Een kortverhaal van Gust van Brussel

DE WEG NAAR EDESSA

De hitte was neergevallen met de avondnevels. Zij hing nog na te zinderen over de
steenvelden, maar haar agressiviteit begaf zienderogen. De heuvelkammen in het westen
van de verlaten baan baadden nu in de naglans van de zakkende zon. Aan de oostkant
overkoepelde het duister de stenen baaierd.

De baan was sinds jaren in aanbouw. Een zonderlinge baan. Een weg die men telkens
opnieuw aanlegde en die men evenveel keren verliet. Ze kwam van heel ver uit de
granieten heuvels waarachter het laatste dorp bij de grens van Albanië lag. Ze liep voor-
bij de vijf hutten en wat verder voorbij de schaapshoeve en de kooien. Als ze in de buurt
van de vijf hutten kwam, zwenkte ze weg voorbij de hoeve en de kooien en liep dan recht
naar het oude  woud. Daar verdween ze tussen de bomen.
Ze waren een hele tijd terug, met de hele troep, alle lui van de vijf hutten gaan kijken
waar de baan naartoe liep. De weg liep voorbij het wildgewas waarin de hoge dennen
stonden en vandaar door tot bij de groep eiken in het woud. Verder waren ze nooit ge-
weest. Bij die eiken borrelde een bron uit de kalkstenen grond, die stonk naar solfer. Je
zag er soms de sporen van beren en jakhalzen. Maar er lagen ook geraamten van
reebokken die van de bron gedronken hadden. Daar hield de baan plots op. Er was zelfs
niet één van die oude eiken omgekapt. De werklui waren tot bij de bron geraakt en
verdwenen dan spoorloos in de avondzon. Waarom de werken stilvielen bij de eiken, daar
hadden de lui van de vijf hutten geen verklaring voor. Alleen Wanda zei dat ze het wist
maar ze weigerde te spreken.
-Je vertelt maar wat, zeiden de anderen. Maar ze wisten dat Wanda dingen wist die geen
ander mens kende.
–Je wilt ons bang maken.
Dat konden ze wel zeggen, maar niet dat ze het hoorde. Ze beschikte over een macht die
je niet kende. Geen enkele van hen. Daarom fluisterden ze het met een scheve mond.
Als Wanda wegliep door de doornstruiken waarover de nevel neerzeeg, durfde niemand
haar volgen. Ook de mannen niet.  Zij wist alles over de nevels en de natte misten die
plots alles onzichtbaar maakten. In die schemerige duisternis konden zaken gebeuren die
je zelfs niet in je verbeelding kunt zien.
De ene firma na de andere had zich de tanden gebroken op de constructie van die
vervloekte baan. Telkens weer werden de werken zonder merkbaar resultaat stopgezet.
Bedrijven kwamen op een hete morgen over de heuvels aanzetten met materiaal en mensen
en verdwenen in het niet.

De laatste Firma had een stapel materiaal achtergelaten. Vasilis de schapenboer had zijn
schuur ermee volgestapeld. Een onoverzichtelijke monsterachtige berg werktuigen. Ze
lagen te roesten in zijn stallen. De bewoners van de vijf hutten hadden elkaar bekeken
om elkanders gedachten in hun ogen te lezen. Wanda zegde dat de nevelman met haar
gesproken had in haar slaap. Toen ze nevelman zei schrokken ze, want het gerucht over
de nevelman was over de bergen naar hier gekomen langs murmelende monden waarop je
geen gezicht kon kleven. Niemand had hem ooit gezien. Soms zeiden de moedigste mannen
dat hij niet bestond. Maar als Wanda over hem sprak stonden ze er met open mond bij te
gapen. Hij was die nacht heel dicht bij haar gekomen. Zo dicht dat zij zijn adem kon
horen. Een van zijn poten had hij op haar buik gezet en ze zagen ’s anderdaags hoe de
pels van haar polk besmeurd was.   Je zag de beslijkte afdruk van een hoef op het
beddek. Niemand durfde Wanda vragen hoe hij eruit zag. Zij wisten het liever niet. Als
ze vertelde wat voor een wezen hij was, zou hij in hun verbeelding gaan leven en daar
hadden zij een dodelijke angst voor.

-Hij heeft met me gesproken.
Dat zei ze zomaar, terwijl ze hun angst trachten te overmeesteren.
-Er zullen nooit meer andere mensen komen, heeft hij gezegd. De baan is giftig geworden.
Wat bedoelde het monster daarmee? Zij hadden er het gissen naar.
Zij hadden de schapenboer verteld wat Wanda meegemaakt had, maar Vasilis leefde sinds
jaren bij het woud en hij lachte om hun verhaaltjes. Hij spande zijn muilezels voor zijn
kar en haalde zoveel alaam op als maar kon. Ze beloerden hem dagenlang tot hij het beu
zou worden die de monsterachtige dingen naar zijn  stallen te zeulen. Van de baan over
de schroeiend hete steenhopen had Vasilis eindeloos wagens voortgesleept. Terwijl zij
naar die stenen man staarden waarop geen vermoeienis vat had.  Zij bleven hem uit de
buurt. In een hitte waar je purper van werd deed hij dat. Die vent was zo hard als de
balken van zijn  hoeve. Ze vroegen zich af waarom hij nu precies dat beulswerk alleen
wilde doen?  Hij gebruikte hen voor alle andere karweien toch als slaven, omdat zij van
hem melk, kaas en vlees kregen. Als er een van hen ziek werd van de droge wind die soms
weken aanhield, kookte hij voor hen een stinkende drank waar ze beter van werden

