bij de
gedachte dat ze toch niet op de bodem van de vijver lag. Hoe had hij zo dom kunnen zijn
te denken dat hij overal gezocht had. Tastend ging hij op zoek naar de blaker die naast
de deur hoorde te staan. Zodra zijn verkleumde vingers met veel beven de kaars
aangestoken hadden, begon hij aan zijn zoektocht naar de zoldertrap waarvan hij tijdens
de rondleiding niets te zien had gekregen. Hij doorzocht de slaapkamers, de
logeerkamers en de badkamers, en vond een paar stoffige gordijnen en een halfrotte
kleerkast, die een met water doordrongen muur verborg. Geen zoldertrap. Hopeloos sloot
hij de deur en bleef op de gang staan. Het licht verzwakte en te laat merkte Ardulca dat
de kaars verteerd was tot een stompje dat in zijn eigen voedsel verdronk. Kwaad smeet
hij het schoteltje tegen de grond waardoor de hete was op zijn arm en hand spatte.
Zonder zich er iets van aan te trekken liep hij naar beneden om ander licht te zoeken.
Een drassig geluid klonk onder zijn voet toen hij op een paar meter van de trap was. Hij
stopte. Ardulca zakte door de knieën en merkte dat het tapijt op deze plek doordrongen
was met water. Kippenvel deed zijn nekharen opstaan toen een koude druppel in zijn
kraag viel en langs zijn ruggengraat naar beneden gleed. Van de muren schoven zijn ogen
naar het met vierkanten versierde plafond. Er blonk iets in het duister en terwijl het
object groter werd sloot Ardulca automatisch zijn ogen. Een heleboel wazige beelden
overspoelden hem toen de druppel op zijn oog viel en in duizenden stukjes uit elkaar
spatte om zich verder over zijn gezicht te verspreiden. Zonder verder aandacht aan het
gebeuren te schenken haalde hij een stoel uit de kamer van zijn zusje. Vermoeid ging hij
hierop staan. Op de groeven tussen de panelen na was het plafond glad als gepolijst
marmer. Een tinteling ging door zijn hand toen zijn vinger plots de plek vond waarlangs
het koele water door het plafond droop. Het leek langs een groeve te komen. Voorzichtig
duwde hij met gespreide vingers tegen het vierkant en traag opende er voor hem een
donkere spleet. Met veel gekletter viel het opgehoopte water door de reet in de plas.
Ardulca verschoof de stoel ietsje naar voren en hief het luik terug een beetje op. Stil
luisterde hij naar de duisternis. Buiten het onweer was het druppelen het enige dat hij
hoorde en nadat hij zichzelf veel moed had ingepraat, duwde hij het luik verder open
zodat deze op zijn scharnieren bleef staan. Even tastte hij met zijn handen, maar toen
hij zich wilde optrekken verloor hij toch nog grip en viel hierdoor bijna op de natte
loper. De tweede maal had hij meer geluk en trok zich juist hoog genoeg op om over de
vloer te kunnen kijken. Een boogvormige gang met bakstenen muren ontrok zich aan de
duisternis door voor Ardulca onzichtbare kaarsen. Vlak voor hem viel op regelmatig
tempo een regendruppel, nadat hij zich na lang zwoegen door de dakpannen had
gewrongen. Zo stil als hij kon trok Ardulca zich op zodat zijn knie de vochtige vloer
raakte. In een nis een paar meter van hem stond een kaars, en nog wat verder draaide de
gang naar rechts waarlangs een feller licht verscheen. Het was hem onduidelijk waarom
Goidens zijn vader niet over de zolder had verteld. Een druppel die als duizend ton op
zijn hoofd bonkte schrok Ardulca uit zijn verbazing. Langzaam bewoog hij zich naar het
licht. Het zand onder zijn voeten knarste luider dan het onweer buiten. De flakkerende
kaars doofde toen hij passeerde. Zonder halt te houden ging hij de hoek om. Een tel later
ontsnapte een lach uit de keel die daarvoor nog door verdriet verstopt zat. Voor hem
bevond zich een gesloten deur, versterkt met staal, zonder sleutelgat of klink. In de
rechterbovenhoek hing wel een goudblinkende bel, die omringd werd door drie bronzen
duiveltjes met elk een hamertje in de hand. Onderaan bengelde een kettinkje. Ardulca
bracht zijn hand naar het kettinkje maar trok net op tijd terug. Hij vertrouwde de
duiveltjes met hun grijnslachen niet en vond dat hij iets ter bescherming kon gebruiken.
Terug stapte hij de donkere gang in.
‘U hoeft heus niet weg te lopen, hoor’, klonk een schorre stem achter hem. Te snel draaide
Ardulca zich om, voeten sloegen in elkaar en de lege gang was het laatste dat hij zag voor
hij languit op zijn rug belandde. De slag op de vloer leek zijn schedel te kunnen kraken.
Toen hij overeind kroop voelde hij de warme vloeistof die zich in zijn kruin verspreidde.
De waas in zijn hoofd werd echter weggeveegd door de schaduw die op de muur voor hem
bewoog. Een knokkelige en bijna blauwe hand verscheen om de hoek.
