Een kortverhaal van EWALD STALS

ARBEID BEVRIJDT !

Ondertussen ben ik in mijn normaal leven gebleven. Ondergedompeld in de noodzaak en
de sleur van het dagelijkse bestaan. In de buurt van Gent labeur ik in een vleesfabriek.
Worsten draaien met een vulbus. Porties van 200 kg. Dag in, dag uit, vroeg gewekt door
de waanzin van een wekker. Een tas thee leeggulpen, een banaan meenemen en in de regen
staan liften; want een wagen kan ik mij niet permitteren. Ik recht de schouders en steek
mijn duim omhoog. Een Ford Capri met blote tietenstickers stopt. Een groezelige kerel
opent de passagiersdeur en neemt me mee. Het voos namaakleder in de zetels lijkt wel
zaadresistent. Ik antwoord kort, zwijg voor het merendeel. Hij laat me eruit aan de
spoorweg. De poorten worden nu elke minuut groter. De huiver dieper. De spanning op
mijn breekbaar leven ondraaglijker. Ik voel me alweer een complete mislukking. Ik
verbaas me over de feiten, dat ik zonder dat alles erop en eraan, dat ik het misschien wel
zou kunnen verdragen. Het is al dat gedoe dat me teveel wordt. Al het mierengewriemel
en het niets dat er door bereikt wordt. De tredmolen, de gemiddelde nul van alle
menselijke beslommeringen, onbenulligheden en drogredenen. Op wat voor manier, dat is
de uiteindelijke vraag.
Ja, ik heb de job, ik kan het nog in deze maatschappij. Blind, doof, ontmand. Het systeem
blijft rollen. Dat is alles. Ik hoef me er niet gelukkig of ongelukkig om te voelen. Het zal
niks uitmaken. Het werk start. Hoe dan ook! De bullebak van een ploegbaas komt er aan.
Hij klaagt en zaagt al voor mijn overall dicht is. Dat omhooggevallen ingenieurtje met
twee linkse gemanicuurde handen aan zijn vadsig lijf. Hij hoeft niet vettig vuil onder de
douche te kruipen en er uren het varkenszwoerd uit de oren staan pulken. Hij hoeft zich
het vel niet van de armen te krabben. Armen met pijnlijke zweren, etterende wonden en
gistende kloven.
"Luister goed," brult hij door het geknal heen, "het regent klachten over jou. De
productie daalt gestaag. Dat moet gedaan zijn. Ik heb genoeg geduld gehad. Zie je die
stapel vlees? Dat is de normale hoeveelheid die elk redelijk mens per dag kan verzetten.
Wel... begin er maar aan, als je het niet haalt, hoef je morgen niet terug te komen."
Ik begin, samen met het geluid van duizend opstijgende vliegtuigen. Ik pers, ik draai, ik
bloed en verkramp. Mij oren koken. Mijn rug breekt. Na vier uur is er een korte pauze...
halverwege de stapel. Ik zal het halen, fezel ik. Al weet ik ook niet waarom ik het haal,
nog minder waarom ik het wil halen. Dat heet dan gelukkig zijn? Al die heisa, minuut na
minuut, uur na uur, dagen en maanden. Geen tijd om te pissen. Geen tijd om te denken.
Enkel met het idee in een lus om het hoofd ronddraaien. Enkel met de hoop tussen de
schokken van de machines door, met de hoop dit enkel voor vandaag te beëindigen. Hoe
blij iedereen wel zal zijn, hoe blij dat we het andermaal 9 uur volhielden. Naarmate het
later wordt nestelt zich de gore opmerking dat dit uiteindelijk nog slechter kon; dit
evolueert in het laatste half uur naar een opwelling dat dit feitelijk nog niet zo slecht is;
om bij het laatste signaal de euforische wanstaltige proporties aan te nemen... dat dit  
een werk is met zin... dat dit zelfs nuttige inbreng is in de vooruitgang van de mensheid.
Ondanks al de psychologie, elke dag, verzieken en kraken, om op het einde van de week
gesust te worden met een poot zout en wat kralen. Ik schrob, ik schuur en veeg de
vetresten bijeen, kap ze in de vleesbak en doe mijn vest aan. Dezelfde ingenieuse drol
wandelt op me af, nu één en al vriendelijkheid.
"Proficiat, je hebt het gehaald... zie je... als je het wil, dan kan je het... morgen weer
present?"
