Een kortverhaal van EWALD STALS (10)

LEVE ITALIË

Op de parking, de gigantische parking voor het Olympiastadium, waar niet zo lang
geleden nog de finale van het wereldkampioenschap voetbal werd gespeeld, trok F zich
geeuwend los van de achterbank van zijn wagen. Hij zat in het zweet, droogde zich met
zijn hemd, dat hij als hoofdkussen had gebruikt, knoopte de jeans dicht, draaide het
raampje open en stak het hoofd naar buiten. Het zonlicht was hard en drong diep door,
als een cirkelzaag die de horizon in twee helften zaagde. F tastte ogen dicht achter zich,
in de plooi tussen zit en rug, naar de zonnenbril, vond, klikte hem open en schoof hem op
de vleugel van zijn neus. De parking was leeg, zo leeg als een olietanker op een eindeloze
betonnen vlakte. Geen bekertje lag er, geen papiertje, niet eens een remspoor of
olievlek, alsof het oppervlak was gezandstraald, zo smetteloos. De stilte rond het
stadium was benauwend. Hij zakte terug naar binnen, kroop achter het stuur en
verdraaide de spiegel tot hij in achteruit naar zichzelf staarde. Hij was wel degelijk
zichzelf. F met de lange, vette haren, de hoge, uitgeholde slapen, het ontgoochelde,
cynische grimasje en die uitgezakte, grimmige mondhoeken. Hij gorgelde met de keel en
testte het geluid van de stem. Wie heeft er gewonnen?, vroeg hij.

F stak de sleutel in het contact, draaide een kwart en consulteerde het dashboard. 34 °C,
de tank half vol, en het was vier minuten na drie. Hij drukte de radio aan, tokkelde op de
zoeker tot hij de nieuwsberichten vond en luisterde. Wie heeft er gewonnen, zei hij
geïrriteerd, toen het duidelijk was dat er geen antwoord zou komen. Hij startte de
motor, koppelde en volgde diagonaal de aanwijzingen naar de uitgang. Links, links, rechts,
zoals een danser zijn pirouettes op de ijspiste traint. F stopte voor de bareel, zocht
naar het parkeerbewijs, vond het achter de zonneklep, draaide het raam open en stak het
ticket in de automaat. De machine ratelde en schoof hem de rekening tussen wijs- en
middenvinger. 82 euro las hij. Hij keek naar de prijslijst. Zes dagen rekende hij terug.
Zolang je betaalt, kun je hier blijkbaar dagen voor dood liggen, mompelde F. Hij trok
zijn visakaart uit de gleuf - de bareel zigzagde naar omhoog - en reed naar de
autostrade.  

F trok het hemd aan, rook zich onder de oksels en moffelde in het borstzakje naar een
sigaret. Onder de passagierszetel vond hij zijn mobieltje. 67 gemiste oproepen, melde
het schermpje. We zullen het meteen weten, zei F. Met een sigaret tussen de lippen
tokkelde hij het nummer voor zijn antwoordapparaat in en luisterde ongeduldig naar de
obligate intro van een professionele vrouwenstem. F, hoorde hij een zenuwachtige stem
inspreken, ik hoorde dat je naar Burma bent vertrokken. Wat op aarde ga je daar gaan
doen? Weet je wel waar dat ligt?! Bel me zodra je kan. Irritante kut, zei F. Hij wiste en
luisterde naar de volgende boodschap. Ben je al toegekomen?, hoorde hij dezelfde stem
vragen, ik maak me zorgen, bel me. F vloekte. Hij consulteerde het register. Allemaal
dezelfde afzender. Hij sloeg op het stuur, verpulverde de halve sigaret in de asbak en
versnelde. Iedereen is het reeds vergeten, bromde  hij, kun je ooit eenzamer zijn?

