Een kortverhaal van Gust van Brussel (2)

IL PIRLONE

Mijn vrouw was de laatste tijd niet spraakzaam. Als ik er over nadenk, is ze deze laatste
twee jaar op zichzelf gekeerd gaan leven. Ik had geen enkel bezwaar tegen de
ontzettend hoge prijs van de antihormonen. Mijn raad? Niet te nemen. Maar aan vrouwen
moet je hun beslissing overlaten. Dat is steeds zo geweest. Bij mensen van tachtig hebben
medicijnen zeer weinig invloed op een uitgezaaide kanker. Dat meende mijn neef dokter.
De man  is nog jong, maar helemaal niet dom.  
Ik loop mij weer te ergeren aan de vieze smaak van de bedorven lucht. De ganse weg
langs het park naar de Porta di Roma stinkt naar de vervuiling. Je vraagt je af hoe de
vogels het daarboven in het lover uithouden. Nu moet ik plaats maken voor kinderen. Zij
leven zodanig opgesloten in hun wereldje dat ze mij niet eens opmerken. Ik loop dan maar
op de weggezakte zijkant van het zandpad. De stortbui van eergisteren heeft een
gedeelte van de parklaan weggespoeld. Er kuiert een nurse achter hen aan met twee
jengelende jongetjes. Kinderen van de rijke juweliers die bij de poort gevestigd zijn. Die
hebben nog meiden met een witte muts en een gestreept grijs kleed tot over de knieën.
De jongens willen naar het miniatuurtreintje toe en naar de gelatiman. Het zijn dezelfde
kinderen als de jeugd die hier duizend jaar geleden in het park van Milaan rondliep.
Eentje, een kleuter aan de hand van grote zus, loopt me een eind voorbij en de draait
zich plots om. Een groene dinosaurus in zijn hand. Het lijkt er op dat hij me bang maken
wilt. Op mijn ouderdom ben ik niet meer bang voor dinosaurussen. Dat zal hij pas later
begrijpen. Misschien heb ik naar het agressieve ventje gelachen. Om hem geluk te wensen
met zijn Jurassic Parkbeest. Ik besef niet precies wat ik daarnet deed. Er lag een dode
merel op de weg met uitgestrekte vleugels. Net een vogelkristus. Daar keek ik naar. Dat
weet ik zeker. Alles gaat zo vlug aan me voorbij. Ik weet dat het door de ouderdom
komt. Je hebt een andere perceptie. Alles verloopt veel trager. Daardoor mis je die
snapshots van de kinderen.
Ik loop een tijdje achter een wandelend dametje aan. Een erg blonde Milanese met een
ovaal, vrij bleekbruine gezichtje. Dat bijna witte haar. Waarom doen ze dat. In films
van Fellini merk je ook zulke wezens op. Fellini is reeds lang dood. Wat is lang? Voor
hem maakt het niks uit. Je merkt haar op of je het wilt of niet. Mijn sexueel leven komt
daardoor niet in beweging. Ik ben sinds enkele dagen tachtig. Binnen afzienbare tijd
bestaat de aarde niet meer voor me. Dan ben ik misschien elders. Misschien nergens.
Nergens zijn? Dat lijkt me onmogelijk. In  elk geval is er voor mij dan geen Porta di
Roma meer, met zijn tweeduizend jaar oude jaartallen en titels. Jong is ze. Dat blondje
heeft zo’n verende pas. Alsof ze geen gewicht heeft.
Ik ben op weg naar de Tres Marie. Vroeger, toen ik nog rende als een gek in de atletiek
meetings, zei men het. Het is net of je de grond niet raakt. Stel je voor! Ik raakte de
sintelbaan vanzelfsprekend wel. Je had het gevoel van gewichtloosheid. Daarom hield ik
van die sintelbaan
In de Tres Marie vind ik de gezellige rust in een haast kitscherig decorum. Net voor de
Porta di Roma, twintig of misschien dertig meter voor me, geven twee auto’s een
geweldige klap. Voorrang van rechts? Ja, voor wie. Haal ze maar uit elkaar die
Italiaanse haantjes! Er zal weer gevloekt worden en iedere chauffeur is dan voor de
andere een lullige cretino. Er ligt een eind verder een scooter midden de straat. Een rij
auto’s wurmt er zich voorbij. Trompend als dwazen. Een wriemelend hoop geremde
snelheidsduivels. Hoor de sirene! De carabinieri. Zij hebben Milanese zenuwen. Alles
moet vlug gaan. Iedereen moet in Milaan in looppas leven, nu de poen te pakken is. Ginder
ligt de jongeman met zijn kop tegen een huismuur. Alsof hij weggekatapulteerd werd. Tot
daar hadden de wagens die scooter voortgesleept. Tussen de toegelopen Milanezen liggen
hun in elkaar gekrulde auto’s. Het zou best een hedendaags kunstwerk kunnen zijn. Zo
doen ze dat nu. Het geschondene moet je tonen. Het moet telkens weer ontstellender.
