Korte verhalen van PAUL BERSEE

DE HYACINTENHOLLER

Het is begin juli. Precies een jaar geleden zat Erik Pastel op zijn kruk in de schuur van
een bollenbedrijf in Lisse hyacinten uit te hollen. Zestien jaar lang stond de maand juli in
het teken van de vermenigvuldiging van de hyacint. Elk jaar fietste Erik uit vrije wil en
zelfs met plezierige vooruitzichten naar dezelfde bedompte ruimte waar acht tafels met
elk vier krukken stonden opgesteld, waar een kwart van de schuur lag volgestapeld met
houten rekjes en lege gaasbakken, waar talloze kisten met hyacinten op een geel
steekwagentje werden binnengereden en waar een oude radio op Hilversum Drie, later
Radio Drie, stond die 's middags werd omgeschakeld naar Radio Tour de France. Het is
nostalgie, want Erik is geen hyacintenholler meer. Hij staat nu in de grote vergaderzaal
van een Voorziening voor Pleeggezinnen als decorstuk bij een afscheidsbijeenkomst van
een collega. Hier hangt niet het lichtzoete aroma van uitgeholde hyacinten, hier worden de
neuzen niet zwart van het circulerend bollenzand, hier protesteren geen pijnlijke ruggen
tegen de wiebelende krukken en hier wordt niet massaal geleden aan een voortdurende
jeuk aan de oren, nek of welk ontbloot lichaamsdeel dan ook.
Hier wordt afscheid genomen van een collega die na dertien trouwe dienstjaren haar
echtgenoot in het eigen klusbedrijf gaat ondersteunen. Kaasjes, salades, worst en noten
staan feestelijk uitgestald op een vergadertafel. Er wordt gelachen, gekletst en gretig
gehapt. Vorig jaar beet Erik nog met bollenzand tussen zijn tanden in een oud sneetje
brood met pindakaas. In de ochtendpauze en late middagpauze brachten de
schuurleidsters koffie, thee en chocolademelk rond. Nu kan hij een keuze maken tussen
fris, pils en rode wijn. Hij praat met een collega met wie hij acht jaar geleden als
gezinsonderzoeker is begonnen bij de Voorziening.
"Zeg Erik, moet jij niet naar de bollenstreek dit jaar of ben je er even tussenuit
geknepen?"
"Nee," antwoordt Erik, "Dat is voorbij. Dit jaar en de komende jaren ga ik maar eens
flink vakantie houden."
"Maar je hebt het al zo lang gedaan, toch?"
"Vanaf mijn zestiende en elk jaar meldde ik mij weer aan, waar ik ook studeerde of
werkte en waar ik ook woonde. Ik heb ooit een half jaar narcissen geplukt in Cornwall,
maar voor het hyacintenhollen kwam ik graag terug naar Nederland."
"Een verslaving was het dus wel," concludeert de collega.
"Een ongevaarlijke," verdedigt Erik zich zonder veel overtuiging.
"Maar je had nooit vakantie. Hier nam je toch de maand juli vrij om te gaan werken in de
bollen?" houdt de collega aan. "Waarom ben je dan..."
Hij wordt onderbroken door een lid van de feestcommissie die hem en Erik een vel met
tekst in de handen stopt. Het wordt tijd voor een lied: Dat is uit het leven gegrepen van
Farce majeur. Terwijl de vertrekkende collega lijdzaam haar werkverleden in olijke
vogelvlucht voorbij ziet trekken, staat Erik verborgen in het koor en denkt hij na. Hij
geeft toe dat hij niet meer zonder die vier weken in de bollenschuur kon leven. Hij was
verslaafd geraakt aan de uitdaging van presteren. Er werd uitbetaald per geholde bol,
maar de aanzienlijke financiële beloning interesseerde hem niet. Het ging er hem om elke
dag minstens 2500 bollen te hollen en het streven was dit aantal elke dag op te voeren
naar een nieuw persoonlijk record. Zo kwam het voor dat Erik met zijn speciaal gekromd
holmesje tegen de 4000 hyacinten van een niet te diep en niet te ondiep gat had voorzien
en keurig in gaasbakken op rekjes had geplaatst. Hoe perfecter de bol was uitgehold, des
te meer nieuwe bolletjes konden er uit de hyacint groeien. Erik Pastel was een
geweldenaar met het holmesje, een artiest. Wanneer hij s avonds in bad lag en het vuil
van zijn lichaam liet weken, werd hij voor zijn prestaties gehuldigd en beloond met een
gele leiderstrui en een interview met Mart Smeets. Zijn naam en faam in de schuur was
groot. Iedereen keek elk jaar weer met verbazing toe hoe hij de ene gevulde gaasbak na
de andere opstapelde, terwijl die ook nog eens door de  schuurleidsters werden
goedgekeurd. Soms maakte de bollenbaas zelf een controlerondje langs de tafels. Dan
was het oppassen geblazen. Want als je zijn broodwinning in gevaar bracht dan bakte hij
geen zoete broodjes met je. Wanneer hij bij een gaasbak stond waarvan de kwaliteit van
de ijverig geholde bollen hem niet aanstond, dan klonk het luid en zonder pardon: Knudde!
