Een kortverhaal van EWALD STALS (3)

DJABEL MARA











De lezer opent de ogen. Djabel Mara, de vulkaan met duistere adem, reist steil uit de
stenige woestijn. Kraaien cirkelen laag onder de zwarte regenwolken. Bliksems aderen
zich rond de kale flanken van de berg. Aan de horizon verdwijnen drie
gevechtshelikopters, in gestileerd zwart, met traag cirkelende wieken. Op de wind drijft
de zoete geur van brandende dorpen, de penetrante nasmaak van een bombardement, het
geluid van een krijsende ziel, uniek en opgedrongen, irriterend en ondraaglijk.
Naast hem staat Hilal, de sjeik van de Jalul, nomaden van de Sab el Hara. Hilal staart
strak en staat bewegingsloos in de warme wind. Zijn brede broek wappert. Over de
schouder hangt een kalabas in kamelenleder, op zijn lenden een fijn bewerkte dolk, in de
rechterhand houdt hij een geoliede Kalashnikow. Hilal schermt de ogen af, tegen zon en
zand. Zijn gelaat zinkt weg in de witte tulband, machtssymbool van de Nazir, hij met het
natuurlijke charisma, hij die gezegend werd door Allah.
Ik weet het, zegt Hilal, maar ik wil het niet verstaan. Hij strekt de nek en observeert de
kraaien. Ze krassen en vervagen in de zwarte rookpluimen boven de uitgemoorde dorpen.
Hilal draait traag het hoofd naar rechts. De lezer leest van het onblusbare verdriet in
die helder blauwe ogen. Een vortex die hypnotiseert en uitmondt in de pijnlijke schreeuw
van een kraai op de takken van een geblakerde boom. In de bek houdt de vogel een reep
bloederig vlees. Mensenvlees.
De zon geeft hitte maar geen inzicht. Het regent dikke droppels. Ze spatten open op de
vaag roze rotsen en verdwijnen in het hete zand. Hilal schuift de kogelband even opzij en
neemt een kleine roestige radio uit zijn borstzak. Voorzichtig trekt hij de antenne uit,
klikt een hendel over en draait er enkele maal aan. Het geluid start traag vooraleer het
een verstaanbare stem wordt. iaaaasser Arafat is overleden, dokters vermoeden door
vergiftiging, enkele dagen na de herverkiezing van Bush tot president van de Verenigde
Staaaaatennnnn. Hilal draait opnieuw aan de hendel. De regering van Khartoum
bombardeerde de dorpen rond Aamo, in centraal Darfur. Tienduizenden mensen zijn
andermaal op de vlucht voor de Janaweed, de arabische milities die nu reeds 18 maanden
de hand boven het hoofd worden gehooooudennnnn.
Hij duwt de antenne terug. Met de harde rand van zijn hand klopt hij kort en krachtig op
het doosje. Hij blaast enkele zandkorrels weg uit het gaas voor de luidspreker en stopt
de radio vervolgens weer in de vestzak. Zurgas noemt Hilal hem, zoals de lezer voor een
Bantu Afrikaan misschien wel neger, nikker of makkak gebruikt. Ze weigerden de
landbouwgrond te laten afgrazen door de kamelen, hadden zo de morele geografie
verstoort en de kosmos in chaos veranderd. Uitroeien, tot de laatste man, met wortel en
al, tot de woestijn weer aan de Julal zou behoren. De lezer draait zich om en kijkt naar
een dozijn krijgers, hoog op de bulten van hun kamelen. Zwaar beladen met de buit en de
wapens. Aan de staart van de colonne slingeren, in een lange rij geketend, tientallen
zurgas en runderen. Ze jammeren gesmoord, sommigen bloeden aan de slapen, anderen
zitten op de knieën, met de hoofden diep voorovergebogen. Terwijl de runderen gelaten
wachten. Vanavond zullen we schuilen voor de maan, zegt Hilal, in de schaduw van Djabel
Mara. Als ze vol is, trekken we naar de beestenmarkt van Mornei.
