Korte verhalen van LEO DUYM (3)

DE BLAUWE VONKJES

1985 - Een troosteloze herfstdag

Het schilderachtige en oogstrelende tafereel dat de goudbruine boomkruinen hadden
gepenseeld, was door een nijdige wind plots veranderd in een troosteloos gezicht van
kaalgeplukte takken. De stukgereden straat met haar vervallen rijhuizen, lag bedekt met
een drassig tapijt van rottende bladeren. Op sommige drukbereden plaatsen waren ze
platgewalst tot een vieze en gladde brij. Alleen wie uit noodzaak de deur uit moest, zag
men behoedzaam voorbijwandelen. Ook mevrouw Torens kon er niet onderuit om de
straat op te gaan en de nodige medicamenten voor haar zieke en bedlegerige man te
kopen. Zoals steeds dacht ze bij het winkelen aan haar linkerbuurvrouw, de
hoogbejaarde weduwe Schellekens die sinds mensenheugenis in een rolstoel zat. Buiten
deze oude dame had het kinderloze echtpaar Torens met niemand contact. Rechts van hen
woonde een gezin met opgroeiende kinderen. Toen die hier zo’n 10 jaar geleden kwamen
wonen, was mevrouw Torens haar echtgenoot nog een energieke en levenslustige vijftiger.
Hij hoopte op een goed nabuurschap. Tot zijn spijt moest hij vaststellen dat de nieuwe
buren zijn begroetingen en die van zijn vrouw, nooit beantwoordden. Zelfs hun oudste
zoon, de toen nog kleine Tom, had de reflex om door hen heen te kijken alsof ze lucht
waren. Hoewel mevrouw Torens wist dat niemand van de rechterburen haar begroetingen
beantwoordde, knikte ze altijd met een spaarzame hoofdbeweging wanneer ze hen zag.  
De enige reactie die ze dan opving, kwam van de kinderen. Geamuseerd en hondsbrutaal
keken ze haar dan stilzwijgend aan. Ooit nam ze het besluit om hen op de man af te
vragen wat er scheelde, maar telkenmale ze de gelegenheid kreeg, zonk de moed haar in
de schoenen. Wat ze ook bedacht, geen enkel motief hield steek om hun hatelijk gedrag
te verklaren. Op een dag werd haar alles duidelijk. Op een teken van het oudste kind,
brachten zijn broers en zussen de Hitlergroet, om zich daarna met een hoongelach uit de
voeten te maken. Niet de brutaliteit had haar geschokt, maar wel het feit dat haar buren
op de hoogte waren van haar man zijn oorlogsverleden. Ze vond het echter
onrechtvaardig. Nooit had hij sympathie getoond voor die oorlogszuchtige dictator, maar
in zijn jeugdig idealisme had hij zich door de dorpspastoor laten verleiden om te gaan
vechten tegen het ‘goddeloze’ communisme.

*

Het leven was haar nooit goedgezind geweest. Ze groeide op in een pleeggezin, waar ze
door haar stiefvader werd misbruikt, en op zestienjarige leeftijd verongelukte hun enige
zoon. En het hield niet op. Vijf jaar geleden werd bij haar man longkanker vastgesteld.
Een aanhoudende pijn tussen de schouders werd door hem weggelachen en aanzien als een
ouderdomskwaaltje. Toen de pijn onuitstaanbaar werd, kon zijn arts hem overhalen om
een foto van zijn longen te laten nemen. Niemand van de familie of vrienden keek nu nog
naar hen om. Een familiebezoek werd immers aanzien als een ziekenbezoek. Bovendien
schrikte men terug om iemand te bezoeken die ten dode was opgeschreven. Met zijn
vijfde jaar als longkankerpatiënt, overschreed hij ruimschoots de levensverwachting van
iemand waarbij zulke ziekte werd vastgesteld. Hij was er zich van bewust dat het pakje
sigaretten dat hij dagelijks in rook deed opgaan, de schuldige was. Merkwaardig genoeg
rookte hij er niet minder om, integendeel. Heimelijk wist hij dat het toch niets meer
uitmaakte.

*

Het scheelde niet veel of mevrouw Torens werd op het voetpad door een buurjongen
omvergereden. Toen ze haar evenwicht dreigde te verliezen, moest ze haar beide
boodschappentassen laten vallen, om zich aan een hofmuurtje vast te klampen. Bij het
oprapen zag ze tot haar ontzetting dat één van de tassen lekte. De glazen melkfles die
ze voor haar buurvrouw had meegebracht, was gebroken. Vlug nam ze de overige
koopwaar uit de zak opdat de verpakkingen niet met melk doorweekt zouden worden. Een
pijnlijke scheut in haar wijsvinger deed haar hand met een snelle beweging terugtrekken.
Ze had zich aan één van de glasscherven diep in de wijsvinger gesneden. Snel
omzwachtelde ze deze met een zakdoek zodat het bloeden ogenschijnlijk ophield. Er was
geen drama gebeurd, maar het voorval deed haar opnieuw denken aan de rode draad die
door haar ellendig leven liep. Het ergst van al was, dat ze van haar, ooit zo liefdevolle
man, vaak een hap en een snauw kreeg, hetgeen hij vroeger nooit deed. Naarmate hij
zieker en meer hulpbehoevend werd, stelde hij zich ook brutaler en veeleisender op.
Soms had hij spijt van zijn onredelijk gedrag, maar kort daarna herviel hij in het spuien
van gemene scheldwoorden. Vaak sprak hij over zijn voornemen om uit het leven te
stappen wanneer de pijn ondraaglijk zou worden of wanneer hij totaal afhankelijk zou
zijn van mens en machine. Zij respecteerde zijn besluit, meer nog, ze wou hem volgen in al
wat hij deed, zelfs tot in de dood. Van het Leger Des Heils, kregen ze de nodige hulp om
hun bed naar het gelijkvloers te verhuizen. Ook kreeg haar man van de mutualiteiten een
speciaal ziekbed ter beschikking dat eveneens in de woonkamer werd geplaatst. De
leverancier van zuurstofflessen was opgetogen met deze verhuis. Nu moest hij die
levensgevaarlijke trap niet meer beklimmen. Alleen de kinderen van de buren vormden
een smet op deze verbetering. Onbeschoft als ze waren, drukten ze om de haverklap hun
neus tegen de ruit om doorheen de doorzichtige voorgordijnen te zien wat er zich in het
huis van de familie Torens afspeelde. Moe getergd zag Mevrouw Torens de noodzaak in
om de zware gordijnen dicht te trekken, wat tot gevolg had dat licht moest aangestoken
worden zodra de zon achter de wolken verdween. Maar zelfs dan gaven die etters van
kinderen hun pogingen niet op. Elke dag hingen ze met hun vieze kleverige stroophandjes
tegen het venster in de hoop een gaatje te vinden om te zien wat er gaande was. Zodra ze
hadden gemerkt dat de buurman een darmpje onder zijn neus had hangen, kon de pret niet
op. Wanneer ze hun buurvrouw zagen aankomen, riepen ze luid: “Ik stik… beuu, ik stik.”
Stuiptrekkend lieten ze zich dan in het gras van hun voortuin rollen. Slechts één enkele
maal had hun moeder het raam opengetrokken en hen vermanend toegeroepen dat het
welletjes was geweest. Nooit kloeg mevrouw Torens; trouwens wie had oor naar haar
miserie? Weliswaar was haar hoogbejaarde buurvrouw Schellekens een goede ziel, maar
zij was niet meer in staat om zich nog te kunnen inleven in andermans leed. Volledig
verstoken van enige hulp was mijnheer Torens echter niet. Dagelijks liep een
verpleegster langs, en om de drie dagen een dokter. Maar van beiden meende mevrouw
Torens begrepen te hebben dat niet zij, maar wel haar man de patiënt was, en dat de
hulpverleners hun tijd te kostbaar was om naar het gezeur van een niet-patiënt te
luisteren. Vertwijfeld vroeg ze zich af of ze nu terug naar de winkel moest gaan. Kon ze
dat oudje niet wijsmaken dat de melk uitverkocht was en dat er pas morgen een nieuwe
levering verwacht werd? Haar geweten liet haar echter niet los. Gesuikerde melk en
pudding was het enige dat de maag van haar buurvrouw nog verdroeg. Neen, zij moest
terug, maar eerst zou ze haar vinger verzorgen en de verpakking van haar overige
boodschappen droogwrijven. Vanuit haar ooghoeken merkte ze dat de twee jongste
kinderen van de buren achter het raam stonden en de gordijnen een stuk opzij hadden
geschoven. Toen ze haar blik naar hen richtte, stak de kleinste meermaals zijn tong uit,
en zijn oudere broer tikte met zijn wijsvinger tegen zijn hoofd. Plots verscheen hun
moeder, die hen van het raam wegtrok. Na een misprijzende blik, schoof ze met één ruk
de gordijnen dicht. Zoals steeds, trachtte mevrouw Torens de voordeur te openen zonder
lawaai te maken. Haar omzwachtelde wijsvinger maakte het echter moeilijk om het slot
soepel om te draaien. Het duurde dan ook wel even voordat ze uiteindelijk binnen was.
“Wat stond je daar aan die deur te leuteren?”, vroeg haar man met gesloten ogen. “Wel…
wat zal het zijn?”, snauwde hij haar toe omdat ze niet onmiddellijk antwoordde. “Ik heb
een melkfles gebroken en mijn vinger gesneden”, zuchtte ze. “Een melkfles, sinds wanneer
drink je melk?” “Neen, niet voor mij, maar voor madame Schellekens…ik zal terug naar de
winkel moeten gaan.” “Daar zou ik toch maar even mee wachten. Je was net weg toen er
een ambulance arriveerde. Het was voor hiernaast. Aan het gestommel te horen denk ik
dat ze haar komen halen zijn.” Nadat ze haar vinger verzorgd had, belde ze bij
Schellekens aan, en opende de voordeur met de aan haar toevertrouwde huissleutel.
Verschillende keren had ze haar stem doorheen het huis laten weerklinken. Ze kwam tot
de conclusie dat haar man het goed had begrepen. Niemand scheen thuis te zijn.
Eensklaps ging in haar hoofd een lichtje branden. De kinderen van de buren hadden haar
al vaker staan uitlachen, maar hun laatste vertoon was wel zeer luidruchtig. Ze
realiseerde zich dat men haar had zien aandraven met goederen die bestemd waren voor
iemand die weggevoerd was. “Kom, zet je even?”, zei haar man gemoedelijk nadat hij haar
diep verborgen tranen had opgemerkt. “Zeg het eens, wat scheelt er?” Aarzelend
antwoordde ze: “Ik zal vanavond haar zuster bellen. Ze zal me wel kunnen zeggen waar
ze haar naar toegebracht hebben.” “Er is iets anders, ik zie het, kom zeg op?” Even
ervaarde ze opnieuw die zachte handaanraking waarmee hij haar zo vaak benaderd had.
Met tranende ogen vertelde ze hem hoe wreed die kinderen van hiernaast wel waren.
Langzaam trok hij zijn zachte handen weg om met een verbeten blik naar het plafond te
kijken. Met een fluisterende, maar duidelijk hoorbare stem zei hij: “Nu het huis
hiernaast leeg staat, mogen we niet te lang meer talmen. Drie vliegen in één klap, dat
zweer ik je, drie vliegen in één klap.” Langzaam zag ze hem wegzakken. Hij had zichzelf
een behoorlijke dosis morfine toegediend, waarop zij zich van zijn bed verwijderde. Wat
hij met die laatste woorden bedoelde, wist ze niet en ze wilde het hem ook niet vragen.
Ze vertrouwde erop dat hij haar alles op tijd en stond zou duidelijk maken. Nog nooit
had ze hem betrapt op grootspraak. Dat hij iets in petto had, was voor haar zonder meer
duidelijk.