Het grote woonhuis en de schapenkooien lagen niet zo heel ver van de zuidrand van het
bos. Er liep een uitgedroogde sleuf langs, tot een eind voorbij hun hutten. Alleen in het
regenseizoen bulkte het water van de regenval door de slenk. Vasilis had ze ooit ver-
scheidene meters uitgediept bij de hoeve. Hij had er de lui van de vijf hutten voor
opgevorderd. Hij wilde een vergaarbak hebben voor het regenwater. Water heb je altijd
te kort. De vergaarbak die hij uitgedacht had functioneerde bijzonder slecht. Als het
water neer spoelde van de rotsen naar de vergaarbak, verdween het daar. Het werd door
de poreuze bodem weggezogen. Die van de hutten hadden er in de blakende hitte de rug
voor krom gewerkt. Toen hij zag hoe het water wegtrok, had hij enkel vloeken voor hen
over. Hij had hen zelfs verplicht een trap naar de put uit de rotswand te hakken. Om het
water dat er niet was op te halen. Het water was vlugger weg dan iemand van hen het met
een zak grijpen kon. Nu stond die stomme trap naar die put daar. Gewoon een lomp ding
in een steenwoestijn. Dat moest Vasilis overkomen! Die gaf hen de volle laag. Zij droegen
de schuld van de mislukking. Iemand van de hutten die zijn  melk dronk en zijn vlees at
was schuldig. Een bij wie de duivel in zijn vel zat. Sinds de lui van de vijf hutten er
waren liep alles verkeerd. De wolven vraten zijn schapen op en zelfs was het ooit
gebeurd dat zijn hoeve uit zichzelf begon te branden.
Die van de vijf hutten waren een vreemd volk dat geen vaste grond kende. Die wisten
zelfs niet dat ze leefden. Scharrelwezens. Van waar ze kwamen wisten ze niet eens. Ze
zeiden van een dorp in de bergen, ver weg, maar was dat wel waar? Ze waren als
zwervers bij de boer terecht gekomen om te werken voor eten en drinken. Ze wisten
zelfs niet waar Edessa lag waar de baan naartoe moest. Dat had Vasilis gehoord van de
werklui. Edessa? Wat had Edessa dan zo bijzonder? De mensen worden daar ook ziek en
sterven net als elders in het bergland.
De hele dag lagen ze in de schaduw van de grote olijfboom waarrond zij hun hutten
opgetrokken hadden. Tot de boer brulde dat ze hun poten moesten gebruiken. Hij gaf hen
te vreten. Daarvoor moesten ze doen wat hij vroeg. Anders geen melk, geen kaas, geen
vlees en vooral geen water. Want een bron met deugdelijk water bezat hij alleen
Misschien moest je wel tot in Edessa gaan, de stad van het water, om nog zo’n bron te
vinden. Die van de eiken, daar mocht je niet aankomen anders lag je romp erbij te rot-
ten. Zij mochten zijn handen wel likken dat hij hen water gaf, want in die hitte ga je
kapot als je geen vocht in je lijf krijgt. Die ene keer dat ze tot bij de eiken waren
getrokken en de bron hadden gezien, had eentje van hen in het bos van de bron gezopen
en hij was brakend doodgegaan. Hoe heette hij ook weer? Soms kwam er een en een
andere ging, maar de namen onthield je niet.
Ze waren niet de eerste troep havelozen die door de steenwoestijn naar de hoeve
afzakten. Sommigen bleven enige tijd. Andere verdwenen haast onmiddellijk met hun
afval op de rug. Je zag ze nooit terug. Alsof ze door de stenen opgevreten waren. Deze
troep hield het nu reeds verscheidene Paasvieringen uit. Die troep was zo bijzonder
omdat Wanda bij hen was. Wanda had de gave van door de wanden heen te zien, door je
lichaam zelfs tot daar waar je geen mens meer bent..

Als de nevels aangevoerd werden door de lauwe lucht, kroop Wanda op de steenhopen en
sloeg met haar armen wild om zich heen terwijl ze een schreiend geluid maakte. Ze
wenkte de nevels met opgehitste gebaren. Dan sloop de nevel steeds dichter naar de
hutten. Over de daken van de hoeve klom hij. Over de hutten. De vlakte met zijn rotsen
en doornstruiken verdween meteen in de schemerige duisternis.  
Als die nevels vielen kwam het duivelse naar de hutten. Je wist niet wat er gebeurde,
maar het gevoel dat je beving, was zo sterk dat je panische angst toenam als je de nevel
over je heen voelde glijden.
Vasilis die geen vrouw had, had ooit de geur van Wanda in de neus gehad zodat hij ervan
bronstig werd. Dat werd verteld. Het gebeurde precies in zo’n nevelaanval. Hij had haar
met zijn ijzeren armen meegesleurd in de doornstruiken. Toen was het dat Vasilis door
het duivelse gegrepen werd en zijn hoofd opengereten werd door een vreemd beest. Hij
was er zeker van dat Wanda de nevelman geroepen had. De kwade geest was uit de
bossen gekomen omdat hij het huilen van Wanda gehoord had. Ze had gehuild als een wolf.
Wanda maakte iedereen gek. Met haar ogen en met haar lijf. Zij was het die het monster
opriep. Door haar schuld was Jorgio, de jongste nu kreupel. Zij had ooit Jorgio, die
gekke jongen, meegelokt naar de baan. Een hele grote man die de wacht hield op de werf
en de arbeiders bewaakte, had hem in zijn been geschoten. Je moest uit de buurt van die
baan blijven.
Niemand, ook de mannen met vrachtwagens en bulldozers niet, hadden de baan door het
woud kunnen trekken. Dat was geen baan voor levenden. Als Jorgio daarna over het schot
vertelde, beweerde hij dat hij geraamten had zien lopen op de baan. In de richting van de
olijfbomen op de heuvels die voor het woud lagen. Was die baan vervloekt? Was het
daarom dat de lui van de wegenbouw plots verdwenen. De ene Firma na de andere. De lui
van de hutten waren er zeker van.

