Een kortverhaal van EWALD STALS (8)

TOT OP HET BEEN.

D sloeg de enkel om, net voor hij op bus 47 stapte. Medepassagiers vroegen hem: ‘Gaat
het?’ D lachte beduusd en antwoordde: ‘Ach, het is niks, dank je’, en voegde er nog aan toe,
‘er zijn ergere dingen in het leven.’ Eén iemand knikte bevestigend, want zo gaat dat, zo is
het immers, en had één medepassagier wel gesnapt dat die verwijzing naar dat leven
misschien ook weer verwees naar een traumatische gebeurtenis, die vooraf ging, die de
oorzaak was van het omslaan van die enkel, dan gaf die medepassagier daar verder geen
commentaar op, zweeg en bestudeerde betoverd de reclame op de rugleuning voor hem. D
leefde immers in het stadje G, in een vrij land, en prijsde zich daarover gelukkig.

D kwam thuis en groette zijn vrouw. Hij vertelde haar niets van zijn misstapje. Hij ging
zitten in de zetel, nam de krant en liet zich een biertje serveren. Hij wreef even over de
pijnlijke enkel en hief het been op de poef. ‘Hebben we dan geen borrelnootjes meer?’
vroeg hij zijn vrouw. Ze keek hem kort beschamend aan, snelde naar de keuken en kwam
vlug met het gevraagde terug. Ze klikte de TV aan, nam de remote van het dressoir en
schakelde naar zijn favoriete sportkanaal. Vervolgens dekte ze de tafel. Ze aten. Later, in
de badkamer, net voor het slapengaan, D poetste de tanden, zag zijn vrouw de blauwe
enkel boven de rand van zijn pantoffel. ‘Wat heb je daar?’, vroeg ze verschrikt, ‘je hele
enkel is gezwollen.’ D keek haar verbolgen aan. ‘Bemoei je er niet mee’, antwoordde hij. ‘Het
is niks. Morgen is het voorbij.’ Hij nam een flinke slok, gorgelde en spuugde water en schuim
in de lavabo. Hij ging slapen.

‘Zou je toch niet beter een dokter raadplegen’, merkte zijn vrouw de volgende morgen op.
D wurmde met pijnlijke grimas de gezwollen voet in zijn schoen. ‘Zo kun je toch niet gaan
werken’, insisteerde ze voorzichtig. ‘Het doet nauwelijks pijn’ ,antwoordde D. ‘Bovendien,
kunnen we het ons misschien veroorloven dat ik een dag niet ga werken? Ik heb je al
uitgelegd hoe de productiedirecteur denkt over absenteïsme. Hoe zouden we overleven,
ons huis afbetalen, wil je misschien op straat eindigen?’ D trok zijn jas dicht, zette zijn
hoed op en wikkelde een sjaal om de hals. ‘De vuile was hang je niet buiten’ ,spelde hij haar
de les, ‘over dergelijke dingen spreekt men niet.’ Zijn vrouw plukte een pluis van zijn
schouder en gaf hem, zonder hem aan te kijken, zijn tas met boterhammen en thermos.
Zoals altijd nam D bus 47, overvol op dit uur. Hij hield zich staande aan een bar en voelde
de enkel kloppen.