Ik knik beschamend. Zelf als ik ooit besluit niet te komen, zou ik hem dat nooit
verklappen. Dit zou mijn kleine revolutie zijn. Dit zou hem tenminste voor één dag aan
die dampende vleesmolen vast kluisteren. Of toch enkele uren, alvorens de
opgetrommelde interim opdaagt, zwetend en zonder een idee van wat hem te wachten
staat. Ze krijgt haar veiligheidsschoenen, twee minuten uitleg en nog even blijft de
ingenieur toekijken. Daarna verdwijnt hij met het beste excuus… nog veel bureauwerk,
nog veel achterstallige cijfers. Daar gaat hij. Geel van de stress, de
verantwoordelijkheid en mijn onverantwoord gedrag. Zelfs hij, dat ingenieurtje,
vrijgezel, geïsoleerd in en met de middelmaat geconfronteerd. Met het niks bijzonder in
zichzelf, zelfs hij, zijn drukke dagen en eenzame avonden, zijn dagschoteleten, zijn reeds
vergane glorieloon, gegrepen door de alles stukmalende, schuimbekkende eentonigheid van
de onvoldoening, van de bekrompenheid van zijn werk en alle stukgemalen ambities
eromheen. Zou hij niet, ondanks al de onbetaalde overuren, van plan zijn iets te gaan
betekenen? Ging hij geen faxbare hotdogfoto’s uitvinden die opgelost in water en
opgewarmd in de microgolfoven nog best te vreten vielen? Wel hoe zit het ermee,
mijnheer de worst?
Ik ben al tevreden met de wind in de rug. Ik haal mijn kamer, mijn opgewarmde brok
voedsel en ben enkel 9 uur nutteloosheid dichter bij mijn dood. Als alles leeg gezopen is,
zit ik op de rand van het bad te staren naar de roze babyzeep zonder traantjes. Er is
een waas, een blackout, tot ik terug wakker schrik in een Iers café. Ik blijf er rode wijn
bestellen, tot het kotsen in de vrouwen-wc. Angstig omdat ik bloed, omdat ik een vrouw
ben met maandstonden en mijn mond een vagina is geworden. Een zeer mannelijke
buitenwipper gooit mij in de goot. Het sneeuwt in de straten van Gent. Ik waggel door de
grillige, donkere straten. Ik zijg neer op een bankje langs de kant van een basketveldje.
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en volg het voetspoor in de sneeuw... diagonaal tot waar
ik zit. Het is allemaal jammer. Het is kauwgom zonder smaak.
Mijn ribben doen dagen later nog zeer en het hoofd staat ‘s morgens vol blauwe plekken.
Ik herinner me vaag dat ik trachtte op de ingang te mikken en tegen de deur liep. Er
kleeft bloed op mijn kussenovertrek. Ik heb een koppijn groter dan mijn schedelomvang.
Ik hang lange minuten boven de lavabo slijm op te gorgelen. Hoesten en proesten.
Verschrompeld. Tergend. Onder de oude verschoten en opgelapte slaapzak luister ik naar
het gesis en gedrip van de lekkende verwarming. Ik sidder. Ik griezel. Kan het nog? Ja,
want ik vind steeds opnieuw troost in het feit dat er geen andere mogelijkheid bestaat.
Dat is de realisatie van de werkelijkheid. Want als ik dan nuchter ben, word ik
geconfronteerd met de angst, met de onmogelijkheid, met het feit, met de maatschappij
en mijn kamer. En de wekker wekt me opnieuw voor de volgende portie waanzin. De
vroege shift. Zo gaat dat maar door, zelfs nadat ik de tel van de jaren kwijt geraak.
Op vrijdagavond ga ik op jacht naar makkelijk vrouwelijk vertier… en vind het meestal
nog ook. Ik stel niet veel eisen. Goed ik ontdek een verlepte teef die mij meeneemt naar
haar woonwagen. We zuipen. We neuken. Ik lik aan haar zure, vette, geblondeerde pruim.
Met haar benen in de lucht en drie uitpuilende vleeskwabben ergens tussen de smerige
lakens. Ik lach en zij lacht en wij lachen samen en ze toont me hoe ze een sigaret kan
roken door die in haar achterste te steken. We lachen nog meer. Drinken nog meer. Ik
sluit de ogen. Beloof dronken dat ik haar gelukkig zal maken.
"Hoe zou jij dat kunnen? Hoe zou jij me gelukkig kunnen maken?"