Lang nadat Vasilis stopte met het wegslepen van alaam was Wanda plotseling in een
wolkenloze nacht naar de baan gelopen. Zij stiet een vreselijk lange klank uit alsof de
jakhals in haar huilde. Toen zij eindelijk ophield met het gehuil, liep ze wankelend door
de doornstruiken en zat dan weer voor haar hut op haar platte steen te grienen. Ieder
had zijn zitplaats, maar de meest comfortabele, de platte steen was Wanda
voorbehouden.
De oude Konstantinos, die zich soms als leider opwierp, ondervroeg haar over haar
gedrag. Hij wist dat ze vreemde paddenstoelen vrat waar je beter van weg bleef. Dan
was het alsof ze twee wijven werd. Een die je kende en een die helemaal vreemd was.  Als
deze keer de nevels terugkwamen in de hooitijd zou de duivel uit het bos komen om de
hele baan kapot te maken. Dat murmelde ze aan het oor van Konstantinos. De nevelman
verdroeg niet dat die reuzenratten aan zijn bos knaagden. Zijn nest zouden ze nooit
vinden.
Kon je dat zomaar geloven? Ze had toch al eens eerder voorspeld dat de nevelman een
stortvloed op de baan zou afzenden. Er was een hevige zandstorm aan voorafgegaan,
Daarna was het tempeest losgebroken zodat de ganse bouwwerf overspoeld werd en
wagens en alaam weggesleurd werden door die mysterieuze hoos. De schapen van Vasilis
gingen vreemd te keer. Zij braken uit en een twaalftal heeft hij later dood
teruggevonden. Bij ieder schaap zag je hoe het de lippen gekruld had alsof het beest
lachend gestorven was. Dat had nooit iemand voorheen gezien. Er was iets heel bijzonders
gebeurd.
Zij was ook zo vreselijk geweest die voorspelling van Wanda. Die keer was zelfs de
slenk volledig onder water gelopen. De watermassa daalde met donderend geweld van de
heuvels naar de vlakte. De vijf hutten werden weggeblazen door een zandstorm waarin je
geen steek voor je ogen zag.. Toen de duivel er genoeg van kreeg, lagen de bomen
ontworteld langs de baan.
Dagenlang moesten die van de hutten de daken van de hoeve en van de schapenkooien
herstellen, daarna konden ze pas opnieuw hutten bouwen.
Het was hard werken geweest en je slaap zoeken waar je hem kon vinden. Alleen Wanda
sliep rechtstaand tegen de stam van de olijfboom met een stomme lach op haar gezicht.
De oude Konstantinos zei dat iedereen in leven was gebleven die niet aan de baan had
meegewerkt.

De nevelman vertoonde zich nooit bij hun hutten of bij de hoeve van Vasilis. Zij spraken
erover voor de hutten met hun voeten in een put die anderen, lang voor hen, daar
gegraven hadden voor de koelte.
-Een nevelman kan toch niets meer dan nevel zijn, meende Konstantinos. –Daar grijp je
dwars doorheen. Maar waarom ze zich dan allemaal zo zonderling voelden alsof ze
zichzelf niet meer waren, daar had hij geen uitleg voor. Alleen kon Wanda hem zien als
zij dat wilde. Het monster kon de vorm van een mens of van een beest aannemen. Soms
verschool het zich in het vel van Jorgio zei ze. Als Jorgio de duivel in zijn lijf had,
sprong hij rond op zijn kromme poten. Net een bronstige bok. Sinds die kogel in zijn
been zat deed hij dat. Jorgio lijdt aan de bokkenziekte zei een genezer die op tocht was
naar Albanië. Op een rosse wintermorgen had hij dat gezegd. Nadat hij een ganse nacht
spiernaakt met Jorgio in zijn polk geslapen had om de duivel te verjagen. Hij wilde ook
de duivel bij Wanda verjagen, maar die wilde dat niet Zij wilde ook niet gezegend
worden zoals de anderen en ze bleef stijf rechtstaan terwijl alle anderen voor hem
knielden. Konstantinos gaf de genezer als dank, als een gezel op zijn tocht naar de hoog-
ten van Albanië, een geest mee. Die had Wanda uit een bijzonder oude olijftak gesneden.
-Je moet een konijn vangen en het bloed over Jorgio gieten, zei hij nog.
Hij reed weg.

Soms, maar zeer zeldzaam, kwam er een wagen in volle vaart over de baan gereden naar
de bossen toe waar de baan doodliep. Er waren geen barelen aangebracht met een
verbodsmelding.De wagen reed even snel terug alsof de chauffeur een monster had gezien
en maakte dat hij wegkwam.
Daar praten ze over in de heldere nachten als de hitte hen wakker hield. Ze zeiden dat
de mensen die achter de heuvels woonden in een grote stad het wilden dat de baan er
kwam. Dwars door de heuvels, dwars door de stenen vlakte, de rotsen en de wilde
doornstruiken. Tot in het bos waar ze zelf nooit kwamen. Dwars door de graasvelden van
Vasilis ook. Langs de oude verlaten schapenkooien een eind van de hoeve, waar de oude
oliepers nog stond. Op het dak bouwden vroeger ooievaars een nest van droge takken. Ze
bleven weg sinds de baan aangelegd werd.

