Een kortverhaal van EWALD STALS (7)

WALHALLA IN NIGERIA.

Onlangs nog, in het land van cynische sprookjes, met veel olie en nog meer inwoners, leefde  
de kleine Eczema. Haar dorpje, niet groter dan een paar schamele hutten, lag op de rand,
in de Sahel, ver van het water. Papa was een arme boer, haar moeder een magere
marktkraamster, samen bezaten ze twee geiten, Blesje en Blusje,  en ook nog een
ingedommelde tweedehands kameel, Didilo, die oud was en versleten. De kleine Eczema had
vier zusjes en drie broertjes, maar niemand, zoals dat in het land van cynische sprookjes
hoort, ging naar school.

Ieder jaar opnieuw leed de kleine Eczema honger. Dit jaar was de honger groter. Terwijl
haar vader scharrelde in de schrale grond, haar moeder met namaakzeep leurde een halve
dag reizen verder, waren uit het oosten de mazelen gekomen; als de giftige wind van een
ijskoud beest. De kleine Eczema kon zich niet verdedigen. Ze vatte heel vlug heel veel
koorts en kreeg jeukende uitslag. Ze at niks meer en was gaan liggen, om dagen lang stil
boven zich uit te staren. Wat zag ze, de kleine Eczema, haar lipjes prevelden het
onverstaanbaar. Vier weken later woog ze minder dan een jaar geleden, toen ze net drie
geworden was. Nog een week later begon ze groen slijm te braken. Ze teerde reeds op
het vlees van haar gal.  

Arme kleine Eczema, de vliegen drinken je traantjes, je sabbelt hopeloos op het lege vel
van een banaan, maar weet je, lieve kleine Eczema, je bent helemaal niet alleen. Er zijn
tienduizenden, misschien wel honderdduizend kinderen zoals jij, die honger hebben en hun
longetjes kapot schreeuwen. En wiens schuld is dat? Het is de schuld van Abebe, die boze
lelijke heks, die als een kwaadaardige gezwel met veel connecties beveelt en manipuleert
vanuit haar berucht hoofdkwartier, het ministerie van gezondheid. Ze telt de bankbiljetten
tot haar vingers stompjes zijn en lacht, lacht steeds harder, zoals een boze heks dat hoort
te doen, tot het hele land aan het bibberen gaat. Arme kleine Eczema, met het geld dat
Abebe kreeg van vele lieve mensen, en dat diende om alle kinderen te vaccineren, kocht ze
zich een zoveelste buitenverblijf. Is het niet om te tieren, die ironie? Terwijl jij langzaam
wegteert, zie Abebe zitten; dik en riant, met haar hoog opgetooid en in goud geborduurd
gewaad, zo gniffelend handen wrijvend achter haar computer. Ze bedenkt zowaar nieuwe
plannen, nog snoodaardiger, nog kwaadaardiger, al helemaal ontdaan van ieder medelijden.
Ja, ze weet het maar al te goed, Abebe, ze heeft kinderen zoals jij, kleine Eczema, altijd
al ettertjes gevonden.

Het was dus op één van die logge zomerdagen dat Lydia, in het dorpje op de rand, de
kleine Eczema vond. Lydia was een potige verpleegster, nog maagd en een echte
weldoenster,  helemaal uit het verre IJsland, gekomen om te redden, kost wat kost. Ze
had van die grote heldere ogen. Ze was onvermoeibaar in haar streven en altijd opnieuw;
elke ochtend weer vroeg enthousiast. Professioneel nam Lydia de krijsende Eczema op de
schoot, mat met een bandje de omtrek van haar armpje en besloot tegen haar assistent,
nog eentje zwaar ondervoed. De assistent zette zuchtend het zesentachtigste streepje op
het telblad en schudde even loom met het hoofd. Dit gaat niet goed, zei Lydia, dit gaat
helemaal niet goed.