"Dit is knudde!" Bij een volgende mislukte gaasbak klonk het nog luider: "Knoeiwerk! Dit
moet beter! En dat geldt voor iedereen! Dit kost mij zo klauwen vol geld en de eerste die
ik vanaf nu tegenkom met knoeiwerk vliegt er uit!" Daarna werd het altijd stil in de
schuur en keken de hollers aandachtiger dan ooit naar de hyacint in de ene hand en het
mesje in de andere hand.
Het koor is uitgeraasd en applaudisseert voor de tekstbedenker en voor zichzelf omdat
het toch maar weer zo dapper heeft gezongen. Ook Erik klapt en hij ziet de directrice
gespannen op het feestvarken afstappen. Het wordt stil in de zaal want het is tijd voor  
de ultieme speech. De directrice begint:
"Beste Corrie, ik heb je dertien jaar geleden binnen zien komen. Je was jong en zeer
gretig om van je nieuwe baan, je eerste baan, iets te gaan maken. En dat deed je dan ook.
Al snel werden je werklust en enthousiasme een voorbeeld voor degenen die met jou samen
mochten werken. Met een groot gevoel voor ..."
Het is een lofspraak die Erik Pastel voor Joke Hoogdorp had kunnen schrijven. Van haar
had hij alle fijne kneepjes van het hyacintenholvak geleerd. Hij ziet het weer voor zich
hoe hij in zijn tweede seizoen terecht kwam aan de tafel waar ook Joke met rechte rug
op een krukje zat. Zijn eerste jaar was weinig succesvol: te vaak knoeiwerk, te veel last
van hyacintenstof en te weinig gemotiveerd. Toch mocht hij het nog een seizoen proberen
en met Joke Hoogdorp als leermeesteres braken voor Erik betere tijden aan. Het was
geen verplichting, maar de jonge studente ontfermde zich graag over de drie jaar jongere
Erik. Ze waardeerde zijn rustig en hulpvaardig gedrag. Vol ijver voorzag Erik zichzelf,
de twee andere anonieme tafelgenoten, maar vooral Joke van ongeholde bollen. In ruil
daarvoor kreeg hij een mooie glimlach en goede raad over het voorkomen van een pijnlijke
rug als gevolg van het urenlang hangen op een houten kruk, advies over het rap en
moeiteloos uithollen van de bol, richtlijnen over strategisch inspringen op controles en
goede raad over het effectief omgaan met jeuk veroorzaakt door de trillende
weerhaakjes van hyacintenstof in de poriën van de huid. Sommige adolescenten jankten op
hun krukjes of gilden het onderweg naar huis uit van de jeuk.  Terwijl Joke, zonder Erik
aan te kijken, met vaardige en altijd waardige bewegingen haar mesje hanteerde,
ontvouwde zij haar geheimen. Erik zat tegenover haar, tuurde naar zijn bol, maar  
luisterde aandachtig. Ze vertelde dat het erom ging bij een jeukaanval de neiging tot
krabben te weerstaan omdat anders het stof alleen maar dieper de huid wordt
ingewreven en de jeuk snel ondraaglijk werd en niet meer te stoppen. Een moment staakte
ze haar handelingen, keek met haar reisfolderblauwe ogen Erik aan en wees met het
holmesje naar haar nek. Dat was volgens haar de meest kwetsbare plek. Erik beschouwde
het aanwijzen als een toestemming om een moment ongegeneerd naar haar gezicht te mogen
kijken. Het duurde langer dan een moment. Zijn ogen streelden haar licht uitstekende kin,
haar gave, lichtblozende wangen, de daadkrachtige neus waarvan de vleugels met wat
bollenstof waren bedekt...
