Een kortverhaal van EWALD STALS (5)

DE VREEMDE MOLECULE IN DE HOOIBERG.

Ik weet dat deze reis, en dus dit verhaal, reeds aan het begin van het einde is. Al lang
ben ik  afgemat en uitgeput, en voor mijn toestand heb ik eigenlijk al te veel geleefd. Ik
lig hier en heb geen plannen om op te staan. Wat ik ben is onomkeerbaar en juist
daardoor onweerstaanbaar. Weet je, alles wat steeds snel is gegaan, en eigenlijk
vervelend wanhopig is, ik bedoel, het dagdagelijks leven, de sleur van het geluk, plots,
gebeurt er iets, iets spectaculairs, iets gigantisch, waardoor alles abrupt ophoudt.

Maar goed, in dit verhaal begon ik als jonge held, zo iemand waarvoor je meteen
sympathie voelt, van wie de karakteriele tekortkomingen, in jouw ogen meer op snoezige,
eigenlijk wel charmante bijzonderheden lijken. Dat ene fysieke detail, die tik of
gewoonte, de kleurencombinatie van de kledij, de manier waarop ik stapte, allemaal even
naïef en onbezorgd. Ik was 17, ik was iedereen, en had toch iets speciaals. Ik was een
oppergod, niks kon me stoppen, niks leek onmogelijk, de wereld was klein en bekrompen.

De kans was dus groot dat je me tegenkwam, ergens op straat, zaterdagmiddag, een
zonnige zomerse dag, me haast voorbij liep, en toch stopte om me beter op te nemen. Je
merkte iets merkwaardig, ja, en zo hoort het ook. De bedoeling verscholen achter
dergelijk onbezonnen iemand is immers die instant sympathie geleidelijk te laten
overgaan, in bezorgdheid, dan medelijden, dan de hoop, dat die iemand er dan toch in
slaagt om de innerlijke en uiterlijke obstakels te overwinnen. Hij, de jonge held,
onaangetast door wat dan ook, hij moet. En al lijkt het onmogelijk, spant alles zich samen,
toch, hij houdt vol, zet door, vecht terug, en doorstaat de turbulente testen, tot in het
bittere van een onontwarbaar kluwen, tot de confrontatie met het monster, symbolisch of
in nature, om vervolgens als overwinnaar op te staan en weer te verschijnen. Het wonder
geschiedt, de held is nu held, en wij, die stopten, hem volgden en toekeken, zijn gelouterd
en magisch, getransformeerd in die niemand die iemand werd.

Bedenk dan voor het verder gaat, niet hoe de eenvoud nooit naar de waarheid leidt, maar
wat er eerst allemaal moet gebeuren voor het zover is. Ik wandelde dus, op die zonnige
zomerse zaterdagmiddag, door de stad. Wie, wat, waar, wanneer ik precies was ontging
me, want ik stevende op mijn doel af. Ik droomde, niet bewust van de uitlaatgassen, de
vanille-ijs op een stokje, de volle luier van een baby, de geuren van Japanse kerselaars,
bloeiend in lange rechte lijn langs de stoep van de winkelstraat. Allemaal nuttige
observaties, moet ik nu, met diepe rouw en spijt, bekennen, allemaal frappante
herkenningspunten en levensnoodzakelijke informatie die ik miste, een uur later, toen
mijn vriend, nadat ik drie dragees LSD had ingenomen, me in paniek terug trachtte te
lokken naar de zomerse middag van daarnet. Dat lukte niet. Ik kwam niet terug. Ik
verdwaalde, net als ervoor, maar anders, niet in de onrijpe onwetendheid, maar in de
zeemzoete ongeloofwaardigheid. Waarheen wist ik nog steeds niet, maar het angstige aan
het universum van deze hallucinerende drug is dat het, nog minder dan de wereld die
doorheen de structuur van de winkelstaat verdween, kan worden beschreven.

Drie uur bleef ik levenloos liggen. Ik voelde me niet langer in mijn lichaam, terwijl ik met
razende snelheid, veel te snel voor enige coherentie, gedachten produceerde. Een
constante vloed aan logische conclusies, mechanische oplossingen, organische associaties,
statistische prognoses, overviel me, en al die data bleven, als individueel, manipuleerbaar
gegeven, slechts enkele macroseconden beschikbaar, alvorens ze weer aanleiding gaven
tot nieuwere resultaten. Het was orgastisch maar ondraaglijk, minuten, eeuwen, drie uur
lang lang, tot het hele proces even abrupt stopte als het startte, en vastliep, in een
obsessie. Ik nam langzaam terug bezit van mijn lichaam, en ik rook, alles, tot in het
miniscuulste ridicuultste detail. Ik lichtte het hoofd van de straatstenen en de
werkelijkheid bleek een mengsel van stanken en parfums, even sterk  als het frontaal
kijken naar de zon. De intensiteit was gewoon te veel.  

