Een kortverhaal van JEROEN DERA (6)

“Bitter smaakt het kruid der herinnering ’s morgens in de mond”
- Hugo Claus

Onschuld verft het witte zand

De zon had haar hoogste punt bereikt en verhitte de vlakte. Zij lag languit in het zand,
met haar gezicht begraven in de schroeiende korrels en met haar armen en benen
gespreid. Haar vingers harkten in het landschap en lieten groeven achter in de zandmassa.
De korreltjes waren overal. Zij voelde ze prikken in haar ogen, knarsen in haar mond,
schuren over haar huid. Slechts haar tranen schenen zandloos. De confrontatie met deze
plaats deed haar meer dan zij ooit had durven vermoeden. Hier herbeleefde zij haar
nachtmerrie intenser dan in haar dromen.

De boomgrens was bereikt en het bos ging over in een vlakte van wit zand; in een toendra
met vergruisde rotsen. De luttele keuzemogelijkheden flitsten door haar hoofd.
Eén: terug het bos ingaan en hopen dat de bomen hun bescherming zouden bieden tegen de
bruten die hen achtervolgden.
Twee: doorrennen in de hoop dat zij hun belagers afgeschud had.
Ze twijfelde en nam haar dochtertje steviger beet. Toen meende zij verderop een geluid
te horen.
Ze keek schichtig achterom en spitste haar oren als een hert dat instinctief beseft dat
zijn woonbos in brand staat. In de verte werd het struikgewas onder luid gekraak
vertrapt. Een schot weerklonk en echode door het luchtruim. Haar meisje begon te huilen.

Dertig jaar geleden was het gebeurd, maar het leek gisteren.
Zij krabbelde overeind, hoestte en sloeg zo veel mogelijk zand van zich af. Zij spuwde
op de grond en streek met haar tong langs haar tanden, maar haar kiezen bleven knarsen
als ze elkaars oppervlak raakten. Het zand had zich meester van haar gemaakt.
Zij snikte nog eens luid en griste toen haar handtasje van de grond. Met vlakke hand
stofte ze het rode leer af, knipte de tas open en haalde er een plastic zakje uit
tevoorschijn. Het flikkerde in de felle zon toen zij het tegen haar hart drukte. Haar
hart, waarin haar herinnering school.

“Stil maar,” fluisterde zij wanhopig. “Stil dan.”
Zij bad dat de boomstammen het gesnik zouden tegenhouden, maar zij wist wel beter:
haar dochtertje huilde te hard. Zij probeerde haar te sussen en zette het tegelijkertijd
op een lopen. In het witte zand kwam zij echter nauwelijks vooruit.
“Da hinter!” klonk het plots vanuit de verte. Alles in haar leek te bevriezen, maar de
paradox wil dat zij harder begon te rennen, zelfs dat zij alles uit haar lijf perste om
haar doel te bereiken. Want voor haar lag het bos, waarin zij zouden kunnen verdwijnen
tussen de bomen, die hen zouden beschermen tegen de grillen van het geweer. Hier echter
waren zij als een raaf op een bevroren watermassa.
Zij rende en rende. Een gevoel van loomte nam meer en meer bezit van haar uitgeputte
benen. Het gewicht van haar dochtertje werd haar zowaar teveel. Het wit danste
duizelend voor haar ogen... en toen klonk een tweede schot.
Het was of duizenden messen tegelijkertijd in haar been werden gestoken, of een
smeedijzer sissend tegen haar huid werd gehouden, of zij werd overgoten met het
agressiefste gifgas dat een mens kan bijten. Zij struikelde schreeuwend, liet haar
dochtertje uit haar handen vallen en viel kermend in het stoffige zand. Haar meisje
huilde van schrik.
Met een van pijn vertrokken gezicht probeerde zij naar haar kind toe te kruipen, maar
voor ze het wist werd ze ruw op haar rug gekeerd. De stuiptrekkingen in haar been
ontgingen haar totaal toen ze twee minachtende hoofden in haar gezichtsveld zag
verschijnen. Het linker had een brede kin, een perfect gevormde neus boven hagelwitte
tanden en fonkelende, helderblauwe ogen, waaruit pure walging sprak. Lichtblond haar
was grotendeels bedekt met een groene pet.
Het rechter had een sikje, een wat forsere neus, diepbruine ogen en krullende zwarte
haren. Slechts de walging en de pet hadden de beide hoofden gemeen. Met name de
walging.
De rechter man spuwde haar in het gezicht, terwijl de linker met de punt van zijn voet
tegen haar verminkte been trapte. Tegen beter weten in gilde en gilde zij om genade.
“Halt’s Maul, Jude!” sneerde de rechter man en hij deed een stap naar voren. Het
hakenkruis op zijn borst schitterde in de felle zon. Hij trapte haar in de nierstreek en
trok toen zijn pistool.
“Du sollst nicht weglaufen, Arschratte! Weißt du, welche Strafe auf so etwas gesetzt
ist?”
Zij snikte luid en bad dat haar dochter ongedeerd bleef. De linker man trok nu ook zijn
pistool en keek haar doordringend aan.
“Muss ich dich oder deine Tochter umbringen?” vroeg hij ijzig.
Haar bloed bevroor.
Met een duivelse grijs op zijn ariërsgezicht richtte de man zijn wapen eerst op het
kleine meisje en vervolgens op de radeloze moeder, die God smeekte haar dochtertje te
beschermen tegen deze onmensen.
“Also, hast du schon gewahlt?” vroeg de rechter man spottend, en hij trapte nogmaals
tegen haar bezeerde been. Huilend wees zij op haar borst en antwoordde dat ze haar
moesten doden, zolang haar kind maar gespaard bleef. Beide mannen barstten in een
cynisch lachen uit.
“Du hast dir doch nicht gedacht, dass wir uns von Juden kommandieren lassen wollten?”
spotte de rechter man. Toen richtte hij zijn pistool op het meisje en haalde de trekker
over. Onschuld verfde het witte zand.