Er zongen enkele late vogels. Hun zang stierf stilaan uit. De nacht werd koeler. De
krekels zwegen al een tijdje. Toen was er een geronk in de lucht. De wagen kwam met
hevige lichten over de baan gestormd. Dimitri die soms bij Wanda slapen mocht als de
nachten erg koel waren, prevelde iets. Dat was een gekke gewoonte van hem. Wanda hield
haar kop scheef. Eerst was er een vreselijk gehuil van de remmen, dan kwam de knal als
een ontploffing.
Wanda was het eerst bij de baan. Ze zag de vernielde wagen. Ze bleef de ontploffing
horen in haar hoofd. Haar geest was elders. De hele troep kwam aangerend. Midden op de
baan lag het wrak tegen de opgestapelde boomstammen aan. Ze durfden niet bij de wagen
komen. Een man was uit de wagen geklommen en hield zijn handen aan zijn hoofd. Een
vrouw leefde ook nog. Zij verloor bloed uit haar mond. Ze waggelde en viel op de baan.
Ze werd  plots wit als het doek dat ze voor haar mond hield. Het doek werd zwart. De
man ging met zijn rug tegen de boomstammen leunen. Achterover. De benen wijd open.
Jorgio strompelde door de doornstruiken. Op een veilige afstand. Wachtend tot de man
door de knieën zakken zou en op de grond rollen. De man kwam plots recht. Hij liep op
Jorgio toe die niet bewoog. Hij had een stuk metaal in zijn hand. Daar sloeg hij Jorgio
mee neer. Hij sloeg zo hard op Jorgio’ s hoofd dat het bloed op de wagen spatte. Toen
kwamen ze allemaal uit de doornstruiken met hun messen om de twee autorijders neer te
steken.
Wanda zei dat ze op reis was geweest in het lichaam van de man en dat zijn ziel
uitsluitend aan wraak dacht. Hij zou weerkomen vermomd onder een andere gedaante om
hen te doden. Daarom moest Dimitri met zijn mes hun ogen uit hun kop snijden. Daarna
moesten ze onder steenklompen begraven worden tot ze hen niet meer konden zien. Wat
ze beleefden was heel bijzonder. Ze hadden nog nooit iemand doodgemaakt. Alles was
gebeurd zoals Wanda had gezegd dat het zou gebeuren met die boomstammen. Alleen de
vreselijke wonde van Jorgio had ze niet gezien. Wel juwelen. Goud had ze gezien en
edelstenen. Terwijl de anderen koortsachtig in het wrak en in de kleren van de twee naar
buit zochten, keek Wanda naar de sterren.       
-Vasilis is op jacht, zei ze. –Niemand moet zich haasten. Wij hebben goed werk gedaan.
-Wat moeten we met al die dingen, vroeg Konstantinos? –We kunnen er nergens mee heen
en geen mens geeft er wat voor.
-Wij hebben onze plicht gedaan, antwoordde Wanda. –Het is de wil van de andere.
Konstantinos begreep wat zij bedoelde met de andere en daar wilde hij niet verder over
nadenken. Wanda bleef bij het wrak staan staren alsof zij de baan moest bewaken. De
anderen hielden zich met de buit bezig. Jorgio liep mankend weg naar de hutten. Ze
gunden hem geen blik. Jorgio was gek. Die bleef staan als hij aangevallen werd door een
man die de wraak in zijn lijf droeg. Gekke Jorgio. Hij liep huilend weg in het duister.
Waarom? Omdat zij die twee mensen met hun rode wagen vermoord hadden? Neen toch!
Misschien was het omdat er bloed van zijn kop op het wrak hing. Dat kon onheil brengen.
Dimitri vaagde het weg met zijn mouw die nu ook rood werd.  