Omdat de ene generatie geen tijd wilt verliezen en de vorige wegdrumt.  
Ik ben nu al verscheidene jaren op mezelf aangewezen en ik verdraag de druk niet meer
van de zorgen. Iets pijnlijks te zien, daar verlies ik mijn nachtrust bij. Dan ben ik een
opgewonden oude knar. Ik moet voorbij de scooter omdat ik de Tres Marie niet missen
wil. Hoe moet ik door die drukte heen? Daarnet was er haast geen mens in de straat en nu
moet je er door met ‘excusis’ tot je keel er droog van wordt.
De jongen ligt er nog. Je merkt het aan de beweging op de plaats waar ik hem daarnet
gezien heb. De witte jassen van de verpleging buigen zich, om hem beter te bekijken,
veronderstel ik. Een van hen rekt zich om een vreemd gebaar met zijn arm  te maken.
Zomaar in de lucht. Als je tekort hebt aan woorden, geef je signalen net als apen doen.
De politie moet er met kracht tegenaan om tot bij de jongen te komen. Ik hoor nu dat het
slachtoffer dood is. Die woorden hoor ik als geprevel tot bij me komen. En toch is het
alsof niemand spreekt. De ziekenwagen baant zich een weg door de samengetroepte
mensen. Allerlei mensen. Vrouwen, mannen. Jonge, mensen van middelbare leeftijd, met
nog een heel stuk leven te verwachten. Oude mensen zoals ik, die de dood zien toeslaan op
een veel te jong leven. Bij je eigen oever van de Styx. Hij moest nog een mens worden.
Misschien een man die in de superette bij het hotel zou kunnen werken. Daar vragen ze al
zolang een boodschapper met een scooter. Goedbetaald, vrije dagen en overuren
uitbetaald. Ze komen wel, zegt de zaakvoerder. Ze laten hun motor knallen, maar ze
blijven niet. Ze vervelen zich vlug. Werkschuw zijn ze niet. Ze missen alleen hun
kamertje in een appartement. Dat is hun leefwereld. Hun digitale wereld. Fictie.
Computerspelletjes. Soms wuifend met de armen in een zielige disco. Ze zijn zo anders.
De zaakvoerder is een kleine corpulente Siciliaan. Hij schopte jaren terug tegen blikken
bussen om ooit in de Squadra te spelen.   
Nu ligt de jongen daar dood tegen de gevel en verplegers trachten hem op een draagbaar
te leggen in een aluminiumomhulsel. Zoals de kok van Da Roberto zijn lendenstukken
bakt. Vlees mag niet hard zijn. Wij hebben de tanden niet meer van jonge mensen, zei ik
dan. Zij volgde mijn raad zo zelden. Zij volgde nooit iemands raad. Daarom bleef het
lendenstuk onveranderd hard op mijn bord. Niet te snijden.
Je hebt niet het gevoel dat je verwacht wordt. De Tres Marie bij de Porta di Roma is
van een stijlvolle neutraliteit. De muren zijn glimmende notelaarpanelen. Een spiegel
waarvan het glas  in de hoeken grijs getint is, alsof het uit de tijd van de Sforzas
dateert. Een platte oudgouden kader. Voor een stukje Fra Angelico. Het lijkt allemaal zo
echt. Kitsch van een hoog niveau. Het maakt je rustig en tegelijk maakt het signaal je ook
wat melancholisch. Het marmer van de bar is onberispelijk glad. De koperen  leuning rond
de bar glimt en geeft een wazig licht af in de feuteren ambiance van de salon.
Ik kies een van de lege zeteltjes. Lichtgeel hout. Waarschijnlijk een van die
Limbasoorten uit West-Afrika, waar mijn  vrouw van weg was, toen wij onze eerste
slaapkamer kochten. Zo lang geleden al. Zal ik erin sterven of wordt het een wit metalen
bed in een  kliniek. Gek dat ik in de lege salon een zetel wil kiezen. Ieder zeteltje heeft
zijn eigen aantrekkingskracht. Waar je zeteltje staat heeft een groter belang dan je
toegeven wilt. Niemand stoort je. De zwartharige schone achter de bar laat je met rust.
Je mag leven zoals je dat verkiest. In die chaotisch drukte van Milaan is zij rustig als
een Giottofiguur. Wij vonden in de Capella Scrovegni te Padua die hiëratische
vrouwenfiguren van de Presentatie in de Tempel zo onvergetelijk. Zij plooit met
verstilde vingeren traag een stapeltje servetten. Traag. Die verfijnde beweging brengt
mij een fresco uit Herculaneum in herinnering. Een meisje in een lang gewaad gehuld. In
een dans verstard
Zij zal mij niets vragen. Dat weet ik. Als ikzelf opsta uit mijn lethargie zal ze even
oogcontact met me zoeken. Me inzoomen. Ze draait zich naar de kristallen uitstalling van
glazen en ze zet mijn rode Martini klaar voor me. Even toch is er een schijntje van
interesse. De lichtste vorm van empathie die ik me kan indenken. Maar het hoort zo. Dat
precies verwacht ik. Dat: meer niet!