De volgende dag

Pas de volgende dag kreeg ze de zuster van mevrouw Schellekens aan de lijn. Die wist te
zeggen dat haar zuster gestorven was nadat ze zich plots onwel voelde. Enkele minuten
voor haar hartstilstand had ze de ambulance nog kunnen bellen en de voordeur op een
kier gezet. “Dat huis gaat naar haar enige zoon, welke nooit naar zijn moeder heeft
omgekeken”, zei mevrouw Torens verbitterd tegen haar man. Het viel haar op dat hij er
zo plots op achteruit was gegaan. “Ach… het is zoals bij ons”, antwoordde hij met een
zucht, “dit huis gaat naar mijn jongere en enige broer die ik al jaren niet meer gezien
heb.” “Ook hij verdient zijn erfenis niet”, zei ze na een korte stilte. “Maar hij zal ze
godverdomme niet krijgen” antwoordde hij verrassend luid en met een inspanning die hem
zichtbaar pijn had gedaan. “Kom wind je niet op” zei ze zacht, waarop ze haar blik met
een vragende en half openstaande mond van hem afwendde.

*

Die opwinding had hem blijkbaar geen goed gedaan. In de namiddag verslechterde zijn
toestand plots zienderogen nadat hij erin geslaagd was om een brief te schrijven. Tijdens
de vooravond bracht de dokter nog een spoedbezoek. Het enige wat die te vertellen had,
was dat zijn patiënt in het ziekenhuis een langere levensverwachting had dan thuis. De
morfine scheen weinig vat te hebben op de doffe pijn in zijn botten, die vergeven zaten
van snel groeiende tumoren. De pijn werd met het uur heviger. Maar de gedachte dat de
dokter die brief nog dezelfde avond ging posten, gaf hem momenten van verkoeling.

*

Zoals bijna iedere avond was er ook ditmaal een luidruchtige samenkomst in de
woonkamer van de buren. De hoop dat het geluidsvolume rond 10 uur zou verminderen,
bleek steeds ijdel te zijn. Toen omstreeks 11 uur het lawaai onverminderd aanhield, deed
mevrouw Torens iets voor het eerst, wat ze niet voor mogelijk had geacht. Met knikkende
knieën belde ze aan en wees hen op het nachtelijk uur. De buurvrouw die haar te woord
stond, was zich terdege bewust van het feit dat zij en haar drinkebroers in overtreding
waren. Juist daarom had ze niet zonder meer de deur dicht geslagen, maar
verantwoordde ze zich door schaamteloos te zeggen dat haar man verjaarde, en dat zulks
maar eenmaal per jaar gebeurde. “Mijn man is stervende en dat gebeurt maar éénmaal in
zijn leven”, antwoordde mevrouw Torens beheerst. Haar buurvrouw schrok. Niet zozeer
van wat ze zopas vernomen had, men wist immers al lang dat ‘dien ouwe zot van hiernaast
bijna de pijp uit was’, maar wel van de ongekende durf die haar buurvrouw aan de dag
legde. Even later werd de muziek iets stiller gezet en om middernacht hoorden ze de
laatste bezoeker met veel kabaal het huis verlaten.

De laatste dag

De ganse nacht had ze geen oog dicht gedaan. Haar man verkeerde heel de tijd in
comateuze toestand, en ondanks een maximale zuurstoftoevoer werd zijn ademhaling
onregelmatiger. Wonderwel trad tegen de avond een lichte verbetering op en heroverde
zijn geest een toestand van volkomen helderheid. “Weet je nog?” fluistert hij zacht, “dat
je ooit verlangde om me te willen volgen, waarheen ook?” “Is het zover?”, vroeg ze met
een verdrietige stem. “Ik geloof van wel. Vanavond nog. Luister goed en doe precies wat
ik je zeg.” Nadat hij zijn opzet had uiteengezet, lag op haar gezicht een blijdroevige
uitdrukking. Blij omdat het verstikkend onmachtsgevoel van haar schouders was gevallen
en droevig omdat ze afscheid van hem moest nemen. “Zal die bel haar werk doen?”, vroeg
ze om toch maar iets te zeggen, maar tezelfdertijd met een tikkeltje nieuwsgierigheid.
Een glimlach verscheen op zijn gelaat. Met een zachte en zwakke stem zei hij: “Het is nu
buiten volslagen donker. Laat het licht uit in de gang en bel even aan. Kijk dan goed naar
onze oude en antieke bel.” Om hem te plezieren deed ze wat van haar gevraagd werd.
“Blauwe vonkjes”, riep ze haast triomfantelijk. “Precies, blauwe vonkjes. Dat is wat we
nodig hebben, blauwe vonkjes.”