"Je was altijd bereid te luisteren naar collega's die even hun verhaal kwijt wilden. Je
lach en je humor brachten altijd weer een relativering, welke wij binnen ons werk zo hard
nodig hebben. We zullen je vreselijk missen en ik wil je niet laten gaan zonder een
aandenken van ons allen aan je mee te geven."
Applaus klinkt en een cadeau wordt onhandig uitgepakt. Erik zoekt ondertussen quasi
aandachtig naar een versnapering en weet uiteindelijk niets anders te kiezen dan een
borrelnootje dat hij met een nijdige beet verbrijzeld. Hij heeft nooit afscheid van Joke
kunnen nemen, haar niets kunnen geven. Vijf seizoenen maal twintig werkdagen maal  negen
uur, is negenhonderd uur, hebben zij de tafel, de ontberingen en geneugten gedeeld en
zijn verlangen naar haar aanwezigheid nam met het jaar toe. Maar nooit durfde hij haar
mee te vragen voor een wandeling of een bioscoop in het weekend, omdat hij een afwijzing
van haar niet zou kunnen verdragen. Liever bleef hij in de waan dat hij de stap maar
hoefde te zetten om haar  hart te kunnen veroveren. Die stap zette hij niet en het was te
laat toen ze ineens niet meer kwam opdagen. Erik wist dat ze in Apeldoorn woonde en
tijdens het hyacintenseizoen bij een tante logeerde. Hij heeft het adres van die tante of
het adres in Apeldoorn nooit durven vragen. Wat moest hij daar ook mee? Ze was
natuurlijk afgestudeerd en had een mooie baan aangeboden gekregen. Ze was hem niets
verschuldigd!
Maar het eerste seizoen zonder Joke Hoogdorp werd een moeilijk jaar. Erik probeerde
de teleurstelling van haar afwezigheid te relativeren, zonder cynisch te worden. De
kwantiteit van zijn werk was aanzienlijk, maar de kwaliteit van de bollen had door de
bollenbaas luid en duidelijk in een enkel woord samengevat kunnen worden. Dankzij de
wijze lessen van Joke Hoogdorp kon hij echter ongeschonden op zijn kruk blijven zitten.
Het volgende seizoen was hij gewend tegenover het puistenhoofd van een beginner te
zitten en de andere seizoenen gaf hij met plezier en trots zijn kennis door.
Erik dacht dat hij Joke Hoogdorp was vergeten. Tot vorig jaar. Begin juli. De start van
zijn zeventiende seizoen.
"Beste collegas en eigenlijk mag ik wel zeggen: lieve vrienden. Veel van jullie ken ik al zo
lang en dit afscheid valt mij zwaar. Ik wil jullie hartelijk bedanken voor dit prachtige
cadeau en..."
Erik kraakt nog een borrelnoot met zijn kiezen. Precies een jaar geleden hoorde hij na
elf jaar weer de naam Hoogdorp galmen in de bollenschuur. Dat gebeurde tijdens de
uitreiking van de holmesjes. "Edwin Hoogdorp!" riep de bollenbaas en een puber met
paardenstaart stapte naar de tafel waaraan de schuurleidsters zaten. Hij pakte een
mesje aan en ging na een korte aanwijzing van een leidster aan de tafel zitten dat was
gereserveerd voor de echte beginners.
Halverwege de ochtend, alle hollers waren druk aan het werk of aan het oefenen, zoals
Edwin Hoogdorp, stapte Erik op de jongen af. Hij vroeg: "Kom jij uit Apeldoorn?"
"Ja, inderdaad," zei de jongen.
"Dan ken ik jouw zus, Joke Hoogdorp."
".. Voor iedereen een roos. Ik wens jullie allemaal heel veel geluk en voorspoed!
Wederom applaus en door het handgeklap heen hoort Erik de jongen weer zeggen: Joke,
mijn zus? Mijn moeder bedoelt u."
"Hier Erik, neem een glas wijn, jongen. Het is weer voorbij. En vertel mij nu eens waarom
je niet meer naar die schuur gaat."
"Ik weet het niet, Sjaak. Ik weet het niet. Misschien omdat het stupide is hetzelfde werk
te doen in dezelfde ruimte met een zestienjarige puberzoon van een vroegere geliefde die
mij aan de werktafel nooit over het bestaan van dat kind heeft verteld?"
