Een kortverhaal van EWALD STALS (2)

HET DING DAAR BENEDEN

Enkel mijn bewustzijn weet te verwoorden wat ik te vertellen heb. Ik weet hoe de
woorden in de juiste volgorde te plaatsen. Maar ik snap niet wat ze voorstellen. Ik heb
ze gehoord, geleerd en gaandeweg weten te manipuleren. Meer dan woorden zijn het
echter nooit geworden. Verder liet mijn werkelijkheid het gebruik ervan niet toe.

Bijna altijd verblijf ik in de grootste van de smalle, lage, kamers. Ik lig er op het stro,
onder de gasverwarmde droge hitte en het monotoon geluid van de brander. Tussen hen
die met mij dit schurftig hol delen. Tussen hen van het glibberige schuimige afzichtelijke.
Zij, de ratten, met hun piepend sarcastisch gegniffel, die net als ik de enige warmte in
dit labyrint komen opzoeken, er hun jongen werpen en in en op elkaar toeschuiven. Tussen
hun holen van krantenpapier en de gistende aardappelschillen die men ons voedert, voel ik
hen. Vooral dat, dat voelen, van de stugge haren, van de horror als de koude, naakte,
haast dode staarten tussen de plooien van mijn huiver glijden. Ik voel hun tanden
vlijmscherp opzetten in een samengebundeld nader ritselen als ik te moe ben om hen
langer van de beste en warmste plek weg te houden. Altijd, net voor het fataal
indommelen, heb ik de laatste levensmoed, om, ontdaan van elke waardigheid, naar een
andere hoek te kruipen. Doorheen hun honend gepiept lachen, voel en vloek ik traag in
mezelf elke lettergreep van het volgend ontwaken, de regelmaat daarvan veroorzaakt
door het schluppend en ploffend geluid uit de getraliede voederbuis in de hoek van het
plafond. Het ontwaken, het moment waarop ik tussen de ratten duik, vlug enkele handen
vol schillen tussen mijn armen afscherm en de pijn verdraag van hun beten zolang ik het
eten naar binnen duw. Elke keer dat ontwaken, wanneer mijn woorden weer bewust
worden, wanneer ik voel dat ik het ding hier beneden ben.

Ik hoor het gestommel daarboven. Ik voel de vibraties, anders dan mezelf. Het heeft iets
vrolijks, en soms iets dat op de lachende gekte van de ratten lijkt. Het zijn vier
verschillende toonaarden. Soms allemaal aanwezig, soms in paren en af en toe een enkele
alleen. Eén van de vibraties heeft iets hoogs en schrils, zoals wanneer ik in mezelf
gekeerd wegkruip van de ratten en me verberg in het donker koud hoekje, ver weg van de
gasbrander. De andere is veel lager, is agressief, zoals wanneer ik me op de ratten stort
en mijn deel van de aardappelschillen opeis. De laatste twee zijn veel minder aanwezig,
en ook veel zwakker. Als ze zich dan mengen, worden ze algauw tot stoppen gedwongen.
Waarop de twee eerste dan schril en laag, hard en penetrant, woest tegen elkaar
opbotsen.

En zoals met alle andere woorden, heeft het lang geduurd om te bevatten wat die
vibraties inhielden. Maar nu weet ik dat dit mijn familie is. Ongewild hebben ze het me
duidelijk gemaakt, juist door die vibraties. En door de aardappelschillen. Uiteraard! Het
luik wordt geopend, en ze schuiven schluppend naar beneden. Waarop de lage vibratie
begint te vloeken en gebiedt daar mee op te houden. Om vervolgens weerwerk te krijgen
in schrille, hoge tonen. Nooit! Het is en blijft deel van de familie! Het kan er ook niet aan
doen dat het is zoals het is. Maar het is en blijft familie.