Toen Vasilis van de jacht kwam, sloeg hij geen acht op de baan. Het wrak hadden ze een
eind ver gesleept en in een kloof neer gekanteld. Toen hij zijn hond weer aan de ketting
lei, lag het beest de ganse nacht met rode ogen te huilen.
-Hoort de hond huilt, zei de oude Konstantinos schrikkerig. -Misschien ruikt hij de lijken?
-Hij huilt omdat de nevelman weer naar zijn hol trekt. De hond heeft net zoals jij angst
als de nevels komen.
-Wie weet wat zo’n beest ziet, bemoeide zich Dimitri.- Er leven vele onzichtbare wezens
om je heen. Zonder dat je ook maar iets merkt van die gedaanten. Honden merken die wel
op. Je beseft niet hoe dat in zijn werk gaat bij honden. Soms springen die op zonder
reden. Blaffen niet eens en gaan dan weer liggen. De kop tussen de voorpoten. Staren.
Naar wat? Wat ze gezien hebben, kom je nooit te weten. Aan het wit van hun ogen zie je
dat ze meer weten dan een mens.
-Soms beweegt een tak door niemand aangeraakt, zei Wanda. Soms voel je dat iemand je
aanraakt en je ziet hem niet. Soms voel je dat iets je voorbij trekt. Iets als wind. Alsof
een lange sleep langs je heen glijdt. Wat is het? Je kunt het niet betasten. Soms voel je
een gewicht op je schouders en worden je benen zo zwaar dat je er misselijk door wordt.
Alsof je lijf wil wortel schieten in de grond. Je krijgt dat gevoel niet zomaar of op het
even welke plek. In de sleuf bij de laatste schaapskooi waar de oliepers staat, kan je dat
gevoel krijgen als je er door een ijselijke hitte moet. Dan is het net of je voeten wortels
worden die door de stenen heen willen groeien. Dat kan.
De oude Konstantinos schudde het grijze hoofd.
-Niet alles kan wat je niet ziet.
Het kon wel, want Wanda had het ooit gezien. Hoe je vastgroeien kan. In het bos had zij
het gezien. Daar waar zij haar paddenstoelen haalde. Plots was zij tegen een man
aangelopen. Hij stond daar pal voor haar. Helemaal bedolven onder mos. Je zag zijn
hoofd amper. Zijn ogen waren gele zwammen geworden. Die staken uit zijn kop als
hanenkammen. Zijn neus en zijn mond waren zwarte gaten geworden, waarin kevers en
mieren kropen. Zij had het gezien hoe dwars door zijn laarzen wortels groeiden. Zij
zaten zo vast dat zijn geraamte niet omvallen kon.
Bij zo’n gebeurtenis ben je nooit alleen. Daar leefden de wezens waarmee Wanda omging.
De pope die Jorgio geholpen had er niets aan veranderd. Hij had mistroostig voor haar
hut geslapen, want in haar polk mocht hij niet en hij had haar hut met kruisen belegd om
de geesten van de dood te verjagen. Maar Wanda was gebleven zoals zij was. Zij bleef
zwammen vreten waar je gek van werd. Dan zag je een andere wereld waarin planten en
dieren en mensen aan elkaar groeiden en weer uit elkaar gingen met stukken van een
ander aan hun lijf. Wanda had een kop als een spelonk. Daar leefden allerlei zonderlinge
dieren en planten in die nooit het daglicht zagen. Zij kon de planten zo giftig maken dat
de hazen er door rotten. Als de nevelman het haar zou vragen kon zij als een worm in de
hond van Vasilis gaan huizen en zijn ingewanden wegvreten. Als hij wilde dat Vasilis
stierf zou hij het haar bevelen in hem te kruipen om hem leeg te vreten.
Tussen de olijfbomen lag Dimitri te loeren naar de hoeve. Achter een steenhoop. Wanda
kende woorden die wat op je toekomt tegenhouden. En andere die veroorzaken wat je
nooit verwacht. Moest hij zo’n woord kennen dan liet hij een steen uit de lucht vallen vlak
op de kop van Vasilis. Als het een puntige steen was zou die dwars door zijn hoofd zijn
borst opensnijden. Dan was het gedaan met de schapenboer.
Er gebeurde iets. Zo onverwachts dat zijn keel uitdroogde. Vasilis kwam uit zijn woning.
Hij zag hoe hij de poort doorliep zonder om te kijken. Hij droeg zijn geweer op zijn
schouder. Je zag de kogeldoos uit zijn zak puilen. Zijn hond liep naast. Tegen zijn benen
aan. Dimitri verstarde tot een steenklomp. Een klomp tussen de andere steenklompen. Hij
werd een stuk van Vasilis’ land. De hond zou de geringste beweging opmerken. Als die op
hem afvloog was hij verloren. Die beet hem de keel over.
Zijn plan het geweer van Vasilis te stelen, was wel het domste wat hij zou kunnen
bedenken. Hoe kon hij zoiets in zijn hoofd halen. Die schapenboer bleef je altijd een eind
voor. Zoals hij daar met zijn geweer en zijn hond door de distels naar het bos stapte,
zijn dikke benen in zijn lederen laarzen, was hij een beer. Je kreeg er niet de geringste
kans tegen.
Hij trachtte recht te komen. Je kan nooit voorzichtig genoeg zijn. Vasilis zou een lange
tijd wegblijven. Die was heel zeker op zoek naar de ever die sinds enige dagen ’s nachts
in zijn aanplantingen kwam wroeten en zijn jonge sinaasappelbomen kapot knaagde.
Als hij het dan toch wat wilde doen, moest het nu aanstonds gebeuren. Zijn bloed werd
zwart. Dat voelde hij. Omdat hij door een angst overvallen werd, waardoor je kan
stikken. Maar hij moest het doen. Alles bestaat wat moet bestaan.
Misschien hadden de anderen er al over nagedacht hoe ze Vasilis’ woning zouden
binnendringen. Maar nooit was iemand zover gegaan als hij. Zijn lijf wilde niet verder.
Maar Wanda was in zijn lijf gedrongen. Die wilde dat hij Vasilis vermoordde. Die spotte
met hem omdat hij zich niet durfde meten met de smeerlap die haar niet met rust liet.
Die haar wilde neuken gelijk een bok op een geit klimt.
Hij hikte omdat hij geen lucht kreeg. Zijn gedachten wilden het doen wat Wanda vroeg.
De hoeve binnen dringen. Als het niet kon met het geweer, moest hij zich onder het bed
van Vasilis verbergen en hem ’s nachts de keel oversnijden.
Dimitri mocht nu en dan volgens haar grillen bij haar in de polk en hij had daar zo’n
herinneringen aan dat hij huiverde tot in het bloed van zijn hoofd. Doe je daar een moord
voor?
Maar het kon zo niet verder. Vasilis eiste haar alle dagen op om allerlei op te knappen.
Maar het ging steeds om haar benen. Om haar te neuken en zij wilde geen meester boven
zich die je naar believen met zijn sperma bespuit. Om haar te doen voelen dat hij de
enige meester van de stenen vlakte was.
Het kon dat Vasilis niet op everjacht was. Hij kon om duizend andere redenen weg zijn
gegaan met zijn geweer en zijn hond. Stel, want dat kon, dat hij in het bos de hond wou
afmaken. Omdat de hond de ever niet verjaagd had. De ever had de hond gekwetst aan
zijn bil. Dan heb je niets meer aan zo’n hond. Die wist niet dat hij zou neergeschoten
worden. De jakhalzen zouden hem opvreten. Ze rijten zijn lijf levend open en hij is niet
meer in staat zich te verdedigen. Dat had hij laten horen aan Konstantinos. Laat de hond
maar huilen. Hij gaat toch kapot. Ik schiet hem neer en ik haal wel een andere in de
heuvels bij mijn neef. Die heeft een teef met drie jongen.
De gedachten in Dimitri’s hoofd werden weer hevig. Ze wilden het huis binnen. Wat hij
daar precies zou doen, wist hij nog niet. Hij moest onder dat bed terecht komen. Wanda
zou er voor zorgen dat de boer stomdronken was. Het deed hem deugd in zijn buik eraan
te denken hoe hij Vasilis de keel zou oversnijden. Hij had veel te lang in de middagzon
gelegen. Dat voelde hij nu. Zijn kop stond niet meer op zijn hoofd. Hij wilde braken
omdat hij voelde dat de zon zijn hersens had verbrand. Dan komt het vuur van de zon in
je lijf. En door de zwammen die Wanda hem gegeven had.  Maar zijn gedachten joegen
hem op. Struikelend over de stenen liep hij naar de hoeve.. Molenwiekend. Met een hevige
rilling die over zijn hele rug liep. Alsof de nevelman achter hem aanzat. Hij hoorde het
schot. Hij viel met zijn gezicht op de stenen. Een moment was zijn hoofd leeg. Zijn
gedachten waren weg. Het was alsof hij wind in zijn hoofd had. Zijn hele lijf brandde.
Verschroeid door de gloeiende keien. Geschramd door de doornen. Zijn gezicht bloedde.
Zijn knieën waren helemaal open geschaafd. Doorheen zijn broekspijpen.
Daar had je het weer. Het schot. Hij rekte zijn mond wijdopen om lucht te happen.
Rochelde. Zijn kaaksbeen zat scheef in zijn kop.