"Nou gewoon. Ik koop een huis, je weet wel, in één van die grootschalige projecten. Alles
netjes hetzelfde, 6 op 10 meter. 72 % van de grond voor het huis. Een living van 3 op 4,
twee slaapkamers, een badkamer. Met een keuken die uitkijkt op de tuin; zodat je mijn
spelende kinderen in het oog kunt houden. Een vloer van asfalt en schuimrubber, muren
van composietmateriaal en waaihout. Woensdagnamiddag ga jij met de kleintjes en
duizend andere gelukkige moedertjes zwemmen in de kom. Je doet onze boodschappen in
het annex winkelparadijs. Dat alles voor nog geen luttele 30000 euro! Zonder last van de
negers, de Turken en Marokkanen, want daarvan mag er zonder uitzondering geen enkele
van naar binnen. Als we ons haasten krijgen we er nog een tv en wasmachine bij. Voor de
rest houden we onze mooie mond, net zoals de 82000 egale anonieme buren in de 17000
andere prefab -blokjes in Legoland. Goed, na twintig jaar maken ze me onderchef van de
afdeling worstendraaierij, op 55 ga ik! met brugpensioen en leggen we ons in
Blankenberge op het strand naar het jonge flirtende leven te kijken. Ondertussen blijf
jij wroeten als dienster in de havenkroeg waar ik je vanavond vond. Je kan er
waarschijnlijk met korting ons trouwfeest geven. 's Avonds drinken en neuken we. Om de
twee weken gaan we op bezoek bij je ouders."
We houden elkaar vast en even lijkt het erop. Ik pak haar nog eens langs achter en spuit
het zaad tot diep in haar dikke darm. Daarna vallen zij en ik in zwijm. En dat tot laat in
de volgende middag. Terwijl ze nog slaapt, snuister ik door haar kamer, snuif in het stof
van haar leven. Ik bekijk de foto's op het dressoir, de rekeningen tussen de pakjes
sigaretten, de resten fluo-oranje spaghettisaus in een diep bord. Het is de 4711-geur
vergeeld in het kitscherige, wansmakelijk langharig tapijt. Haar trots is een collectie
porseleinen borden met jachttaferelen op het Engelse platteland. Het zijn de plexiglas
ruiten die weerspiegelen wat ze is. Haar wanhopig vastklampen aan het leven; wanneer ze
weer eens een zatte lul in haar rot leven nagelt.
Dit zijn de zalige momenten waar ik het voor doe. Ik hou van die kortstondige vrede
terwijl ze slaapt. De vrede van de vlug toegestane, gewelddadige vluggertjes. De lege
flessen en het verscheurde ondergoed langs de kant van het bed. Ik verlang naar het
opstaan in de bierlucht, die scheet terwijl ik haar diploma van schoonheidsspecialiste
naast haar opmaakspiegel bekijk. Als ik me afvraag hoe het allemaal zover gekomen is.
Hoe lacht ze, gelovend, beloftevol, op het plaatje in het fotoboek van haar diplomajaar.
Het gebeurt echter allemaal te vaak en te vlug en het is een dualistisch gevoel van venijn
en agressieve spijt als ik de deur achter me toetrek. Het is de volgende maandag en ik
sta er weer. Vlees kappen. Vet afsmelten. Darmen over buizen trekken. Hoe ik van her
naar der op knoppen duw, stukken in- en uithaal. 9 uur, 23215 worsten en acht kilometer
stappen tussen de knoppen en de resultaten van al dat gebuk, gedraai en geknip. Tijdens
de handelingen door rijg ik een gesprek aan elkaar met de dagloonster die vandaag de
worsten op de karren hangt. Ze sabbelt verveeld op snoepgoed. Ze vertelt me over haar
zoon en man die ze nauwelijks te zien krijgt. Met hun werkschema's die voortdurend uit
fase gaan, zijn het vooral de kattebelletjes op de keukentafel die hun relatie staande
houden. De babysit zorgt voor de pizza en de rest. Zo reconstrueren we het leven in
overdreven termen en kleuren, ondersteund door de eeuwig zelfde hits op de radio… die
luid en in vlagen schettert doorheen het gebral en gesis en gestoom en toe-ke-ta-ke-toek-
tak-tet. De dingen worden mij te duidelijk, dat is het probleem. Ik ga even naar het
toilet, leeg een zakflesje en zucht.