"Ja, dat zou wat zijn," lacht de collega luid. "Dat zou wat zijn...


* * *


De reünie

Onzeker draalt Victor Oudewater op het perron waar over enkele minuten de trein
richting Utrecht moet binnenkomen. Op station Utrecht Centraal zal hij overstappen op
de trein naar Den Haag. Een hele onderneming. De laatste twintig jaar heeft hij niet meer
in een trein of auto gezeten omdat hij eenvoudigweg nergens heen hoefde.
Nogmaals controleert hij of hij op het juiste perron staat en nogmaals bekijkt hij zijn
treinkaartje om er zeker van te zijn dat hij naar de gewenste plaats zal worden gereden.
Alles klopt. Op de vuile betonnen vloer ligt zijn schaduw als een eminente symmetrie. Ook
dat klopt. Het heeft niet de gedaante aangenomen van een sinister gedrocht dat hem naar
de keel grijpt.
Verspreid zitten en staan mensen die gelaten wachten. Op een aangrenzend perron
metamorfoseren de wachtenden tot reizigers waarvan sommigen uitbundig worden
uitgezwaaid.
Victor Oudewater zal straks niet worden uitgezwaaid. Behalve enkele collega’s van een
plaatselijke supermarkt kent niemand in het dorp Victor Oudewater en wellicht zal
niemand ooit de behoefte voelen hem te willen kennen. En daar is hij heel tevreden mee.
Het rustige en anonieme bestaan bevalt hem goed. Victor was tweeëntwintig jaar oud toen
hij zijn geboorteplaats Den haag verruilde voor een dorp met stadsrechten, ludiek
gelegen aan de rivier de Lek. Ondanks die stadsrechten viel daar niets te beleven en dat
was precies wat Victor nodig had. Hij had in zijn jeugd al genoeg beleefd. Vanaf het
moment dat hij de lagere school had verlaten verlangde hij naar een bestaan waarin hij
niet opviel. Als kind was hij, zeker voor zijn klasgenoten en leraren, zeer zichtbaar
geweest. Victor wilde daar niet meer aan terugdenken en hij geloofde zelfs dat hij het
allemaal kon vergeten.
Maar toen lag daar drie weken geleden, op een gewone zaterdagochtend, een brief uit
Den Haag op de deurmat van zijn huurhuisje aan de dijk. Het was een invitatie voor een
reünie van alle oud-leerlingen van de lagere school “De Willibrordschool”.
Krijtwit en gewond stond hij met de brief in zijn hand te staren naar een beslagen ruit
die langzaam begon te barsten en tenslotte door de druk bezweek. Een te kort en te dik
jong stond aan de andere kant van het raam te huilen. Uit zijn hand vloeide bloed en
kleurde het stuk glas dat in het vlees stak. Victor schreeuwde: “Ga weg! Ga weg, lelijk
jong! Ik kan jou niet helpen!”
Luid jankend rende de jongen weg en Victor keek weer naar de uitnodiging. Hoe durfden
zij hem uit te nodigen? Zes jaar lang, elk schooljaar weer, moest hij de pesterijen van
zijn klasgenoten en soms ook van leraren ondergaan. Nog steeds wist hij niet waarom. Hij
was klein en dik en dat kon al genoeg aanleiding zijn voor treiterij. Daarbij was hij
weerloos, machteloos, slachtoffer, een volgzame schaduw.
Een trein nadert het perron en komt hoog en scherp gillend tot stilstand. Precies op tijd.
In een lege coupe neemt Victor plaats bij het raam. Hij wil zijn dorp aan zich voorbij
zien trekken. Al snel komt de trein schokkend in beweging en Victor ziet de spitse top
van het vierhonderd jaar oude stadhuis. Verderop kronkelt de Lek. Zijn huisje ligt niet
ver van het water af, maar hij kan het niet ontdekken. Het is een bijna overweldigende
stortvloed van indrukken in korte tijd.
Vanaf de spoorbrug ziet Victor de gele pont met trage vaart de kade van het dorp
naderen. Hij beseft dan pas goed dat de reis naar de reünie nu onafwendbaar is. Hij is op
weg, ondanks zijn primair verzet en ondanks de pijn veroorzaakt door de zichtbaar
geworden herinneringen. Maar hij voelde zich na het wegsturen van de gewonde jongen
ook schuldig en dat schuldgevoel activeerde een sluimerende woede, die inmiddels
overgegaan is in een rusteloze rancune.