De hitte wilde die avond niet sterven. De nevels bleven weg. Ze zouden de ganse nacht in
die hete ketel moeten doorbrengen. Je kon aan de verlamming van de vogels merken dat
de hitte dagenlang zou duren. De krekels tsjirpten zonder ophouden.
Ze zaten rond de grote put die daar bij de hutten sinds lang gegraven was. Door die
andere lui. Die van vroeger. Ze hadden ze nooit gekend. Waarschijnlijk waren ze er dood
gegaan en lagen ze ergens bij de slenk begraven, waar ze ooit uitgedroogde botten
hadden gevonden.
Konstantinos zei dat hij zolang hij leefde nooit zo’n hitte had gekend. Maar op het
geheugen van de oude moest je niet rekenen. Zij herinnerden zich allemaal wel die
nachten waarin je stonk van het zweten en wakker bleef tot je sufte van uitputting.
Konstantinos! Let op voor Konstantinos! Die had vele verhalen in zijn stomme kop. Over
hoe het was bij de mensen voorbij de heuvels. Daar moest je geen woord van geloven.
Konstantinos loog altijd. Voorbij de heuvels moest je niet gaan. Dat bracht je ongeluk.
Dat wisten ze allemaal in de hutten. Tryphon de sterkste van de groep had het ooit
gewaagd. Die kon heel wat miserie aan, honger en dorst en vermoeienis als het moest. Hij
was belabberd teruggekomen. Een kapot mens. Wat hij meegemaakt had kon hij niet
vertellen omdat hij dronken was van de hitte en ziek van het cactus vreten. Vol builen en
schrammen kwam hij aanzeilen en viel voor zijn hut neer.  Hij herinnerde zich later niets
meer van zijn reis. Er was iets niet meer in orde met zijn geest.
Maar hoe was het dan voorbij de heuvels?
-Voorbij de heuvels andere heuvels, zei hij.
En voorbij die andere heuvels?
De twee mensen met hun wagen kwamen zeker van ver voorbij de laatste heuvels. Daar
dachten ze aan. Heel ver, dat bedoelden ze als ze zeiden dat ze van achter de heuvels
kwamen. Hoe ver wisten ze niet, maar het kon veel verder zijn dan een mensenlevenlang
lopen. Konstantinos mocht je niet geloven. Die zei dat hij vandaar kwam. Dat kon niet.
Dat kon je aan zijn voeten zien. Die hadden door de stenen en het gruis niet meer geleden
dan die van hen.  

Ze lieten de oude wauwelen, want er was een lawaai te horen dat van behoorlijk ver
kwam. Vanwaar het precies kwam kon je niet direct thuisbrengen. Het kwam uit alle
richtingen op je toe. Dan waren de machines er. Je hoorde hoe ze oorverdovend kwamen
aanrollen. Thea, Tryphon’s vrouw had ze het eerst opgemerkt. Ze kwamen in groepen over
de heuvels gekropen. Net kevers.
Er kwamen reusachtige vrachtwagens aanrijden waarin mannen opgesloten zaten. Heel
veel mannen. Die werden bij kladden uit de wagens gespuwd. Een tijdlang liepen ze rond.
Waarschijnlijk om het alaam te vinden dat achtergelaten was.
Ze stonden verscholen in de doornstruiken de hele beweging te bekijken. Als die de
steenhopen maar niet vonden of de wagen in de sleuf. Met vreemden kon je enkel
problemen op je hals halen.  Over vreemden moest je het geleuter van de oude
Konstantinos niet geloven. De vreemden vertrokken weer. Zonder succes. Vreemden kun
je niet vertrouwen, Dat is de waarheid. Geloof die oude leugenaar niet. Het brengt je
ongeluk. Konstantinos’ ziel was ooit onder een boom geraakt door de bliksem. De boom
was middendoor gespleten en zo was het ook in zijn kop vergaan. Sindsdien vertelde hij
de gekste verhalen over een wereld die niet bestond tenzij in zijn verbeelding.  Dan zag
hij de rare dingen weer waarover hij hen verteld had.

-Ze zullen door de baan opgevreten worden gelijk de anderen, zei Wanda en ze keerde
weer naar haar hut. De anderen volgden. Wat gebeuren moet, gebeurt; Bij de olijfboom
was het fris. Het deed hun deugd met hun blote benen en voeten in de oude put te zitten.
Er lagen nog resten in van een geslacht lam. Als ooien lammeren gooiden kregen ze soms
jongen van Vasilis. Telkens met Pasen bracht hij een pas geslacht lam en een vat wijn
waaraan ze zich mochten bezuipen voor het hele christelijk jaar.   
-Christoejena, zei de schapenboer dan. Dan was hij te genieten. Omdat Christoejena het
feest van de wedergeboorte van de aarde was. Ze zopen het gegist druivensap tot ze op
handen en voeten rondkropen. De vrouwen lagen de billen open op de mannen te kermen.
De mannen neukten hen tot ze er kapot afvielen. Dat was Christoejena. Vasilis gunde hun
Christoejena en daar kusten zij zijn handen voor. Vasilis kon wreed voor hen zijn, maar
ook goed als hij Christoejena vierde.
Waarom praatte Wanda plots zo raar over het slachten van het lam?

