Een kort verhaal van LEO DUYM (4)

HONGERWINTER

Herfst 1924

Op de kade stond veel volk toe te zien hoe de open en tot aan de rand gevulde
haringtonnen getakeld werden. Zo ook boerenzoon Jo, die zijn ouders na een zoveelste
ruzie vaarwel had gezegd.
Iedereen keek verlangend uit naar het ogenblik dat een ton wat van haar lading verloor.
Als uitgehongerde leeuwen stortten de omstanders zich dan op de enkele vissen die voor
sommigen het verschil uitmaakten tussen leven en dood.
Dat er vaak gevochten werd, is niet verwonderlijk. “Moordenaar”, schreeuwde een vrouw
tegen een man die haar te vlug af was. “Aan jouw vette pens te zien ben je niet aan het
verhongeren. Met mijn kinderen is het slechter gesteld.”
Als antwoord sloeg de dikbuikige en kennelijk beschonken man de vrouw met één klap
neer. Roerloos bleef ze op de klinkers liggen.
Voor Jo was de maat vol. Woedend liep hij naar de bruut en gaf hem zo’n harde vuistslag
dat die met buit en al over de klinkers tuimelde. Bij een poging om overeind te komen,
schoof hij uit over zijn buitgemaakte haringen. De menigte keek hoonlachend toe. Met
een pijnlijke grimas op zijn gezicht droop de dikkerd vloekend af.
Plots voelde Jo dat zijn armen in een ijzersterke greep klem zaten. Met een zwier werd
hij over de kasseien gekegeld. Snel veerde hij op en keek in de ogen van een opzichter
die blijkbaar zin had in een robbertje vechten. Maar tegenover Jo’s snelle reflexen
stond hij machteloos. Een rake schop in zijn kruis deed hem voorover vallen. Zittend op
zijn knieën en met zijn handen op zijn geslacht, snakte hij als een vis op het droge naar
adem.
“Stop!”, riep een man met de gestalte van een reus. “Ik heb alles gezien, maar ik kon
moeilijk mijn takel laten schieten.” Hierop maakte hij een afkeurend gebaar naar de
opzichter.
“Hmmm….”, mompelde de reus terwijl hij de twee koppen kleinere Jo aankeek. “Laf ben je
geenszins en blijkbaar ook geen zwakkeling”. Een grote plooi verscheen in zijn
voorhoofd. Zonder een woord te zeggen wees hij naar een volle harington. Het werd stil
onder de omstanders die het begrepen hadden, en heel eventjes schenen ze hun knagende
hongergevoel te vergeten. Zou die jonge knaap het gewicht van wel honderdveertig kilo
kunnen optillen? De meesten meenden van niet. Jo had volgens hen een te tengere
lichaamsbouw. Toch bleven ze geboeid kijken naar het gratis vermaak dat schaars was in
deze bittere tijden.
Zelfverzekerd, zelfs ietwat arrogant, stapte hij naar de harington, liet zich door zijn
knieën zakken en omarmde het dikbuikige gevaarte. Even wierp hij nog een laatste blik
op de reus die zijn duim en wijsvinger strekte om aan te tonen dat die hoogte voldoende
was.
Onder aanmoedigend geroep, tilde Jo de ton een armdikte van de grond. Een gejuich
barstte los. Even aarzelde hij, en onder het uitstoten van een kreet richtte hij zich
langzaam op zodat de tonrand boven zijn hoofd uitstak.
Een onverwachte duw in zijn rug deed hem al struikelend tussen de toeschouwers
belanden waardoor de ton uit zijn handen glipte. Een brede waaier van haringen lag nu
vóór de omstanders hun voeten. Als hongerige wolven gooiden ze zich op de nooit geziene
gratis hoeveelheid vis.
Jo wrong zich uit de menigte en zag hoe de reus een man in de hoogte hield. Hij herkende
hem als degene die er niet voor terugdeinsde om ook op vrouwen te slaan.
Met een aanloop naar de kademuur wierp de reus de honderd kilo wegende dikkerd het
water in, waarop die uitschreeuwde dat hij niet kon zwemmen. “Kan ik niet verhelpen!”,
riep zijn beul onverschillig.
Even keek Jo de dikkerd na en zag hoe die na een korte doodsstrijd in de diepte
verdween. “Die komt niet meer boven, althans vandaag niet”, schaterde de reus die achter
Jo stond. Onwennig keek Jo omhoog. Hij wou zijn verstandhouding met Moloch, want zo
noemde die reus, niet verknoeien.
“Ben je ooit in aanraking geweest met de politie?”, vroeg hij droogweg.
“Neen!”
“ ’k Geloof er geen barst van”, antwoordde Moloch lachend. “Maar allez, iemand die goed
kan liegen kan ik gebruiken. Kom!” Samen stapten ze naar Molochs 46 voet lange en
150pk sterke vissersboot.
De kajuit was zo groot als de woonkamer van de boerderij waar Jo werd grootgebracht.
Zijn oog viel op de zachte lederen zetels en op de mooie gepolijste houten meubels die
aan de wand of de vloer waren bevestigd. Ook stonden er aan beide zijden twee bedden,
waarbij het niet moeilijk te raden was welk van Moloch was.
“Kijk!”, zei Moloch streng. “Het is niet omdat je een harington kunt optillen dat je te
vertrouwen bent, maar als het je interesseert kan je voor mij werken. Deze week doe je
gewoon wat ik zeg zonder vragen te stellen.”
“Dat heb ik thuis heel mijn leven moeten doen”, antwoordde Jo glimlachend.