Een kwartier later hadden ze alle kinderen van het dorp gescreend. Lydia verkondigde nog,
we komen gauw terug, en sprong toen in een jeep, op weg naar het volgende puntje op de
grote map. De stofwolk zakte traag. De mama van de kleine Eczema legde het slappe hete
lijfje in de schaduw van een kriele boom. Ze zong Eczema zachtjes strelend door de
gebleekte kroeshaartjes. Ooit komt de prins, ooit komt de prins, die zal je kussen en weer
tot leven wekken. Maar haar lijfje bewoog nog nauwelijks, met onregelmatige stootjes van
het lijdend hartje. Papa boerde verder, al viel er niks meer uit de dorre grond te trekken.
Blesje, Blusje, de twee geiten, en Dilido, de ingedommelde tweedehands kameel, die waren
reeds lang opgesoupeerd.

Voor Lydia was het duidelijk, er was wel degelijk een hongersnood. Ze had nu drie dagen
dorp na dorp afgereisd, en overal speelde hetzelfde gezinsdrama. Tijd om in actie te
schieten. Ze alarmeerde het hoofdkwartier, bestelde materiaal, medicijnen, tonnen
gespecialiseerd voedsel en vond, hoe toepasselijk, een verlaten supermarkt om er haar
hospitaal op te bouwen. Naarstig als een bij, was alles vlug klaar. Het enige wat haar nog
ontbrak?, een officiële toestemming. Dus spoedde ze zich met haar jeep naar de
hoofdstad en vandaar naar het hoofdkwartier van Abebe, het beruchte ministerie van
gezondheid.

Zware donkere wolken schoven in elkaar. Lydia huiverde. Het ministerie, het gebouw, het
ademde als een herkauwend beest. Het stonk. Het sabbelde. Het ronkte dronken van het
kinderbloed. Lydia sloot even de grote, heldere ogen, ademde diep in en stapte vervolgens
kordaat naar binnen. In het zwakke lampenlicht verscheen een labyrint van eindeloze
gangen. Water druppelde door de plafonds. Schimmelende dossiers lagen in hoeken en op
trappen. De mensen die er werkten stonden oorverdovend tegen elkaar te praten, of net
andersom, lagen ze languit te snurken in een sofa, met de krant van de dag open geplooid
op het aangezicht, alsof er een vreselijke vloek over hen was uitgesproken. Excuseer,
sprak Lydia iemand aan. De heer in smetteloos maatpak stopte zijn collega het kletsen en
lachte haar overvriendelijk toe. Hij luisterde en Lydia werd algauw doorverwezen naar de
volgende verdieping, afdeling venerische ziekten. Hier moeten we helemaal niet zijn, zei
Lydia. Ach, ach, ze glimlachte mysterieus en keerde op haar passen terug. We proberen
het langs de zij-ingang, verklapte ze haar assistent. Want Lydia dacht zich immers goed in
het oplossen van raadsels. En ontmoedigen liet ze zich nog minder.

Haar brief werd opgenomen in het groot register en voor consultatie geadresseerd aan de
vice- verantwoordelijke voor chronische ziekten. Deze grijzende heer knikte de kop maar
al te bevestigend traag op en neer. En of hij op de hoogte was van de vreselijke situatie in
het noorden. Kijk, hij toonde Lydia een tienjarenplan, een groots plan, waarmee hij reeds
zijn hele carrière aan de slag was. Telkens ik het gevoel heb, bekende hij Lydia, met zo’n
samenzweerderige stem, als ik denk dat ik bijna klaar ben, klaar om het plan voor te
leggen aan de presidentiële commissie voor openbare werken, begint de twijfel te knagen,
sla ik er de laatste cijfers en artikelen op na, en inderdaad, daar heb je het, nieuwe
gegevens, nieuwe feiten, dwingen me de hele aanpak te herzien. Desertificatie, religieuze
radicalisering, de introductie van mobiele telefoon, de iPod, en u beweert, Mevrouw, zei hij
tegen Lydia, dat deze zomer de situatie drastisch dramatischer is als menig voorgaande?
Interessant, heel interessant. Hij ging zitten, vouwde de handen samen en dacht lang heel
diep na. De kamer rook naar sigaren, op de muren vergeelden affiches van lang vergeten
ambities, een klokje tikte verder. Mag ik u een raad geven, vroeg hij uiteindelijk. Ja, knikte
Lydia, en ze rilde even. Waarom ook gaf hij haar het gevoel dat de waarheid niet zou
helpen? Alsof ze daardoor nooit meer de uitgang uit de ministerie zou terugvinden. En
Lydia slikte. Ik zie geen enkele redenen, zei hij uiteindelijk, ik zie niks dringends, nog
positiefs in jouw aandrang te helpen. Dit land wacht niet op de versnelling of de vertraging
die u denkt te brengen. Dit land consumeert zich, op eigen ritme, in faze met haar
ontwikkeling. Hij leunde achterover en sloot de ogen. Ik vrees dus, zei hij,  dat je eerder
jezelf wil helpen. Met wat? Dat is de vraag, dat is de kernvraag, en dat weet je ook,
ergens heel diep weg, vermoed je al dat het antwoord je niet zal bevallen. Hij keek Lydia
aan. Haar maag draaide met een kolk door haar navel, helemaal binnenste buiten. Wat kon
ze nog zeggen? Ze liep op de grijskop toe, griste de brief uit zijn handen en zei
bevestigend tegen zichzelf, ik zal die zelf wel op het bureau van Abebe deponeren.