Ik neem de Corriere de la Serra uit een rieten korf en zak met mijn Martini in mijn
behaaglijk zeteltje. Want dit is mijn zeteltje. Telkens ik hier binnenslenter staat mijn
zeteltje klaar om voor mijn gezelligheid te zorgen. Ik lees het hoofdartikel over de
politieke turbulentie die er in Rome heerst in verband met de belangenvermenging van
een hooggeplaatst ambtenaar. Het Ministero dell’ Amlbiente della Tutella del Territorio
staat op zijn kop. Wat een rumoer bij een volk dat op een sublieme wijze de
vergankelijkheid uitdrukken kon! Italië zal altijd te kiezen hebben tussen het Capitool
en de Sixtijnse kapel. Tussen Verdi en Corelli. Tussen de stille lust van het Orta Meer en
de Apocalyptische fresco’s van Andrea Orcagna in Florence.         
Terwijl ik me vermijd in bedenkingen over de Italiaanse ziel en haar vele briljanten
facetten, licht een tocht de voorpagina van de krant op. Omdat ik niet opkijk terwijl ik
mijn krant gladstrijk, merk ik enkel de wijziging in  het ambiante licht van de salon. Een
corpulente heer in een Agnellipak is de Tres Marie binnengekomen. Met een beheerste
stap. Daarom hoorde ik hem niet. Waarschijnlijk. Ach wat! Hij vindt wel plaats. De salon
is leeg. Hij loopt naar de dame achter de bar, die meteen tot leven komt. Terwijl ik
verder lees, voel ik hem bij me komen. Hij plant zich in het zeteltje naast me.  Hij zal
mijn rust zeker aan scherven breken als hij mij aanspreekt. Zwijgen is voor me een vorm
van zelfverdediging. Ik verblijf nu reeds twee maanden in het hotel Leonardo da Vinci
aan de Via Senigallia. In de onmiddellijke omgeving van het park van Noord-Milaan. Ik
moet enkel een eind de Valle Rubicone afwandelen. Evenwel blijf ik vrij stuntelig
wanneer ik Italiaans spreken moet. Ik lees Italiaans net zo vlot als ik Duits of Frans
lees. Maar ik sta voor een drempel bij het Italiaans praten. Misschien komt het door
mijn Grieks-Latijnse opvoeding? Ik hoop dat de man me niet aanspreekt.
De man heeft een grijzende snor. Zijn haren geuren naar een Vanderbilt lotion. Ik
herken de geur. Mijn vrouw is er weg van. De loketbediende van de Fortis Bank dicht bij
me thuis, waar we al onze bankverrichtingen laten uitvoeren, ruikt net zo. Mijn vrouw
heeft hem heel vriendelijk gevraagd naar zijn lotion. Zij durft dat. Vanderbilt bleek het
te zijn. Sindsdien staat er een ongebruikte Vanderbilt aan mijn kant van de
badkamerlavabo. Ik wil niet ruiken als een bankbediende. Ik ben geen geranium die je
met rozenwater besprenkelt. Ik ben mezelf.
De man naast me buigt zich naar me toe en met een twijfelende hand vraagt hij me.
-Prego signor.
Hij wilt de krant. Dat is duidelijk.
-Si, fluister ik, want nu zit ik meteen alleen. Daarnet was ik ook wel alleen, maar niet
met dàt gevoel van verlatenheid.        
-‘Stupendo’ hoor ik hem zeggen.
Hij kijkt op de tweede bladzijde naar decimetergrote foto van de nieuwe Miss World.
Hij zucht. Che meravigla!
Terwijl hij zijn zakdoek neemt met een verfijnd handgebaar om zijn zweet af te vagen,
tracht ik alle onheil te voorkomen.
-Parlo Italiano, ma non parlo bene…
De man haalt de schouders op.
-Peccato…
Hij neemt de aktetas die hij op het Limba tafeltje naast het onze neergelegd had. Nu zie
ik pas dat er papieren uitpuilen. Dan schuift hij een dossier uit het gezwollen pak. Hij
opent een dossier dat op zichzelf reeds voldoende volumineus is en tracht me te sussen
door me te vertellen dat hij traag zal spreken. Hij doet het meteen en ik volg hem zonder
enig probleem.
-Je bent geen Milanees net als ik, zegt hij en hij knikt om te horen of hij verder kan
gaan. Mijn hoofdknik lijkt hem voldoende te zijn.
-Dan zul je me wel begrijpen als ik je zeg dat Milanezen geen tijd kunnen uittrekken om
naar een man met een visie te luisteren. Je kon dit normaal toch verwachten van
stedelingen die Da Vinci aanbidden.
