Een kortverhaal van Hans KILIAN

DE PRIJS

Een koning had een dochter die zo lelijk was, dat hij haar maar niet uitgehuwelijkt kon
krijgen. Zijn overige zes dochters had hij wel aan de man weten te brengen. Zij waren
stuk voor stuk met een knappe en veelbelovende jonge prins getrouwd. Het was iedere
keer een schitterende bruiloft geweest. De lelijke prinses had elke keer weer volop
genoten van zo'n bruiloft en zij had gezien hoe haar zusters er nog mooier van werden.
-Hoewel ze eigenlijk wel beter wist, hoopte zij dat ook voor haar nog eens zo'n stralende
dag zou aanbreken.
De koning had werkelijk van alles geprobeerd. Hij had alle prinsen en edelen van alle hem
bekende buitenlanden aangeschreven, maar geen van hen had zin gehad. Daarna had hij
zelfs gewone burgers, boeren en buitenlui op zijn paleis uitgenodigd, maar ook die waren
er als een haas weer vandoor gegaan, zodra ze de prinses in het oog kregen. De prinses
leed er zeer onder dat niemand haar wou hebben, maar haar hart eens bij iemand
uitstorten, kon ze sinds de dood van haar moeder haast nergens. Slechts één hoveling wist
wel wat begrip voor haar opbrengen; hij was zelf ook niet één van de knapsten.
Bovendien had hij ontdekt dat ze best aardig was. Toch kon hij zich best voorstellen dat
niemand met haar wou trouwen, want ook hij vond haar een mormel.
Haar vader trouwens ook. Hoewel hij van haar hield, begreep hij maar al te goed, dat
geen enkele man trek in haar had. Wou ze nou maar het klooster in, dacht hij soms wel
eens. Maar natuurlijk niet te lang; daar was hij te rechtschapen voor. Niemand is dom
genoeg om met haar te willen trouwen, dacht hij toen hij weer eens boven een stapel
vervelende staatsstukken zat te suffen. Plotseling begreep hij dat hij op een lumineus
idee was gekomen. Waarom zou hij niet de domsten van de domsten op zijn paleis
uitnodigen? Dat zou de oplossing kunnen zijn!
Na overleg met zijn trouwste raadsheer liet hij in het hele land bekend maken dat hij een
grote prijsvraag had uitgeschreven. Wie kon aantonen dat hij de domste man van het land
was,  wachtte een waarlijk vorstelijke beloning. Hij hield wijselijk voor zich wat die
vorstelijke beloning dan wel inhield. Wel liet hij bekend maken dat wie de beloning
weigerde een gruwelijke straf kon verwachten.
De hele hofhouding was in vol ornaat op de dag van de wedstrijd in de troonzaal bijeen
gekomen. De koning had verwacht dat zich drommen dommeriken voor het paleis
verzameld zouden hebben, want hij had niet zo'n hoge kroon op van zijn onderdanen,
maar het bleken er maar een paar te zijn. De eerste die voor de koning werd geleid, zag
er wat sjofel uit, maar had wel een edel voorkomen. Hij stelde zich voor als schrijver.
"En dat is heel dom," voegde hij eraan toe."Je verdient er zelden een duit mee, en in je
omgeving verklaren ze je voor gek."
De koning was niet zo overtuigd van deze kandidaat; zelf had hij er al moeite mee zijn
naam goed onder de staatsstukken te zetten. Maar dat kwam misschien wel omdat hij les
had gehad van de oude schrijver Luiting, die de koning daarom geridderd had, maar die
zelf nog geen tien regels in een boekbespreking onder elkaar kon krijgen zonder de
afgrijselijkste taalfouten te maken. Van literatuur had de koning helemaal geen verstand.
 Hij had daarin les gehad van Meester Gommers, een ijdele man die er vooral op lette of
zijn haar wel goed zat en die zijn bevoegdheid slechts gehaald had door de uittreksels
van zijn vrouw uit zijn hoofd te leren.
De schrijver, die wel zag dat de koning bedenkelijk keek, zei snel: "En bovendien ken ik
slechts de helft van het alfabet; ik kom niet verder dan de letter K van Kilian." "Kilian?"
vroeg de koning."Nooit van gehoord." "Ik dus ook niet. Maar wat niet is, kan komen,"
riposteerde de onbekende schrijver. De raadsman merkte fijntjes op, dat de schrijver
inmiddels al heel wat meer letters uit het abc gebruikt had. "Ja, maar het lukt mij niet
altijd ze ook nog in de juiste volgorde te krijgen," probeerde de man nog. Maar de koning
wenkte al een paar paleiswachten en de schrijver werd het kasteel uitgetrapt, terwijl
men hem een literaire prijs nagooide.In het land waren zoveel van die prijzen, dat
iedereen die er een had misprezen werd. De schrijver vervolgde strompelend zijn weg,
wetend dat het nooit meer wat worden kon met zijn schrijverij.
De volgende genomineerde dommerik bleek een mager mannetje met priemende ogen, die
beweerde dat hij nog niet tot tien kon tellen. Hij demonstreerde dit door de vingers van
de ene hand met de andere te tellen. Telkens kwam hij daarbij nog niet tot vijf."Ziet u
wel, ik heb ze niet eens alle vijf op een rij!" De koning riep hierop dat de man de
vorstelijke beloning verdiend had, maar zijn raadsman fluisterde hem iets in. De koning
wenkte een bediende en liet het mannetje tien goudstukken uittellen. Zijn kraaloogjes