Ik weet niet waarom ik ook familie ben. Ik weet niet waarom omdat ik nog te weinig
woorden kreet. Ik kreet en weet enkel wat ik tot nu uitkrijs. En ik voel in de vibraties
van hierboven dat er meer kreten bestaan. Het moet zo. Want blijkbaar weet ik nog niet
genoeg om bij hen daarboven te mogen zijn. Blijkbaar ben ik het niet waardig om ook de
werkelijkheid van die woorden te beleven. Ik ben opgesloten, hier beneden, waar het
altijd duister is in de gasvlam van de brander en alles op de tast wordt begrepen. Ik kan
het enkel voelen. Al weet ik evenmin wat voelen echt inhoudt. Het is een woord en ik
gebruik het veel. Dat is het enigste dat zeker is.

Rat! Dat was de eerste kreet die ik uit de wereld hierboven vernam. Waarover ik met
zekerheid wist dat ze bedoelen wat ik voel als ze het uitschreeuwen. Rat! Ik hoorde het
hen gillen alvorens ze het langs de voederpijp naar beneden gooide. Het ding kwam er
vast te zitten tussen de tralies, gorgelde en beet me in de vingers toen ik absoluut wou
weten wat die ijzige kreet betekende. Ik voelde de stugge haren, voelde het spartelende
lijf en de herkenbare beet. Rat! Rat! Rat! Ik begon de kreet te schreeuwen, steeds
harder, met een soort toonaard waarin ik hoop legde, de hoop dat de familie daarboven
zou verstaan wat ik bij elk ontwaken meemaakte. Ik brulde. Ik sprong en stampte. Rat!
Rat! Rat! Tot ik schor en huilend tussen die dingen neerstortte. Tot de familie gehaast en
verrast de pijp afsloot.

Rat, ik wist nu wat. Rat! Ik sprong en stampte elk ontwaken meer van hetzelfde, tot
zelfs het gestommel voor lang ophield. Alsof ze zichzelf verborgen. Alsof ze het
ontkenden dat ik iets kon opmaken. Het kan niet, hoorde ik in lage, barre tonen. Laten we
gaan kijken, werd er hoog en schril geschreeuwd. Nee, en nog eens nee! Het moet daar
beneden blijven! Wat wil je dan bewijzen? Dat het kan verstaan!? Het kan niet verstaan!
Dat heb je toch ook gezien?!

Het was vreemd. Het gestommel had opgehouden op het moment dat ik het wou
aanmoedigen. Dit kon niet kloppen. Ik voelde aan de vibraties dat het elkaar tegensprak.
En ik werd stil. Ik rilde. De familie liet mij hier tussen de ratten, en ze wisten hoe
verschrikkelijk die rat wel was. Ze zwegen. Zelfs de ratten zwegen. Even. Toen
begonnen ze weer te gniffelen en dichterbij te kruipen.

Wat was ik? Ook een rat? Nee, ik bevoelde me. Ik had niet die stugge haren. Ik had
evenmin een onderkoelde staart. Ik was eerder helemaal zoals de staart. Kil en glad. Met
af en toe slijmerige gaatjes en enkele lange uithangels waarmee ik over de vloer kon
schuiven, waarmee ik de ratten van me afhield. Nee, ik was geen rat. Ik was iets anders.
Want ook mijn kreten waren anders. Die leken op degene die van de familie kwamen. Een
rat kon rat niet kreten. Die gniffelden enkel. Nee, ik voelde wat de familie voelde als ze
de kreet rat uitschreeuwden. Ik huiverde in dezelfde tonen, vibreerde en voelde me
bedreigd. Waarom ben ik dan hier? Waarom willen ze het niet voelen dat ik evengoed
huiver van de ratten? Ik moet beter leren kreten.