De wagen scheurde op het derde baanvak twee trucks voorbij, kruiste, sneed hen
overslag naar links de neus af en schoot gierend in de bocht de afrit op. Ik stop bij het
eerste internetcafé, besloot F. Hij vertraagde en keek nauwlettend naar reclameborden,
winkelopschriften en wat er in de uitstalramen hing en lag. Autodealers, meubelzaken,
familierestaurants, ik zal pas in het centrum iets vinden, zei hij. De mobiel rinkelde. F
drukte op het groene hoorntje. Ja? Ben je terug?, hoorde hij weer die zenuwachtige
stem, hoe was het? F antwoordde niet. Hij zag in de zijspiegel hoe een BMW van de
politie de sirene aanzette en hem met de lichten duidelijk maakte langszij te stoppen. Hij
siste tussen de tanden - ook dat nog - drukte op het rode hoorntje, gooide het toestel op
de achterbank en stopte de wagen.

De agenten namen hun tijd, noteerden de nummerplaat, deden een computercheck, stapten
uiteindelijk toch uit en wandelden langs beide zeiden op hem af. F opende het raampje en
lachte gemaakt vriendelijk. Is er iets?, vroeg hij. De telefoon rinkelde opnieuw,
penetrant en meedogenloos. Sorry, zei F, kan ik? Hij wees naar de achterbank. Nee,
antwoordde de agent. Hij schoof zijn hand naar binnen, klikte de automatische
vergrendeling af, opende de achterdeur, nam het toestel, schakelde in en vroeg aan de
beller zich te identificeren. Geef F even door, zei de stem. Om een of andere bizarre
reden wil hij mij niet spreken. F is even niet beschikbaar, zei hij, kan ik misschien een
boodschap doorgeven? De agent knipoogde even naar zijn collega. Ja, vraag hem waarom
hij niet vertellen wil wat hij in Burma uitspookte. Dat zal ik zeker doen, antwoordde de
agent. Zeg hem dat ik langskom, zoals ik de laatste zes avonden gedaan heb. Je kan er op
rekenen, antwoordde de agent. Hij sloot af, gaf het toestel aan zijn collega en vroeg F uit
te stappen.

Uitstappen, waarom, argumenteerde F. Wat deed je in Burma?, vroeg de agent. Ik ben
nog nooit in Burma geweest, antwoordde F. Koffer openmaken, beval de agent. Rustig,
rustig, zei F, wat denken jullie dat ik te verbergen heb? Hij duwde op een knop onderaan
het stuur, stapte uit, ging de agenten voor en opende de koffer. Niks te verbergen, zei
de agent verbaasd, wat moet dit dan betekenen? Hij haalde zijn hand door honderden,
zoniet duizenden vrouwenslipjes, in alle maten en kleuren. Dit?, zei F, jachttrofeeën
veronderstel ik. Je mag ze gerust hebben. Je vriendinnetje, zei de agent die de telefoon
had opgenomen, die zei dat ze reeds zes avonden bij je thuis langskwam en nooit iemand
aantrof. Waar heb je al die tijd gezeten? F wees naar de slipjes en knipoogde
samenzwerend. Een beetje gefeest, lachte hij, het is maar eens in de vier jaar finale, en
wie weet hoe lang nog voor Duitsland weer aan de beurt is.

