Een kortverhaal van EWALD STALS (9)

DE CHIRURG

Tourniquet, beval de chirurg. Met de onderarm, de mouwen kort tot net boven de biceps
- de kiel was groen, het mutsje ook - wreef hij het zweet uit de ogen. George, want zo
heet die chirurg- en het is goed mensen een naam te geven, hen bij naam te noemen en er
een gezicht op te plakken- keek naar de wond. Amputatie was noodzakelijk, misschien
kon het kniegewricht gered worden, besloot hij, zo half geïntrigeerd, half routineus, met
een rest aan kwaadheid, jaren geleden al versteend tot cynisme. Hij stak de hand uit en
wachtte.

Buiten ratelde het afweergeschut – serieel per toestel, parallel per zone, in zijn totaal
chaotisch. Lukraak, in het wilde weg, mompelde George. Hij vertaalde het in een
vaststelling, namelijk, de troepen van Generaal Dostuum, ze stelden een vraag waarop het
antwoord niet meer dan niet vast te stellen veronderstellingen waren, die ook weer meer
veronderstellingen veroorzaakten, op zich nog minder vast te stellen. De hoop doofde uit
over de stad en de fronten eromheen, als de eerste lichte vorm van paniek. Fantasie is
fataler dan feiten, dacht George en hij wreef nogmaals het zweet weg.

Eén van de assistenten, een Afghaan, zoals de twee anderen, allen baardeloos, reikte hem
de tourniquet aan. Hij woog het, zwaarder dan het geluid. Een vreemd instrument was het,
eeuwen oud, te vaak gebruikt, eentje voor de musea, in Europa, in Frankrijk, waar George
vandaan kwam, daar gebruikten ze het al decennia niet meer. Hij schoof de klem over het
been, draaide de wond dicht en het gewicht op de vloed van de brandslang stopte het
spuitend bloed. Hij zei, scalpel en met de scalpel sneed hij de wondde verder open. Zaag,
en hij zette ze op het bot van het bovenbeen, net boven de knie. Hij zaagde, kraakte het
vermangelde been als een gedroogde tak doormidden en schoof het weg van de rest van de
patiënt.

De assistenten trokken het van de tafel, als een bloedspoor op de blinkende inox. George
zag het been verdwijnen, tussen een lange gang, met rijen na elkaar van die glazen
kokers, dat soort vitrinekasten, waarin al de oorlogswonden op sterk water, op elkaar
gestapeld staan als kunst. De assistenten hevelden de resten in een ordinaire vuilniszak,
bij het afval van dezelfde dag en kwamen terug naar de tafel.

Klem, zei George, maar de uitgestrekte hand bleef leeg. Hij keek op, de grijzende
wenkbrauwen verhieven zich onder de rand van het mutsje. Klem, herhaalde hij norser en
draaide zich al om - koel, intelligent, afstotend, een tikje treurig, met pegels spot er in
geduwd. De drie assistenten, ze waren als kikkers, te zacht gekookte groenten, moes voor
de ziel, ze zaten in elkaar gekropen, angstig, met wurgend kloppend hart, ver weg onder
de operatietafel. George vroeg met de kin wat er mis was, wat de bedoeling kon zijn – de
zin van alles ontkennen misschien? Klem, zei hij gebiedend. Ze wezen alle drie naar
buiten, naar het geratel van het afweergeschut. Dat hoorde George ook, de soldaten van
generaal Dostuum hadden blijkbaar in de tuin van het ziekenhuis een afweergeschut
geïnstalleerd. Met woeste ruk trok hij zijn monddoek tot op borst. En dan?, zei hij, in
het Frans, berispend, met een bijna mild verwijt, wijzend naar de zwaargewonde. Als de
bommen hier vallen, is het toch gedaan. Of je nu onder die tafel zit of niet. Vooruit!
Klem! Opnieuw hield hij de hand uitgestrekt open en wachtte.