Lang had ik vele kreten die ik zomaar door elkaar krijste. Familie, medelijden, herenhuis,
frieten, schijnheiligheid. Zonder ook maar een verband te kunnen leggen. Laat staan de
volgorde. Ik kroop dicht tegen de tralies aan en luisterde naar de vibraties. Ik
probeerde. Ik combineerde. En als de hoge schrille kreet dan schreeuwde, zie je wel,
hoor je dat, dan wist ik dat ik iets correct had uitgeschreeuwd. Dan kletterde er borden
op het plafond van mijn kille vochtige kamers. Dan hoorde ik gestommel en later gehuil.
Waarop er nog meer gestommel volgde. Tot er een harde klap kwam en het na troostende
trillingen van de schrille hoge stem, stil, weer heel stil werd. En ik riep opnieuw, familie,
medelijden, herenhuis, frieten en schijnheiligheid. Hou op!, vibreerde het. En ik riep hou
op!, hou op!, hou op! Doe het dan!, werd er nog luider gevibreerd. Doe het dan! Doe het
dan! Hou op! Familie, medelijden, herenhuis, frieten en schijnheiligheid! Stop! Stop! Je
kan niet spreken. Dat is onmogelijk. Stop! Stop! Frieten, medelijden, hou op, je kan niet
spreken. De hoge schrille vibratie begon nog harder te krijsen. Hoor je, vibreerde het,
hoor je, dat is de deur, en nu gaat de deur dicht.
Als de deur hard wordt dicht geslagen, weet ik dat er geen vibraties meer kunnen zijn.
Deur, ik weet dat woord, ik ken haar kreet. Ze is heel specifiek. Dan dommel ik in met
mijn gezicht dicht tegen de tralies gedrukt. Tot de ratten me verjagen naar de koudste
hoek en ik pas weer ontwaak als het luik voor de voederbuis wordt weggeschoven en de
aardappelschillen met een schluppend geluid naar beneden schuiven. Dan kreet ik weer.
Rat, hou op, familie, medelijden, herenhuis, frieten, schijnheiligheid. Opnieuw en opnieuw!
Waarop er gestommel volgt en de deur kreet en het stil wordt.

Ik weet nu dat ik dan niet kan kreten. Ik hou mijn hoofdje tegen de tralies gedrukt en
wacht tot de deur weer kreet. Maar op een keer hoor ik iets anders. Niet de kreet van
de deur, maar de schrille hoge vibratie. Goed, hoor ik zeggen, dat is ophouden, dat is
zwijgen. Zwijgen, hou op, rat, kreet ik. Nee, nee, kreet de schrille stem. Zwijgen is
zwijgen, zoals dit. En er volgden geen kreten meer. Rat, hou op, familie, medelijden,
herenhuis, frieten, schijnheiligheid, zwijgen, zoals dit. Opnieuw en opnieuw. De deur
kreet en ik druk mijn hoofdje tegen de tralies van de voederbuis. Ik wacht, en al volgen
er geen vibraties, ik voel iets. Ik voel dat de hoge schrille stem iets heeft gevoeld. Dat
er iets anders was in de vibraties. Iets waar ik nog geen woord voor had. Maar het gaf
me een vreemde vibratie, iets dat één van mijn openingen in mijn kale, kille oppervlak
deed krullen. Ik lachte, nu weet ik dat ik lachte.

Zwijgen is een vibratie waarop geen vibraties volgen. Het is als de deur kreet en dan
zwijgt ze. Het is als de lage harde stem kreet en dan zwijgen de drie anderen. Het is als
er hard gestommel op het plafond is en dan stopt het. Zo ben ik kreten in de juist
volgorde beginnen zetten. Toch zijn er nog vele kreten waarvan ik niet weet hoe ze met
elkaar in verband te brengen. Woorden zoals waanzin, idioot, mutatie, frustratie, zien,
daglicht, kleuren, muziek, mensen, menswaardigheid, dood. Ik kreet ze al zo vele malen, ik
kreet ze in combinatie met andere en voel dat het niet goed is. Hou op! Zwijg! En
gestommel en weer de deur die kreet.