Hij doorbladert met een zekere plechtstatigheid het dossier alsof voor hem zijn intellect
te maken heeft met grondigheid en precisie. Enkele blaren waaien op de keramieken
tegels.  
-Laat maar, wijst hij mijn hulp af. Eerst wil ik je dit tonen.
Het gaat om een erg nauwkeurige tekening van een helikopter. Ik kijk de man vrij
verontrust aan. Ik weet niet wat denken. Waar wilt die man heen? Die vraag gaat door
mijn hoofd. Onderaan de helikopter kun je duidelijk de vorm van  raketten getekend zien.
De man legt zijn hand op mijn schouder. Hij wil vertrouwen wekken door me aan te raken,
maar hij bereikt het tegengestelde effect. Ik onderbreek hem omdat ik aanvoel dat ik op
de ene of de andere manier het initiatief in handen moet krijgen. Ik merk ook dat de
dame achter de bar wantrouwig toekijkt. Zij beweegt even haar ogen alsof ze mij een
signaal wilt geven.
Ik stel voor mezelf vast dat ik mij nog nooit tevoren zo ongemakkelijk gevoeld heb. Ik
ben zonder het te beseffen door mijn volgzaamheid in een vreemde situatie gestapt.
-Meer kan ik je vandaag niet tonen. We zullen elkaar nog wel eens ontmoeten. Ik kan ook
naar je hotel komen. Eventueel geef je me het nummer van je kamer.
Dat zal ik zeker niet doen, maar waarom zeg ik hem dat dan niet?
Het dametje komt achter haar bar uit en plaatst zich voor hem. In het matte licht, vooral
door de weerschijn van het koperwerk en de weerspiegeling van de spiegel, lijkt ze me
mooier dan daareven. Ze draagt ook zo’n elegant blauw kleedje. Typisch Milanees.
Waarschijnlijk gekocht in een van die luxe boetieks bij de Dom. Daar zie je pas hoe mooi
mode kan zijn. Prachtige schoentjes, elegante handtassen, superbe hoedjes en kleedjes uit
een toverdoos. Ze hebben de catwalk niet nodig om harten te veroveren en
bankrekeningen te plunderen. Die modeontwerpers hebben een neus voor elegantie en
harmonie. Ze staan trouwens voor op alle andere couturiers, vond ik toen ik langs de
weelderige winkels naar die kanten Dom toeliep. Soms schieten dergelijke flitsen van die
aard door mijn oude hoofd. Je verliest dan je besef van de realiteit. Dat je stokoud
wordt.  
De man met de aktetas buigt voor me.
-A rivederci signor! Albergo Da Vinci?
Hij verdwijnt en laat me alleen met die pronte dame.
-Che volete dire?
Hij heeft mijn vraag niet meer gehoord. Ja, wat wilde  hij me nu zeggen?  Ik voel me
vernederd. Het lijkt me toe, dat hij me wilde laten aanvoelen dat de dagen van een oude
man nu eenmaal geteld zijn. Ik zak even in elkaar in mijn zetel. Het is net of ik weer die
stenen borst ga krijgen. Daar neem ik dagelijks sedocard voor. Ik heb er geen bij me. Ik
moet me vermannen. Ik weet het, ik verdraag geen onrust meer. Ik wil langzaam in vrede
naar het adieu glijden. Ik kijk naar de schitteringen in de luchter van geslepen
glaspegels. Alsof dit mijn verwarring kan wegvagen. Ik ben even ergens anders. Waar,
weet ik niet. Mijn besef van tijd en ruimte ben ik verloren. Waarom verontrust die man
me?
Een politiewagen rijdt met zijn loeiende sirene voorbij. De vrouw staat achter haar bar
naar een pas gepoetst whiskyglas te kijken. Ik tracht me in te beelden of ze een man
heeft. En hoe die er precies uit kon zien. Soms lukt me dat. Dan creëer ik een virtuele
mens. Misschien is hij een levendige vrachtvoerder op de baan naar Venetië? Of een van
die stoere carabinieri, die paarsgewijs door de galerie in het centrum van Milaan
defileren.
Met haar bleekbruine hand neemt de vrouw het geld aan. Voor het eerst komt er een  
brede glimlach op haar gezicht. Ik merk het wel dat het maar een grimas is. Dan is het
net of ze lacht en ze weet dat. Als ze haar mond lichtjes opent en haar lippen krult, zie
je haar grote gebit. Die van mijn vrouw zijn uit porselein. Je houdt ze langer. Na zovele
jaren samenwonen wordt alles wat je vertelt de enige zuivere waarheid.       