Hij kwam in het duister op hen toe. Ze schrokken. Omdat zij dachten dat hij een monster
was. Hij leek wel twee mannen groot. Toen hij dichter kwam, zagen ze dat hij een man op
zijn schouder droeg. Als een geslacht varken. Zij hoorden de stenen onder zijn gewicht
knarsen. Toen zagen ze dat hij Dimitri droeg. Hij gooide hem bij hen in de put. Dimitri
zat onder het bloed. Dat roken ze. Bloed leekte langs zijn kleren. Zij keken verkrampt
naar de schapenboer. Of hij iets zeggen zou. Had hij Dimitri doodgeschoten?
Vasilis bekeek hen één voor één. Alsof hij zeggen wilde –vertel maar wat je wilt, maar hij
sprak niet. Hij ging weg met zijn glimmende ogen.
Jannis die dikwijls met Dimitri samen was, draaide het hoofd van Dimitri naar hem toe en
voelde in zijn nek of hij nog leefde.
-Hij is dood! mummelde hij.
-Als hij dood is moet hij in de greppel. We gooien stenen over hem. Dan zie je hem niet
meer, zei Tryphon
-De jakhalzen zullen komen,  reageerde Jannis bitter. Die ruiken de stank voor je het
weet. Die komen voor het vlees. Dat halen ze onder de keien uit.
Als Dimitri echt dood was konden er vreemde zaken gebeuren. Ze zaten met hun kop in
hun schoot te wachten. Ik heb rillingen over mijn rug, zuchtte Thea.
Als je de pope moest geloven, dan was Dimitri nu ergens in de lucht, waar hij zweefde als
een vogel. Ofwel brandde zijn ziel ergens in het vuur van de onderwereld.
-Weten jullie wel zeker dat hij dood is?
Konstantinos ging op zijn knieën bij Dimitri zitten met een oor op zijn borst.
-Hij is helemaal niet dood.
De kaak van Konstantinos zat vol bloed.
Nu goed. Dat maakte alles veel gemakkelijker. Een gekwetste geneest. Ook van een
schotwonde in zijn rug. Als Vasilis Dimitri neergeschoten had, dan was dat zo. Dan moest
je dat aanvaarden. Misschien had hij hem voor een jakhals gehouden. Ze dachten allemaal
aan hetzelfde. In hun hutten gaan en in hun polk kruipen, dat zouden ze nu best willen.
Dat kon zomaar niet. Als Dimitri niet dood was moest hij verzorgd worden. De vrouwen
kenden kruiden om hem te helpen. Als hij dood was moest het lijk weg vooraleer het
rotte.  
Tryphon spuwde in het witte gezicht van Dimitri.
-We hebben nooit op hem kunnen rekenen!
-Je bent een zwijn, zei Thea de vrouw waarmee hij sliep.
Ze veegde met haar mouw het speeksel van Dimitri’s gezicht.
-Hoe kun je zo zondigen tegen je evenmens! Ik voel zijn adem op mijn hand. Ik weet
zeker dat hij weet wat je gedaan hebt.
-Wanda is naar de baan gelopen met manke Jorgio.  
Dat was Beba. De jongste die bij de troep gekomen was. Die praatte niet gauw maar wist
alles.
-Waarom haal je haar niet terug. Zij weet het meest van kruiden. Haal haar terug
vooraleer Dimitri dood gaat.
Het klonk zinnig wat de oude zei. Ze moesten Wanda bij de halfdode Dimitri brengen.
Misschien wist zij meer over wat er gebeurd was. Als Wanda niet met de hele zaak
gemoeid was, zou dat wel een wonder zijn. Je wist maar nooit wat er kon gebeuren als de
schapenboer bronstig werd en rondliep om de vrouw van Dimitri te neuken. Als je hem
dan in de weg liep was hij bekwaam je te vermoorden. Wie weet waar het om ging.
-Ik haal haar wel.
Jannis wilde het doen omdat hij bevriend was met Dimitri en ook wel omdat hij zo’n vaag
gevoel had dat Wanda iets met die schietpartij te maken had. Wanda was een duivelin.
Dat vonden Thea en Tryphon best. Ze bemoeiden zich liever niet met die bloedende
Dimitri. Die lag tegen de benen van Tryphon aan, zodat die zich nauwelijks kon
verroeren. Hij zou wel onder die benen uit kunnen, maar dan moest hij Dimitri een schop
geven. Hij wilde dat wel doen, dat niet, maar je weet nooit. Zo’n halfdode kan plots dood
gaan als je tegen zijn lijf gaat schoppen. Dan ben jij de moordenaar. Dan haalde Wanda
de hele zaak overhoop tot ze hem met z’n allen naar de keel vlogen..