De symptomen die ik sindsdien vertoon, zijn het gevolg van hersenbeschadiging door de
drie dragees. De behandelende arts verklaarde het als herprogrammering, met als
resultaat een hyponemesia, of een geaccentueerde, in mijn geval ziekelijke mogelijkheid
veel scherper dan normaal geuren waar te nemen. Kort door de bocht betekent dit
plastischer dat ik een veel te grote neus heb met de kwaliteiten van de veel kleinere
kakkerlak, een beestje dat met gemak een enkele molecule waarneemt. Ik lepel een
zoutkorrel uit een suikerpot, een druppel azijn uit een glas van de duurste wijn, of
zomaar, mensen die me voorbij wandelen kunnen niks geheim houden. Hun maaltijd, hun
hygiëne, hun seksleven, van vandaag, van gisteren en eergisteren, het zijn voorbeelden die
duidelijk maken hoe ieder contact met de werkelijkheid, een onmogelijke opgave werd. Ik
kwam de straat op, alsof er ijs doorheen mijn hersenen werd geboord, zo folterde het
mij, met een zichzelf versterkende spiraal, die eindigde in complete disfunctionaliteit.
Vaak ging ik als een plank tegen de grond, andere keren kroop ik spartelend terug naar
huis, uiteindelijk kwam ik gewoon niet meer buiten. Ik schuurde, ik desinfecteerde, ik
bleef maar in bad liggen, en propte mijn neus dicht met watjes, kurk en tape er bovenop.
Koken werd een foltering, ik overleefde op kosmonautenvoeding, en ga zo maar door.
Gaar voor de waanzin was ik.   

De therapie die men voorschreef hielp. Ik ging werken bij de politie, afdeling
moordzaken, alwaar ik rondsnuffelde op de plaatsen van misdaden en schijnbaar
onoplosbare affaires oploste. Met veel wilskracht, met veel discipline en training,
slaagde ik van mijn aandoening mijn succes te maken. Glorie kwam er toen ik die
seriemoordenaar op het spoor kwam en ontmaskerde, het heeft in alle kranten gestaan. Ik
was de toekomst, ze noemden me ´de speurneus´, en ja, ik kreeg de faam van een
stripheld, de onfeilbaarheid van het goede in confrontatie met het kwaad. Mijn geluk kon
niet op, alles was perfect, tot de baas me duidelijk maakte dat ik te traag werkte, me in
details verdronk, en slechts een zaak per jaar echt te weinig was. Meer, hij walgde van
mijn, in zijn woorden, perverse en repulsieve gewoonten, om letterlijk met mijn neus
tussen het vuil, het slijm en de lijken te zitten. Terwijl juist dat aspect me steeds meer
intrigeerde en motiveerde om vol te houden.

Kijk, hoe recht je ook over het voetpad loopt, dicht tegen de huizenrij aan, er zal altijd
iemand zijn die beweert dat precies daardoor de dakpan op je kop terechtkomt. Mijn
ontslag werd dus die onuitwisbare daad, waardoor de nacht voorgoed viel. Plots stond ik
in de lift naar buiten, opnieuw een niemand, die vreemd molecule in de hooiberg, ja,
meteen verdwaalde ik andermaal. Ik zocht oorzaken voor redenen die er gewoonweg niet
waren. En precies dat moment, daar in die lift, het belletje ging, dat is het moment
waardoor ik wist dat ik het niet kon halen. Ik bekende, het was onmogelijk, mijn wereld
was niet compatibel.

Zeg tegen een invalide, je bent vrij, hier is de sleutel, ga, ga, ga en doe iets, en hij blijft
gewoon liggen waar hij ligt. Het maakt niks uit, jouw woorden, hij snapt die trilling in je
stem niet, die verzengende emotie, die vervulling van je ziel, je diepste menselijkheid, als
alles pure gelukzaligheid is. Wat dan ook, het toont de bodemloosheid van het probleem,
jouw moraliteit is een illusie en voor hem, de invalide, blijft de wereld een gesloten
instelling, hoe groot die ook is, die vrijheid is hetzelfde als angst. Wat ik waarnam bij de
politie had een doel, wat ik daarna waarnam heeft geen bedoeling, daarom neem ik beter
niks waar. Ik ruik iets, ik ruik het verleden, maar besef dan samen met mij dat de
toekomst geen geur heeft. Wat kon ik doen? Kort na het ontslag liet ik me, op eigen
verzoek, interneren. Sindsdien praat ik nog enkel met kakkerlakken, en dat omdat ze me
verstaan.

Het heeft nog lang geduurd voor ik helemaal tot rust kwam. Het was een zwoele avond,
het raam stond open, de eerste keer, ik wist niet waarom ik dat aan de verpleger
gevraagd had, maar ik vermoedde dat de dood dichtbij was geslopen. Ik rook hem, hij
droeg een lange mantel gevuld met de geur van een bloemende Japanse kerselaar. Toen ik
het zeker was, draaide ik me naar het raam en inhaleerde diep. De herinnering kwam
terug, het begin van de reis, de winkelstraat, de lange lijn langs de rand, de laatste geur
waarin de dood zich verschuilt, voor ieder zo specifiek. Nee, ik ben jouw jonge held niet.
Ik steven gezwind af op mijn doel, vertrek en kom niet meer terug. Terwijl ik mijn
lichaam zie liggen, mijn vriend me langzaam maar zeker loslaat, toen later een grauwe
man me wast en aflegt, daal ik af in de aarde. Ze begraven me onder een boom, je weet
wel de welke, een slanke lenige boom, waar iedere ochtend wel een hond tegen pist en de
kakkerlakken verdrinkt.  


Zin in nog meer verhalen van deze auteur op deze site?  klik hier!

(geplaatst op 04-07-2005)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.