Er sleept zich een tram door een plenzende regenvlaag. Ik schuil even in de hal van een
indrukwekkend herenhuis. Ik heb geen paraplu bij me. Natuurlijk houd ik er geen
rekening mee dat je ook in Milaan kletsnat kunt worden, verkouden, griepachtig en met
een longontsteking in je bed moet blijven. Misschien ben ik niet helemaal een mens zoals
een ander. Adam was het eerste modderfiguur, spotte mijn oudste zoon. Omdat God die
eerste mens uit slijk zou hebben gemaakt. Hij doelde vanzelfsprekend ook op mijn
houterigheid. Die heb ik van kindsbeen af.    
Ik zal er toch maar doorlopen. Mijn lichte schoenen worden drijfnat. Ook daar heb ik
niet aan gedacht. Ik loop dan maar een muffe boekenwinkel binnen. Wat moet ik nu doen
met mijn tijd? Als je geboren wordt krijg je de tijd en die is enorm lang, breed en diep.
Je mag hem opgebruiken zoals je wilt. Maar hoe? Ik heb al zoveel tijd verbruikt in  mijn
lange leven. Er ligt een hoop slecht gebruikte tijd achter me. Of gewoon niet gebruikte,
zoals de witte vlekken op de aardbol. Waarom ging ik die winkel binnen?
Het is een antiquariaat. Rekken en toonbanken vol tweedehandsboeken. Ook erg oude, die
met hun goudsnee schitteren. Goed dat ik die zaak ontdekt heb. Dat ontlast me van de
stress waar ik mee rondloop. Ik kom hier zeker terug, maar nu moet ik naar mijn hotel om
me van mijn natte kleren te ontdoen. Er hangen borden op manshoogte, zodat het zoeken
je vergemakkelijkt wordt. Ik blijf staan met een boek in mijn handen. Waarom luisteren
mijn handen niet meer naar me? Een beginnende Parkinson? Dat meent mijn dokter. Er
bestaan medicijnen voor. Die maken je handen weer enkele jaren rustig. Wat moet ik met
rustige handen? Ik ben toch steeds op mijn best als ik de zenuwen tot in de tenen voel.
Storia dell’ insurrezione Siciliana. De auteur? Giovanni La Cecilia. Het boek is me
volslagen onbekend! Het gaat om twee volumes uitgegeven in 1860 door een Milanese
uitgever. Het houdt me ter plekke. Garibaldi! De Siciliaanse expeditie van de man die
Italië één wilde maken. Met een : In attesto di antica amicisia e di somma  ammirazione,
heeft La Cecilia het werk aan Garibaldi opgedragen.
Ik doorblader het boek. Toch voel ik dat iemand me bespiedt. Bij de ingang staat iemand
naar me te kijken. De corpulente man met zijn Agnellipak staat stil bij de open
ingangsdeur. Hij vouwt zijn paraplu op. Hij is ondanks dat groene ding druipnat
geworden. Hij heeft me gezien. Die man heeft het op mijn persoon gemunt. Dat is
manifest zo.
Hij  komt inderdaad met een spitse glimlach op me toe. Hij hoeft echt geen twee meter
van me af te zijn om zijn lotion te ruiken. Hij zet zijn aktetas neer.
-Garibaldi?   
Hij heeft vlug het tweede deel uit het rek gehaald.
-Conquisare la nazionalita… Verstaat u mij?
Ik knik in de hoop dat het gesprek daarmee basta is.
-U moet het werk van Giuseppe La Masa nemen. Dan begrijpt u tenminste iets van de
Italiaanse geest. Na de geavorteerde revolutie van 1860 in Palermo, tracht Cavour La
Masa te overtuigen dat hij beter dan Garibaldi geplaatst is om op te trekken naar
Palermo. Politieke combinaties waar wij sinds Bruto Caesar vermoordde, sterk in
uitblinken. Corruptie en bedrog! Maar steeds integer voorkomen! Dat vatten jullie,
Noorderlingen, niet. Sinds Romulus en Remus vechten we om de uier van moeder staat. La
mamma? Het codewoord van woordbrekers vermomd in aartsengelen. Moeder staat? Zeg
liever porca miseria!
-Posse consultare il catalogo d’autori?
Met mijn vraag naar de catalogus gericht aan het mannetje, dat met zijn grijze jas en
zijn vergeeld gezicht hopelijk wel de antiquaar is, tracht ik te ontkomen.
Het Agnellipak grijpt mijn arm, alsof hij me wil duidelijk maken dat ik hem niet
ontvluchten kan.
Het mannetje knikt dat hij tot bij me wil komen. Hij heeft beslist aan mijn uitspraak
gehoord dat mijn Milanees gebrekkig is. Een stranjero. Zo zal ik me dan toch ontmaken
van die zonderling.
-Ik ben tot bij de Da Vinci Albergo geweest. Ik meende u te herkennen in de lounge.
Toen ik bij uw zetel kwam, merkte ik dat de man veel jonger was dan u bent. Hij lijkt
zeer sterk op u. Is het een zoon van u?
-Nee, zeg ik beleefd, al kost het me wat. Ik ben alleen.