Op de negende verdieping, niet eens halverwege, werd haar verzoek voor onmiddellijke
behandeling andermaal onderschept en na wat gepalaver nog eens voorgelegd, nu aan de
permanente secretaris van de directeur algemene gezondheid. Tien dagen, zei Lydia vol
afgrijzen toen ze te horen kreeg dat de man in kwestie, jammer genoeg, nog anderhalve
week, en dat omwille van urgente persoonlijke beslommeringen, in het buitenland zou
verblijven. Zolang kunnen de kinderen niet wachten, we hebben geen seconde te verliezen.
De secretaris van de permanente secretaris lachte en zei vol wijsheid, mevrouw, u bezit
een polshorloge, maar, dat begrijpt u toch ook, daarom nog niet de tijd zelf. Hij sloot het
dossier met een trage streling en stapelde het op een berg paperassen aan de linkerzijde
van het bouwvallig bureau.  

Geeft u hem nou dat polshorloge, raadde haar assistent aan, zo worden hier nu eenmaal de
dingen geregeld. En desondanks, want Lydia had dat kleinood op haar twaalfde van haar
moeder gekregen, die het op haar beurt op haar twaalfde van haar grootmoeder had
ontvangen, gaf ze uiteindelijk toe. Ze dacht aan kinderen zoals Eczema, die waren meer
waard dan wat vijzen in roestig sentiment. Volhouden, moedigde Lydia zich aan,
waardigheid, zelfrespect, als mantras bleef ze het herhalen. Het horloge verdween in een
van de diepe zakken van de secretaris zijn kostuum.

De volgende dag mocht Lydia op audiëntie, nu bij de directeur algemene gezondheid zelf.
Ik zou tekenen, zei die met een mond vol parelwitte tanden, meteen, zonder te aarzelen.
Maar u begrijpt mevrouw; dit is geen medisch probleem, nee, dit is een politieke uitdaging,
en daar kan ik niet zomaar over heen gaan. U begrijpt, dit moet de minister zelf beslissen,
enkel een verzoek aan haar zal uitsluitsel geven. Hij glimlachte vervolgens vals, wreef zich
het zweet van de volle vlezige lippen en kwam veel te dicht voor Lydia staan. Daarom deed
die man Lydia denken aan een leraar uit haar lang verstreken ongelukkige schooltijd. Hij
maakte het haar duidelijk. Misschien kon hij helpen, iets doen, iets bespoedigen. Hij nam
haar linkerhand en plaatste die op zijn reeds gespannen gulp. Wat, dat, nooit, Lydia wipte
vol afgrijzen van haar stoel en vluchtte naar buiten. Zijn gelach en de echo door de
honderden gangen van het labyrint deden haar verschillende malen struikelen over eigen
voeten.   