Het was een voortdurende pijn ze niet te kunnen kreten zoals het zou moeten aanvoelen.
En erger! Het waren de kreten die ik na elk ontwaken voelde. Steeds vaker. Steeds
intenser. De diepe lage vibratie, vooral die, gebruikte die woorden. En met die vibratie
heb ik nog nooit iets kunnen voelen. Met die vibratie kan ik niet lachen. Ze is als de
ratten. Ze heeft niks voelbaars gemeen met mij. Wat ik schreeuwde, was voor de lage
harde vibratie enkel wartaal, dat was het woord dat hij gebruikte. Wartaal van een
mutatie, en jij blijft dat ding aardappelschillen geven. Ik vraag me af wie hier
onmenselijk is! En hij probeerde de andere vibratie te laten zwijgen. En ze botsten op
elkaar, en meestal eindigde het met snikken en snotteren van de schrille hoge stem.

Ik voelde niks voor de lage, diepe vibratie. Ik voelde hem gemeen, net zoals de schrille,
hoge dat voelde en vibreerde. Voor haar voelde ik iets anders. Ik voelde alles wat de
diepe, lage vibratie niet van haar vond. Kreng, teef, onwaardig, moeder van een monster,
zwak, huilerig, slechte frietenbakster, geen wonder dat onze frituur er steeds maar
achteruit op gaat. Zo noemde hij haar. De deur kreet en de schrille, hoge, zakt op de
vloer, blijft er liggen en begint te huilen. Hou op, kreet ik, hou op, en ik druk mijn
hoofdje tegen de tralies van de voederbuis.

Het vreselijke van wat ik ben, werd me duidelijk. Al was ik geen rat, ik werd wel als één
aangevoeld. Ik werd door de lage harde vibratie als één behandeld! Hoe kon het! Rat is
alles wat ik verafschuw! Hoe kon die vibratie me zo aanvoelen dat ik slechts een rat was!
Hoe kon de vibratie het uitkrijsen! Terwijl ik het ben, het daar beneden. Hoe kon de
vibratie me laten voelen zoals wanneer ik het gevoel uit het pruttelend lijf van een rat
trek. Als ik kreet en tussen de ratten razend klauwend schoppend tekeer ga.
Schuld! Het is zijn schuld niet! Roep ik, nadat de schrille hoge vibratie me het voordeed.
Haat! Haat! Ik haat het! Herhaal ik de woorden van de lage, harde vibratie. Zwijg! Hou
op! Hou op! En de deur kreet en het wordt stil. En ik druk mijn hoofdje tegen de tralies
van de voederpijp. Dan gaat het luik open. Maar er volgen geen schluppende schuivende
aardappelschillen. Ik voel de schrille, hoge stem. Hallo, vibreert het trillend en onzeker,
ik ben het, je mama. Hallo, vibreer ik het na. Hallo, hallo, ik ben je mama. En het luik
schuift weer dicht. Ik hoor gestommel en dan zwijgen de vibraties. Ik val in slaap. Als ik
ontwaak, schuiven de aardappelschillen schluppend naar beneden.

Hallo, volgt er op, ik ben je mama. Mama, herhaal ik, mama, mama. Het is al goed, weet je
wat beloven betekent? Mama, mama, herhaal ik. Stop, zegt de schrille hoge stem. Stop!
En ik stop. Goed. Hoor je dit, mijn stem? Herken je ze? Stem, herken je ze, herhaal ik.
Ja, mijn stem, zeg enkel iets als ik alleen ben. Als de andere stemmen er ook zijn, hou je
op, zwijg je. En het luik ging dicht. En ik hoorde de deur kreten en dan de andere stem,
degene die ik lage diepe vibratie had genoemd. En ik lachte. En ik zweeg.