Victor Oudewater is onderweg. Hij voelt zich als een druppel gif, klevend aan een lange
pijl, dat in volle vaart de Willibrordschool in het hart zal treffen. Hij is een sluipwesp
die geen eieren maar venijnige woorden in de ongelukkige gastheren en gastdames zal
afzetten. Traag maar resoluut zullen dierbare herinneringen en  karaktereigenschappen
vervagen tot louter nog een intense angst voelbaar is.
Maar kan ik hen honen tot zij mij smeken te zwijgen? vraagt Victor zich af. Kan ik de
eeuwenoude hofnar zijn die met scherpe teksten de boerse huiden van heersers en ridders
kon openrijten, die zielen van edelen blootlegde of heimelijke intriges ontmaskerde en
deze zonder schroom tijdens het banket in een lied openbaarde? Ik was voor mijn
klasgenoten niet meer dan een zot, een speelbal waartegen werd getrapt wanneer iemand
zin had om het vermoeide been te strekken. Wat hadden zij toch een lol om mij. Mij kon
je makkelijk voor schut zetten. Ik ben de onthoofde martelaar, losgebroken uit het graf,
met mijn schedel potsierlijk onder mijn arm, op weg naar de kerker, waar feestelijk
uitgedoste beulen zich verkneukelen op het weerzien met hun slachtoffer. Reünie in de
kerker. Reünie in de hel...
“Uw kaartje alstublieft.”
Victor schrikt van de stem en kijkt omhoog naar een vriendelijk glimlachende man  in
blauw uniform.
“Natuurlijk, conducteur.”
“Dank u wel. En uw invitatie alstublieft. Wat is uw naam?”
“Ik begrijp het niet.”
“Gewoon, uw naam.”
“Victor Oudewater. Maar ik weet niet waarom...”
“Een ogenblikje alstublieft.”
De man zoekt in zijn jaszak en haalt een rood notitieboekje te voorschijn. Hij bladert en
kijkt, ineens heel ernstig, Victor aan.
“Het spijt mij bijzonder, mijnheer Oudewater, maar ik vrees dat ik een tussenstop moet
inlassen om u de gelegenheid te geven deze trein te verlaten.”
“Maar ik moet overstappen in Utrecht op de trein naar Den Haag en...”
“Deze trein gaat direct naar Den Haag, is speciaal gereserveerd voor de reüniegasten van
de Willibrordschool en daartoe behoort u niet. Een vergissing van de organisatie om u een
uitnodiging te sturen. Een vergissing waar men te laat achter kwam. Niet handig. Maar
ook van u niet handig om klakkeloos aan te nemen dat u welkom zou zijn. Ik ben ingehuurd
om ongewenste bezoekers te weren. Daarom aan u mijn verzoek mij te volgen naar een
uitgang.”
Victor Oudewater voelt zijn buik tintelen en zijn gezichtspieren trekken. Hij giert het
plotseling uit van het lachen.
“Ha, ha, ha treinconducteurtje, een goeie hoor,” proest hij het uit naar de verbouwereerde
man.
“ik merk met grote opluchting dat de geniale humor van mijn oud-klasgenoten de tand des
tijds met verve heeft doorstaan. En ik begrijp dat u als een gangmaker bent ingezet om
de reizigers vanaf het prille begin van het feest in een opgewekte stemming te brengen.
Mijn complimenten aan u, want u slaagt met vlag en wimpel. Krasser nog, mijn door u
aangewakkerde feeststemming dwingt mij u te belonen met een, twee, drie, vooruit vier
briefjes van tien. Vouw ze tot een feestslinger en ik hoop van harte dat ook voor u de
reünie, deze weldadige opleving van het zoete verleden, de lavende zalf zal leveren voor
de wonden toegebracht in het bittere heden!”
Het blauwe uniform in het gangpad hapt naar adem. Fight or flight? Hij besluit te
vluchten. Victor voelt zijn hart in de keel kloppen.  “Een onverwacht, maar mooi succes”,
denkt hij. “Maar is het waar wat die kerel zei? Gaan we rechtstreeks naar den Haag?”
Met genoegen ziet hij uit naar een volgende confrontatie.
De trein schudt en raast zonder oponthoud richting ondergaande zon in het westen. De
coupedeur schuift open en een vrouw in avondjapon wankelt op hoge hakken door het
gangpad. Wanneer zij Victor ontdekt verschijnt op haar zwaar opgemaakte gezicht iets
wat lijkt op een glimlach.