Beide agenten namen hem wantrouwig op. De strepen modder op zijn versleten,
smeerloze  cowboylaarzen, de diepe, duistere vetvlekken op zijn jeans, de bubbels en
stroompjes zweet op het strandharde lichaam, de tatoe op de borst - een Bengaalse
tijger met rode ogen en vlammende gevorkte tong - het zong in koor en rijmde allemaal
mee. Een vagebond, een probleem was hij. Wie heeft er trouwens gewonnen?, vroeg de
agent die de telefoon had opgenomen. F verstijfde. Alsof er een schakelaar werd
overgehaald en er een ander decor naar beneden viel. Hij taste over zijn borstzakje,
haalde er een sigaret uit en stak ze droog tussen de lippen. Heeft iemand van jullie
misschien een vuurtje?, ontweek hij het antwoord. Ik denk dat je beter met ons meekomt,
besloot de agent die het dichtst bij hem stond, voor nadere inspectie en verdere
ondervraging. Wat!, zei F, je arresteert me omdat ik niet weet wie er gewonnen heeft!
Dit is absurd! Hij trok de klevende sigaret los en gooide ze demonstratief tussen de
slipjes in de koffer. Oh nee?, antwoordde de agent, jij vindt dat niet vreemd? Alleen als
je in Burma was kan je zoiets wereldomvattend ontgaan zijn. En Burma is toevallig één
van de grootste producenten van heroïne. In combinatie met een blackout zijn dat
redenen genoeg om over te gaan op nadere inspectie en verdere ondervraging. Meekomen!
Met of zonder handboeien, jij mag kiezen.

F wreef zich gefrustreerd door de lange, vette haren, sprong inwendig uit elkaar, maar
gehoorzaamde, kroop achter in de BMW en kruiste snuivend de armen. De agenten
schoven de mobiel in een plastic bewijszakje en één van hen ging achter het stuur van
zijn wagen zitten. Ze reden weg, naar het dichtst bijzijnde politiekantoor - dat toevallig
een van de grotere in Berlijn was -  een paar straten verderop. Zijn wagen werd een
garage ingereden en hij zelf  naar een klein kamertje gebracht. Het was uitgerust met
een doorkijkwand, gecamoufleerde microfonen en andere opnameapparatuur. Er stonden
twee stoelen aan een inox tafeltje. Verder niks. De agenten bevalen hem te wachten en
draaiden de deur op slot. F ging zitten, in een hoek, met het hoofd tussen de knieën. Hij
staarde naar binnen. Slachtoffer van de globalisatie, siste hij, het duurde verdomme
zestien jaar voor iemand realiseerde dat Columbus Amerika had ontdekt. Het slot klikte,
de deur draaide open en een inspecteur – te herkennen aan zijn maatpak, haarsnit, bril en
Prada’s -  vergezeld van de twee agenten, stapte gezwind naar binnen. Je kan beter gaan
zitten, zei hij tegen F, dat praat makkelijker. Hij sprak met een van nature
intimiderende stem, nasaal en agressief, met een terpentijnse scherpte. De roze punt van
de tong knalde bij de klanken, als de giftige angel van de schorpioenenstaart. Burma,
herhaalde hij, mooi land schijnt het. Groen, vochtig en broeierig. Ontoegankelijk, maar
dat zal wel altijd de bedoeling geweest zijn.

F hief het hoofd van tussen de knieën en keek de inspecteur nijdig aan. Luister, zei hij, ik
weet niet eens waar dat rotland ligt. Ik werd vanmiddag wakker in mijn wagen, op de
parking van het Olympiastadium. Dit lijkt me letterlijk iets dichter bij de waarheid te
liggen. En toch weet je niet wie er gewonnen heeft, spijkerde de inspecteur de nagel
dieper in de wonde. Misschien weet je wie de kleine finale won? F zweeg. Hij kneep hard
de vuisten in elkaar, tot ze wit zagen, alsof hij daarmee het bloeden kon stoppen. Halve
finales? kwart finales?, vroeg de inspecteur. Hij draaide F de rug toe. Arresteren,
maakte hij de agenten duidelijk. Bel me zodra de resultaten van de wagen bekend zijn. En
vergeet niet hem - hij wees met de duim naar F- ook grondig te onderzoeken.