Daarna ging het steeds beter. Ik zweeg als de diepe lage stem er was, of de twee
zwakkere, en sprak met mijn mama, als ze alleen was, met het hoofdje dicht tegen de
tralies gedrukt. Ik was dood, zei ze hem, en de diepe lage stem zei dat het zo beter was.
En dat was het. Mijn mama wacht tot de deur kreet en ze alleen was. Ze vertelde, ze
leerde me woorden en we lachten. Over zee en zon, verlangen naar vrijheid, ze sprak met
liefde over liefde. We huilden. Ze noemde me haar lieve kleine jongen. Ze beloofde me
me op een dag naar boven te halen. Maar ik moest nog wachten. Tot ik alle woorden
kende, tot ik klaar was voor de werkelijkheid. En ook hij, de diepe, lage vibratie, ook hij
moest er klaar voor zijn. Tot dan moest ik zwijgen, ophouden, stoppen en dood zijn.

Boven lachten ze ook steeds meer. Ik luisterde en zweeg. De zaken gaan weer goed, zei
de diepe lage stem. Zo goed dat we weldra kunnen uitbreiden. Ik heb altijd gedroomd van
een frituur met enkele zittafeltjes, misschien kunnen we biefstuk friet serveren, of
mosselen natuur, stoverij zoals mijn moeder ze maakte. En hij lachte en zei dat hij altijd
al gelijk had gehad. Dat je af en toe het verleden moet afbinden om van de toekomst te
genieten. En mama knikte en ik voelde haar bezorgd vibreren in de ruimte boven me. En
ik ook, ik voelde me ook bezorgd, net zoals zij, al wist ik niet wat het precies betekende,
om bezorgd te zijn. Ik voelde het wel. En ik zweeg en ik luisterde naar de woorden, dicht
tegen de tralies gedrukt.

Het ging te goed. Hoe meer frieten er werden verkocht, hoe meer aardappelschillen er
waren, hoe meer ratten ook. Ze werden vetter, agressiever, vermenigvuldigden zich en
drukten me steeds meer in de donkerste, kilste hoek. De situatie werd onhoudbaar.
Honderden waren het er nu. Ik stond vol beten en die verzweerden. Ik verzwakte en
kreeg het steeds lastiger om mijn portie schillen te bemachtigen. Nog even en ze zouden
me voorgoed stoppen, zwijgen en dood maken.

Maar ontsnappen kon niet. Ik had het mama gevraagd en ze zei dat ze het niet wist. Het
was de lage, diepe vibratie die me hier had opgesloten, zei ze. Hij had het gat
dichtgemaakt, waarschijnlijk met stenen. En ze zocht wel naar een manier, maar het leek
onmogelijk. Bovendien was ze bang, heel bang, van de vibratie, van alles. Zwijg nu maar,
maande ze aan, en ze sloot de voederpijp. Boven was er gestommel, de deur gaf een kreet
en daar was de diepe, lage vibratie. Hij deed de twee zwakkere vibraties zwijgen en dan
ook de schrille, hoge van mijn mama. Rust had hij nodig, rust en stilte. Hij had hard
gewerkt, de klanten waren lastig en de prijs van het vet was alweer omhoog gegaan. Hij
bladerde even in een tijdschrift, zei dat hij zich morgen een sportwagen ging kopen en
viel in slaap. Mama maande de twee zwakkere stemmen nogmaals tot stilte aan.

Het was vroeg op de avond toen de ratten blijkbaar besloten tot de finale aanval over te
gaan. Allen tegelijk nu kropen ze gniffelden op me af. Ik smeet met alles wat ik vond,
vocht met de laatste krachten, maar werd algauw verdreven naar de donkerste en kilste
hoek van de kamer. Ze beten me in lijf en aangezicht. Ze overrompelde elkaar om maar
even in mij te kunnen happen.