“Ach, kijk daar nou eens. Victortje! Ook op weg naar de reünie?”
Victor wordt terug gezogen in de tijd. Daar staat waarachtig Tasmara Verhage. Wat is
hij gek op haar geweest. Zo een knap meisje dat met soepele tred over het schoolplein
danste. Ze wist dat geen bus of tram zonder haar wilde vertrekken en geen les zonder
haar kon beginnen.
“En dromertje, wat heb jij de laatste twintig jaar in je leven uitgespookt? Niet dat je
antwoord hoeft te geven, maar zo een vraag is nu eenmaal gepast op een avond als deze.
Als jij mij die vraag zou stellen dan kan ik je zeggen dat ik een prachtige carrière heb
gemaakt, twee huwelijken achter de rug heb en vanavond op zoek ga naar een wild beest.
Zeg jij het eens, hoe staat mij deze kouseband? Niet te frivool?”
Ze houdt zich met haar linkerhand vast aan het bagagerek en ze zet haar rechterbeen op
de lege plaats tegenover Victor. Met een trage beweging ontbloot zij het been. Victor
kijkt naar een goudkleurige kousenband, vol met zilveren bedeltjes, die een zwarte
jarretellekous hoog houdt.
“Die kleine sieraden droeg zij als kind om haar pols”, herinnert Victor zich. “Zou ze nog
weten dat ik elke dag stiekem wat snoep in haar schoolbank stopte? Drop, zuurtjes en
hartjes met “Ik hou van jou” of “Mijn liefste”. Infantiele uitingen van een verlangen. Ze
was woedend toen ze ontdekte dat het snoepgoed van mij kwam en niet van een knappe en
vlotte aanbidder. In de middagpauze verzamelde ze alle kinderen van het schoolplein om
zich heen en ze riep dat een klein, vies mannetje, genaamd Victor Oudewater, in het
zwembad haar zwembroekje van haar lijf had getrokken. Een leugen! Ze wees naar mij en
gilde dat ik het broekje onder mijn kussen bewaarde. Iedereen geloofde het graag en
joelde mij uit.
Victor herinnert zich hoe hij op het schoolplein ineen kromp, als een brandend insect. En
nu staart hij zwijgend naar het verleidelijke been van deze femme fatale. Ongeduldig
knipt Tasmara Verhage met duim en vingers bij een oor van Victor.
“Wel, zeg je nog wat? Een fijnproever ben je blijkbaar niet”.
Het been verdwijnt weer in de japon. “En luister, Victortje. Je moet mij een ding beloven.
Wil je vanavond alsjeblieft geen kleffe dropjes of smoezelige hartjes in mijn tas stoppen!
Ha, ha, ha... »
De schelle lach doet pijn aan de oren van Victor, maar kalm antwoordt hij:
“Beste Tasmara, wat wist ik toen van mooie vrouwen? Lieve vrouwen! Ik kon geen diamant
van een kiezelsteen onderscheiden. Mijn smaak was ongeschoold. De wansmaak van
destijds is mij vergeven. Gelukkig heb ik die strop, die nu al je spataderen bij elkaar
moet binden, overleefd. Maar ik blijf op mijn hoede, want als ik die zogenaamde
avondjurk van jou zie, dan moet ik denken aan de juten zak waar mijn vader vroeger
gestroopte hazen in vervoerde. Heel charmant en uitstekende keuze. En wil je nu gaan.
Mijn ogen doen zeer bij het zien van een opgekalefaterde bottenpartij op spichtige
kippenpootjes.”
Ze stampt woedend met een been op de vloer. De hoge hak van haar schoen breekt af.
“Als jij soms denkt dat... dat... dat...”
Strompelend, als een aangeschoten haas, maakt ze dat ze wegkomt.
“Dat! Dat! Dat is het werk van een sluipwesp, Tasmara!” roept Victor haar triomfantelijk
na. De vrouw botst tegen een keurige heer in smoking, die zojuist de coupe is
binnengewandeld. Ze hijgt tegen de man: “Oudewater, het is Victor Oudewater,” en rukt
de deur achter haar dicht.
“Oudewater? Victor Oudewater? Zowaar, hij is het!”
Enthousiast, met open armen, loopt hij op Victor af.