*

Klokslag tien uur keek ze hem aan, waarop hij een lichte hoofdknik gaf. Zonder nog een
woord te zeggen begaf ze zich naar hun vroegere slaapkamer, welke grensde aan die van
hun gehate buren. De klokradio stelde ze in op 12 uur, waarbij het geluidsvolume van het
weksignaal op maximum werd gezet. Zonder nadenken draaide ze alle gaskranen open en
legde zich naast haar man neer. In haar arm injecteerde hij een overdosis van zijn
opgespaarde morfine, om vervolgens dezelfde hoeveelheid bij zichzelf toe te dienen.
Geruime tijd bleef hij nog bij bewustzijn nadat zijn vrouw in een onomkeerbare coma
was gevallen. Dan werd ook bij hem alles zwart voor zijn ogen.

*

Om vijf na twaalf sprong hun buurman woest uit zijn bed. Zijn forse vuistslagen op de
muur hadden blijkbaar geen effect. “Zijn ze nu werkelijk gek geworden hiernaast?”
schreeuwde hij luidkeels. Met zijn kamerjas over zijn pyjama stormde hij de trap af en
drukte krachtig op de deurbel van zijn buur. Tot in een straal van honderd meter
sneuvelden er ruiten en de lang gerekte knal werd tot vier kilometer ver gehoord. Van
het huis bleef geen steen op een ander staan, en beide aanpalende huizen waren zo zwaar
beschadigd dat ze moesten afgebroken worden. De buurman werd verpletterd onder de
weggeslingerde voorgevel. Zijn vrouw en beide kinderen werden ernstig verminkt. De
zoon van mevrouw Schellekens, alsook de broer van de heer Torens, deelden in de
klappen. De lijkschouwing van het omgekomen echtpaar bracht immers aan het licht dat
er kwaad opzet in het spel was. Bovendien maakte mijnheer Torens’ brief aan zijn
verzekering het voor die maatschappij wel bijzonder gemakkelijk. Na het lezen van zijn
relaas, weigerde ze ook maar één frank schadeloosstelling, aan de erfgenamen uit te
betalen.


EEN NOODKREET UIT HET HUIS BURNS

Het was een jaar geleden dat ik nog beroep op hem gedaan had, precies één week voor de
fatale gebeurtenissen die zijn leven grondig zouden veranderen. Iedereen in het dorp
verbaasde zich erover dat hij nog tot werken bekwaam was en zich verder wilde
verdiepen in andermans miserie. Wie is immers in staat om zulke verschrikkingen te
overleven zonder te vervallen in een uitzichtloze en algehele waanzin? Maar bij dokter
Burns had iedereen het raden naar wat zich in zijn getormenteerde ziel afspeelde. Toen
hij zijn stethoscoop in zijn dokterstas opborg, zag ik tot mijn ontzetting een
onnatuurlijke grijnslach op zijn gelaat. Een rilling liep over mijn koortsig lichaam. In de
psychiatrische kliniek waar we onlangs verbouwingswerken uitvoerden, werd ik
meermaals bespied door een oudje die een verbluffend gelijkende en weerzinwekkende
gelaatsuitdrukking vertoonde. Geen enkele acteur ter wereld zou in staat zijn om die
zielszieke gelaatsplooien na te bootsen. Dat zijn bezoek geen opbeurende gevoelens zou
achterlaten zoals dat in het verleden wel het geval was geweest, werd me onmiddellijk
duidelijk. Vanachter het gordijn keek ik de man na die nog slechts een schim was van die
vrolijke en geliefde dokter wiens verschijning vaak voldoende was om zich reeds beter te
voelen.

*

De stekende pijnen in mijn hoofd en ledematen hadden plaats gemaakt voor een
neerslachtig en angstaanjagend voorgevoel. Zonder ook maar één ogenblik te hebben
stilgestaan bij de geneugten van de anders zo heerlijk smakende en ruikende lindethee,
zette ik de lege kop terug op haar plaats. Ook de vraag van mijn huishoudster Martha, of
ik nog een kop wou, drong niet onmiddellijk tot me door. “Wat… wat vond jij van de
dokter?”, vroeg ik haar aarzelend. Zoals verwacht bestond haar enig antwoord in een
neergeslagen blik en een stel opgetrokken schouders. In een poging om haar tong iets
losser te maken, gaf ik zelf verdere toelichtingen: “Jammer,… jammer dat hij over zijn
zorgen met niemand wenst te praten. Velen zijn van oordeel dat hij zichzelf zware
medicatie voorschrijft of technieken aanwendt om alles te verdringen. Kwatongen durven
zelfs beweren dat hij zijn vrouw en zijn zoontje zelf vermoord heeft. De vakkundigheid
waarmee de lichaamsdelen van de rompen werden verwijderd, wijzen op een chirurgische
bekwaamheid. Van de moordenaar is er helaas nog steeds geen spoor. Ik weiger echter om
ook maar één ogenblik te overdenken dat hij de dader zou kunnen zijn. Trouwens… ”
“Wenst mijnheer nog iets?”, onderbrak Martha me op een verrassend kordate toon. Ik
antwoordde ontkennend en schaamde me een beetje voor mijn al te opdringerig vertoon.
Net voor ze de deur achter zich wou dichttrekken, keek ze me droefgeestig aan en zei:
“De dokter is een goede man. Wees maar zeker dat hij lijdt… er gaan zelfs geruchten dat
zijn gehuil midden in de nacht hoorbaar is tot ver buiten zijn kasteel. Meer dan één
nachtelijke wandelganger werd door zijn nachtmerries opgeschrikt.” “Ik dank je Martha”
zei ik verrast.

*

Enkele dagen later voelde ik me voldoende hersteld om naar goede gewoonte mijn
laatavondwandeling aan te vatten. De gedachten aan dokter Burns lieten me echter niet
los en mijn nieuwsgierigheid prikkelde me een parkoer te volgen dat ik zelden of nooit
aflegde, zeker niet ’s avonds. Een wandeling omheen de slotgracht van Burns’ kasteel leek
me niet zonder gevaar. Weliswaar was het volle maan en viel er in de wijde open vlakten
voldoende licht. Maar een misstap op een schaduwrijke plek was vlug gezet. Het leek me
een goede gedachte om even bij boer Donkers aan te kloppen. Hij was Burns dichtste
buur. Donkers was geen vreemde voor mij integendeel, de verbouwing van zijn boerderij
had hij me in mijn beginperiode als architect toevertrouwd. Dat hij verbaasd zou zijn om
iemand na 10 uur nog te horen aankloppen, was niet erg, ik zou wel iets ter plaatse
bedenken. “Wie daar?” schreeuwde een hoge mannenstem die onmiddellijk te herkennen
was als die van boer Donkers. “Den architect… de Leo” riep ik tegen een gesloten deur.
Na het gestommel en het gefriemel met hendels en sloten, keek ik door een kier naar het
tandeloze en angstige gezicht van een tenger iemand waarvan nooit te raden viel dat hij
landbouwer was. “Is er iets?” vroeg hij met grote ogen terwijl hij langzaam de deur
verder opende en het geweer liet zakken dat hij in zijn rechterhand hield. “Het spijt me
dat ik stoor, maar mijn nieuwe aanwinst van heden middag, een labrador, blijkt spoorloos
te zijn… niets gezien?” “Wat jammer” zei de boer medelevend, “kom toch even binnen?”
Algauw wist ik de zogezegde reden van mijn nachtelijk aankloppen naar de achtergrond
te schuiven en dokter Burns als gespreksonderwerp naar voren te brengen. Intussen was
Donkers’ vrouw mee komen aanzitten. Op een emotionele wijze maakte ze de
verbazingwekkende uitspraak: “Bij mij komt die dokter er niet meer in… ik ben niet
gek… ik hoor wat ik hoor.” “Rustig mens” maande de boer zijn vrouw aan terwijl hij zich
langzaam tot mij richtte: “Soms, als de wind uit oostelijke richting komt, kan je zeer af
en toe, en uitsluitend ’s nachts, de meest huiveringwekkende huilgeluiden horen die
onmiskenbaar door een mens worden voortgebracht. Arme man toch, die dokter Burns…”
“Het zijn de stemmen van zijn vrouw en zijn zoontje” wist de boerin me in alle ernst te
zeggen. “Ach mens toch” zei de boer verveeld, “mensen die in de hemel zijn dwalen niet
kermend rond op deze aardkloot.” “Oh ja… waarom schrok de dokter zich dan haast een
bult toen ik hem in de ogen keek en zei dat we uit zijn kasteel af en toe de meest nare
geluiden horen opstijgen? Trouwens van toen af hebben we het gehuil nog slechts af en
toe, en ook minder luid, waargenomen.” “Ik stap maar eens op, het verder zoeken zal voor
morgen zijn” zei ik nadat ik mijn kop koffie had leeggedronken. Beiden werden met
verstomming geslagen toen ik vroeg hoe je van hieruit het snelst aan Burns’ kasteel
belandde. * Het maanlicht verlichtte meer dan voldoende de veldweg die afstevende op
een gitzwarte vlek die gevormd werd door de brede rij huizenhoge populieren
waarachter het kasteel verscholen lag. Het was jaren geleden dat ik nog op die plek was
geweest en het kasteel oogde veel kleiner dan ik me herinnerde. In het water van de
slotgracht tintelden de lichtweerspiegelingen van de halogeenstralers die de wit
geschilderde muren fel deden oplichten. Op de enige brug die het water overspande en
toegang tot het kasteel gaf, stond de wagen van Burns. Het vredige zicht maakte de
gedachte aan wat zich hier een goed jaar geleden had afgespeeld, onaannemelijk. Nergens
was er beweging te bespeuren en nergens brandde licht in één van de vertrekken.
Langzaam slenterde ik huiswaarts, even opgeschrikt door een bijna onhoorbare
langgerekte kreet waarvan ik het bestaan toeschreef aan mijn al te grote
verbeeldingskracht en zin naar avontuur.