Toen kwamen de drie assistenten langzaam, schoorvoetend te voorschijn. Het was een
ijdele waarheid, wat George had staan bazuinen, het leverde niets op, zo’n waarheid, zo’n
vermoeden van een mogelijkheid helemaal onderaan van alles, zo iets dat uit een ander
universum kwam aangedreven, op de huid ging kleven en hoe ook geschrobd, gekrabd en
eraf gepeld, het bleef zich regenereren. Niets was het, maar ze gehoorzaamden toch,
onwillig, niet overtuigd – die ogen, die blik, het was de manier waarop hij keek, was het
koudvuur van de hel of het eeuwige, gelukzalige hiernamaals? Ze deinsden, wiebelden, en
weer terug op hun plaatsen, lachten ze dapper, om dan, uiteindelijk, opnieuw te
functioneren.

George peuterde een zenuwuiteinde uit het rauwe vlees, rukte er aan, tot er een witte,
frêle centimeter was, genoeg om de klem erop te klikken. Boor, zei hij, met bout nummer
zeven. Hij strekte de hand en hoorde nu de vliegtuigen naderen. Het geratel van het
afweergeschut werd onophoudelijk, een kettingreactie. Er viel een bom, dichtbij, eerst
het zoeven, daarna de impact, een harde knal verplaatste zich door de operatiekamer, de
ruiten trilden en kraakten, de zuurstof werd heet, als water op brandende olie, zo spatte
de werkelijkheid enkele ogenblikken uit elkaar. Bloed van de soldaten aan het
afweergeschut in de tuin droop van de ramen. Vleesbrokken, een vinger, een oog, wat
platgedrukt, vervormd tot een witte ovaal, een pupil als een schijf.

George keek er naar. In het vacuüm, tussen de dikke druppels bloed, zag hij de toekomst
- het einde van het verhaal - hij zou moeten doen wat hij zou moeten doen om er te
geraken. En als dat niet lukte, zag George nog meer, dan gaat het verhaal wel verder
zonder hem. Wreedheid kent immers geen andere naam dan wreedheid. Het is van een
geordende overmacht, een logische zelfvoltrekking, een hogere verwantschap met de
antwoorden op de vragen. Hij keek nu naar zijn handen – de boor in de rechter, de bout
in de linker - en beval het beven te stoppen.

Een tweede bom viel, even dicht, opnieuw op het afweergeschut. De duisternis
schreeuwde. George stond nog steeds, de drie assistenten zaten alweer onder de tafel.
Noodgenerator, zei hij en voegde er aan toe, in het Frans, En vlug! Patiënt vertoont
hartstoornissen. Eentje kroop gehurkt, met de handen beschermend rond het hoofd, naar
de hoek van de operatiekamer. Met de voet op het chassis trok hij – hij trok vier maal,
steeds langer, bruusker en krachtiger – de beademing weer op gang. Ook de lampen
gloeiden weer op.

George boorde verder. Gaten in het vlees, gaten in de het bot, en duwde de bout er
doorheen. Moer, zei hij, en Engelse sleutel. Het bombardement voltrok zich nu in vol
bombast, zeven, acht vliegtuigen, veertien, zestien explosies, en nog meer vliegtuigen, met
het oorverdovend lawaai van stormend laagvliegen. George hoorde er de heldere tonen in,
terwijl de valse zo vals klonken in het machinaal ademend slachtoffer. De bommen vielen
verder, dichtbij het centrum, de bazar, de bioscoop.