Het bandwerk was sowieso slopend. Vandaag, leek er aan de uren werkelijk geen einde te
komen. Bovendien stond D op de plek waar de pakjes ham in kartonnen dozen werden
gerangschikt. Eenmaal vol hevelde hij ze op een pallet, om na elke 54 dozen een streepje op
het telblad te zetten, de stapel in folie te wikkelen en ze op de juiste plaats achter in het
magazijn te parkeren. ´Gaat het?’ vroeg P, de collega die naast hem stond en slechts de
vloei van de etiketten diende te controleren. ‘Je lijkt wel te manken, heb je je zeer
gedaan?’ ‘Het is niks’, antwoordde D. ‘Anders zeg je het maar’, zei P, ‘kunnen we van plaats
wisselen.’ Hij lachte dubieus, stak een sigaret op, schoof een nieuwe rol etiketten in de
machine, keek nauwlettend toe en drukte op het precieze moment de knop in. De volle rol
sprong in de pers en de lege rolde in zijn linkerhand. ‘Je weet het zeker?’ herhaalde P. Hij
installeerde zich in zijn tuinstoel, observeerde de lijn en tikte de as op de vloer. ´Ja’, zei D
nogmaals, ´ja, het gaat.’ En verder ging het met het rangschikken van de plakken ham.
Iedere seconde een nieuwe, een niet te stoppen vloed. Zelfs als P het meende, dacht D,
dat hij me werkelijk wilde vervangen, dan weet hij maar al te goed dat het me nooit lukt die
rol op het precieze moment in de pers te plaatsen. De etiketten komen scheef te liggen, de
machine loopt vast, de hele band moet stop gelegd worden, nee, het duurt nooit meer dan
vijf minuten alvorens de ploegbaas komt opdagen, D uitkaffert en hem terug op de plaats
zet waar hij hoort, de enige plaats waar hij de arbeid niet voortdurend in het honderd laat
lopen. D strompelde verder. Hij zou tijdens de pauze zijn voet wat ontspannen, in een
emmer water. Hij beeldde zich in hoeveel deugd dit zou doen. Maar hoe?, vreesde D reeds,
de collega’s gingen het zien. ‘D’, hoorde hij de ploegbaas hem aanspreken van op afstand, ‘er
is nog een bestelling binnengekomen, een dringende, je hebt er geen probleem mee wat
overuren te maken?’ D schudde het hoofd. De ploegbaas stond al bij P.  P had ook geen
problemen om wat langer te blijven, maar hun gesprek klonk anders; P smeerde de
ploegbaas immers voortdurend stroop om de baard. Tijdens de pauze belde D zijn vrouw.
Hij meldde haar het goede nieuws, dat hij mocht overwerken. ‘Prijs je gelukkig’, zei hij, ‘de
bazen zijn tevreden, iemand die niet goed werkt, vragen ze immers niet te blijven. Jij
altijd met je dokters. Het zou schoon geweest zijn.’  

Het was half acht toen D moeizaam naar de bushalte wandelde. Als laatste stapte hij op. De
chauffeur bekeek hem wrevelig. Je houdt ons allemaal op, spraken zijn ogen, zie je dan niet
dat iedereen zo vlug mogelijk thuis wil zijn? D trok zich de laatste trede op en toonde zijn
abonnement. De buschauffeur zette, na een korte blik op zijn abonnement te hebben
geworpen, de bus meteen met een schok in beweging, waardoor D bijna viel. Hij wist zijn
evenwicht te hervinden door een schouder van een vrouw te grijpen. Hij excuseerde zich
tegenover haar, maar het leek haar niet te deren; ze bleef strak uit het raam staren. Alle
zitplaatsen waren bezet, zodat hij genoodzaakt was zich staande te houden. Zijn voet
suisde. Hij liet zijn tas langzaam op de vloer zakken en ruste er even op uit. Stel je niet
aan, dacht D, ga vanavond wat vroeger dan normaal slapen. Hij zette de voet terug en
verbeet, neutraal als de achtergrond, de pijn.

Zijn vrouw was niet thuis; haar wekelijkse Tupperware avond, herinnerde D zich. Hij sloot
de deur en hinkte meteen door naar zijn zetel. Een half uur zat hij zo, met de mantel aan,
de sjaal om en zijn hoed nog op. Het werd al donker, maar D stak geen licht aan. Een
vormnemende angst overviel hem. Stel je voor, huiverde D, en hij vocht tegen de gedachte.
Hij knoopte kreunend de veters los, stak de schoenlepel achter de hiel en duwde het
handvat langzaam naar beneden. De pijn schoot naar zijn hart, alsof de huid van het vlees
werd gestroopt. Hij beet de tanden op elkaar, de tranen sprongen hem in de ogen, en in één
haal, alsof hij met een koevoet een zware steen probeerde te keren, duwde hij vloekend
de voet helemaal naar buiten. D viel flauw. Of viel opgelucht in slaap, nu de pijn uitdeinde.
Zo vond zijn vrouw hem anderhalf uur later. Ze liet de zakken vol dozen, kannen en pannen
uit de handen vallen en rende op hem af. ‘D’, zei ze schuddend, ‘D word wakker, wat is er?’
Ze klikte het schemerlampje aan en schrok nog heviger. ‘Je voet’, krijste ze haast, ‘het is
een klomp!’ Ze knielde en lichtte bij de kuit het onderbeen voorzichtig op. D kreunde stug.
‘Hij is misschien gebroken’, zei ze. Langzaam trok ze de kous naar beneden, langzamer
nadat ze merkte hoe D zich vast klauwde in de armen van zijn zetel. ‘Je kunt nauwelijks nog
de tenen zien!’ D trok zich aan haar schouder overeind. ‘Jij moet ook altijd overdrijven’, zei
hij. ‘Je ziet nauwelijks dat hij gezwollen is. Vooruit, ga slapen. Ik kom zo meteen.’   