Waarom zeg ik hem dat ik alleen ben? Dat is dwaas. Nu weet hij waar hij me kan vinden
en dat hij me alleen zal vinden. Ik moet overwegen naar een ander hotel te trekken.
Misschien moet ik de zuidkant van Milaan exploreren.
-Ik had u graag verteld wat ik van plan ben. Ik heb echt zeer interessante dingen te
vertellen! U weet toch dat in de stad die Da Vinci eert, ieder gezond persoon een
creatieve geest gegund is. Niet één per honderdduizend gebruikt dat talent.
Ik knik en hoop dat de antiquaar nu maar vlug komt.
De man met een helikopter gewapend in zijn hoofd en zijn aktetas is niet te ontlopen. Hij
kleeft aan me Ik voel zijn gewicht dat ik niet dragen kan. Het knijpt me de borst dicht.
Eindelijk is de antiquaar daar met een map.
Hij geeft de map aan de opdringerige man, alsof hij begrepen heeft dat die wel voor me
zal vertalen. Duidelijk interesseert het hem weinig dat een vreemdeling Italiaanse libri
usati wil inkijken.  Het is alsof ik het ondergoed van gans Italië bevinger.
De kletser neemt inderdaad het woord van hem over.
-U hebt hier voor uw neus de ganse Campanella Collectie over Garibaldi staan. Het is een
belangrijke investering  in boeken, die u toch maar nu en dan zal inkijken. Garibaldi is
dood. Hij is een dapper man geweest met grote  verdiensten,  daar bestaat geen twijfel
over. Voor het Italiaanse volk is hij een held op een wit paard, il sole, met achter hem in
het zadel zijn zeer mooie vrouw, la stella!  Een vreselijk trotse man van middelbare
leeftijd, een man van staal, met een gezicht waarvan de onvergankelijke jeugd af te lezen
valt. Illusie! Mooie illusie om de vlam van de natie te doen flapperen!
Ik neem hem de map uit de handen en doorblader de catalogus. Wat staat me nu te doen?
Geen mens kan me van die lastpost afhelpen. De antiquaar is elders bezig.
-Ik  vergezel u naar de Albergo.
Ook dat nog.
-Ik blijf liever nog even in de stad. Ik zou wel graag de tentoonstelling van de harnassen
in het kasteel van de Sforzas bekijken.
-Dat kun je niet maken. Er loopt een tentoonstelling over de tekengen van Da Vinci. Daar
wil ik wel met u heen. De allereerste helikopter! Ik wijs je aan waar hij staat.
Ik wil aan die man ontkomen. Het lukt me niet. Ik weet pertinent waar hij naartoe wilt.
Het is maar al te goed bekend hoe er overal ter wereld zonderlingen rondlopen, die
onschuldige zielen in hun uitvindingen willen betrekken. Dergelijke lui hebben soms leuke
invallen, dat staat vast, maar het nodige geld om hun plannen te sponsoren ontbreekt hen.
Daarom gaan ze op jacht.
-Ik wil even privé met de antiquaar spreken, zeg ik. Ik verkies te horen wat zijn laagste
prijs is, terwijl niemand naar mijn mond staat te gapen. Ik ken voldoende Italiaans om me
uit de slag te trekken.
Hij heeft het niet in de smiezen. Ik maak me van me hem af, terwijl ik een gesprek heb
met de antiquaar. Misschien merkt hij dat ik niet een van die kapitalisten ben met
vakantie, voor wie miljoenen plaatsen een hobby is.  
Hij laat me inderdaad gaan.
-Weet u wie die man is, vraag ik vrij brutaal aan de antiquaar, alsof hij ergens schuld aan
heeft.
Het magere mannetje kijkt me met gefronste wenkbrauwen aan.
-Il Pirlone, zegt hij.
-Wat bedoelt u precies?
-Gans Milaan kent Il Pirone. Gek is hij niet en dwaas evenmin, maar hij blijft geloven dat
hij ooit het  geld zal vinden om zijn helikopter van de grond te krijgen. Heeft hij u niet
over twee miljoen Euro gesproken. Sinds twintig jaar vertelt hij zijn verhaal. Liet hij u
zijn plannen zien? Daar heeft hij al een hoofdsponsor voor, beweert hij.
-Is het dat? Dan is hij bij mij aan het verkeerde adres.
-Dat dacht ik wel.
Nu dan! Die Pirlone.
-Ik bezit nog een mooie collectie Il Pirloni’s. Het knapste satirisch blad dat Europa ooit
gehad heeft.
Die man ook al weer! Ik groet hem zo beminnelijk mogelijk, nadat ik hem verteld heb dat
ik nog wel eens zijn winkel zal bezoeken, op een van mijn wandelingen in het park. Of als
ik in het kasteel van de Sforzas de collectie van de tekeningen van Da Vinci  ga bekijken.
De antiquaar kijkt me verstomd aan.