*

“Kijk.. wat heb ik je gezegd”, zei mijn huishoudster en duwde me het gemeentelijk
nieuwskrantje onder m’n neus. In een advertentie werd iedereen uit het dorp en
omstreken, uitgenodigd om deel te nemen aan de boerenkermis op het binnenplein van
dokter Burns’ kasteel. De organisatie ging uit van een liefdadigheidsinstelling die Burns
dankte voor het ter beschikking stellen van die uitgelezen en uitzonderlijke locatie.
Samen met anderen meende ik dat die ongewone en nooit eerder verleende geste van
Burns tot doel had om het aanschijn van zijn huis op te vijzelen en aldus een halt toe te
roepen aan al de vreemde geruchten die over hem de ronde deden. Zowel mijn
huishoudster als mezelf had ik die dag alvast vrijaf gegeven.

*

Het was een prachtige vroegzomerdag. De vele kraampjes met kansspelen en
versnaperingen draaiden nu op volle toeren. Onder het mom van liefdadigheid schroomde
niemand zich om deel uit te maken van het bonte gezelschap. Alle dorpsnotabelen, arm en
rijk, iedereen kon het voor één keer op dezelfde plek met elkaar vinden. De punch die
een stel jonge snaken had gebrouwd was bijzonder lekker, en voor een prikje kon men
zich onder die zonovergoten hemel een delirium drinken. “Maar... als dat onze architect
niet is?” sprak iemand me eensklaps luidruchtig aan terwijl hij me de hand reikte. In zijn
andere hand hield hij evenals ik een glas punch, maar blijkbaar was het niet zijn eerste
die dag. “Detective Dufour?” vroeg ik aarzelend en half verblind door de zon.
“Inderdaad, … zeg, ik heb gehoord dat de sporthal in onze straat jouw werk wordt?”
“Voor een deel”, merkte ik bescheiden op. “Heb je Burns al… godverdomme… als je van de
duivel spreekt.” “Goedemiddag heren… welkom” zei Burns kurkdroog maar beleefd,
terwijl hij naar ons toestapte. Alsof het een plechtstatig ritueel betrof, drukte hij
Dufours hand en verwelkomde mij op identieke wijze. Ik had het gevoel dat hij dwars
door me heen keek. Zijn gelaat vertoonde geen enkel teken van emotie. Niets scheen zich
te bewegen achter dat uitdrukkingsloos voorhoofd. Was het omdat hij zijn geest had
leeggemaakt van alle kwellende gedachten en herinneringen? Of vergiste ik me, en was
het juist andersom? Misschien werd elk plekje in zijn hoofd dat hem een weinig adem- en
bewegingsruimte bood, onmiddellijk opgevuld door een andere of zelfs nog wredere
gedachte? De kans om meer inzicht te verwerven in deze mysterieuze man kregen we
niet. Even snel als hij verschenen was, verdween hij terug in de massa. “Vreemde kerel die
Burns” zei ik langs mijn neus weg. Het leek wel of mijn woorden iets in Dufours
onderzoekend brein hadden wakker geschud. Snel nam hij een flinke slok van zijn punch
en spoorde me aan om hem in zijn wandelen te vergezellen. Blijkbaar wou hij iets kwijt.
Wat me er toe bewogen had weet ik niet, maar onwillekeurig draaide ik mijn hoofd en
keek recht in de ogen van Burns die meer dan 30 meter verder tussen het volk stond.
Zijn hypnotische blik deden al mijn bewegingen in een klap verstenen. Hij keek ditmaal
niet door me heen, het tegendeel was waar. Ik had het gevoel alsof hij me voor iets
verschrikkelijks waarschuwde, en me tezelfdertijd smeekte om hem uit zijn
onuitsprekelijk lijden te verlossen. Iemand die hem aansprak, maakte bruusk een einde
aan ons oogcontact. “Wel… waar blijf je?” riep Dufour die niet onmiddellijk had
opgemerkt dat ik niet volgde. Terwijl we langs de waterkant voortslenterden, vroeg hij
met een lispelende tong hoe goed ik Burns wel kende. “Werk je nog voor Burns?” vroeg ik
nieuwsgierig. “Wel neen,… ik heb trouwens nooit de indruk gehad voor hem gewerkt te
hebben. Of beter gezegd, ik heb steeds het gevoel gehad dat het vinden van de
moordenaar van ondergeschikt belang was. Alleen moest ik aan iedereen duidelijk maken
dat ik met de zaak bezig was.” “Verdenk jij Burns zelf van…” “Luister”, onderbrak hij
met het hoofd neen schuddend. “De dag van de moord verdween een arts uit Kent, dokter
Furson… kijk dat is zijn foto. We weten dat hij Burns haatte en hem meermaals bedreigd
had. Burns had een zware beroepsfout van Furson aan het licht gebracht. Daardoor zag
de nog jonge en beloftevolle chirurg een einde aan zijn blitscarrière komen. Ik zie die
afschuwelijke gebeurtenissen als een wraakactie van Furson op Burns. Het is me echter
een raadsel waarom Burns nooit veel aandacht aan die piste wilde schenken en me
rijkelijk betaalde om wat aan te modderen?” Dufours’ leeg glas deed hem met versnelde
passen terug naar het binnenplein stappen. Ik was nu ook wel aan een tweede punch toe.