Na uren hetzelfde is iedere beweging opgesplitst in minuscule pakketjes van tijd, wordt
tot in het ridicule elke stap van het proces vergeleken met de anderen. Nog vijf seconden
en dan komt dat vervelend hanteerbaar stuk eruit aan de linkerkant. Dat is wel het
lastigste van de gehele cyclus. Gelukkig daarna, daarna kan ik anderhalve seconde op de
tafel zitten alvorens ik twee randjes van de worst afknijp en die randjes in de
afvalcontainer werp. Daarna drie meter en... en alweer weerklinkt dat liedje uit de cd-
speler van de buren. Het is de zeventigerjaren hitcompilatie. Ik ken nu ook de volgorde.
Ik hoorde die cd al twee maal en heb hem nog tweemaal tegoed voor het fluitsignaal.
Twee seconden rust, nog een stuk er uit gegulpt. Ik raap het op, draai 180 graden en
stap twee meter. Drie anderen nemen dezelfde afgemeten passen op hetzelfde moment.
De synchroniciteit is lachwekkend absurd. Melig draaien we met de kont .
Nog een eind worsten, vier meter, twee knippen met een schaar, twee meter, draaien,
weer een eind worsten. Ik observeer het opslokken van het varken door het in het purper
geschilderde monster. Daar gaat het erin, om er nooit meer als hetzelfde uit te komen.
Irreversibel, overdekt met gesmolten drek en in vorm geperst.
Het volgende stuk komt eruit. Ik controleer de kwaliteit en verdeel de tijd nog verder.
Eerste stapel voltooid, met een fout van vijf seconden, exact een uur voor de pauze.
Tweede voltooid veertig minuten na die pauze. Rechts draaien, en om de 500 worsten
kijk ik recht in de ogen van die aardige brunette aan de patémachine. Haar cyclus
correspondeert elke 400 paté's met de mijne. Een lachje, een shotje elektriciteit… en we
kunnen weer hopen en we kunnen weer verder.
Later loop ik weg van die zot die dreigt mijn lul af te snijden omdat ik tegen zijn gevel
stond te pissen. Nog later staar ik naar halfnaakte mannequins in verdonkerde
etalageruiten. De week daarop smijten ze me uit de fabriek. Voor de zoveelste maal
haalde ik de prikklok niet. Voor de zoveelste maal verscheen ik pas woensdag op het
werk. Om half negen sta ik met het papier C4, stempel, brooddoos, klikken en klakken
buiten.
Ik word wakker aan de waterrand van de zee, troebel kijkend en vijftig kilometer van
huis. De klamme broek op de schoenen, de benen vol slappe drek en zeezand. Zoiets moet
het geweest zijn. Wat dan ook, de volgende avond hetzelfde stramien. Zomaar word ik
wakker op de zetel, in mijn kamer. Met een zware kater waarvan ik na een volle dag
ietwat vanaf geraak. Leeg. Moe. Lui. Een kalkoendag. Dondermorgen. Regenmiddag. Ik
probeer zo goed mogelijk weer in het leven te geraken en niets lukt. Het ziek lichaam
sleept. Ik slof met zwart omrande ogen. Ik zit hier, de kabel uit het stopcontact.
Opgebruikt. Ontmoedigd. Zo voor de vierde opeenvolgende dag zonder enige post, voor
de zevende dag zonder enige telefoon. Dat die laatste post een rekening en die laatste
telefoon mijn Visa-consulente was... een opgewekte griet die me vriendelijk doch kordaat
aanmaande de achterstel te vereffenen. Wat moet ik dan doen? Dan mompel, ontken noch
bevestig ik mijn onwil, mijn onvermogen. Ik vraag haar of ze me nog een maand kan
vertrouwen. Het geld komt er. Ik heb nu werk en heb het nog even krap. Uiteindelijk
smeek ik haar en sla mezelf waar het pijn doet.
Ik ben halverwege de maand, mijn tijd loopt. Niet zo goedkoop als alles in de Aldi. Waar
ik, net als andere werklozen en hopeloze ouwe dozen in blauwglimmende spandrex en
slagaders en vergeeld babyroze topjes, sardienen van 20 cent koop. Samen met rijst van
40 cent, en dat voor vier kookbuiltjes. Samen aanschuiven, samen in de rij met de handen
over de schuldstreken. Ongeschoren, dranklucht, Wibra-jeans, uit de mode zijnde
bierbuiken, grauw witachtig T-shirt van het stamcafé… ter gelegenheid van de laatste
kiekenkaarting. Het stomme volk schuifelt, aan de band in't fabriek, aan de band in't
warenhuis, terwijl hen angst ingeprent wordt. De hufters!! Te blind om te beseffen dat
ze stinkend uitschijten wat hen met veel tralala in de mond wordt gepropt. De lijn schiet
kies in gang en schuin verschaduwen we in het tegenlicht.