Het enige waarin D nog slaagde was de poef onder de voet te schuiven. ’s Ochtends werd
hij wakker in die zetel. Zijn vrouw diende hem zwijgend het ontbijt op. Tot tweemaal toe
hapte ze haar woorden in. Ze draaide wat in het rond, zette zich uiteindelijk in de zetel
naast hem en keek zuchtend naar het plafond. Die voet krijg je nooit meer in die schoen,
hoorde D zichzelf influisteren terwijl hij in de kop koffie lepelde. Het vlees zag
donkerpaars, het stond strak gespannen, kil en bleek als blauw geaderde marmer. ‘Ik heb
gisteren nieuwe Tupperware gekocht’, zei zijn vrouw. Haar stem klonk alsof ze het spreken
reeds verleerd had. D raapte de kous van het tapijt, rolde haar op en schoof haar
vervolgens over de tenen.  ‘Zie je’, zei hij, ‘het doet nauwelijks nog pijn.’ Hij sloot de ogen en
trok de kous over de voet. De pijn werd schreeuwend wakker. Alsof D op de staart van een
bloeddorstig monster trapte. Hij opende de ogen, haalde de veter uit de schoen, trok het
leer tot het maximum uit en sloot zich opnieuw af. Met de schoenlepel drukte hij de voet
langs alle zijden de schoen in, centimeter na centimeter. Er leek popcorn in zijn brein te
ontploffen. Hij stak de veter terug in de schoen en begon die dicht te trekken, zoals
destijds vrouwen een korset. Het leer kraakte, maar dat konden even goed beentjes en
kootjes zijn. Hij hapte naar adem en vloekte gesmoord. Zijn vrouw hield de handen voor de
ogen, ze schudde langzaam het hoofd heen en weer. ‘Help me liever recht in plaats van daar
te zitten snotteren’, zei D venijnig van de pijn. ‘Mijn bus vertrekt over een kwartiertje.
Dankzij jou ben ik straks nog te laat.’ Zijn vrouw veerde recht, streek over haar
keukenschort en trok hem onder de oksels overeind. D steunde tastend op de voet en
knarste grimmig op de tanden. Even zag hij alles scheel. Even floot hij een dramatisch
melodietje. ‘Het gaat. Laat me’, zei hij, ‘wat zulen de buren denken?’ Hij wrikte zich los uit
de steun die zijn vrouw hem gaf en sukkelde naar de voordeur. Zonder zich te scheren.
Zonder vaarwel.

Rond het middaguur was alle gevoel uit de voet verdwenen. Het ding woog als een massief
blok. D sleepte het achter zich aan. Hij kreeg pijn in de liezen, alsof het vlies rond de
ingewanden op scheuren stond; hij kreeg pijn in de onderrug, alsof iemand hem doormidden
zaagde. Het zweet parelde op zijn voorhoofd. ‘Gaat het?’ vroeg P hem voor de zoveelste
maal. ‘Ja’, herhaalde D en vroeg direct: ‘Denk je dat we vanavond opnieuw overuren zullen
doen?’ ‘Ik hoop het’, zei P, ‘ik kan het geld best gebruiken. Jij niet?’ D bevestigde. Er
stonden reeds drie pallets op hem te wachten, er lagen verscheidene stapels dozen die hij
nog moest rangschikken en achter het einde van de lopende band deinde een stapel uit tot
een steeds grotere plas pakjes ham. Nog een kwartiertje, prevelde D, tijdens de pauze
kan ik weer bijbenen.