*

“Als dat Martha niet is” zei ik terwijl ik me pal achter haar bevond. “Oh, mijnheer…
nogmaals bedankt voor deze vrije zaterdag, maar mag ik je even voorstellen? Saartje, de
huishoudster van dokter Burns.” Ik schrok een weinig toen die nog vrij jeugdige dame me
begroette met een kakofonie van keelgeluiden. Onverstoord zei Martha dat Saartje van
geboorte doofstom was, maar wel kon werken als de beste. Zij was reeds lang één van
Burns’ patiënten en kwam in dienst na de vreselijke gebeurtenissen. Een hevige
darmkramp noopte me er toe om het gesprek bruusk af te breken en me te
verontschuldigen. Met ontzetting zag ik dat voor de noodtoiletten ellenlange rijen
stonden aan te schuiven en dat ik onmogelijk nog veel langer mijn behoefte kon
onderdrukken. Aan de achterzijde van het kasteel was er weliswaar minder volk, maar
wandelende paartjes maakten het onmogelijk om één van de struiken als doelwit uit te
kiezen. Een wanhopige blik op de rijzige achtergevel deed mijn oog vallen op een
mansbreed keldertrapje dat toegang gaf aan een smal en verweerd houten kelderdeurtje.
Mijn hoofd bevond zich nu enkele centimeters lager dan de begane grond zodat ik uit het
zicht stond. De oogvijzen van het vastgeroeste en blijkbaar reeds eeuwenlang in onbruik
geraakte hangslot, vielen gewillig uit het vermolmd hout toen ik mijn schouder tegen het
deurtje zette. Zonder ook maar één ogenblik verder na te denken, wierp ik me in het
donkere hol, duwde met één klap het deurtje achter me dicht en kon nog net op tijd mijn
broek laten zakken om me over te geven aan die dwingende boodschap. Toen mijn ogen
zich hadden aangepast aan het weinige licht dat via enkele spleten binnendrong, merkte
ik een schakelaar op. Een vaalbleek licht wierp grillige en roetzwarte schaduwen af op
de onbezette en wegterende bakstenen. Mijn nieuwsgierigheid was groter dan het besef
dat ik me op verboden terrein bevond. Ik ging voorbij aan het eventueel schandaal dat
me te wachten stond wanneer ik hier betrapt werd. * Naarmate ik me verder van het
deurtje verwijderde, werd ik onrustiger. Ik ervoer ditmaal geen opwindend
kwajongensgevoel, dat telkenmale opleefde wanneer ik mijn neus stak in iets waar ik geen
zaken mee had. Integendeel, een sloomheid overviel me, en mijn goed ontwikkelde intuïtie
bracht me tot de overtuiging dat ik het daglicht nooit meer op dezelfde wijze zou
aanschouwen zoals ik dat de voorbije 50 jaar had gedaan. Het geluid van buitenaf drong
nu niet meer door tot de plaats waar ik me bevond. De gedachte aan de verschrikkelijke
moord op Burns’ verwanten kwam me bruusk en angstaanjagend voor de geest.
Dwangmatig haalde ik de gruwelijke details voor ogen die ik echter als weldenkend mens
niet kon vatten. Opnieuw vroeg ik me af hoe Burns zo’n geestesvernietigende ontdekking
heeft weten te doorstaan. Dat hij dokter is, doet niets af van het hoogst gruwelijke
karakter van dit alles, het waren immers de lichaamsdelen en ingewanden van zijn
geliefde vrouw en zoontje die vakkundig en netjes op de salontafel lagen uitgebeend. Dat
hij teerde op een overlevingsstrategie die hem voor de afgrond behoedde, stond voor mij
buiten kijf, evenzeer dat hij zelf onschuldig was. In een kortstondige opwelling van
vertwijfeling liet ik mijn gedachten dan toch weer heel even verleiden om de dokter als
dader te beschouwen, en hem te verdenken van een ver doorgedreven zelfhypnose
waarbij hij zich het vroegere bestaan van zijn vrouw en kind niet meer herinnerde. Eén
van de vele zijgangen liep dood op een blauw en modern ogende deur. Een nog niet
uitgeharde cementzak en wat bouwoverschotten gaven aan dat de plaatsing van die deur
uit een vrij recent verleden stamde. Met het overhalen van het cilinderslot had ik weinig
moeite. Als architect was ik maar al te vaak getuige hoe een slotenmaker zich toegang
verschafte tot de verlaten en te renoveren panden. Het kostte me wel het montuur van
mijn zonnebril waaruit ik een fijne ijzerdraad wist los te wrikken. Achter de deur
bevond zich de lichtschakelaar waarmee ik het klaslokaal grote vertrek hulde in een zee
van helder licht. De kraaknette plaats deed me onmiddellijk aan dokter Burns’
bedrijvigheid als arts denken. Op de op ooghoogte geplaatste schabben stonden grote en
kleine met vloeistof gevulde glazen stolpen, allen netjes naast elkaar. Hierin bevonden
zich allerlei menselijke lichaamsdelen. Aan de verschillende datums te zien, was de
verzameling vrij jong en dateerde de oudste stolp, waarin 2 oogballen dreven, van 6
maanden terug. Wat de Latijnse tekst op de etiketten betekende, was niet moeilijk te
raden. Zelfs voor een volslagen leek zoals ik was de stolpinhoud overduidelijk: een nier,
twee oren, een voet, een stel knieschijven, hoofdhaar met het onderliggend huidweefsel en
testikels. Eén stolp was leeggehaald of moest nog aangevuld worden. Het etiket
vermeldde ‘larynx’ wat naar mijn mening strottenhoofd betekende. Het had niets
weerzinwekkends in zich. Ten eerste was zo’n aanblik me niet nieuw, en ten tweede
brachten zo’n zaken me telkenmale opnieuw tot het ootmoedig en nederig besef dat we
allen slechts uit stof en as bestaan en dat alle ijdelheid en grootspraak ongepast is. Ik
voelde me echter schuldig om zo schofterig te zijn binnengedrongen in Burns’ leefwereld.
Misschien was deze wetenschappelijke bezigheid wel één van zijn uitlaatkleppen om niet
geheel ten onder te gaan. Eensklaps viel mijn oog op een cassetterecorder en de vier
luidsprekerboxen die in elke hoek van de kamer waren opgehangen. Een leeg
cassettedoosje met een opvallend opschrift lag naast de recorder. Mijn uiterst
nieuwsgierige wijsvinger kon het niet nalaten om de startknop van het toestel in te
drukken. De geluiden die ik toen te horen kreeg, vervulden me met zo’n afgrijzen dat ik
het lege doosje uit mijn verstijfde vingers liet glijden. ‘Symfonie van wraakzoete
klanken’, was de titel die Burns’ krankzinnige geest aan door merg en been snijdende
smartkreten had gegeven. Er was geen twijfel meer mogelijk. Mijn intuïtie had me niet
misleid. Burns was een volslagen krankzinnig iemand. Maar was ik dan de enige die in hem
meer zag dan een getormenteerd en vaak afwezig iemand? De hemel weet het. Burns
hypnotisch staren kwam me ongevraagd voor de geest. Eensklaps werd me iets duidelijk.
Misschien waren er nog dorpsgenoten die zo’n vernietigende mening over zijn geestelijke
gezondheid hadden, maar meer dan waarschijnlijk was ik de enige op wiens gezicht dat
overduidelijk te lezen stond, althans voor Burns. “Ik weet dat je het weet”, zie ik zijn
ogen nu zeggen, duidelijker dan welk geschreven of gesproken woord. De gedachte dat hij
me belast had met een moeilijke en levensbelangrijke opdracht, kon dan weer ontsproten
zijn uit mijn verbeelding. Wat moest ik immers beginnen tegen een kranzinnig gemoed dat
er wonderwel nog steeds in slaagde om zieke lichamen beter te maken? Vanuit de
menselijke resten die me omringden, scheen nu plots een dreiging uit te gaan. In de stolp
met oogballen meende ik beweging gezien te hebben en duidelijk merkte ik hoe beide me
met een dreigende en verachtelijke blik aankeken. Mijn geest was echter niet bij machte
om mijn diepste en heimelijkste vermoedens te verwoorden. Net toen ik met bevende hand
het licht wou doven om op mijn stappen terug te keren, werd mijn aandacht getrokken
door iets wat leek op een kreunend geluid. Het kwam voort uit een aanpalend vertrek dat
tot hiertoe aan mijn aandacht was ontsnapt. De aanblik deed me onmiddellijk aan een
operatiekamer denken, en wat ik toen te zien kreeg, tart elk menselijk
voorstellingsvermogen. Vastgebonden met lederen riemen en de mond gesnoerd met een
stalen beugel, lag op de operatietafel een levend wezen dat ik niet onmiddellijk als mens
herkende en dat me tezelfdertijd toch bekend voorkwam. Op de plaats waar ik zijn ogen
zocht, bevonden zich twee donkere eigrote holten. De huid van zijn schedel was
verwijderd zodat ik neerkeek op één grote bloederige massa. Blijkbaar had het mijn
aanwezigheid aangevoeld en begon het heftig met de romp te schudden. Daar ik meende
dat de beugel de mondhoeken dreigde te scheuren, plaatste ik met trillende handen mijn
beide duimen op de hendels van de beugelklem die in één wip uit het wezen zijn mond viel.
Een oorverdovend en langgerekt gehuil deed me verlamd van schrik achterover slaan.
Hoelang ik in die halfbewuste toestand tegen de vloer gelegen heb, weet ik niet. Wel
hoorde ik dat het gehuil eindeloos aanhield. Wat ik me nog wel goed herinner zijn de
toegesnelde voetstappen en het gelaat van Dufour die me recht hielp terwijl hij zijn blik
naar de operatietafel gericht hield en met ontzetting de naam Furson uitschreeuwde.