Ik kom thuis. Heelhuids. Enkel dankzij mezelf. Enkel en alleen en dat ondanks de vreemde
monsters die me achtervolgen en de omgeving die voortdurend van decor verandert.
Geraak ik thuis. Kijk achter de deur. Koekeloer in de druppels in de douche. Verzeker me
van het alleen zijn. Zet me neer. Open de eerste fles. Overtuig me opnieuw van mijn
recht op leven en recht op mijn eigen overtuiging.
"Ik ben nu eenmaal zo. Als ik ertegen zou vechten... dan word ik gek. Ik moet zo zijn om
de inflatie van mijn gevoelens tegen te werken," zever ik tegen mezelf en drink
ondertussen de goedkope rode in systematisch, afgemeten slokken. "Vanuit economische
theorieën bewijst men dat werkloosheid en inflatie in een crisis elkaar tegenwerken.
Zonder inflatiebestrijding escaleert deze echter tot hyperinflatie. Wat dan weer een
voedingsbodem is voor en uitloopt in totalitaire regimes. Zoals ook in mijn geval…
totalitair denken met gewelddadige, emotionele uitspattingen. Een gevaar voor de
manifestatie van een oerkwaad. Arbeid bevrijdt! Juist of niet?"
Ik knik bevestigend, al klopt het niet echt. Gevoelens en politiek, rationaliteit en de anti-
these ervan. Ik neem een ferme slok, veeg mijn mond af met de hemdsmouw, verzeil in een
leeggemelkt energieloos stilzwijgen, en lig opgekruld en zwetend op een hoekje van mijn
bed. Na enige tijd strompel ik overeind, neem nog een teug Italiaanse tafelwijn, mors op
het overhemdje en even vlug zijg ik neer in de zetel. Al goed, het is tien uur, ik eet wat
snoepgoed, snij me aan het lipje van het blikje Frankfurters en worstel met een verlangen
dat ik niet nader wil bepalen. Ik wacht alweer op de post. Die komt rond half elf en
slaat meestal mijn bus over. Maar goed, die post, dat is dan ook de enige
lichaamsbeweging. Driemaal daags het op en neer gaan van de trap, om me uiteindelijk dan
toch nog eens te overtuigen dat de post vandaag niet komt. Misschien morgen. Ik val van
de trap, kruip recht, leun en vingerwijs naar mezelf in de spiegel.
Daarna wijs ik naar de tap. Neen schudt de barman. Ik ledig het laatste pintje in het
prille ochtendlicht tussen de barkrukken op de toog, groet, steek waggelend een hand de
hoogte in en duw in plaats van te trekken aan de deur. Op de hoek van de straat zet ik
mij op de rand van het trottoir. Ik sluit even de ogen. Dat was het dan. Werk, geen werk
en nu de goot. Ik zit en het kan me allemaal geen reet meer schelen. Meer en meest ben
ik reeds onwetend, afgestompt, gevoelloos. Inderdaad niks kan me nog schokken,
beroeren, ontroeren. Het wordt licht, de verkeersdrukte neemt toe en even voelt het aan
alsof ik, zoals iedereen, vroeg uit de veren ben, op weg naar mijn werk. Wat lijkt dat al
zo lang geleden. Ik lach even en haal me voor de ogen wat ze nu, daar op’t fabriek, aan
het doen zijn. Ik schud het hoofd. De werkdag zal er voor hen al opzitten, het moment
dat ik met een kater opsta en een nieuwe fles begin. Het heeft geen zin. Het heeft nog
minder zin er nog langer bij stil te staan. Ik wandel honderd meter. Verder lukt het niet.
Op een bankje bij een brug zak ik ineen. Een enkele boom en wat vogeltjes daarin. Twee
duiven aan mijn voeten. Ik strompel verder. Een neger schrobt de goot met chloor, de
lege stadsbussen snellen voorbij, een licht in een keuken, de postbode, leveranciers van
groenten, bloemen en vlees, laden, lossen en steeds meer mensen elke minuut. Ik geraak
hoe dan ook in mijn bed. En hoop nooit meer wakker te worden.

Lees nog meer verhalen van deze auteur op deze site: klik hier!

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.