Een dik uur nadat iedereen reeds naar huis was, parkeerde D de laatste pallet achter in
het magazijn. Hij deed het licht uit – zoals de ploegleider hem bevolen had, schreeuwend
dat D geen cent zou krijgen voor elk kwartier dat hij nog nodig had om de boel op te kuisen
– en haastte zich naar de laatste bus. D miste die bus met een armlengte. Hij liet zijn tas
uit de handen glippen en zeeg hijgend neer op een van de stalen zitjes in het wachthokje. Er
zat niks anders op dan twee kilometer verder, in het dichtstbijzijnde café, een taxi naar
huis te bellen. D stond op en strompelde verder, bestelde koffie en wachtte. De taxi
kostte hem meer dan hij in de afgelopen dagen met de overuren had verdiend. D liet de
chauffeur stoppen op de hoek en steunend, gevel na gevel, geraakte hij uiteindelijk thuis.

Zijn vrouw lag al te slapen. Op de keukentafel stond zijn avondeten, in een diep bord,
overdekt met folie. D walgde bij de gedachte, veranderde zijn mening, en begon
kokhalzend de spaghetti Bolognese koud door de strot te duwen. ‘Lekker’, zei hij, alsof zijn
vrouw hem van de andere zijde van de salontafel bewonderend aankeek. Hij veegde de
snor schoon, zette de kom in de wasbak en strompelde naar de zetel, zonder zich wederom
te hebben ontdaan van hoed, jas of sjaal. D voelde de koorts opkomen; alles werd zwart.
Hij besloot de schoen aan te houden en viel in slaap. Over de steppen in zijn brein draafden
zwarte paarden, met daarop ruiters in rode mantels gehuld.

Drie dagen ging het steeds trager en deed D steeds langer overuren. De ploegleider had
de afdelingschef geïnformeerd. De afdelingschef had D op het matje geroepen. D had
gezworen  het ritme van de band te zullen bijhouden. Hij had de afdelingschef aangeboden
zijn overuren gratis te doen. Hij had de ploegleider geweigerd hem een andere plaats te
geven, eentje waardoor hij minder zou hoeven lopen. Hij wenste niks. Hij verlangde niks.
Drie dagen hield D die schoen aan. Hij voelde nu hoe de voet mals en week was geworden.
Bij elke stap sopte het in zijn schoen en ook zijn broekspijp werd almaar natter. De details
van alles werden ondraaglijk: het klikken en klakken van de hengels; het knisperend
knetteren van de kabels; de brakende machine, het krakende plafond.  In de plakken
voorbijsnellende ham zag D figuren, zoals kinderen dat met wolken hebben. Atlas die de
wereld torste, Sisyphus die de bal de berg opduwde, een gier die aan een lillende lever
knabbelde. Zijn mentale sprongen werden bizar, alsof hij de weg had verlaten en steeds
verder het moeras insukkelde. Tijdens de pauze sloot hij zich op in het toilet en dompelde
de hete voet in de wc-pot. De zwelling is verdwenen, lispelde D haast sentimenteel, als ik in
beweging blijf, blijkt het te beteren. Hij lachte overdreven en herhaalde: ‘Ik moet gewoon
in beweging blijven’. Dat deed D dan ook. Hij stapelde dozen, hij duwde pallets en in plaats
van een taxi te nemen, strompelde hij naar huis. Hij ging tot in het extreme, zelfs tot in het
ridicule. ’s Nachts ijsbeerde hij rond, ging trap op, trap af, tot hij halverwege in elkaar
zeeg, in slaap viel en zachtjes naar het welkomsttapijtje onderaan de trap gleed. Zijn
vrouw dekte hem met een deken toe. Ze wist al lang niet meer wat te doen, hoe te
reageren, wat te denken. Die arme D. Hij wist het allemaal zo goed.