EEN STAAT VAN VOLKOMEN VERWARDHEID

Hij staat op de spoorbrug. Zijn zicht verdwijnt in het water, dat zes meter onder hem
voorbij raast. Een touw, stevig vastgeknoopt rond de leuning van de brug, slaat door de
wind tegen zijn been. Alsof het om een ritueel gaat, haalt hij langzaam het koordeinde
naar zich toe en schudt meewarig het hoofd. De ijskoude regen heeft zijn vingers
gevoelloos gemaakt. Als opwarming maakt hij met beide handen enkele klauw- en
grijpbewegingen. Wat hij van plan is, blijkt nu overduidelijk. De reeks van vloeiende
handelingen waarmee hij met het touw omspringt, zet me aan het denken. Wellicht is het
niet zijn eerste poging om zich te willen verhangen. Even leg ik mijn verrekijker neer en
leun achterover. Dit is de eerste maal dat ik geconfronteerd word met de consequenties
van mijn oosters filosofisch denken: “Verhinder nooit een zelfdoding, niemand mag het
wiel van de wedergeboorte verstoren.” Hoe vaak heb ik die wijsheid niet verkondigd als
de logica zelve, alsof het een fluitje van een cent is om in zulke omstandigheden je kalmte
te bewaren. Moet ik nu lijdzaam toezien hoe zo’n 100 meter verderop iemand zich
verhangt? De onrust in me neemt toe. Opnieuw gris ik mijn verrekijker van de
vensterbank en kijk met een kloppend hart naar de spoorwegbrug. Ik zie dat hij schijnt
te twijfelen. Opnieuw schudt hij het hoofd en kijkt naar de vakkundig geknoopte strop.
Allerlei gedachten flitsen door mijn hoofd. Steeds had ik gemeend zo’n tafereel stoïcijns
te kunnen aanschouwen. De zelfmoord van mijn vader op zijn vijfenzestigste bleek plots
minder goed verteerd te zijn dan ik gedacht had. Een plotse opwelling van hoop en
opluchting doet me uit mijn zetel opveren. Met snelle vingers zie ik hoe hij het
knoopwerk ontrafelt terwijl hij onderzoekend om zich heen kijkt. Het is me duidelijk dat
hij op zijn voornemen is teruggekomen. Ook het regenen heeft opgehouden. Alsof de
hemel zich in het drama gemengd heeft, wordt de spoorwegbrug overkoepeld met de
pracht van een zelden geziene kleurrijke regenboog. De behoefte om met die man te
praten kon ik niet langer onderdrukken. Vliegensvlug ren ik de straat op, maar zodra de
man in mijn gezichtsveld komt, beweeg ik me verder met een slenterige wandelpas terwijl
ik onverschillig rondom me kijk. Met een leeg hoofd nader ik mijn doel. Wat beweegt me
toch om met die man te willen praten? Wil ik hem laten delen in het vleugje optimisme dat
me de laatste tijd opmontert? Moet ik hem vertellen over hoe mooi het leven kan zijn en
wijzen naar de regenboog die het ultieme bewijs is dat er na regen zonneschijn komt?
Stel je voor dat hij me in verlegenheid brengt door uit wijden over de pijnvolle korte
tijd die hij misschien nog te gaan heeft. Of dat ik het verhaal moet aanhoren van
ondankbare kinderen die nooit meer naar hun vader omzien en hem verweesd hebben
achtergelaten? Nog vier stappen ben ik van hem verwijderd, en met een ontwapende blik
kijk ik de oude man recht in de ogen. Mijn vriendelijke groet wordt echter beantwoord
met de eerste woorden van een nors klinkende vraag die hij eensklaps afbreekt om met
grote ogen over mijn schouders te kijken. Op enkele meter achter me had tot mijn
ontzetting een politiecombi halt gehouden. Wellicht heeft de fixatie op die ongewone
ontmoeting mijn zintuigen buiten werking gesteld. Twee struis gebouwde agenten stappen
met zelfzekere passen op de man af. “Heren?” zeg ik op een smekende toon, “is dat nu
werkelijk nodig? Laat hem… hij is toch geen misdadiger?” Verbouwereerd kijken beiden
me heel even aan en houden op een armlengte van de oude man halt. “Zo’n vier kilometer
stroomafwaarts zijn twee kikvorsmannen op zoek naar het lijk”, zegt tot mijn stomme
verbazing één van de agenten tegen het oudje die hij bovendien met commissaris
aanspreekt. “Het touw is afgebroken, zo rot als snot, niet eens sterk genoeg om een hond
op te hangen”, antwoord hij kuchend. “Maar het knopen van een strop ben ik nog niet
verleerd”, voegt hij er grijnslachend aan toe. “De enige getuige van deze wanhoopsdaad is
met een lichte schok naar het hospitaal gebracht” zegt één van de agenten. “Hopelijk
weet hij ons later nog meer te vertellen” gromt de man in wie ik nog steeds geen hoge
politiefunctionaris kan zien. Eensklaps wendt hij zich tot mij en vraagt: “Ik had de
indruk dat je me iets wilt vragen jongeman?” “Né… neen” stamel ik in een staat van
volkomen verwardheid, “ik kom hier toevallig langs.”


EEN MERKWAARDIG STEL

"Ik ben uitgeput en helemaal doorweekt", zei Links mistroostig.
"En ik dan?" opperde Rechts, "voor mij regende het even fel als voor jou".
"Best mogelijk, maar ik had op de koop toe de brute pech om in een diepe plas te
trappen".
"Altijd maar klagen en je misdeeld voelen, het lijkt wel of je ongelukkig zou zijn wanneer
je dat ontnomen werd".
"Ongelukkig ben ik al", snifte Links. "Wie wordt er steeds als eerste in de hoek geduwd?
En als hij zijn kuren heeft, is gesmeten geen overdreven taalgebruik".
"Ach broertje, die man heeft voor niets of niemand respect. We zijn tweelingen; hij
maakt geen onderscheid tussen ons beiden".
"Hoe vaak moet ik je nog zeggen dat we geen tweelingen zijn! " zei Links geïrriteerd, "en
waarom geef je niet toe dat hij de zwaarste last steeds op mij laat rusten?"
"Ja, zo zit die vent nu eenmaal in elkaar. Ik denk dat de natuur een loopje met hem
genomen heeft".
"Eén van de dagen moet ik terug onder het mes, je zal het zien. Stel dat ik voorgoed
werkonbekwaam word bevonden. Jouw tijd is dan ook gekomen vrees ik".
Rechts schrok van zijn broers woorden. Opnieuw werd hij er aan herinnerd dat zijn lot
onafscheidelijk met dat van hem verbonden was. Met pijn in het hart dacht hij aan dat
stuk krantenpapier waar hij bij toeval op trapte, en waarin een kort maar boeiend
artikel te lezen viel. Mensen brachten in het verleden meer respect op voor ouderen en
noodlijdenden. Nu worden ze als wegwerpartikelen beschouwd. Nieuwe en jongere
generaties nemen zonder meer hun plaats in. Nooit wordt er nagegaan tot wat oudjes nog
in staat zijn.
"Eén voordeel heeft het om niet zijn enig slaafje te zijn", zei Links eensklaps, "morgen
laat hij ons met rust, je zal het zien. Er staan genoeg frisse krachten te trappelen om
zijn hielen te likken".
"Hopelijk heb je gelijk, maar laat me nu met rust".
Korte tijd later.
"Rechts ben jij ook nog wakker?"
"Verdorie toch " antwoordde hij nijdig, "net nu ik erin geslaagd ben om te slapen wat is
er dan?"
"Ik kan niet slapen ik lig alsmaar aan hem te denken. Ik haat die man. Heb je geroken
wat voor zweetvoeten die vent de laatste tijd heeft? Het zou me niet verbazen dat we er
zelf naar ruiken".