*

Zo’n gelukstreffer had Jo zich nooit kunnen indenken. Meer dan een week werkte hij nu
voor Moloch, en hoewel er vaak hard gewerkt moest worden, kon hij zich geen beter
leven voorstellen. Het werk op zee bleek minder hard dan hij gevreesd had, maar hij wel
dat het weer tot hiertoe was meegevallen.
Dagelijks mocht hij genieten van een warme maaltijd en van een zacht bed in Molochs
stuurhut. Noch het eerste noch het laatste was hij gewoon. Zelden werd er thuis lekker
gegeten, en het enige rund dat ze ooit hadden vetgemest, moest verkocht worden om
achterstallige pachtgelden aan baron Shoukens af te lossen.
Ook was de werksfeer aan boord gemoedelijk, en Molochs opziener die Jo te lijf was
gegaan, had nederig zijn excuses aangeboden. Zonder vragen te stellen voerde Jo alle
bevelen uit van Moloch en diens rechterhand Sam.
Sam sprak met een zwaar Engels accent. Overdag was hij niet vaak aanwezig, maar
iedere nacht kon je hem met zijn motorbootje zien opduiken. Een nieuwe lading
dichtgespijkerde kistjes moest dan zo vlug mogelijk in de koelruimten van Molochs boot.
Nog voor het licht werd, kwam een vrachtwagen aangereden en werden ze nogmaals
overgeladen.

*

Als enige medebewoner van de boot mocht Jo samen met Moloch genieten van het warme
avondmaal dat aan boord bereid werd. De kokkin, een oud gebocheld vrouwtje, zag maar
al te graag de boot aanmeren, zodat ze aan de slag kon gaan.
Jo mocht kiezen of hij vis of vlees wilde, maar in tegenstelling tot Moloch die alleen vis
at, kreeg hij die slijmerige schepsels niet door zijn keel. Zijn afkeer was nog toegenomen
nu hij ze zelf moest vangen. Maar het vlees, dat de kokkin zo fijn wist te bereiden,
verorberde hij als een onverzadigbare wolf.
Vaak vroeg Moloch hem wat hij van de smaak vond. En wanneer Jo enkele dagen later
naar dezelfde schotel vroeg omdat hij die zo lekker vond, zei Moloch het op prijs te
stellen als Jo van alle vleessoorten en bereidingswijzen zou proeven.
“Wel…,” zei Moloch en hij at vlug zijn mond leeg, “hetgeen op je bord ligt, komt uit
Dover. Weet je, die visvangst is maar een dekmantel. Met vissen valt niet rijk te worden,
eigenlijk zijn wij geen vissers maar grootleveranciers in fijne vleeswaren. Degenen die
nog geld hebben, zijn bereid schatten te betalen voor het schaars aangeboden vlees.”
“Smokkelwaar in die kistjes; daarom al dat geheimzinnige gedoe”, merkte Jo met een
volle mond bijna onverstaanbaar op. Onverstoord at hij verder.
“Inderdaad”, antwoordde Moloch ietwat verbaasd en hij keek Jo onderzoekend aan. “Ik
geloof dat jij toch niet goed weet wat er boven iemands hoofd hangt wanneer hij in deze
tijd van hongersnood betrapt wordt met gesmokkelde etenswaren?”
“Eet af en toe ook eens een goed stuk vlees”, schertste Jo. “Vlees verdrijft de vrees.
Maar goed, ik heb de boodschap begrepen, ik zal voorzichtig zijn.”
“En ik ga even een luchtje scheppen”, zei Moloch nadat hij een derde bord had
leeggegeten. Aan Jo vroeg hij aan boord te blijven.