Aan de wadi, geeft Hilal het teken de dieren te drenken. Hij hurkt, wrijft zijn hand door
het water en schept het naar zijn mond. Hij smaakt het op de tong en slikt. Hilal is oud,
de laatste van zijn geslacht; zijn zonen waren in een hinderlaag gelopen, nu reeds drie
maand geleden. Eens had hij duizenden kamelen gehad, eens had in zijn stam zelf een
pasgeborene een kameel gehad. Mochten we ophouden ons te verzetten, ons overgeven,
zegt Hilal, nog veel meer van de onzen zouden sterven. Hij kauwt traag op een stuk
gedroogde geit, spuwt wat vel en haren uit en trekt het deken dichter tegen zich aan.
De lezer ziet een kristallen bol, de eenzaamheid van een donkerblauwe maanwereld, een
glasheldere woestijncirkel met in het midden Djabel Mara. De sterren, verbonden met
die oneindige rand, fluistert Hilal, het is het zand van de ziel. Ze zijn zo nabij. Hij
kraakt traag de vingers en krabt wat vuil weg onder de nagels. Ieder slachtoffer
vervaagt me, verteert me, verandert me in een Shatab, een geest. Hij staart naar de
berg, naar de zwarte rook, naar het stof in de wind. Het gevecht begint altijd met een
overwinning. Maar als er geen energie meer over is, volgt de kogel onverstaanbaar haar
baan naar je hoofd.
Drie gevechtshelikopters vliegen laag over de hoofden. Hilal geeft het bevel. De krijgers
gaan over in galop, snoeren hun mitrailleurs aan de zadelknop en overrompelen het dorp.
Het vee loeit, de inwoners vluchten, paniekerig in elke richting. Vrouwen worden
verkracht en babies aan de voetjes tegen de rotsen te pletter geslagen. Weldra zitten
tientallen zurgas angstig tegen elkaar gedrumd voor de hut van het dorpshoofd. Hilal
stijgt van zijn kameel en grijpt hen één voor één stevig bij de nek, klauwt zijn nagels in
de kroesharen, trekt hen de keel gestrekt en plaatst de fijn bewerkte dolk op de
kloppende slagader. Hij dwingt hen de mond open en keurt hun het gebit. Allen die niet
voldoen worden over de kling gejaagd. Met vijftien overlevenden trekt de colonne naar
het volgende dorp. De daken en stallen branden. Het zand drinkt bloed. Het zand
verslikt zich.
De lezer schudt het hoofd en Djabel Mara kreunt. Hilal schrikt op uit een boze droom.
De kamelen trekken onrustig aan hun touwen. De krijgers veren recht en grijpen naar hun
wapens. De berg wordt wakker, mijmert Hilal, de berg zal alles verslinden. Djabel Mara
wreekt elke blik die hem beledigt. Hij rolt een klein tapijtje in de richting van Mekka,
knielt en buigt diep door, met de armen gestrekt ver voor het hoofd. De krijgers zetten
zich in een rij en bidden met hem mee. Ze prevelen passioneel. Hun ogen draaien wit.
Alvorens ze verstarren in een wrede melancholie.
Sommige zekerheden smoren elke vooruitgang in de kiem, zegt Hilal, en alles wordt
voorspelbaar. Sommige kennis maakt ons machteloos. Machteloos, herhaalt hij, enkel de
pijn onthult de waarheid, enkel pijn. Die is altijd aanwezig. Ik voel hem, bekent Hilal, ik
zie hem. Wanneer dingen te dichtbij komen, gladheid verdwijnt in donkere kloven,
zachtheid een stekelig warrig woud is, dan koken onder de oppervlakte de droge blauwe
rivieren. Ik kan die pijn niet langer ontkennen. Ik weet dat hij de waarheid spreekt. Hij
wijst naar de vulkaan, stijl en onbereikbaar, zonder een top, een frustrerende gedachte
die maar niet bewust wordt.