Het was niet eenvoudig, de tijd was altijd tegenwoordig. Zeven op zeven, vierentwintig op
vierentwintig heeft Lydia zwetend met haar geweten geworsteld. Zolang ze druk in de
weer was, met het alfabetisch ordenen van de medicijnen in de apotheek of het opleiden
van lokaal personeel, zolang ging het wel, maar eens de stilte in de eenzame hotelkamer
viel, begon van onder de lakens de duisternis andermaal te hijgen. Waarom was ze hier?
Was het ambitie die haar dreef? Of erger? Duisterder? Blindheid? Wou ze in een hel zijn
omdat ze in een hel wou zijn? En wat zocht ze er? Hier? Waarheen elke conclusie geleid
had, ondanks iedere bocht in het plot van haar bestaan. Geen wil had het gestopt. Nee,
alsof haar maagdelijkheid een gewelddadige dood wou sterven, alsof ze hier voor gekozen
was. Door wie? Ze woelde verder. Ze wachtte en wachten is de waarheid niet durven
bekennen. Ze hoopte en hopen openbaart nooit iets. In suspensie, in een mengsel van twijfel
en ongeloof, werd het vlekje op haar liefde voor de mensheid, dat groot woord, werd het
allemaal alsmaar groter, groter dan het misschien werkelijk was. Het projecteerde reeds
groteske gedaanten op haar ziel, gedrochten met de ware gedaanten van haar strijd. Het
zelfmedelijden, de vraat, de zucht, de jaloerse warmte, de kilte erna, de wroeging en
walging, de verlamming in hals, borsten en vagina, ’s ochtends bleef Lydia een uur lang
liggen, haar bed als een kooi, met een perceptie alsof de tralies haar voorgoed gevangen
hadden. Wat moet ik doen, wat moet ik doen, ratelde ze af. Veertien dagen na elkaar lang
rende ze een marathon achter die o zo belangrijke vraag.

Later, aan de hand van een retrospectieve studie, bleken er, in die periode, in het land van
cynische sprookjes, driehonderd dertien kinderen te zijn gestorven. Zonder verder
ceremonie, zonder protocol, maar met uitgezuiverde procedure, werd de aarde open
geploegd en al even vlug weer met de massa opgevuld. Het was alsof kippen of varkens
met pest werden verwerkt.

Het antwoord dat kwam was dan ook verbijsterend. Het ontbrak Abebe aan concrete
gegevens, want cijfers over duizenden kinderen, die waren statistisch gesproken niet
genoeg om conclusies te trekken. Medianen, gemiddelden, dergelijke overgesimplificeerde
conclusies, beweerde de Minister, plaatsten de huidige situatie niet in een historisch kader
en waren daardoor a priori overroepen. Biaffra, Ethiopië, Sudan, schreef ze, wat U mij hier
onder de neus duwt dreigt een progressieve ondergraving van het begrip hongersnood te
provoceren. Uw irreële illusie, door enkele details tot vervelens toe op te blazen, schept
heel gevaarlijke, en tegelijk perverse verwachtingen. Het vervangt het concept met
gegevens, met andere woorden, de werkelijkheid met fantasie. Het is obsceen, mevrouw,
het toont gebrek aan elk gevoel van moraal. Waarschijnlijk stelt u de vergassing van 6
miljoen joden ook gelijk aan ieder dagelijks kwaadwillig bagatel.  

Op de volgende bladzijde vroeg ze Lydia wat de bedoeling was, wat ze propageerde. Ze
beschuldigde haar zich een plaats in de geschiedenis op te eisen. Indien je hier, giste
Abebe, en wierp daarmee de vishaak op de juiste plek in de poel van Lydia’s ziel, indien je
hier in dit land de heldin dacht te kunnen spelen, dan vergis je je van tijdstip. De
romantische dagen zijn al lang voorbij, de wereld is geen verhaal dat eindigt in een climax,
waar alles plots stopt en loutering volgt. Er komt altijd iets erna. Zo is dat. Want het heden
is verwarrend en bestaat uit contradicties, uit opzettelijke fouten en toevallige treffers,
uit weloverwogen misstappen en contraproductieve bedoelingen. Lydia kon daar maar beter
akte van nemen. Instelling bepaalt uitkomst, discipline verandert kennis, besloot Abebe,
niet emoties, maar intelligentie verzekert dat realiteit realiteit blijft, dat een mens een
mens is. Ze wist nog te melden dat hulp sowieso niet vereist was.