glommen net zo hard als de goudstukken; zoveel had hij er van zijn levensdagen nog nooit
bij elkaar gezien. "Ze zijn vals," zei de raadsheer, toen het mannetje ze in zijn zak wilde
steken om weg te gaan. "Wat! Alle tien?" vroeg het mannetje onthutst. Met veel meer dan
tien stokslagen werd hij het paleis uitgeranseld. "De volgende!" riep de koning. Maar er
was geen volgende.
De prinses, die het allemaal had aangezien, begon zachtjes de huilen. Weer geen man!
Weer geen bruidsjurk! En weer geen prachtbruiloft! De hofhouding daarentegen vond het
eigenlijk wel een vermakelijk geheel. Zij waren van tevoren niet op de hoogte gesteld
waar het om te doen was, maar ze begrepen dat de koning weer eens aan het koppelen
was. De vertrouweling van de prinses was de enige hoveling die niet stond te
ginnegap-pen. Er kwam iets bij hem op."Er is toch nog iemand, sire." Hij doelde op de
blinde bedelaar die altijd bij de paleispoort stond om toeristen wat geld te ontfutselen.
De koning, die inmiddels blauw aangelopen was van ergernis, wuifde zijn toege-snelde
lijfarts weg."Breng die man dan in hemelsnaam maar hier," beval hij. Hoezeer de
bedelaar ook tegenwierp dat hij zich in het geheel niet kandidaat had gesteld voor welke
lullige, nieuwbakken prijs dan ook, de soldaten van de koninklijke garde sleepten hem
toch tot voor de troon. "Ben je inderdaad blind?" vroeg de koning. "Ik zie evenveel als
een blinde vink, majesteit." "Goed," zei de koning, al kende hij alleen maar slavinken.
Zijn trouwe raadsman fluisterde hem weer iets in het oor.  "Je bent de enige
overgebleven mededinger en de prijs valt je dus automatisch toe," vervolgde de koning
toen. Hij stond op. "Bij deze geef ik je daarom toestemming om je beloning in ont-vangst
te nemen," verklaarde de koning op zo plechtig mogelijke toon. Hij wenkte naar een paar
giechelende hofdames, die daarop de lelijke prinses naar voren duwden.
Nu was de bedelaar helemaal niet blind, maar hij was er als voormalig penningmeester van
een charitatieve instelling al  lang geleden achter gekomen dat in zijn professie een
acceptabele handicap een onoverbrugbare voorsprong gaf. Hij deinsde dan ook even
terug, toen hij zag hoe lelijk de prinses ook daadwerkelijk was. Maar hij herstelde zich
keurig. "Majesteit, daar ik blind ben, kan ik de prijs niet zien. Zou ik de prijs mogen
voelen?" Hij hoopte dat dit verontwaardigd geweigerd zou worden en de prijs alsnog aan
zijn neus voorbij zou gaan.
Het hof lag in een deuk. De koning werd paars. Zijn lijfarts boog zich over hem heen,
maar werd bruut weggeduwd. Gauw fluisterde de raadsheer weer wat tegen hem. En
zowaar kreeg de bedelaar toestemming om de prinses aan te raken. Weer herpakte de
bedelaar zich knap. Hij hield zijn ogen stijf dicht, terwijl hij haar voorzichtig begon te
betasten. Hij voelde dat ze een rotkop had, maar hij voelde ook de tranen in haar ogen.
Hij voelde wel dat zij net als hijzelf niet meer zo jong was, maar hij voelde ook dat ze
onder haar jurken over nog zeer boeiende vormen beschikte. Maar vooral voelde hij een
warm kloppende hart.
Er werd nu niet meer gegiecheld. Iedereen hield de adem in. "En?" vroeg de koning
tenslotte. Het antwoord leek eindeloos lang op zich te laten wachten. "Een prachtige
vrouw," zei de bedelaar. De koning zuchtte diep. Iedereen juichte en klapte: de bruiloft
kon gevierd worden.
Het werd de prachtigste bruiloft die er ooit gehouden was, een bruiloft waarmee de
prinses tot haar plezier zonder moeite haar zussen de ogen uitstak. Het was een dag die
iedereen die erbij geweest was, nooit meer vergat. Het hele land kreeg vrij en de ganse
bevolking leefde mee. Iedereen at en dronk, iedereen danste en zong en iedereen was
vrolijk. De vertrouweling van de prinses werd tot opperkamerheer en voorzitter van een
jury benoemd, alle gevangenen kregen gratie, de schrijver mocht zijn prijs teruggeven,
het hebberige mannetje kreeg alsnog tien glimmende goudstukken en werkelijke alle
inwoners waren even gelukkig. Vooral de prinses, die werkelijk de mooiste dag uit haar
leven beleefde en er zelfs iets minder lelijk van leek te worden. Zij vond het weliswaar
verve-lend dat haar bruidegom er tijdens de eerste huwelijksnacht op stond dat het licht
uit bleef en dat hij de hele nacht geen oog open deed bij het uitvoeren van zijn
huwelijksplichten, maar ze had reeds lang geleerd dat een mens niet altijd alles kan
krijgen. Toen na hun trouwen nog een wonder plaats vond - de nieuwbakken prinsgemaal
kreeg zomaar ineens zijn gezichtsvermogen terug - en zij samen een niet eens zulk lelijke
kind kregen, wist ze zeker dat ook zij nog lang en gelukkig zou leven.
Aan de paleispoort werden daarom dan ook nog talrijke prijzen vergeven aan menig
toevallig passerende bedelaar.


terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.