“Victor, kerel, druk mij tegen je oude mannenborst en drink mijn intellect, les je dorst,
kerel.”
Victor twijfelt even, maar herkent dan toch Lodewijk Helsloot, charmeur en
praatjesmaker. Achter dat ouder geworden gezicht schuilt ongetwijfeld nog een
roekeloze puber. Zij schudden elkaar de hand, waarbij de handdruk van Lodewijk
Helsloot ferm en stevig aanvoelt. Gelijk voelt Victor zich een mindere.
“Luister, mijn beste vriend. Ik weet dat jij het op school niet makkelijk hebt gehad.
Iedereen moest jou hebben en dat was verkeerd, gemeen en laf. Ik daarentegen was heel
populair, geliefd bij de meiden. Toen al kon ik kiezen welk snel kloppend hartje ik zou
veroveren en breken. Ook vanavond zal dat niet anders zijn. Maar laat mij vanavond jouw
gebroken hart helen. Ik weet wel hoe, kerel. Kom mee. Ik weet wat jij nodig hebt. Kom.”
Lodewijk Helsloot staat op en Victor volgt hem gedwee. Ze lopen door de lege coupe en
komen in de aangrenzende coupe, die veel drukker is. Victor herkent in alle gezichten zijn
voormalige schoolgenoten. Helsloot legt een arm over de schouder van Victor en
manoeuvreert hem naar de volgende coupe. “Kom kerel, ik zal je laten zien wat jij nodig
hebt.”
Hij schuift de deur open en duwt Victor in een met modder en mest besmeurde ruimte
waar talloze varkens over elkaar krioelen. Joviaal legt Lodewijk Helsloot zijn hand weer
op de nu verlamde schouder van Victor.
“Hier kun jij je de hele avond heerlijk vermaken. Kijk die varkens eens, klein en vet, net
als jij vroeger was. Maar stinken doe je nog steeds, Oudewater.”
De beul grijnst. Met een ware krachtsinspanning weet Victor zijn verstijfde lichaam in
beweging te brengen en smijt onverwacht de verraste Helsloot tussen de knorrende
dieren. De keurige smoking wordt door vuile varkenspoten bezoedeld. Snel sluit Victor de
deur en hij haast zich naar zijn rustige coupe. Hij hapt naar zuurstof en het zweet staat
op zijn voorhoofd als hij weer op zijn vertrouwde plaats bij het raam zit.
“Wilt u iets gebruiken, mijnheer?”
Victor ziet de mobiele bar in het gangpad staan en bestelt een blikje pils. Even bijkomen
met een gekoeld pilsje. Even op adem komen...
“Pils? Pils? Ben jij daar niet veel te jong voor?”
“Maar ik ben...” en dan staat daar meester van Vliet.
“Oudewater, je mag dan lijken op een tonnetje bier, dat wil nog niet zeggen dat je jezelf
met bier moet blijven vullen,” grapt de meester. Een luid en sarcastisch lachen  van
tientallen kinderen vult de coupe.
“Genoeg grapjes voor vandaag en genoeg tijd verspilt. Iedereen het leesboek voor de
neus. Stilte in de klas en luisteren naar Victor. Begin jij maar eens op bladzijde elf.”
“Maar meester, ik heb helemaal geen boek bij me,” stamelt Victor.
“Nu dat weer. Oudewater, je lijkt niet alleen op een bierton, je bent ook nog eens een luie
en slordige leerling. Neem mijn boek dan maar, maar pas op dat je het niet vuil maakt met
je vette vinger.“Kom kerel, ik zal je laten zien wat jij nodig hebt.”
Hij schuift de deur open en duwt Victor in een met modder en mest besmeurde ruimte
waar talloze varkens over elkaar krioelen. Joviaal legt Lodewijk Helsloot zijn hand weer
op de nu verlamde schouder van Victor.
“Hier kun jij je de hele avond heerlijk vermaken. Kijk die varkens eens, klein en vet, net
als jij vroeger was. Maar stinken doe je nog steeds, Oudewater.”
De beul grijnst. Met een ware krachtsinspanning weet Victor zijn verstijfde lichaam in
beweging te brengen en smijt onverwacht de verraste Helsloot tussen de knorrende
dieren. De keurige smoking wordt door vuile varkenspoten bezoedeld. Snel sluit Victor de
deur en hij haast zich naar zijn rustige coupe. Hij hapt naar zuurstof en het zweet staat
op zijn voorhoofd als hij weer op zijn vertrouwde plaats bij het raam zit.