Hij nam bus 47. Hij had 39 graden koorts. Hij stonk uren in de wind - een mengsel van
angst en vuil. De dozen stapelden zich op, de plakjes bleven maar komen, gegrild, gekookt,
gesmoord. D schrok op en keek naar P. Had deze iets gevraagd? Zijn lippen bewogen
althans. D knipperde even met de ogen, alsof hij daarmee de motor opnieuw kon starten. De
batterij sputterde vervaarlijk. Ergens schraapte hij nog een brokje energie van de bodem
en antwoordde: ‘Het gaat, het is niks.’

Diezelfde nacht nog, eindelijk thuis, besloot D de schoen uit te doen. Van de boom in de tuin
had hij een tak afgebroken. Die stak hij tussen de tanden, bang zich de tong af te bijten.
Hij sleurde aan de voet alsof het een lichaamsvreemd object was, een stalen pin die hem
bloedend door het vlees stak. Het groene bittere sap vulde zijn mond. Was het de twijg,
was het de gal, was het zijn ziel die vermalen naar boven kwam? In zijn hoofd sprongen de
zenuwen uit elkaar. D beet harder, rukte langer, de tak brak, de schoen sprong van de voet
en kapulteerde hem uitgeput diep in de zetel. D duwde zijn ogen terug in de kassen. De
voet pulseerde. D voelde een zwaar dof geluid, dat om de halve minuut een pijn zo heftig
veroorzaakte dat hij dreigde het bewustzijn te verliezen. Hij knipte het leeslampje aan.
Tot onder de knie zag het been zwart. Bruin pus droop uit de diepe putten, alsof een dol
beest het vlees had weg gegeten. Er kropen maden tussen zijn tenen. Een zoete stank
vulde de kamer. Hij keek op en zag zijn vrouw staan. Haar ogen tot de rand verstard, haar
vingers beefden neurotisch, zelf bleef ze buiten de lichtcirkel staan. ‘Het gaat niet meer’,
zei D, ‘maar het moet. Morgen is de maandelijkse inspectie, dan doet de directeur zijn
ronde.’ Hij duwde zich recht, strompelde naar de badkamer en kroop onder de douche. De
wormen verdronken alvorens ze door het gaatje wegspoelden. D goot aftershave in de
wonde. Het rottende vlees siste, alsof het in een hete pan werd geworpen. Drijfnat ging hij
op het badtapijtje liggen. Hij rilde. De koorts droogde hem vlug op.  

‘Ik heb altijd naar jou geluisterd, nu moet jij luisteren’, zei zijn vrouw. Ze stonden aan de
deur. Het was vrijdagochtend. D was klaar om te vertrekken. ‘Het is gevaarlijk het
antwoord niet te vinden, het is veel gevaarlijker de vraag na een tijdje te vergeten’ ,zei ze
ernstig. ‘Waarom laat je je niet verzorgen?’ D schokschouderde. ‘Mijn enkel is omgeslagen’ ,
zei hij, ‘dat is alles.’ ‘Ik smeek je’, zei zijn vrouw, ‘ga een dokter zien. Misschien is het nog
niet te laat.’ ‘Stel je voor dat de directeur zou merken dat ik er niet ben  Hij zou vragen
naar mijn afwezigheid, de afdelingschef zou zeggen dat het al een tijdje aan de gang was,
dat ik met dat been niet kan volgen, waarop de directeur hem beveelt mij te ontslaan.’ ‘Dat
is exact wat er gaat gebeuren als je wel gaat’, zei zijn vrouw. ‘Denk je dat die directeur
weet wie jij bent? Voor hem ben je nummer dertien aan band vier. Hij weet niet dat je
bestaat. Het kan hem zelfs geen reet schelen.’ D keek haar verwonderd aan. Geschrokken
zelfs. ‘Je taal’, zei hij. Het werd duidelijk dat er niks veranderen zou. Zijn vrouw gaf hem
zijn boterhammen en thermos. D hief de handen hoog en zei haar:  ‘Met jou is alles meteen
het noodlot! Een drama. Een tragedie. Alles is onvermijdelijk. Alles is fataal. Snap je dat
dan niet? Wat we wensen komt nooit uit!’ D knikte het zieke been van de vloer, greep met
beide handen de randen van deur en stijl en zwaaide zich de gang in. Hij nam bus 47.  