George zei, dichtnaaien en ontsmetten, 25 cc morfine toedienen en naar de post op
brengen.Hij stond zijn plaats af aan één van de assistenten, ging naar het zaaltje annex
ernaast, acht stappen dichter bij de morgen van elke dag, en vouwde de armen over
elkaar. Knedend in de bicepsen van de armen, gleed hij bruusk door de klevende haren op
de huid. George was vergeten hoe het voelde om met zachte tederheid te strelen - hij was
een verstokte vrijgezel, kon al lang niet meer veinzen, en had jaren geleden het vrouwen
versieren opgegeven – George was vergeten hoe hoop en wanhoop beide naast elkaar
kunnen bestaan zolang er maar liefde is. Hij pulkte aan een puistje, innerlijk lag hij op de
loer. Veertien nieuwe slachtoffers lagen te wachten, opengereten, sommigen kermend,
anderen al met het grauwe nauwe doodsmasker, hun lippen blauw gekloven korsten,
prevelend, hun ogen opgezwollen, starend naar niets. Hij wenkte de verpleger en wees
naar de derde in de rij. Die is dood, zei hij en onderbrak zichzelf, afvoeren. Hij knielde
bij het vijfde slachtoffer en bekeek de buikwond – het gat werd groter naarmate het
dieper in het lichaam verdween, de rug was half verdwenen, de rest was pulp. Hij schudde
het hoofd. Clusterbommen, siste hij tussen de tanden. George veerde recht, keek naar het
licht en gaf vervolgens het teken. Ze sleepten nummer zeven naar de operatiekamer.

Acht uur later, de bombardementen al lang opgehouden, het laatste slachtoffer beide
armen afgezet, schoof George de doordrenkte schort van het lichaam, waste zich grondig
de handen, de armen, het gelaat en ging naar de kale kantine. De zandzakken voor de
grote ramen verduisterden het licht tot drie 40 watt peertjes, tegen de lange muur
stonden kisten met medisch materiaal, in een hoek een pallet met stapels plastic
lijkzakken, keurig verpakt in pakketjes van twintig. De drie assistenten zaten op een
oosters tapijt, in het midden, tussen hen, stond een schaal rijst, met rozijnen, geraspte
wortel en een schapenbot. Ze lachten breed, vriendelijk en hinderlijk. Ze nodigden
George uit mee te eten. Hij boog even door de rug, wreef over de onderste wervels en
zette zich moeizaam, geradbraakt, alsof staven hem diep in de rug staken. Eén van de
drie gaf hem een stuk brood en schonk wat thee in. Op de achtergrond klonk Indiase
muziek, uit een gehavende ghettoblaster, op een uitgerafelde, versleten cassette. De
stemmen kwamen er vervormd, vertraagd uit - de doden van vandaag vertelden over hun
reis naar het andere eind.

George lachte en herkende hen. Een neveneffect van de vermoeidheid, van de dagelijkse
routine, wist hij en aanvaardde het, zoals vele andere zaken, en negeerde het vervolgens.
Het was al jaren zo. Liberia, Congo, Angola, in de gruwelijke burgeroorlog van Sierra
Leone, overal was het er geweest, bij hem, op het kleinste kamertje, met alleen een
gaslamp, een laken en muskietennet. Sindsdien, beweerden vrienden van vroeger, vrienden
die hij had achtergelaten, die hem waren ontgroeid, nog nauwelijks herkenden ze hem als
ze weer eens toevallig langskwamen, nee, ze waren tot de conclusie gekomen dat hij niet
meer de guitige, spitsvondige, opgewekte clown, goed voor elk feest was. Hij was
veranderd. Onveranderbaar was hij. Op een pitbull, daar leek hij nog het meest op, op
iets dat niet meer losliet. Hij had het opgestapeld, in een verachtelijk soort bizarre
gloed, zijn ogen stonden er van op het barsten.

George trok het brood in stukken en lepelde er de rijst mee naar binnen. De assistenten
- hun kinnen glommen van het schapenvet - converseerden in de taal die hij niet verstond,
een Perzisch dialect. Ze wonden zich op, zoals altijd, over iets, over hem, zij ook, hij
voelde dat. Ze beweerden dat hij een teken tussen de ogen had, een nauwelijks zichtbaar
teken, wijzend op een alles omvattende neerslachtigheid. George keek op vanuit de
schaal. Hij wou wel, impulsief, maar hij zweeg, kauwde op de taaie pees in het vlees, zoog
het merg uit het bot en spoelde alles door met een slok van die hete groene thee.