*

Onverschillig bladerde Jo door Molochs krant tot zijn oog viel op het volgende bericht:
Door de mislukte oogsten die Europa teisteren en de varkenspest die overal woedt,
sterven nu ook op het platteland mensen van honger en ontbering. Op vele plaatsen
kunnen grafdelvers hun werk niet meer aan, en vaak worden mensen in massagraven
ondergebracht.

Met een glimlach legde Jo de krant terug op zijn plaats. Dat hij door Sams toedoen al
kilo’s besmet varkensvlees naar binnen had gewerkt, was hem opeens duidelijk. Ook
begreep hij waarom Moloch geen vlees at.
Even dacht hij aan vroeger. Thuis had hij slechts één keer varkensvlees gegeten; vlees
dat afkomstig was van een besmet dier. Aan de smaak veranderde het niets en voor de
mens is de ziekte onschadelijk. Het verbaasde hem dat Moloch en Sam dat niet wisten.
Maar misschien wisten ze het wel en hadden ze hem als proefkonijn gebruikt, omdat ze
op zeker wilden spelen. Hij kon er echter hartelijk om lachen.
In gedachten smeedde hij een plan waarbij hij hen op zijn beurt zou beetnemen. Tijdens
het eten zou hij doen alsof hij plots onwel werd, terwijl hij symptomen van varkenspest
zou simuleren. Glimlachend bereidde hij zijn enscenering in gedachten voor. Zijn guitige
blik veranderde plots toen zijn oog viel op wat een naamkaartje leek. Aan de voorzijde
stond in sierlijke letters:

Sam Thompson

Blackbirdstreet 45 - Dover

Gravedigger *

Phone: 54857


* Grafdelver

En aan de achterzijde stond vluchtig met de hand geschreven:

Died today:

John Dark – 140 pounds
Mary Trinkman – 125 pounds
Paul Lindsly – 120 pounds
------------------
385 pounds – about 180 pounds of meat (muscles, heart, liver, brains, kidneys) good for
600 £

Don’t forget! Tell Peter to marinate the soft white meat long enough in red wine!!! **

** Niet te vergeten! Zeggen aan Peter dat hij het zachte  witte vlees lang genoeg moet marineren in
rode wijn!!!

“Die slordige Sam toch”, lachte Jo. Hij vond het jammer geen woord Engels te verstaan,
maar hij begreep wel dat ‘Gravedigger’ Sams beroep moest zijn. En de persoonsnamen
stonden volgens hem voor Sams leveranciers, met daarachter de bestelde hoeveelheid
vlees.
Opeens herinnerde hij zich dat Moloch ergens een Engels - Nederlands woordenboek had
liggen. De gedachte aan een kwajongensstreek stak plots de kop op.
Woord voor woord moest hij de tekst aan beide zijden ontcijferen, en bij Molochs
thuiskomst zou hij doen alsof hij het kaartje voor het eerst opmerkte. Hij zou hem dan
laten horen hoe snel en probleemloos een boerenzoon als hij een Engelse tekst naar het
Nederlands wist te vertalen.
“Ik denk dat er aanstonds iemand zal schrikken”, grinnikte Jo. IJverig in het
woordenboek naar de letter ‘g’.

---

(geplaatst op 02-01-2005)


terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.