Waar haalde Wanda het uit met die manke naar de baan te trekken. Zij had sinds de
pope verdwenen was een bijzondere attentie voor Jorgio. Alsof hij een zegening had
meegekregen waarvan ze een deel wilde hebben. Jorgio sneed voor haar poppetjes uit
zacht hout. Zij zat dikwijls bij hem in zijn hut te kijken hoe hij het deed. Het was een
idee van haar om de manke zulke gekke dingen te laten maken. Soms stalde hij zijn
poppetjes voor de hut uit en zat midden de kring naar de anderen te kijken. Of ze wel
zagen wat hij gepresteerd had. Maar voor hen was het maar niks. Werk voor een idioot.
Natuurlijk had Wanda wat met hem voor. Die deed niets zonder na te denken. Dacht ze
die te verkopen aan wagens die toevallig op de baan terecht waren gekomen? Dat kon.
Maar die waren zo schaars! Nee, dat was het wel zeker niet. Jorgio moest iets voor haar
opknappen. Zij was in staat hem voor een auto te jagen. Voor een manke met poppetjes
die hij zelf gemaakt had, zouden ze wel stoppen. Dat vermoedde de oude Konstantinos.
Die oude was een hoer. Die zei maar wat. Alsof hij het allemaal wist uit de tijd voor hij
zich bij hen aangesloten had. Op het kreperen na dood. Toevallig. Toen legerden ze nog  
dichtbij de bergen omdat zij nog niet zo heel lang uit de hoogten waren afgedaald.
Vroeger hadden ze als kind in een gehucht gewoond in de bergen. Ergens. Maar dat
gehucht was sinds lang helemaal bedolven. Daar lagen hun ouders en voorouders onder een
dikke laag slijk die nu steenhard geworden was. Moest je hun lijken er uit hakken dan
hield je niets dan stenen beelden over.
Ze bewogen niet. Hun hersens werkten nu niet. Zij wachtten op Jannis en Wanda die
Jorgio zou terugbrengen.. Dat was alles. Als Dimitri niet echt dood was, zou hij nu wel
stilaan aan het sterven zijn.  
Beba kreeg plots een angstaanval. Dat had ze meer als ze bloed had gezien. Ze sprong
recht en zwaaide met haar armen omdat ze geen lucht kon krijgen. Ze plooide in elkaar
en braakte op de voeten van Dimitri. Dat maakte Tryphon wakker. Hij sloeg met zijn
vuist in haar gezicht. Je hoorde haar neus kraken.
Op dat moment boerde Dimitri. Het kwam uit zijn darmen. Dat hoorde je. Net of hij te
veel gevreten had. Ze werden er klam door. Vet water dat over je rug loopt.
Beba zat met haar handen voor haar gezicht. Haar neus bloedde. Zo was Tryphon. Die
was recht voor de raap. Hij richtte zich op. Stijf. Zijn benen deden hem pijn. Je wist
nooit wat hij van plan was. Hij ging weg. In de richting van de baan. Waar Wanda liep
samen met de manke en zeker ook met Jannis. Hij vond haar in het buntgras. Ze zat gans
alleen naar de baan te kijken. Ze had haar rokken opgetrokken en ze wreef haar tong
over haar onderlip. Net alsof zij pas klaar was gekomen met Jorgio. Met lange stappen
liep hij op haar toe omdat het beest in hem wakker werd. Zoals ze daar zat moest hij
haar onmiddellijk hebben. Hij besprong haar zo wild dat zij onder hem kefte als een
hond. Hij versmachtte haar. Daarom hield het keffen op. Hij trok haar rokken over haar
kop en greep haar tussen haar benen. Hij kneep haar tot hij haar weer hoorde janken.
Door zijn kleren heen beet ze hem in de nek. Haar tanden sneden door zijn vlees.. Hij
bonkte met zijn bokkenlijf op het hare want als hij haar hebben wilde moest het nu vlug
gaan. Hij wilde zijn zaad in haar buik vooraleer het op de stenen zou spuiten.
Precies dan, op het moment dat hij klaar zou komen met dat betoverde wijf kreeg hij een
slag in de nek. Hij sloeg zijn kop over en weer omdat hij niet uit haar greep geraakte. Ze
klemde zich aan hem vast omdat zij hem kapot wilde. Meteen kreeg hij weer een slag in
zijn nek. Hij draaide zijn kop en zag de krompoot. Dat uitschot wou hem met een stang
van de vernielde wagen de nek breken. Hij greep Wanda bij de keel en wurgde haar tot
haar klauwen verslapten en hij zich oprichten kon om Jorgio na te zitten. Die liep naar
de baan. Ver zou hij niet lopen met zijn lamme poot. Hij hoorde het hese geschreeuw van
Wanda en dat joeg hem nog meer op.
Waar ze wekenlang op gewacht hadden gebeurde precies op dit moment. Ze zagen het
glimmende lijf van een wagen, hel rood. Tryphon zag hoe de vluchtende Jorgio over de
wagen heen sloeg. De remmen huilden. Twee mannen liepen uit de wagen op Tryphon toe.
Ze scholden omdat Tryphon de jongen op de baan had gejaagd. Hoe moesten ze dat
regelen in dat stenen land. Ze waren duidelijk hun zelfcontrole kwijt en terwijl ze
vloekten en in een onbegrijpelijke taal er op wezen dat Tryphon de oorzaak van alles
bleef Jorgio levenloos op de kap van de wagen liggen..
Tryphon zag hoe alle lui van de vijf hutten op Iannis en Dimitri na tussen de
doornstruiken stonden toe te kijken. Hij had ze niet gehoord. Ze gaapten de scène aan
zonder te raden wat er gebeuren zou. Ze zagen er wit uit in het fletse maanlicht dat
ginder boven de bergen in de laatste nevels zwom. Wanda nog witter dan de anderen.
Met een rode bloemenkrans rond haar nek. Dat waren de klauwen van Tryphon.
De motor draaide nog steeds en de mannen schreeuwden als gekken. De grootste sloeg
Tryphon in zijn gezicht en joeg hem voor zich uit. Naar Jorgio. Tryphon en de twee
mannen sleepten Jorgio tot achter de wagen. Alsof ze hem wilden opladen. Dan herbegon
het schreeuwen. Tot ze Jorgio weer lieten neervallen en hun wagen rechtsomkeer maakte.
Ze vluchtten als ratten.

De oude Konstantinos zei dat wat gebeurd was gebeuren moest. Zo nam hij opnieuw de
leiding en iedereen nam daar vrede mee. Kijk maar hoe ze daar verbijsterd stonden. Geen
kik hadden ze gegeven de blaaskaken. Dom als de schapen..
Hij liep naar de baan. Boog zich over Jorgio. Betastte zijn keel. Knielde op het asfalt en
boog zich om zijn hart te beluisteren.
De oude keek rondom zich heen.  Naar de einders waar het andere leven is. Dat wat zij
niet kenden.
- We zullen hen eerst begraven, zei hij rustig toen hij van de lamme
terugkwam.                                                                           
Wanda hief haar witte kop op. Omdat ze niet wist dat ook Dimitri dood was.
Waarschijnlijk wist ze het toch. Zij zag alles in een geheim zicht.. Misschien had zij het
allemaal zo geregeld.     

Niet zolang na de dood van Jorgio en Dimitri kwam een peleton politiewagens aanzetten.
Een voor een werden de lui van de hutten uitgehoord.
De oude Konstantinos die een geboren leugenaar was, toonde de kogels waarmee Dimitri
neergeschoten was door Vasilis, hij liep de politiemensen voor naar de sleuf waar de
gehavende auto zat en hij toonde hun de graven.
Vasilis werd geboeid uit de hoeve gehaald nadat zij al het alaam van de wegenwerken
gevonden hadden in zijn stallingen. Ze zouden hem naar Edessa brengen om er
veroordeeld te worden voor diefstal en moord.  
Ook achter het lijk van Jorgio werd gezocht. Wanda zei dat zij het zelf begraven had in
het woud bij de bron van de eiken. Wanda legde precies uit hoe ze de bron konden vinden
en de politieofficier zond er manschappen in een wagen naartoe.
Toen die vertrokken stak de nevel op. Hij kwam langzaam aanrollen uit het woud op de
hutten toe en de baan.
-Het wordt zwaar weer, voorspelde Konstantinos. –Best dat je niet wacht op die wagen.
Zogauw die hier terug is,  zullen we voor hen zorgen.
De troep vertrok in volle vaart want de nevel was reeds zo dicht dat ze in een compacte
groep moesten rijden.
Toen ze vertrokken waren, murmelde Wanda enkele onverstaanbare woorden.
-Wat zeg je? vroeg de oude Konstantinos..
Wanda antwoordde niet. Zij keek in de richting van het woud waaruit de nevel oprees als
een onweerstaanbare kracht.

(geplaatst op 18-12-2004)

Lees nog meer verhalen van deze auteur op deze site,  
klik hier!

terug naar boven
© 2002/ 2006 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.