Het was vijf voor elf. De ploegleider had de pauze uitgesteld tot na het bezoek van de
directeur. D beperkte zijn achterstand tot een absoluut minimum. De pallets stonden
achter in het magazijn, de dozen waren netjes gestapeld, de plakjes lagen niet op een
uitdeinende stapel. De directeur kon komen. In de doorgang naar de afdeling wachtte de
ploegleider de directeur op. Na hem en zijn gezelschap (bestaande uit zijn secretaresse,
zijn PR- manager, zijn boekhouder, zijn adjudant en de afdelingschef) de handen te hebben
geschud, wenkte hij hen de vloer op. Band 1, band 2, band 3, op en neer, een praatje, een
vraagje, een schouderklopje. De groep stond rond D. ‘Het is duidelijk dat de koersdaling
van de Euro tegenover de Dollar gunstig is voor de lancering van het project’, verklaarde
de directeur aan zijn entourage. ‘Nu is dus het juiste moment om te handelen.’ D ving de
plakjes ham op in de linkerhand, terwijl hij met de rechterhand achter zich een nieuwe doos
vastgreep. Hij plooide de doos open, schoof ’m de band op en trok tegelijkertijd de vorige,
nu volle doos, weg. Zijn hart klopte in de keel. De directeur knikte even, haast automatisch
maar toch merkbaar. Het groepje wandelde verder. Ze stonden al rond P. Die schoof een
rol in de pers en drukte de knop in. Hij miste. Drie tellen later blokkeerde de machine en
viel de band stil. Ook het geluid verdween. ‘Wat moet dit voorstellen?’, vroeg de directeur.
Hij stampte P ruw opzij, rukte de machine open en sleurde er de geblokkeerde rol uit. ‘Jij
daar!’ De directeur wees naar D en zei: ‘Kom even een nieuwe opsteken.’ D bevroor.
‘Vooruit!’ beval de ploegleider, ‘doe wat de directeur je vraagt.’ D bewoog. Hij sleepte met
het been. De voet liet een vochtig slijmspoor achter, als de strepen van een natte dweil.
‘Wat heb jij?’ De directeur draaide zich naar de afdelingschef. ‘Sinds wanneer werven we
hier gehandicapten aan? Die vergadering heb ik niet voorgezeten. Wat doet die kerel in
mijn fabriek?’ D stak de rol in de pers en drukte op de knop. De band schoot even in gang,
doch blokkeerde opnieuw. ‘Kan hier dan niemand deftig die rol plaatsen!’ zei de directeur
geagiteerd. ‘Excuseer’, zei P en wurmde zich door het groepje heen terug naar voor. Hij
nam een nieuwe rol. Deze keer  miste hij niet en zat het tot op de millimeter perfect. De
band draaide weer. Seconden later vielen de plakjes ham in de plas en stapelden zich op. D
keek ernaar. De directeur keek naar hem. Het vonnis volgde. ‘Ontslaan’, beval de directeur
de afdelingschef. ‘Op staande voet.’ Het groepje lachte stil maar misselijkmakend om de
misplaatste grap. ‘En die twee rollen houd je van zijn loon af.’

Een half uur later stond D aan de bushalte. Het was vroeg in middag. De zon scheen koud.
Hij ging zitten. De bussen kwamen en gingen. Ze stopten en openden de deuren. De
chauffeurs – ze kenden D allemaal -  schokschouderden en reden verder. Om kwart over
vijf vulden de arbeiders het perron. Rond halfzes fietste P voorbij. Ook hij wou D niet
herkennen. Uiteindelijk was het een politiewagen die stopte. De agenten stapten uit en
vroegen D wat er aan scheelde. D zei niks meer. D wachtte. Een ambulance bracht hem naar
de spoedopname. Daar hebben ze het been afgezet.

Tegenwoordig gespt D zijn kunstbeen los en legt het voor zich op de kasseien, samen met
zijn hoed, waarin hij altijd een paar centen gooit. Dat maakt het schenken immers
gemakkelijker.



Zin in nog meer verhalen van deze auteur op deze site?  klik hier!

(geplaatst op 26-04-2006)

terug naar boven
© 2002/ 2009' t Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de
Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel.
0032477794783.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
standaardschermresolutie van 1024 x768