“Wilt u iets gebruiken, mijnheer?”
Victor ziet de mobiele bar in het gangpad staan en bestelt een blikje pils. Even bijkomen
met een gekoeld pilsje. Even op adem komen...
“Pils? Pils? Ben jij daar niet veel te jong voor?”
“Maar ik ben...” en dan staat daar meester van Vliet.
“Oudewater, je mag dan lijken op een tonnetje bier, dat wil nog niet zeggen dat je jezelf
met bier moet blijven vullen,” grapt de meester. Een luid en sarcastisch lachen  van
tientallen kinderen vult de coupe.
“Genoeg grapjes voor vandaag en genoeg tijd verspilt. Iedereen het leesboek voor de
neus. Stilte in de klas en luisteren naar Victor. Begin jij maar eens op bladzijde elf.”
“Maar meester, ik heb helemaal geen boek bij me,” stamelt Victor.
“Nu dat weer. Oudewater, je lijkt niet alleen op een bierton, je bent ook nog eens een luie
en slordige leerling. Neem mijn boek dan maar, maar pas op dat je het niet vuil maakt met
je vette vinger.
Gewillig leest Victor hardop voor uit het boek. Na drie zinnen moet hij hoesten en alle
kinderen hoesten en proesten ostentatief mee.
“Kom, kom jongens, rustig,” lacht van Vliet. “Nu Victor weer. Lees verder Oudewater.”
Maar Victor weigert om verder te lezen. Heeft hij niet kordaat afgerekend met Verhage
en Helsloot? Nu is het tijd om met al die klasgenoten en met meester van Vliet af te
rekenen. Maar hij vindt geen woorden. Iedereen zwijgt. Dan schieten twee kinderen met
elastiekjes naar Victor en al snel volgen de anderen. Ook meester van Vliet mikt
nauwkeurig met een elastiekje op het hoofd van Victor. Een voltreffer op zijn wang.
Berustend legt Victor zijn hoofd op zijn borst en gelaten ondergaat hij de steken van
pijn. Even kijkt hij op omdat hij de woedend vloekende Helsloot zijn naam hoort roepen en
ziet dan Tasmara Verhage met een gouden kousenband gespannen tussen haar vingers. Een
voltreffer tussen zijn ogen. Hij voelt dat zijn maag zich omkeert, braakt over de nette
bank en zakt tenslotte hulpeloos door zijn benen...
Reizigers verlaten in een nerveuze stoet de trein en haasten zich naar vrienden, café’s,
theaters, feesten of hoeren. De trein vult zich al weer met nieuwe passagiers en een van
hen ziet Victor tussen de banken liggen.
“Hallo, mijnheer. Gaat het met u? Moet u in Den Haag zijn? Over een kwartiertje
vertrekt deze trein weer, hoor.”
De bezorgde vrouw deinst geschrokken terug als zij het braaksel rondom Victor ziet
liggen. Nu ruikt zij ook een wrange, zoetzure geur. Victor komt bij kennis en kijkt met
een toenemende verwarring om zich heen. Hij kan niet meer denken, alleen maar vluchten,
de trein uit, de stationshal door en zijn geboortestad in. Zwaar hijgend, vuil en bezweet
staat hij stil bij een tramhalte. Een lange, rode worm glijdt de bocht om en houdt in vlak
voor Victor. Gewillig en ineens heel kalm springt hij in de opengesperde mond.
“Ik zal worden verteerd en waar ik zal worden uitgeworpen als een hoopje drek, daar zal
ik rusten,” zegt hij. Direct wordt hij opgenomen in een geleiachtige massa. Het voelt warm
en behaaglijk. Zijn huid tintelt alsof het zachtjes bewerkt wordt door honderden
naalden. Net voordat hij dreigt te stikken wordt hij door een nauwe opening geperst. Dan
staat hij tussen de duinen van Scheveningen en stapt vastberaden het verlaten strand op.
Er zweven wat krijsende meeuwen om hem heen. Schuimend water komt hem tegemoet en
trekt zich weer zuchtend terug. Victor Oudewater loopt voort tot hij niets anders meer
hoort dan serene stilte en niets anders meer ziet dan duisternis. Zijn schaduw ligt nog op
het zand en zal morgen achteloos door matineuze wandelaars worden vertrapt...


terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.