Lydia vloekte, wat een kreng, wat een monster. O, wat verafschuwde ze die vrouw reeds.
Ze zouden ze moeten veroordelen, siste Lydia, voor misdaden tegen de mensheid.
Opsluiten en laten creperen, tot ze meemaakt wat die kinderen voelen. En terwijl Lydia de
brief nogmaals herlas, liep er een lange harde rilling over haar wervels. IJskoud had de
IJslandse het gekregen, alsof ze plots een andere vrouw was geworden, waarvan de ogen
niet meer zo helder groot waren, waarvan het innerlijke reeds tot rafels verscheurd werd,
het zieltje al zielig was.  

De vlag van de laatste kilometer wierp een grote schaduw op het gezichtje van de kleine
Eczema. Ze prevelde nog nauwelijks, ze ijlde haast onhoorbaar. Als bengelde ze aan die
monotone vibratie. Haar mama probeerde haar een kruidensopje te voederen, een mengsel
dat ze met laatste bezit van de traditionele heler had gekocht. Het smaakte bitter, naar
vers uitgeperste steen. Eczema braakte het meteen weer uit. Tot driemaal toe probeerde
mama het, toe driemaal toe weigerde Eczema. Ze deed haar oogjes toe en probeerde
doorheen de zwarte kringen naar de maan te reizen.

Lydia belde het hoofdkwartier in Europa. We mogen dit niet aanvaarden, zei de ene
verantwoordelijke, heb je reeds met de gouverneur- generaal gepraat, raadde een andere
aan, of met de president, suggereerde een derde, er moet toch iemand zijn die
toestemming kan geven. Tussen de lijnen door is het mijn schuld, dacht Lydia, ze verwijten
me de hele kwestie. Wat verwachten ze? Moord? Nog meer destructie? Of had ik met de
benen open aan de goede zaak moeten denken? Moet ik dan schuld met onschuld betalen?
Woest smeet ze de hoorn op de haak.

Het gebaar ontluchtte de situatie maar even. Weldra trok de zwaarte haar mondhoeken
opnieuw naar beneden, tot er niet meer dan een schril glimlachje van af kon. Lydia
klauterde moeizaam overeind, zette koffie, at wat brood met boter en dacht. Toch moet
het mogelijk zijn, want onmogelijk kan het niet zijn. Ze zette zich achter haar bureau,
rechtte haar rug en nam een blad papier. Waarde gouverneur- generaal, waarde westerse
ambassadeur, waarde landverantwoordelijke van de verenigde naties, waarde
vertegenwoordiger van de wereld gezondsheidsorganisatie, hierbij richt ik U. Ze stopte.
Hoe schrijf je zoiets? Zonder dat het hol klinkt? Woorden hebben geen ziel, zei Lydia, ze
creëren donkere gordijnen, ze liegen en weigeren die leugens toe te geven, dronken van
hun eigen levenssap, verbaasd over hun eigen draagkracht. Het ergste is dat ze nooit
sterven, dat ze alles overleven. Virussen zijn het, ze verkankeren tot ze rot naar buiten
spatten. Ze nam een slok van haar kop koffie en keek er vervolgens in. En wat als dit brood
zich bewust is dat het reeds in dikke plakken gesneden op mijn bord ligt? Ze nam een
nieuw vel papier. Aan de president, excellentie, het is niet mijn gewoonte presidenten het
regeren te onderbreken. Nee, ze stopte andermaal. Zo lukt het niet, wie zou daarop
antwoorden? Niemand. Een psychotische biografie was het, een klaagzang over haar
vervreemding, een getuigenverslag van haar minderwaardige pijn. Verbeten perste Lydia
haar lippen op elkaar. Weerloos was ze, inferieur, krachteloos, bedrogen voelde ze zich,
bedolven onder haar eigen twijfels. Woorden, woorden, actie hadden die kinderen nodig.