Hij keek naar het jute van de zandzakken en ging toen toch even twijfelen. Over wat was
hem niet precies duidelijk, maar het had met het moeten te maken, iets dat alles
oversteeg, iets dat alles overheerste, iets zoals het onafwendbare dat niet af te wenden
is, als de angst die een symptoom is van een overmacht. Hij keek naar de rijst, de rijst
kleefde, smaakte doordrenkt van het schapenvocht en het vloeibare vet. De assistenten
kneden ze tot een vuistdikke bol en duwden die zonder kauwen door de strot. Ze pulkten
met de nagels van hun vingers de beste stukken vlees van het bot en schoven ze op zijn
rand van de schaal. Neem, neem, gebaarden ze en George kon niet weigeren – het had te
maken met respect voor de hiërarchie. Hij knikte telkens, rustig, regelmatig, zijn hoofd
op het ritme van de trage tred der tijd. Hij stak een brok in de keel, kauwde lang, slikte
door en wees naar de kom met water. Op het oppervlak dreven enkele schijfjes citroen.
Hij waste de handen, wreef ze droog, en legde ze op beide knieën. Alles was moeten en
hij keek naar die ene druppel op de nagel van zijn linker wijsvinger. Het goede,
behaaglijke, een beetje saaie, zowel als het onverklaarbare raadsel, het lokkende, de
wrede, wilde pracht van de kilte, alles is moeten, herhaalde hij. Een soldaat schoot de
lader van zijn machinegeweer leeg tot hoog in de gaten van de lucht.

Een kwartiertje later, de schaal leeg tot de laatste korrel, met het bleke bot er in
verzonken, riep de moskee op tot het avondgebed. George klauterde overeind, groette
kort, en liet de assistenten achter - dit was het enige moment om zonder gevaar terug
naar de compound, een omwalde vesting, te gaan en zich bij de rest van het team te
vervoegen voor de nacht. En dus moest hij, opnieuw, naar buiten.

In de tuin rookte het vermangelde geschut, brandde het rubber, lagen zwartgeblakerde
stukken en lijken. Het groene gras toonde diepe putten, gevuld met pus en de kleuren van
een walmende zwavelbron. Maimana – de stad onder de bommen, in het westen, helemaal
niet zo ver van de grens met Turkmenistan, in de woestijn, de honderden kilometers
woestijn - zinderde in de lege lome hitte van het laatste zonlicht. Ze kreunde, met
barsten in de vele gezichten van haar eenvoudige karakter - gezellig, speels, vergeten
door de wereld - ze huilde, van onder de daken tot waar de fundamenten van haar lichaam
begonnen.

De iman hoog in de minaret zong, George stapte verder, Allah keek toe, maar Allah leek
heel ver, hoog boven alles, ver van en nog verder van Maimana. George ademde diep in,
want toch, het deed deugd een halve liter open lucht via de longen door de aderen te
jagen – ze rook desondanks naar de niet zo duidelijke randen van een stad in een
ongerepte natuur, sterk in contrast met de gerecyclede van de operatiekwartier, een
mengsel van zeemzoete dood en metalen dethol.

Enkele ezeltjes balkten, stille kinderen keken door kieren, zaten op de lemen muren van
de omheiningen, de allerkleinsten op de heupen van een ouder zusje. George knikte even,
zoals altijd, maar ze reageerden niet. Wat deed hij hier, die vreemdeling zonder tulband,
met zijn dikke, Franse snor, zijn diepe, donkere mosterdkleurige baret, die gescheurde
jeans en versleten woestijnlaarzen? Waarom was hij opgehouden hun snoepjes te geven,
een week geleden? Omdat hij er geen meer had, omdat de koopman op de hoek, zijn
snoeppot in het stalletje, achteraan op het derde blad van het linker rek, leeg was.

George kocht zijn dagelijkse pakje sigaretten, opende het en liet de koopman hem de
eerste aansteken. Hij stapte verder, het was een lange straat, met geblakerde bomen in
het midden, en hoog, geel, uitgedroogd gras. Stof stoof op onder de beige woestijnlaarzen.