‘U hoeft niet bang te zijn’, zei de stem. Ardulca bleef staan terwijl de donkere figuur
steeds beter zichtbaar werd. Zijn adem stokte. Het mannetje was amper een meter lang,
breed uitgezet, zo goed als kaal en gekleed in vodden. Nog het lelijkste waren de
wratten die verspreid stonden op zijn bijna blauwe huid en de rottende stompjes in zijn
mond. Ardulca slikte het opkomende braaksel door en zag dat de deur open stond en naar
een andere gang leidde.
‘Volgt u mij.’ Het mannetje waggelde de gang in, deze zwak verlichtend met de stormlamp
die hij boven zijn hoofd droeg. Na een aarzeling volgde Ardulca zijn gastheer. Achter
hem viel de deur dicht maar zijn aandacht ging naar de schilderijen die de muren sierden.
Een publiekelijke les anatomie waarbij het lijk reeds opengesneden was, een priester die
een met bloed besmeurde boreling boven de doopvont naar de heer reikte terwijl aan
zijn voeten drie naakte vrouwen kronkelden, en de Dag Des Oordeels met duizenden
creaturen die over het land zwermden; keurig hingen ze naast elkaar. Achter hem
doofden de kaarsen. Krakend ging de deur aan het einde van de gang open en sloot met
nog meer lawaai eens Ardulca binnen stapte. Verbaasd bleef Ardulca staan toen de
rommelige zolder die zich voor hem uitstrekte in duisternis werd gedoopt omdat de
mismaakte zijn stormlamp doofde. De schemering die de ramen en de sidderende kaarsen
creëerden, bood hem genoeg licht om verder te stappen, zelfs al was het mannetje
verdwenen. Voor het merendeel van het licht in deze mufheid werd gezorgd door het
ronde raam met het kruisvormige houtwerk aan het einde van de kamer. Een piepend
geluid tintelde Ardulca’s oren, alsof er ergens een raampje open stond dat door de wind
heen en weer werd geslagen. Voorzichtig stapte hij tussen de rommel naar het ruimere
tweede deel van de kamer. Links van hem zag hij dozen vol met speelgoed, oude
schilderijen met kapotte kaders, een in scherven uiteen gevallen bord en ander rommel.
Ertussen stond een verroestte kooi met een paar duiven die hem in stilte aanstaarden.
Het enige dat wel geordend was, was het houten rekje onder een van de zolderramen
waarop drie porseleinen poppen zaten. Alle drie hadden ze een bleek gezicht dat
geschminkt werd door een laagje stof. Naast de derde met lang blond haar was een
stofvrij plekje. Het enerverende gepiep hield constant hetzelfde ritme aan.
‘Harold, geef die jongen wat licht.’ De stem was droog, deftig bijna. Iets onverstaanbaars
werd gemompeld en enkele tellen later staken er langs weerskanten van de kamers
kandelaars aan. Hoge boekenkasten domineerden het tweede deel van de zolder, erop
hadden schedels en opgezette dieren hun plaats gevonden. De boeken droegen vreemde
voornamelijk Latijnse titels, waarvan Ardulca niets begreep. Hij kon nu ook zien wat het
aldoor piepende geluid voortbracht. Het was een schommelstoel met zeer hoge rugleuning,
die versierd werd met twee draken die hun staarten rond de armleuningen draaiden en
elkaar hun hete adem in het gezicht bliezen boven het hoofd van hun meester. In de stoel
zat een magere, kale man met een witte sik en dunne snor, gekleed in een donkere mantel.
De mismaakte die Ardulca had begeleid en door de heer Harold werd genoemd, kroop
langs de stoel waar een ketting met lederen halsband door een pin in de vloer bevestigd
was.
‘Welkom in mijn sobere woonst, ik ben graaf Dumordeau.’ De woorden waren nog niet
weggestorven, of de kerkuil die stil op de kast had gezeten, stootte een kreet uit en
fladderde door de kamer.

De volgende morgen arriveerden meneer en mevrouw Musorfsky met enkele van hun
bedienden. Bij Wout hadden ze geen telegram kunnen versturen, maar hij had hun wel de
paarden geleend waarmee ze naar hun landhuis konden rijden. Ginder was gebleken dat de
bedienden een bericht hadden ontvangen waarin stond dat hun diensten niet langer
vereist waren. Een dag later dan ze voorzien hadden kwamen ze terug in Bramden, deze
keer met de bedienden die voorbereid waren op hun drukke dag.
Dezelfde dag nog vertrokken ze uit het kasteel samen met hun hele huishouden en de
twee lichamen van hun kinderen. Net zoals velen hen waren voorgegaan, is er ook van de
Musorfsky’s nimmer nog iets gehoord in Imnea of Bramden. Op een schrijven naar de
reden van hun vertrek kreeg Goidens nooit antwoord, en voor de derde keer dat jaar
mocht hij proberen het kasteel aan een paar vreemdelingen te verkopen. Mensen die nog
nooit van Bramden gehoord hadden want anders kenden ze zeker de legende van
Horsteau. Het kasteel waarvan nu nog steeds gezegd wordt dat de graaf er met zijn zoon
leeft.


geplaatst op 04-06-2004

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.