De agenten grepen F onder de oksels, klikten hem de handboeien rond de polsen en
brachten hem via een paar keldergangen ondergronds. Ze kwamen aan een deur. Autopsie,
las F. Hij keek de agenten aan. Niet schijterig doen, dat appreciëren ze hier niet, zei een
van hen. Ze duwden hem naar binnen. Een grijzende heer met rubberen voorschort en de
handen diep in een lijk, keek even op van het werk. Ja?, vroeg hij. Eentje voor een anale
inspectie, verduidelijkte één van de agenten. Een moment, zei de grijzende heer. Hij trok
de handen uit het lijk, knikkerde een kogel in een inox schaaltje, rolde de handschoenen
af en gooide ze op een bloederige brij in een emmer. Gelieve de billen te ontbloten en
daar op die tafel te gaan liggen, zei hij. F voelde een van de agenten de handboeien
lossleutelen en hem met een harde tokkel op de schouder tot actie aansporen. Hij trok
één na één de laarzen uit, loste de riem, knoopte de gulp open, duwde zijn jeans en
ondergoed naar beneden en stapte er hinkend uit. Hij ging liggen op de buik. De
grijzende heer waste zorgvuldig de handen, ontsmette ze en trok een nieuw paar
handschoenen aan.

F voelde hoe zijn billen werden gespreid en eerst één vinger dan een tweede bij hem naar
binnen werd geduwd. Een spiraal pijn rammelde aan zijn brein. Alsof het platen waren
die tektonisch tegen elkaar knotsten. Hij rilde en het maagzuur vulde zijn mond. Aha, zei
de grijzende heer, ik heb hier iets. Tussen de twee vingers wriemelde hij een kokertje uit
F en hield het tegen de halogeen. Ik denk dat we gevonden hebben wat we zochten, zei
hij. Met een tangetje en een pincet rukte hij het dopje van het buisje en haalde er een
rolletje uit. Wat is het?, vroeg één van de agenten. Een papiertje, antwoordde de
grijzende heer. Hij rolde het voorzichtig open. Een ticket, zei hij, het is een ticket voor
de finale. Wat!?, zeiden de agenten. Ze kwamen naast hem staan en keken over zijn
schouders heen naar het verfomfaaide bewijsmateriaal. In hun ogen glinsterden jaloezie
en agressie. Heb je dat ooit geweten, die kerel zit met een logeplaats in zijn reet!? F was
gaan zitten en verborg zijn geslacht met de handen. Kan ik me aankleden?, vroeg hij. We
zijn nog helemaal niet klaar met jou, antwoordde één van de agenten.

Na bloedafname en urinestaal brachten de agenten F terug naar het kamertje. De
inspecteur wachtte, het ene been nonchalant over het andere. Hij klapte zijn telefoontje
dicht en trok glimlachend aan zijn sigaret. Starend in de vuurrode as snoof hij even aan
de rook die ontsnapte. Zijn ogen waren van een heerlijk heldere bierkleur. Hij genoot.
Toen je je ticket voor de finale er bij propte zijn de zakjes heroïne opengescheurd,
verklaarde hij. Zes dagen constante drip, een hele hoop hersencellen naar de vaantjes, je
hebt geluk dat je nog leeft. Dan had je die zakjes ook gevonden, verdedigde F zich. Het
leek meteen een ridicuul argument. Uiteindelijk, zei de inspecteur, uiteindelijk
interesseert het me niet dat je je ticket op dergelijke ondoordachte en levensgevaarlijke
manier wou financieren. Wat ik wel graag zou weten is de naam van degene die je de
opdracht gaf.

F vouwde de handen samen. Alsof hij zich centreerde. Heel kalm zei hij, je vergist je, ik
ben nooit in Burma geweest, ik ben geen koerier. En hij zweeg. De inspecteur glimlachte.
De acteur in jou is blijkbaar al lang dood, zei hij. Je lijkt niet goed te begrijpen
waarover ik het heb. Je schuld staat vast. Of wil je de uitslagen van de analyses
misschien horen? Hij kwam achter F staan, leunde voorover en fluisterde hem sinister in
het oor. Het klonk alsof hij van de ordinaire times roman toon naar een obscuur minder
leesbaar lettertype overging. Ik heb die griet van je mobieltje gecontacteerd, en raad
eens wat zij ons wist te vertellen? F onderbrak hem. Wat heb ik dan te verliezen?, vroeg
hij opgewonden. Waarom zou ik die naam niet geven? Snap je dat dan niet? Ik herinner
me niks. Ook van daarvoor niet! Wie is die griet dan?!