Na de rijst met een knook haalt hij de kleine radio tevoorschijn. Hij trekt de antenne uit
de doos en draait aan de hendel. Iiiiiin Irak begon gisteren het lang verwachte offensief
op Fallujah. In Abidjian hebben meutes opgehitste jongeren negen Franse soldaten
gelyncht. Hij zwengelt opnieuw aan de hendel. Hhhhet anders zo rustige Nederland werd
gisterenavond opgeschrikt door extreem rechts geweld. Vandalen hebben er een moskee
in brand gestoken.
Nederland?, vraagt één van de krijgers, waar ligt dat? Hilal schudt ontkennend. Hij is
nooit buiten de Sab el Hara geweest, heeft nooit het water van de zee gezien, heeft er
ook geen behoefte aan gehad. Dit is zijn wereld, die eindigt met de sterren boven Djabel
Mara. Maar ook in Nederland, wat betekent dat? De lezer ziet een zintuiglijk
gewelddadig denkproces. Hij leest in de groeiende barsten van de krater een
onheilspellende voorspelling. Alsof de wereld ieder moment de draaikolk kan worden
ingezogen.
Dommelend op de schommelende kamelen trekken de krijgers verder. Slapen kan niet, ze
zijn op de vlucht. De zurgas en runderen volgen elkaar in golvende lijn. De stappen
verstillen in de dekens rond de voeten en hoeven. Hilal tuurt even achterop, naar een
stofwolk zwarter dan de nacht. Hij opent een zakje aan een touw rond de nek, neemt wat
gezegend zand op de vinger en gooit het in de tegenwind. De zurgas naderen, fluistert
hij, ze zijn nauwelijks op een dag reizen. De woestijn wordt kleiner, niet groter dan een
knikker. De Aarde is een zenuw, die spastisch beeft in ieder oog.
Op de kam van een duin bestudeert Hilal het lager gelegen kamp. Tienduizenden zijn er
heen gevlucht, op zoek naar voedsel en bescherming. Verderop verwijderen enkele
vrouwen zich van de laatste tenten. Ze snellen naar een paar droge struiken, breken er
de takken af en bundelen ze in hun hoofddoeken. In Mornei is er geen beestenmarkt
meer, besluit Hilal, de zurgas hebben de stad reeds in handen. Hij schermt de zon af met
zijn hand, en volgt de terugkerende vrouwen. We zullen hen opwachten achter de
volgende duin.
Hij legt de geoliede Kalashnikow op de schoot en volgt met de vinger de namen op een
verfomfaaide kaart. Vanuit dit perspectief staat alles centraal. Het lijkt allemaal te
omsingelen. Niemand, zegt Hilal, niemand heeft het vermogen alles te bedenken. Maar het
komt allemaal uit onszelf. Het is het zand van ons verstand, het drijfzand waarin we
langzaam zinken, tot we vast komen te zitten en in eigen structuur verstikken. Hij plooit
de kaart weg. Het is beter om jezelf te veroveren, zegt hij, dan is de overwinning
tenminste de jouwe.
Djabel Mara torent een eindeloze schaduw over de vlakte. De flanken bloeden gloeiende
aarde. De wolken kolken grijze as. De horizon is een diep purper. Nog steeds feesten
kraaien op al dat mensenvlees. De lezer luistert naar hun gekrijs. Het valt niet te
definiëren, maar als hij het hoort, weet hij wat het is. De naïviteit is verloren. Hij vreest,
hij vraagt, hij verlangt naar een pijnstillende stilte. De kraaien krassen verder. Ze
vliegen in grote cirkels om hem heen. De vleugels wieken traag, de snavels scherp, de ogen
diep blauw, de volle maan een reflectie. De uitgestrekte vlakte van zijn eenzaamheid
spreekt, kleurloos en zonder vorm, zoals de mens het nooit verwoord.