Terwijl de zon verder onderging, opende een vrouw, gehuld in een bleekblauwe boerka,
een deur, rende op hem af en viel aan zijn voeten. Ze greep ze vast en zette haar
klauwen in zijn kuiten. Dokter, dokter, alstublieft, want zo noemden de mensen George,
de mensen die hij eveneens geen naam meer gaf, dokter, mijn zoon, zijn armpjes, een
granaat, een granaat. George keek haar aan, vanuit de hoogte – hij was één meter
vierentachtig – en zei, in het Frans. We brengen hem naar het ziekenhuis, waar ligt hij?

De vrouw stoof weg, terug naar het zon verschoten poortje, hij hoorde haar bevelen
geven en volgde haar. Het zoontje lag op de binnenkoer, handjes had hij niet meer, een
tweede vrouw gaf George drie vingers, gebundeld in diep doordrenkt doekje. De
ademhaling van het jongetje – vijf misschien zes - was onregelmatig, de pols zwak, de
tenen waren al zonder leven, koud, klam, wit als rauwe worstjes. George kneep de
slagaders onder de oksels dicht, wikkelde er repen rond en bekeek daarna de wonden.
Het jongetje trok stuipen, de pijn pronkte met haar misdrijven. Veel viel er niet te doen.
De blik was al glazig, het jongetje prevelde, het voorgevoel van verlossing vergrootte de
pupillen. George wachtte tot er niets meer te doen viel. Hij liet los. De armpjes gleden
uit zijn handen, vielen langzij, bleven in de plas liggen en de vruchteloosheid, de
vruchteloosheid zuchtte even, met de geringste teerhartigheid.

De vrouwen begonnen te kermen, George stond rechtop en keek hen één na één in de ogen
– die ogen, die blik, het was de manier waarop hij, was het de wanhoop voor het eeuwige
leven, of het begin van een prachtig eindpunt? Hij ging weg, achterwaarts, het poortje
door, de stoffige straat terug op.

84 stappen verder lag de compound, geïsoleerd, als een omgeving die afscheid neemt, met
een lucht, een aparte stroom, een mengsel verstrikt in nostalgie en schaduwen van die
andere wereld, die wereld vol stemmen van zingende geesten. Hij trad binnen en kroop
gebukt de bunker in. De rest van het team lag al te slapen. Hij ging ook liggen, op het
bed, het harde matras, onder het muskietennet en het laken. De gaslamp suisde rustig.
George sloot de ogen.

Bizar was het allemaal, Afghanistan was echter ook hier, op aarde, er was zelf te voet
naar toe te gaan, een boot was niet nodig, een vliegtuig bracht het evenmin dichterbij. En
toch niet verbonden, de noodzakelijke navelstreng doorgehakt, bruut, zonder genade,
plots, middenin, op de manier waarop het verwacht wordt, en toch altijd, op een
vreselijke manier, als een leidmotiefje, een traumatiserend draadje dat maar niet knapt.

Hij dacht verder. Blikte terug; blikte vooruit. Wat hij niet gedaan had leek belangrijk,
wat wel onbelangrijk. Nutteloos was het, een eindeloze reeks inwisselbare verslavingen.
Hij opende de ogen weer. Het moet gevolgen hebben, zei George, nieuwere, ergere, het
nog meer levende dat nog vlugger sterft. George draaide zich om, met de rug naar het
geprovoceerde gevoel toe. Ik ben niet onwetend, ik ben niet langer verdacht, zei hij, ik
ben bevrijd, de essentie ervan kan immers niet vergeven worden. Hij lag nog even stil te
wroeten, tot hij verwrongen, met zware oogleden, voelde hoe de kilte hem verzadigde. Ze
leek hem te bevriezen, veroorzaakte een onwerkelijke stilte, en terwijl de aarde enkele
seconden verder draaide, bleef het bed, met George er in, staan.


Zin in nog meer verhalen van deze auteur op deze site?  klik hier!

(geplaatst op 07-09-2006)

terug naar boven
© 2002/ 2006't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.