Ze ging wandelen door de lege ruimtes van haar omgetoverde supermarkt. Treurig was
het, die eenzaamheid, die lege bedjes, het steriele materiaal en de blinkende inox. Door
het raam scheen de zon. Ambigu en onwerkelijk schitterde het felle licht, er naar kijken
maakte Lydia bewust dat niks met elkaar verbonden was. Het raam op de wereld, zei ze,
wat je ziet is het glas, en daarachter een nostalgische versie van een niet zo vreselijke
wereld. Maar misschien is het raam in de muur enkel een gat. Dat is het nou precies, zei ze,
een gat, een dom donker gat, de paradox van een leegte. Wat hier gebeurt, predikte Lydia
luid tegen zichzelf, is de manifestering van de absurditeit. De telefoon rinkelde.

Waarom gebeurt er niks?, beval een verantwoordelijke vanuit het hoofdkwartier in Europa.
Doe nou iets, zei een tweede, ga nou gewoon kinderen uit de huizen halen en begin. Ik kan
me niet voorstellen dat moeders weigeren hun kinderen te laten behandelen, verkondigde
een derde. Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Lydia zat voor de spiegel en keek
naar zichzelf. Ze zag narcisme. Ze vroeg zich af of dat glinsterend oppervlak tussen haar
en haar verschijning niet eerder het membraam van haar maagdelijkheid was. Ze opende de
mond en bekeek haar gebit. Mijn vagina heeft scherpe hoektandjes, fezelde ze. Vreselijk,
zo moet een idiote naar de werkelijkheid kijken, met het geloof dat haar voortdurend door
de vingers glipt.

Dat heb ik toch al gedaan, zei ze uiteindelijk, de mensen zijn bang, bang voor Abebe, ze
openen niet, zonder die toestemming beginnen we niks. Dat weten die dorpelingen toch niet,
lachte de ene, dat kan zelf niet, wist een andere, hoe zou het, besloot een derde. Lydia
kreeg het op de zenuwen. Ze heeft het bevolen, schreeuwde ze, snappen jullie dat nou niet,
dat er dan niks gebeurt. Grrr, ze stampte met de voeten, haar ogen verwaterden, alles
werd diffuus, ook de stemmen uit Europa drongen niet meer door. Doe het nou maar, klonk
het, stap in die jeep en trek er op uit, als je het wilt, zal het gebeuren. Ok, ok; ik doe het
al, zei Lydia en haakte in.

Ze bleef zitten. De spiegel vibreerde. Herken je je nog, vroeg het glinsterend oppervlak.
Herken je de lagen? Hoe de grenzen verglijden, hoe het gehalte aan waarheid verder
uitdeint, tot iedere grond voor oordeel is verdwenen? Wie is die Abebe eigenlijk, vroeg het
glinsterend oppervlak. Ze voedt zich met jouw verlamming, en ondertussen doet ze verder.
Lydia lachte beduusd. Haar gedachten, de manier waarop ze praatte, al haar gewoontes, al
haar gevoelens en hoe ze de dingen zag, Abebe leek ze reeds te beheersen, te muteren,
te degeneren. Misschien heeft ze gelijk, zei Lydia, misschien moet er niks gedaan worden,
is helpen gewoon onmogelijk. Ze stond recht, automatisch, ze riep haar assistent en
wandelde naar de jeep.

Dorp na dorp, de hele dag door, en opnieuw, Lydia klopte, maar de gesloten deuren bleven
gesloten. Doe nou open, doe nou open, smeekte ze uiteindelijk. Niks, nou, dan blijf ik hier
voor de drempel zitten, ooit moet je naar buiten komen. En Lydia voerde de daad bij het
woord. Ze plofte neer op een steen, dronk drie slokken van haar veldfles en zette haar
zonnebril op. De zon bakte. Haar assistent zat naast haar, op de remsporen van de jeep.
Het is hun schuld niet, zei hij zo zacht mogelijk, hoor je dat?, vroeg hij nog voorzichtiger,
dat geluid, het is Abebe die lacht. Welk geluid?, zei Lydia, waar heb je het over?  

Lydia zou hier akkoord mee gaan: wanneer iets gevaarlijks en dreigends wordt gevoeld,
wordt dat iets naar buiten toe verdrukt. Het wordt er geobjectiveerd, om zo de eigen
stabiliteit te bewaren. Ja, Lydia zou met deze uitleg zelf tevreden zijn, want het
mechanisme van de projectie is namelijk een verdediging. De persoon in kwestie verlaat de
waarheid voor verbeelding, tot de verbeelding de waarheid is, tot de dingen, eerst
bedacht, uiteindelijk ook waarheid worden. Verzadigd met die volheid, lijkt het achter zich
gelaten leven schraal en voor immer onbevredigend.