-Die tentoonstelling werd twee jaar terug gehouden, signor! U vergist u.
Buiten kom ik tot rust. Geen Pirlone in de buurt!
In de lounge van het Hotel Da Vinci, qua prijs kwaliteit verhouding uitstekend, bestel ik
me een expresso.  Heerlijke godendrank,  zeg je dan. En dat is hij. Ik strek mijn benen.
De brede clubzetel voelt zacht aan. Er klinkt gedempt muziek. Ik herken een barcarolle
van Respighi. Een van de lievelingsstukken van mijn vrouw. Capri e Taormina. Capri waar
ik ooit met haar, bij de weelderige villa van Lenin, stond te mijmeren over het
wonderlijke verloop van het menselijk lot.
Een kelner komt met een afwezig gezicht, waar je hoogstens enkele centen voor geeft,  
bij me met een omslag.
In de omslag vind ik een onverstaanbaar briefje. Niet van taal maar wel van zin. Wat is
de bedoeling van die korte brief? Onderaan staat een niet te ontcijferen handtekening.
“Zoek niet naar Orion. Niemand ontsnapt.”
Dan volgt een gebrekkige tekening waarbij de briefschrijver enkele notities heeft
aangebracht. Ik weet nu dat het weer Il Pirlone is. Onderaan staat immers een
helikopter afgebeeld die naar iets vuurt, dat op een meteoor lijkt. Arme Pirlone! Hij
gelooft de ziel van Da Vinci te hebben geërfd        
Verder merk ik twee cirkels die in de ruimte rondom een kathedraal draaien, die erg op
de Dom van Milaan lijkt. Bij de cirkels staat Van Allen en De Kuyper geschreven.
Daaronder lees ik enkele losse zinnen, die vrij vertaald het volgende kunnen betekenen:
“Als we taal en tekens kennen waarin het geschreven werd, zullen we de Kosmos
begrijpen. Driehoeken en cirkels vertellen de Kosmos in één woord.”
Ongelooflijk bizar is die Pirlone.
Tenslotte voor zijn vreemde handtekening nog een korte tekst die ik vertaal als:
“Armageddon is onderweg…”
Nadat ik de raadselachtige brief gelezen heb, beslis ik de volgende dag te vertrekken.
Ik maak op mijn kamer wel uit waar ik heenga. Ik bezit voldoende reisbeschrijvingen en
documentatie.
Ik sta weer eens in Milaan in een enorme drukte. In het Kempische dorp waar we wonen
heb je hoogstens ’s avonds een samenscholing bij de disco. Lawaaierige jongeren, dat wel.
Maar waar moet het heen als jongeren niet meer lawaaierig zijn? Zij hebben recht op
leven en zij eisen hun plaats op. Het is wel waar dat ze de ouderen wegdrummen, maar
dat heeft met de draad van Ariadne te maken.
Er loopt een druppel zweet over mijn voorhoofd. Het was snikheet in de metro. In het
station is het vrij koel. Het tocht hier. Ik sta bij het juiste spoor. Dat voor de trein naar
Bologna. Waarom Bologna? Waarom Bologna niet?
Alle reizigers kijken de richting uit van waar de trein komen moet. Nerveus. Ze wekken
de indruk gewoon met een nerveus lichaam geboren te zijn. Op een kaart tegen de
stationmuur staat aangeduid waar de wagens stoppen.  Ik ben er niet bijgeraakt. Maar ik
ben er zeker van dat, waar de tweede klaswagens van de trein moeten stoppen, de mensen
letterlijk op elkaar gedrumd staan. Hoe gek gedraagt zich een mens! Zogauw de trein
stilhoudt, willen ze de wagens in, terwijl zij nog wel een tiental minuten moeten wachten
vooraleer hij naar Bologna vertrekt.              
Er staat niet ver van me een man met purper geverfd haar. Naast hem een dame van bij
de veertig met een groezelige minijurk. Zoiets zie je in onze époque. In de achttiende
eeuw droegen de mensen nog pruiken. Toen we het appartement in de kasteelvilla
betrokken in San Fermo della Battaglia  heb ik het portret van de voorouder van de
eigenaar gezien. Met zijn witte pruik en een zijden strik. Signor Alcide di Fermo was nu
zelf een tanige negentiger, die graag met me zijn ochtendwandeling maakte in zijn
romantische tuin. Hij beweerde dat je aan een Engelse of een Franse tuin niks hebt.
Enkel verveling. De Italiaanse tuinen hielden het midden tussen classicisme en fauvisme,
vond hij. Een mengeling van de sylphide Maria Taglione en  de Amerikaanse Isadora
Duncan die met haar Vrije Dans Europa verraste. Hij vertelde ons dat hij verre familie
was van generaal Badoglio. Zijn voorouder was markies van Grazzano Badoglio uit
Piëmont. Terre de Tartufo zei hij geringschattend. Signor Alcide hield zelf ook wel het
midden tussen adellijke familietrots en revolutionaire fierheid. Nog steeds praatte hij
met hooghartige blik over zijn oorlogsverleden onder Mussolini en verkondigde dat hij
zijn hele resterende leven voor de Liga van het Noorden zou stemmen. Zo was hij nu
eenmaal, zoals iedere mens een mengeling is van al wat je aards mag noemen.          