Hilal zit gekneveld tegen het zadel van zijn kameel. Op staken steken de afgehouwen
hoofden van zijn krijgers. De zurgas verkrachten de vrouwen die Hilal gevangen had
genomen en doven sigaretten op hun borsten. Ze onteren zelf hun eigen ras, fezelt hij,
wat zijn dit voor beesten? Hij kijkt hard voor zich uit. De vrouwen kermen, verdwijnen
onder de lichamen, met spartelende benen en klauwende armen. In de ruggen van de
zurgas trekken de nagels rode striemen. Tot de slachtoffers plots berusten, verlamd
zachtjes jammeren en hun belagers hen het hart en hoofd leeg laten pompen.
Ze slaan Hilal met de kolven in de nieren en op de ribben. Ze binden hem achter een
kameel en slepen hem honderden meters over de vaag roze rotsige bodem. Zijn haren
kleven in het bloed, de witte tulband ligt als een lang paradetapijt over de gouden
woestijn. De zurgas lachen hun tanden bloot, ze spuwen wat qat, ze snuiven met
opengesperde neusgaten de geur van zijn angstige ogen. De wind golft met de witte
tulband, als een kronkelende slang. Hilal grijpt naar de linkeronderarm, hij voelt een
scherpe beenpunt door de spieren steken. De pijn vierendeelt hem.
De Iranese Hoge Raad weigert het zonet afgesloten akkoord over de stopzetting van
plutoniumverrijking te ratificeren. Mumad Abbas, de nieuwe leider van de Palestijnen,
ontsnapte ternauwernood aan de doooooooo. Met de punt van de fijn bewerkte dolk vijst
een Bantu Afrikaan het deksel van de kleine radio. Met een klik duwt hij de hendel uit
het doosje. In de groeven tussen de schroeven steken een paar zandkorrels. Hoe kunnen
die zo klein alles het zwijgen opleggen?, vraagt hij zich af en wrijft met een flap van
zijn camouflagevest de bout schoon. Desillusie volgt. Hij steekt de hendel terug, maar de
radio werkt niet meer en wordt achteloos achtergelaten.
Als je kwaad moet spreken over iemand, spreek het dan niet uit, maar schrijf het in het
zand van de woestijn. De woorden zullen er blijven liggen zoals gebleekte beenderen dat
doen. Tot een archeoloog uit het Westen ze opgraaft, afstoft, ontcijfert en voor de
gehele menselijkheid ten toont stelt als iets precieus en unieks. Hilal lacht de lezer
geheimzinnig toe, sympathisch, emfatisch. Hij sluit even de ogen, hij rust even uit. Ik ben
een zandkorrel, bekent hij, ik ben de originele betekenis van het leven.
De Bantu Afrikaan stapt kordaat op Hilal af, grijpt hem bij de lange haren en steekt hem
het staal in het strottenhoofd. Hilal grijpt en probeert de stroom te stoppen. Hij valt op
de knieën en rochelt bloed zonder stembanden. Hij rolt tot aan de rand van een rots en
blijft liggen. Zenuwen in de benen trekken nog even na. De Bantu Afrikaan zaagt hem het
hoofd af.
De lezer wendt de blik af. Met gruwelijke weerzin perst hij de ogen dicht. Nog even
dansen rode cirkels, kolkt het inwendige vuur. Alles wordt duister. Djabel Mara, de
vulkaan met duistere adem, die de tijd tergend traag heeft uitgegraven, barst open. De
lezer opent opnieuw de ogen. Op het scherm pinken de emoties nog na. Hij hoort het
ondraaglijk krijsen van een ziel, diep in de krater. Door het open raam klinken de eerste
schoten en drijft er een penetrante zoete geur naar binnen. De desolate wind slaat hem
hard in het aangezicht.

Lees nog meer verhalen van deze auteur op deze site : klik hier!

(geplaatst op 13-12-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.