Ik hoor haar, zei ze, ik hoor haar lachen, wat een vreselijke krijsende stem. Lydia stond op.
De metastase was nu onherroepelijk. Ze was wel degelijk deel geworden van het cynische
sprookje. Wat moeten we doen?, vroeg ze angstig. Haar assistent glimlachte. Dit is wat we
in dit land Walhalla noemen, zei hij, en verduidelijkte, het zijn problemen, onoverkomelijke
problemen, die klauw in het nekvel, spartelend boven een afgrond van vloeibaar vuur. Het
maakt alles onmogelijk. Je moet niks Lydia, je kan niks doen. Zo voelt iedereen zich hier.
Walhalla is het woord voor de toverspreuk. Walhalla is er; plots, en dan voor altijd. Het is
zakdoekje leggen, niemand zeggen, je rent in cirkels tot je er bij neervalt.    

Een uur later reeds liet een magere marktkraamster haar stervend kind achter op de
drempel van de getransformeerde supermarkt. Lydia hervond de kleine Eczema. Van heel
diep in het onderbewuste herkenden ze elkaar, als een metafoor voor het leven op
zichzelf. Het moet, ik moet, zei Lydia, want een sprookje blijft. Cynisch ja, maar toch, een
sprookje. Ze nam het gloeiend lijfje in de armen, droeg het naar binnen en legde het
voorzichtig op de witte lakens van een kinderbedje. Ze stak een naald in een adertje,
klikte er een buisje aan vast en verbond het met een infuus. Lydia luisterde angstig naar de
ademhaling van Eczema. Volhouden, volhouden, fluisterde ze, je mag niet sterven, jij bent
mijn redding, als ik jou kan redden, dan is alles goed. Langzaam druppelde de infuus
verder. Ze hield de frèle vingertjes in haar hand en streelde ze zachtjes. Lydia voelde aan
haar onderbuik, ze wist dat ze de juiste beslissing had genomen. Vrijheid. Ze straalde, tot
het hospitaal met poëtisch licht gevuld was.

Maar zoals het geweten is, was het nu ook zo. Het overtreden van conventies geeft immers
sterke reacties, met ernstige gevolgen. Kort daarna stond de politie op de drempel van het
hospitaal. Ze waren gekomen om Lydia te arresteren, wegens illegale medische activiteiten,
op bevel van Abebe. In paniek sloeg ze de zwaaideuren van het hospitaal dicht,
barricadeerde ze met kasten, tafels en banken, en begroef zich verder, tot ze helemaal
opgesloten lag in haar innerlijk interieur. Ze belde andermaal het hoofdkwartier. Wat heb
je gedaan?, vroeg de ene, alles is verloren. Nee, zei een andere, het is een
mediamogelijkheid, laat je arresteren, het best nog met dat kind, stervend in de armen. De
stemmen klonken enthousiast. We bellen iedere journalist, verkondigde een derde, dit
wordt frontpaginanieuws, een schandaal, dit gaat koppen doen rollen. Lydia haakte in en
staarde voor zich uit. De kleine Eczema ademende onregelmatig. Haar lipjes waren droog,
korstig en gebarsten.  

Wat, wat als het leven eindigt met het gevoel dat het anders had gekund? Dat het door die
gedachte voorgoed verloren is? Het ontglipt, zei Lydia vertwijfeld, alle gevoelens die het
belooft, gegeven aan, gegeven door, vrienden, familie, minnaars, eindigden in één enkel, dat
alles onderdrukt en transformeert. Haat. Dat is haat, herhaalde Lydia, dat is haat en door
die haat wordt Abebe mijn gelijke. Ik herken haar en ik erken, ik bevestig dat
moordenaars niet echt moordenaars zijn. Maar mensen, iedereen, ik, een welopgevoed
meisje die haar liefde voor de ware bewaart, een mistroostige zelfzuchtige entiteit, een
karakterloos karakter zonder persoonlijkheid, te pathetisch om medelijden mee te
hebben, waarvoor je eerder walging vertoont. Pervers en grotesk, ja, maar nog altijd
menselijk. Zo onomatopeisch. In staat om te kermen. Vervuld van de rococo.