De inspecteur ging zitten aan de andere kant van het inox tafeltje. Een mystieke
sereniteit belichte hem nu. De cel leek eerder op een gedistingeerde gentlemen’s club,
waar er werd gefluisterd over het ongehoorde. Hij keek F indringend aan. Als een
roofdier. Alsof hij F naar de rand manoeuvreerde en wachtte. De aangehouden stilte
werd weldra ondraaglijk. In F welde een intens en uitgebreid verdriet op. Diep
ontgoocheld in eigen capaciteiten voelde hij zich. Hij herhaalde hopeloos waarom dan
herinner ik mij niks? Wat is er gebeurd? Wie telefoneerde, wie was ze?!

De deur klikte op slot. Het licht brandde hevig. De peer leek een pompoen en was zo
helder als een supernova. Als bevroren pizza voelde F zich. Hij bracht een hand voor
zijn mond en stuitte een schreeuw. Hij stak zijn vuist helemaal naar binnen. Alsof hij er
de rotte modder, het sediment van het leven, opnieuw wou instoppen. Niks herinnerde hij
zich. Zelfs voor het meest significante detail was hij niet langer ontvankelijk. F
realiseerde zich plots, met een immense angst, dat hij echt niet wist wie gewonnen had.
Hij besefte tegelijkertijd dat hij inderdaad in Burma was geweest en dat zelfs dergelijk
evenement geen impact had gehad. Niks kon hem nog bewust maken! Hij was opgehouden
met denken. Op een onbepaald moment was zijn bestaan onopmerkzaam overgegaan in
totale vergetelheid. Hoe lang al? Maanden? Jaren? Wat was het laatste dat hij zich
herinnerde? F tastte over de Bengaalse tijger op zijn borst. Wanneer deed ik dit?,
fezelde hij.

De vloer was grijs, de leverkleur van een ziekte, en diep als de duisternis van de oceaan.
Een vreselijk wezen ben je, zei F tegen zichzelf. Iets dat zich, hopeloos weliswaar,
tracht los te worstelen uit de achtergrond. Je deed het om te imponeren, anderen, jezelf,
maar overtuigen deed het niet. Je ontweek altijd weer. Rennen zonder eindstreep werd
het. Als het sluiten van het derde oog. Alsof je wist wat er ging gebeuren en het je niet
langer deerde. Met je zuinig geweten, afgestompt als een hongerig kind. Emotieloos werd
je. Verloren in een permanente lethargie. Dat is de brutale waarheid, zei F. Om zich te
herinneren dat er geen herinneringen meer mogelijk zijn. Om te beseffen dat de uitkomst
onvermijdelijk is. Hij huiverde. De horror die door de deur naar binnen stapte, greep
hem bij de keel en sneed ze over. F greep zich naar het hoofd. Hij wenste dat hij dit
allemaal nooit had gedacht. Hij hapte naar adem doorheen een hysterische holte in zijn
strot en sloeg met de armen om zich heen. Paniekerig sprong hij op, rende naar de deur en
bonkte er hevig op.

De wacht van dienst hoorde het gesmeek, gehuil en gekerm, maar reageerde uiteraard
niet. Jaren geleden had hij de laatste morele rimpel veroorzaakt door dergelijke
situaties glad gestreken. Hij zette zijn radio stiller en genoot. Hij noteerde de
frequentie en amplitude van de uitbarstingen en wist exact te voorspellen wanneer F
stopte, ging liggen en voelde, starend in die lamp, hoe zijn licht verder uitdoofde.


Zin in nog meer verhalen van deze auteur op deze site?  klik hier!

Meer weten over de auteur?  Klik hier!

(geplaatst op 22-11-2006)

terug naar boven
© 2002/ 2006't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.