In mijn wanhoop zag ik nog maar één uitweg, ik riep om mijn mama, al wist ik niet of ze
wel alleen was. Ze was het niet. Het werd even stil daarboven. Daarna begon de diepe
lage stem te schreeuwen, harder en bruter dan ze ooit had geschreeuwd. Wat, het leeft
nog! Het noemt je mama. Jij vurte teef. Wat heb je gedaan!? Je hebt gelogen! Jij vuile
hoer! Jij sloerie! Hoe kan je mij dit aandoen!? Ik hoorde gestommel en borden en kaders
en alles spatte in het rond. Ik hoorde gehuil en gesmeek en de diepe, lage stem kreeg iets
ongecontroleerds. Ik voelde die kwaadaardige vibratie tot in mijn vingertoppen en tenen.
Jij vurte teef, herhaalde hij, jij vuile vurte teef! Toen waren er drie knallen. En de echo
ervan. Dat zal je leren, teef, nu heb je niks meer, geen kinderen en geen monster. De
vibratie hikte lachend ongecontroleerd. Ik had dit jaren geleden moeten doen, ik had je
moeten afmaken het moment nadat je dit monster had gebaard. Maar nee, en dit is wat ik
krijg voor al de liefde die ik je al die jaren heb geschonken. En er volgde nog eens drie
schoten.

De deur uitte een vreselijke schreeuw. En even later opnieuw. Dan gestommel. Toen ging
het luik open. Een vloeistof gutste door de voederpijp. En daarna een vlam, net zoals die
van de gasbrander. De kranten vatten vuur. De ratten begonnen te krijsen, het gegil was
verschrikkelijk. Ik kroop nog verder weg. Maar de ratten hadden al opgehouden me te
bijten.

Zij hebben het vuur gedoofd. Met honderden zijn ze in de vlammen gesprongen. Tot ze
het verstikten met hun eigen levenloze lichamen. En de rest heb ik afgemaakt, de jongen
die diep in een andere hoek waren weggekropen.
Toen ging ik zitten nahijgen, en later ben ik opnieuw met mijn hoofdje tegen de tralies
gaan drukken. Niks, ik hoorde niks en viel uiteindelijk in slaap.

Ik ontwaakte voor de eerste keer zomaar zonder het openen van de voederpijp, zonder
dat er iets schluppend naar beneden schoof. Het bleef stil. Ik doodde nog een paar
ratjes en toen was ik zeker, ze zwegen allemaal. Ik wachtte. Na nog eens te ontwaken,
zomaar, hoorde ik het schuifelend kruipen over het plafond van de kamer. Traag.
Onregelmatig. Dan stopte het. Dan begon het opnieuw. Traag en schurend over het
plafond. Alsof iets zich voortsleepte. Ik hoorde geklop. Een vibratie op het plafond. Het
stopte. Het begon opnieuw. Geklop, geschuifel. Het luik van de voederpijp ging open. Een
reutelende adem. Hortend, onregelmatig.
“Mama?”, vroeg ik. “Ben jij het mama?”
“Het is… je… papa”, hoorde ik de diepe lage stem steunend fluisteren. “Je mama… me…
geschoten. Ze… probeerde… vermoorden. Help me… help me!”

Ik voelde hem, zoals ik me vaak had gevoeld. Woordeloos. Onwerkelijk. Doordrongen van
die pijn. Wanneer ik wou krijsen en niks kon bedenken dat met het gevoel enig verband
hield. Zo bewust van die onmacht, zo onmogelijk het te bevestigen. Ik voelde hem, hij
leek op mij, hij praatte zoals ik, niet in staat de woorden te controleren, niet in staat ze
in de juiste volgorde te plaatsen.

“Help me!”, herhaalde ik. “Help me.”
“Brander… ”, zei hij kreunend. “Gat… haast je… haast… je.”
“Help me!, herhaalde ik. “Help me.”

Het bleef stil. De vibratie van de lucht, versterkt door de voederpijp, deinde langzaam
uit. Tot het voorgoed stil werd. Ik drukte m’n hoofdje tegen de tralies en herhaalde het
nog vele malen, het woord dat ik nooit had begrepen, het woord dat ik al die tijd gezocht
had, dat ik zal uiten tot er geen aardappelschillen meer zijn.
“Help me! Help me!”

Lees nog meer verhalen van deze auteur op deze site : klik hier!

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.