“Suzanna!” schreeuwde zij, en ze liet zich weer op de grond vallen. Haar tranen mengden
zich met het zand van de vlakte, waarin het lijk van het meisje tot as was vergaan. Hier
was een onschuldig mens gestorven. Een mens met een toekomst. Een mens met recht op
leven.
Zij staarde naar het plastic zakje dat ze in haar vuist hield. Ze had de zaden die erin
zaten bij de juiste temperatuur bewaard. Ze had ze verzorgd zoals ze Suzanna verzorgd
zou hebben. Terwijl ze snikkend de naam van haar dochter mompelde, begon ze in de
grond te woelen.
Zij maakte verschillende kuiltjes in het zand, plantte de zaden en voegde uit een bidon
wat water toe. Daarna ging ze op haar rug liggen en staarde naar de zon, die de vlakte
verschroeide. Haar meisje had recht gehad op een boom om haar te beschermen. Wie
weet kreeg ze er alsnog één. Deze zaden gedijden onder extreme droogte.
Zij begon weer te huilen.

“Ik begrijp niet, dat dit woud nog niet geheel verdord is,” sprak een wandelaar tegen zijn
vrouw. Deze knikte beamend.
“Hier in Polen zijn zelfs sommige moerassen uitgedroogd. De Holocaust heeft ook de
natuur vermoord. Schrijnend.”
Zij baanden zich een weg door het bos waarin ruim zestig jaar geleden een vrouw had
gerend om haar leven en dat van haar dochter te redden. De met naalden en bladeren
bezaaide bodem kraakte onder hun voeten. Totdat zij een grote zandvlakte bereikten.
“Over droogte gesproken.. Een tra van wit zand.. Een woestijn midden in een bos,” zei de
man.
Zij zetten voet op de vlakte en keken verwonderd naar wat zij in de verte zagen. Daar,
vlak voor het punt waar het bos verderging, stond een merkwaardige boom.
“Dat lijkt wel een Afrikaanse aloë!” zei de vrouw verbaasd.
Zij liepen er op af en sloegen hun handen voor de mond. Aan de voet van de boom lag een
dode bejaarde vrouw. Zij had haar armen om de bast geklemd; als in een innige omhelzing.
Om haar blauwe lippen krulde een glimlach.

lees nog meer verhalen van deze auteur op deze site: klik hier !

(geplaatst op 24-02-2005)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.