Even bleef het stil.

"We hebben weinig geluk gehad in ons leven", ging Links verder,"wie ons verwekt heeft
weten we niet, en een naam hebben we onszelf moeten geven".  "Ach, ben je daar weer?",
merkte Rechts wrevelig op, "het had erger gekund. Ik weet dat er veel zijn die het
slechter getroffen hebben. Je kan niet zeggen dat hij ons verwaarloost. Over onze
verzorging mogen we niet klagen".
Een glimlach verscheen op zijn mond: "Het verbaasde me dat hij je eigenhandig
schoonmaakte toen je vol stront hing".
"Ja, maar wie zijn schuld was dat? Toch de zijne zeker?"
"Kom, kom, een ongelukje kan altijd gebeuren".
"Ja, ja, maar moet dat mij altijd overkomen?"
"Kom, tracht nu te slapen, morgen zien we wel verder".

Die morgen

Bruusk werden Links en Rechts gewekt. Verbaasd keken ze elkaar aan. "Zou hij vandaag
dan toch beroep op ons doen?", fluisterde Links.
Een vrouwenstem keelde vanuit de hal naar de woonkamer. Met zijn mank rechterbeen
kwam haar man aangewaggeld.
"Lieverd, ik vrees dat je met klamme schoenen naar je werk moet. Alle anderen zijn naar
de schoenmaker. Zodra die hersteld zijn, kun je deze maar best wegwerpen".


EEN PENDELAAR

"Toch is het een straffe toer" zei Jaap en keek van zijn boek weg om zijn blik te laten
rusten op zijn voet die in het gips lag.
Zonder haar strijkwerk te onderbreken en ook maar éénmaal op te kijken antwoordde
zijn vrouw: "Pffff. een straffe toer omdat ze zogezegd uit je hand kon aflezen dat je
een ongeval ging krijgen"? " Nee, niet alleen daarom" snauwde hij geïrriteerd, "het zou
niet al te ernstig zijn, en het zou me voordelen opleveren".
"Voordelen?", antwoordde ze op een spottende toon, "zes weken zit ik met jou
opgescheept. Opgescheept met een vent die nu helemaal geen poot meer uitsteekt en zich
verdiept in de grootste flauwe kul".
Na een korte stilte ging hij opnieuw in de tegenaanval: "Flauwe kul zeg je? Dat mens
heeft een wachtlijst van wel vier weken dat noem ik geen flauwe kul. Twintig euro voor
een half uur, en in het zwart"! "Lees dan maar verder lachte ze, misschien lukt het je ook
om twintig euro in een half uur te verdienen". "Wat denk je dat ik anders van plan
ben?", snauwde hij opnieuw.
Met grote ogen en half open mond keek ze hem aan terwijl ze haar strijkijzer geluidloos
in de metalen strijkkorf plaatste." En waar denk jij dat volk te ontvangen? Geen
vreemde luizen in mijn kot hé!"
"Maar mens toch, denk toch eens na godverdomme, veertig euro per uur"! "'tIs al goed,
ik moet wel gek zijn om op zon praat te reageren. Alsof jij ooit één klant over onze vloer
zou krijgen. Ik denk dat je dat olievat niet alleen op jouw teen kreeg maar ook op jouw
kop. t 'Jonge, t 'jonge, mijne vent een waarzegger.hahaha".

*

Enkele weken later had Jaap zijn eerste klant. "Zorg er maar voor dat wanneer ik
straks terug ben, die vent uit ons kot is", beet zijn vrouw hem toe. Voor ze de deur
achter zich dichtsloeg, voegde ze er grijnslachend aan toe: "Tracht je klant twee uur aan
de praat te houden, misschien heb je dan al die advertentie- en telefoonkosten
gerecupereerd".

*

Die eerste sessie was niet verlopen zoals Jaap gehoopt had. Stellig had hij de indruk dat
zijn cliënt niet overtuigd was van zijn kunde. Met duidelijke tegenzin had die betaald om
nooit meer terug te komen.
Vloekend overdacht Jaap wat er was misgegaan. Volgens hem had hij pech gehad. Het liep
al fout bij het inleidend gesprek. Veel te vlug was hij van wal gestoken met te zeggen dat
zijn cliënt een man was die de zaken op een praktische en aardse wijze aanpakte, maar
niets was volgens deze moraalfilosoof minder waar. Velen verweten hem immers dat hij
van aanpakken geen weet had en vaak met zijn gedachten in de wolken liep.
Tot zijn schande moest Jaap vaststellen dat korte en brede handen niets zegden over
iemands persoonlijkheid. Het vertrouwen in de schrijfster van zijn prijzig en lijvig boek
had een flinke deuk gekregen. Hij meende met het handlezen een slechte keuze te hebben
gemaakt. Niet dat hij over te weinig basiskennis beschikte, maar de verbale vlotheid
waarmee zijn waarzegster alle bevindingen aaneen kon praten, bezat hij niet. Daarom
hield hij het handlezen voor bekeken en stortte zich op het boek over pendelen dat hij
bij een postorderbedrijf besteld had.

*
Onder het alziend en spottend oog van zijn vrouw oefende Jaap op zaken die zijn nieuw
boek hem voorhielden. Met zijn pendel bepaalde hij door middel van een meetlint een
reeks graduele waarden die nadien af te lezen of na te meten waren: Het goudgehalte van
zijn trouwring, het alcoholgehalte van sterke drank, de kamertemperatuur, het gewicht
van een koperen vaas enzovoort.
Het meest van al was hij gefascineerd door het opsporen van vermiste voorwerpen en
personen. Hij beschouwde het als zijn specialiteit en trad zonder schroom met dit etiket
zijn potentiële klanten tegemoet. Soms belde hij mensen op die een beloning hadden
uitgeloofd om gestolen voorwerpen terug te vinden. Veel positieve reacties kwamen daar
echter niet op, net zo min als op de vele en vaak dure advertenties die hij plaatste.
Bij de weinige klanten die hij had, werden zo goed als geen resultaten geboekt,
integendeel. Midden in de nacht werd Jaaps vrouw uit bed gebeld. Eén van zijn cliënten
die blijkbaar de slechts mogelijke raad had gekregen, wou hem onmiddellijk spreken.
Maar toen Jaaps vrouw de onbekende beller duidelijk maakte dat het voor haar man een
hele klus is om met zijn loodzware voet uit bed te komen, werd ze voor verrot
uitgescholden.
De volgende dag was de stemming in Jaaps huis niet bepaald vrolijk. En toch zou er reden
tot blijdschap zijn geweest. Die dag mocht zijn voet uit de plaaster en restte er nog één
week ziekteverlof vooraleer opnieuw aan het werk te gaan.

*

Op Jaaps werk wist blijkbaar iedereen hoe hij die zes weken ziekteverlof had
doorgebracht. De reacties op zijn ongewone bezigheden en de meningen over
waarzeggerij waren zeer uiteenlopend. Uiteraard was steeds de hamvraag of hij al
resultaten had geboekt. Telkenmale moest hij een ontwijkend antwoord geven of een
kleine leugen opdissen.
Ondanks de spotternijen van zijn vrouw, bleef hij onverdroten oefenen. Zo gauw de
eettafel vrij was, werd ze bedolven onder land- en wegenkaarten. Licht voorover
gebogen zat hij vaak urenlang en met een doodernstig gezicht te wachten op wat hij
noemde vibraties die de pendelbeweging in gang zetten.