Verscheidene malen heb ik’s avonds mijn vrouw in een rolstoel tot bij het prieeltje
gebracht, van waar je op het schitterende Como en zijn meer kon neerkijken. Een oord
van universele schoonheid.
De trein was binnengelopen en de massa werd plots levend om zich naar de deuren van de
trein te wringen.  In het gedrang kom ik achter een meisje terecht met een haartooi zoals
mijn vrouw droeg. Ik moet opletten dat ik niet tegen haar gedrongen word, want ze
draagt een gitaar op haar rug. Hoe goed ik het ook tracht te voorkomen, toch wordt de
druk zo groot dat ik de gitaar raak. Ik hoor een plotse knal die blijft nazinderen. De
gitaar! Het is dus toch gebeurd. Het meisje draait haar verschrikt gezichtje naar me. De
snaar hangt tussen ons in. Ik blijf pal staan. Het wordt me echt teveel. Met een ruk
werkt een zwaarlijvige man zich voorbij ons. Hij geeft er niets om dat hij haar gitaar van
haar schouder drukt. Ze valt tussen ons beider voeten.
-Pas toch op, trap niet op de gitaar! roep ik zonder te beseffen dat ik Nederlands
spreek.
Niemand luistert natuurlijk. Iedereen wordt voortgeduwd naar de deur van de trein. Nu
wordt het gekkenwerk. Het kind raakt niet bij haar instrument, dat nu reeds tussen de
benen van andere mensen geschopt wordt.
Hoe erg is dit wel! Heeft het nog belang? Wat heeft er nog belang? Ik voel me schuldig.
Ik voel me kapot. Waarom loop ik hier nog rond. Wat heb ik hier nog uit te spoken? Mijn
keel  knijpt dicht. Ik heb plots behoefte om te verdwijnen. Niet te bestaan. Te slapen.
Ik sta bij de rand van de perronarduin. Wat doe ik hier. Ik wil voorgoed slapen! Ik wil
slapen! Slapen zoals mijn arme vrouw in Como insliep. Ik wil een stap voorwaarts doen.
Ik stap in de nevel boven het meer. Ik zal mij geen pijn  doen. Alles is voorgoed voorbij.
Ik voel een vrouwenarm om mijn heup.
De mensen hebben eindelijk plaats gemaakt. De jonge vrouw heeft me vastgegrepen. Dat
voel ik nu. Het is geen vertrouwelijk gebaar. Nee! Het is me in een greep houden, waar ik
me niet uit losmaken kan. Andere armen slaan zich rondom mij. Mensen rukken aan me. Ik
besef niet meer wat ik doe. Ik besef het niet meer. Ik besef niets meer. Ik weet alleen
dat het meer onder mij lag. In een nevel. Ik hoor stemmen. Ik voel mensen. Waarom doen
ze dit? Wat  hebben ze er aan een oude vent als ik ben uit het meer te sleuren? Mensen?
Wat zijn mensen? Mensen duwen me de trein in. Ik zie haar staan. Het meisje met de
gitaar. Ik weet het. Zij is het niet. Kan ik me bloot geven? Kan ik toegeven dat ik wilde
sterven? Men duwt me neer op een bank. Mensen praten. Kan ik hun zeggen wat ik gezien
heb toen die snaar sprong. Kan ik nog spreken? Wat doe ik hier? Wat doe ik op een
trein? Waarheen wil ik?
Ze legt de gitaar met de gebroken snaar in het rek. Zij komt naast me zitten. Kan ik haar
vertellen wat ik gezien heb daarbuiten op het perron, dat nu langzaam wegschuift? Ik
knik haar even toe.  
-Gracie tante, prevel ik.
Ik sta weer bij het witte bed in de witte hospitaalkamer. Zij zal voorgoed van me weg
zijn. Weg van de aarde. Ergens? Waar ergens? Wat moet ik doen.
Zij legt haar hand op mijn hand.
Zij knikt lief. Zoals mijn  jonge vrouw. Zoals die vroeger was. Zij lijkt zo sterk op haar!
Ik kan mijn ontroering niet meer aan. Nu eindelijk ween ik.        
-De snaar is  stuk, zeg  ik schor.
Zij zal me begrijpen.        
Er vliegt een vogel naast het raam. Hij is me totaal vreemd
Wat moet ik in Bologna?

Lees nog meer verhalen van deze auteur op deze site,  klik hier!

(geplaatst op 17-10-2006)

terug naar boven
© 2002/ 2006 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.