Zo eenzaam was Lydia nog nooit. Vervreemd van zichzelf, van het eigen bewustzijn, met
een  hart dat nog enkel automatisch klopte. Lydia ging op de knieën voor de kleine Eczema
zitten. Emotieloos, in trance, zoals een duivels contract wordt getekend, nam ze het kind in
de armen, prikte met een speld de infuus op haar borst en wandelde naar buiten, de
middaghitte tegemoet. Kijk, zeiden de toeschouwers, ze bloedt in de schaamstreek, ze
houdt dat kind als offer voor zich uit. Journalisten flitsen er op los. Agenten dreven hen
uiteen, sloegen met matrak op de starende menigte in, rukten Lydia Eczema uit de armen,
draaiden haar de boeien om de polsen en duwden de IJslandse gebukt achteraan een
dienstwagen in.

De spanning was nu te snijden en in de chaos werd de kleine Eczema helemaal vergeten. Ze
lag in een hoekje, in de schaduw van een vuilbak, en langzaam maar zeker druppelde de
infuus. Niemand zou de fles vervangen. De autoriteiten hadden het druk, de journalisten
renden naar de redacties, de menigte slenterde huiswaarts. Nog even trilde er een
vingertje, dan een geluidloze reutel, en de kleine Eczema stierf in het stof.

Maar het schandaal kwam er. Op ieder beeldscherm overal ter wereld openbaarde Lydia
met de kleine Eczema in de armen de waarheid. De directeuren op het hoofdkwartier in
Europa beschuldigden en analyseerden, Abebe werd aan de tand gevoeld, vluchtte en
kreeg asiel in een niet onthuld gastland, ondertussen kwam de noodhulp op gang. Het
cynische sprookje eindigt dan ook in drama en moraal: de magistrale inspanning van Lydia,
een Ijslandse verpleegster, redde het leven van naar schatting 350.000 kinderen. Dankzij
haar werd een hongersnood verkomen van het allure Biaffra, Ethiopie of Sudan.   

Velen zullen zich afvragen, wat gebeurde er daarna met haar, de muze van dit cynisch
sprookje. Kort en bondig, Lydia beklaagde zich de rest van haar weinige dagen voor wat ze
uiteindelijk als transparante vergissing definieerde. Iets wat Abebe ook zo zou
verwoorden. Dit te zeggen was de manier van Lydia om de kleine Eczema vergeving te
vragen, sorry te zeggen. Maar het baatte niet. In het spectrum van alle mogelijke
gruwelijkheden, ligt haat immers op de rand van het menselijk verstand. Hoe meer Lydia
poogde het te relativeren, hoe erger het werd. Het vergelijken, het gelijk stellen, het
degraderen en zelfs ridiculiseren, werd gevoelsmatig ondraaglijk. De toekomst bleef even
ongeloofwaardig als het verleden, moord bleef moord, en zo stierf ze dan ook, walhalla,
walhalla, het gelaat geaderd met wroeging en rouw.

Tijdens de autopsie vonden ze haar ziel terug, verzonken in vlees van beton, en zoals dat
met een zwarte doos kan, kon er ook daar naar haar laatste antwoord worden geluisterd.
En ja, hoe hartverscheurend dat ook moge zijn, Abebe had gelijk, het leven ging verder. De
kinderen stopten met sterven, de regen bracht regen, de zon zon, planten weerden zich
doorheen de natte grond en alles bleef alles. Cynisch sprookjes zijn immers waar, in
metaforische zin, maar, dat weet iedereen, zijn niet echt echt waar. Of bestaat er dan
toch vreugde uit peperkoek en verdriet in suikerspin?

Zin in nog meer verhalen van deze auteur op deze site?  klik hier!

(geplaatst op 20-12-2005)

terug naar boven
© 2002/ 2009' t Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de
Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel.
0032477794783.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
standaardschermresolutie van 1024 x768