*

"Wel dat is niet van je gewoonte om zolang met dat mens van hiernaast te staan kletsen"
zei Jaap die doormiddel van schouderbewegingen een stijfkramp in zijn rug trachtte te
verzachten.
"Ach nu is haar hond weer zoek", antwoordde zijn vrouw. "Zoek? voor de zoveelste maal
dit jaar", merkte Jaap met leedvermaak op.
"'k Ben er toch niet gerust in, hij is al meer dan een dag vermist". "Meer dan een dag
vermist?", herhaalde hij belangstellend.
Na een korte stilte zei Jaap eensklaps: "Ik ga even een luchtje scheppen". Het was zijn
vrouw echter niet ontgaan dat hij zijn pendel en stafkaarten in zijn jas had gestoken.
"Aaaah, neen dat zal niet waar zijn! Je gaat dat mens toch niet lastig vallen met die
flauwekul? Buiten de valse hoop die je bij dat oud mens zou wekken, maak je zowel jezelf
als mij belachelijk".
"Godverdomme toch", vloekte Jaap, daar zal die van hiernaast zelf wel over oordelen.
Woedend trok hij de deur achter zich dicht en belde aan bij het oudje. Toen hij nog maar
het woord hond uitsprak, leefde ze in de zekerheid dat haar viervoeter was
teruggevonden. Het koste Jaap dan ook heel wat geduld om de ware bedoeling van zijn
komst uit te leggen. "Baat het niet dan schaadt het niet" zei ze uiteindelijk instemmend,
en vaagde met een vinger doorheen haar betraande ogen.
In een open te schroeven Mermetpendel werden enkele haarplukjes van het vermiste dier
ingebracht, en boven een stafkaart liet Jaap zijn pendel zweven. "Hier heb ik iets",
fluisterde hij haast onhoorbaar terwijl zijn pendel heen en weer slingerde. "Leeft
Snippie nog?", vroeg het oudje dat gans de tijd op Jaaps vingers had staan kijken. Jaap
antwoordde niet maar vroeg of ze een foto van het dier had.
"Ik ben niet zeker of Snippie nog leeft" antwoordde hij nadat zijn pendel roerloos
boven de foto bleef hangen. "Het is vlakbij de spoorwegbrug ik moet beslist gaan kijken.
We moeten ons op het ergste voorbereiden".
"Dat moet mijn zoon Wim zijn "zei het oudje toen er aangebeld werd. "Misschien kan hij
even met me mee zoeken?", stelde Jaap voor.

*

Te voet gingen beiden naar de spoorwegbrug. "Geloof jij in pendelen?" vroeg Jaap. "Een
beetje toch" antwoordde Wim aarzelend. Zijn gedachten waren echter bij hetgeen ze
mogelijk te zien zouden krijgen.
"Snippie ligt hier ergens dood wat komen we hier anders doen?", zei Wim toen ze voor
de brug halt hielden. "Ik vrees van wel " antwoordde Jaap met een zucht.
Systematisch kamden beiden de omgeving uit.
"Hier!" riep Wim verschrikt, en met grote stappen kwam Jaap aangelopen. "Zonder
twijfel dat is onze Snippie geweest", zei Wim ontdaan. Langzaam knielde hij neer bij het
kadaver. Terwijl hij doorheen de langharige vacht streelde zei hij: "Vreemd, die schuim
rond zijn bek en die uitpuilende ogen. Het doet me denken aan een vergiftigde kat die in
onze tuin belandde om daar te sterven. Ook merkwaardig is dat ik geen bloed of
verwondingen zie. Dat is moeilijk te zien bij zo'n roodbruine hond waarschijnlijk is hij
door een autobumper opgeschept en weggeslingerd", meende Jaap. Na een kort
stilzwijgen en met een pijnlijke grimas op zijn gezicht, tilde Wim de dode hond op.

*

In tegenstelling tot wat Jaap gedacht had, nam zijn vrouw nu helemaal afstand van wat
stilaan zijn passie was geworden. Het laatste wat ze hem over dat pendelen te zeggen
had, was dat hij vlug zou inzien dat het terugvinden van Snippie puur geluk was. Ze
ondersteunde die bewering met hem eraan te herinneren dat vorig jaar op die plaats een
kind werd doodgereden, om dan nog niet te spreken over de tientallen bijna-ongelukken.
"Dat is dan jouw mening" antwoordde hij, "ik vertel je niks meer. Hou je commentaar
voortaan voor jezelf".

*

Alhoewel Jaaps voltreffers uitbleven, had hij toch een vaardigheid ontwikkeld om mensen
aan het lijntje te houden. Ondanks zijn minder goede verbale intelligentie, had hij
geleerd om een mislukking als een halve zege voor te spiegelen.
Stilaan bleek hij aardig wat cliënten te hebben. Vaak bleef hij op een vrije dag heel de
tijd weg van huis.

*

Op een avond maakte het tv-nieuws de ontvoering bekend van een Belgische industrieel.
Het gevraagde losgeld werd reeds betaald, maar het slachtoffer daagde niet op.
De volgende dag slaagde Jaap erin om aan de getroffen familie zijn diensten aan te
bieden. Dankzij Jaaps aanwijzingen en de inzet van speurhonden, kon men 24 uren later
het met messteken doorkerfde lichaam vinden.
Jaap werd door de familie van het slachtoffer rijkelijk beloond. Een loslippig familielid
vertrouwde hem toe dat zonder lijk, het lang wachten zou zijn om de erfenis op te
strijken.
Jaaps vrouw had wel weet van haar man zijn bemoeiingen met het opsporen van het
slachtoffer. Maar hoe minder ze van al dat gedoe vernam, hoe beter ze zich voelde.

*

De weken verstreken en Jaap werd stilaan een veel besproken man. Thuis gebeurde er
niets, tot op de dag dat hij zich naar één van de zolderkamers begaf.
"Wat zoek jij daar in die kast?" riep hij ontzet en keek opwaarts naar zijn vrouw die op
een trapladdertje stond. Zonder te antwoorden toonde ze hem met open mond een
schoendoos die tot aan de rand uitpuilde met bankbiljetten.
Verschrikt keek Jaap haar aan terwijl zij langzaam met de doos in haar hand van het
laddertje afdaalde. "Dat moet een fortuin zijn" fluisterde ze ongelovig. "Dat dat is het
ook" stotterde Jaap. "Nou goed ik zal het je uitleggen", zij hij eensklaps op een rustige
en gelaten toon.
"Dat is het geld dat ik als beloning gekregen heb. Enkele miljoenen meer of minder zwart
geld interesseren die lui niet. Zwart geld wordt niet op een rekening gestort, hetgeen ik
trouwens niet zou gewild hebben".
"Zo?", zei zijn vrouw droogjes. "Ja zeker", antwoordde hij op een verbitterde toon,
"mijn pendelen heeft jou nooit geïnteresseerd, en nu het me veel geld heeft opgebracht,
vind ik niet dat ik dat met jou moet delen".
Met een verslagen blik keek zijn vrouw in de doos die ze nog steeds in haar hand had.
Aarzelend en zonder haar man aan te kijken zei ze: "Het spijt me je hebt gelijk hier, het
is jouw geld". Glimlachend keek hij haar aan: "Ach het is van ons "zei hij en kneep haar in
de wang zoals hij vroeger deed toen het nog beter tussen hen ging. Enthousiast sloeg ze
haar beide armen om Jaaps nek. "Zeg!" zei hij zacht terwijl hij haar wat van zich
wegduwde. "Wat zocht jij in die kast? Ik dacht dat je van die ruimte nooit gebruik
maakte omdat het te hoog is"? " Wel, ik dacht dat daar nog een flesje Hemotrax moest
staan". "Hemotrax, wat is dat voor een ding?", vroeg hij lachend en kneep nogmaals in
haar kaak.
"Hemotrax, dat is om bloedvlekken te verwijderen. De broekspijpen van je werkkledij
zitten onderaan vol bloedvegen hoe kom je daaraan? Maar wat ik wou zeggen, ik vond ook
nog een zakje met pralines wat liggen die daar te doen"? "Je hebt er toch niet van"?
"Van gegeten? neen, zo smakelijk zien ze er niet uit, waarom,is er iets mis mee"? vroeg
ze al even geschrokken.
Jaap zwijmelde de trappen af. Hij had dringend nood aan een hap verse lucht.

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.