Een kortverhaal van JEROEN DERA (5)

"Ik heb vaak over de dood nagedacht en ik vind hem de minste van alle kwaden."
- Sir Francis Bacon

HEMEL NAAST EEN ZWANENMEER

De geluiden waren al gaan slapen, toen zij probeerde de contouren van de plafondbalken
te ontwaren in het illusiespel van de nacht. Haar zicht echter, eens kleurrijk en
sprankelend, was daarvoor al te veel belemmerd. Het kleine Marieke had een
hersentumor en was hopeloos verloren. Acht jaar oud en opgegeven. Maar zelf begreep
zij dat niet. Marieke voelde slechts de pijn en wachtte op een pilletje dat haar haren
weer deed groeien, op de manier waarop de vlecht van Raponsje plots enorm lang was
geworden in een tekenfilm die zij eens met mama had bekeken.
Niets van haar lichaam was haar zo lief geweest als haar speelse, blonde staartjes, die ze
zo lekker door haar handen kon laten glijden; waar papa soms zo plagerig aan trok. Vol
wreedheid had de chemokuur ze van haar weggerukt, waarop Marieke huilend had
gevraagd waarom de dokters daar geen pil tegen hadden. Dokters hadden toch overal een
pilletje voor? Als ze haren konden weghalen, dan konden ze die toch zeker ook weer
laten groeien? Door de ogen van Marieke was de wereld in balans: had men het één, dan
had men het ander. Waar water was, was vuur. Waar zwart was, was wit. En waar
pilletjes waren die haren lieten uitvallen, waren pilletjes die ze lieten groeien. Zo
redeneerde Marieke. En dat deed ze nog steeds toen ze op de avond van haar dood naar
het plafond lag te staren. Want het pilletje zou komen, had mama gezegd. En dus wachtte
Marieke. Zij wachtte.

De deur ging zachtjes piepend open en licht viel vanaf de overloop haar kamer binnen.
Marieke sloot snel haar ogen, want ze wilde mama niet laten merken dat ze nog wakker
was. Volgens de dokters had zij alle rust ter wereld nodig om haar leven met enkele
maanden te verlengen, en haar moeder nam dit advies in de oneerlijke strijd om haar kind
absoluut ter harte. Ze kon haar kleine meisje niet loslaten. Ze kon het gewoonweg niet.
Marieke hoorde mama’s pantoffels zachtjes kraken op de slaapkamervloer en zij balde
haar handen tot onschuldige vuistjes om de indruk te wekken dat zij in een vredige slaap
verkeerd was. Mama stopte haar dochtertje knus in en kuste haar op het voorhoofd, daar
waar de schuin geknipte pony een jaar geleden nog ieders aandacht had getrokken. “Wat
een schatje,” hadden mensen in de supermarkt vaak opgemerkt. Bij de herinnering
daaraan voelde Mariekes moeder de zoveelste traan over haar wangen biggelen. Zij
streek nog eens over het tere hoofdje van haar kleine meisje en fluisterde haar
goedenacht.
Toen mama de kamer verliet, opende Marieke haar ogen. Ze nam mama scherp in zich op:
een blauwe joggingbroek met een witte streep langs de beide pijpen, een strak wit T-
shirt met lange, maar opgestroopte mouwen en de haren gebonden tot een fladderige
staart. Ze had blote voeten. Zachtjes sloot mama de deur en verdween voor eeuwig uit
het zich van haar zieke dochter.

Nooit meer zou Marieke bij mama op schoot zitten. Nooit meer zou ze trots haar
rekensommen laten zien. Nooit meer kwam er ooit. En alsof ze dit besefte, wilde Marieke
haar ogen sluiten in een poging te gaan slapen. Haar aandacht werd echter getrokken
door het uiterste hoekje van haar kamer, dat plots goudkleurig oplichtte in een heldere
gloed. Mariekes mond viel open toen een gouden lichtbron langzaam naar haar bed toe
zweefde en voor ze er goed en wel erg in had, bevond de fonkeling zich voor haar
verbaasde gezicht. Het merkwaardige licht zoog alle zwakte uit haar zieke lichaam en
Marieke richtte zich als herboren op. Haar hoofdpijn ebde langzaam weg en haar zicht
werd stilaan scherper, zodat ze haar hele omgeving voor het eerst in maanden weer in
zich kon opnemen. Nu zag ze ook waardoor het schijnsel veroorzaakt was: voor haar ogen
zweefde een gouden kevertje, waarvan de snel trillende vleugeltjes helder fonkelden. Het
diertje ging op Mariekes schouder zitten en tot haar v!
erbazing fluisterde het haast voelbaar woordjes in haar oor.
“Ik kom je halen, Marieke. Ga je met me mee?”
Het gouden licht had haar volledig in zijn mystieke greep. Niet alleen had het alle pijn
weggenomen; ook voelde Marieke zich plots intens gelukkig. Het was alsof zij in een
sprookje terecht was gekomen; in een betoverende tekenfilm en zijn betoverde wereld.
“Waar gaan we heen?” vroeg ze zacht, uit angst gehoord te worden. Een antwoord bleef
echter uit: in haar hart had ze al besloten met het kevertje mee te gaan, wat hun
bestemming ook zou zijn.
“Zet je schrap,” sprak het insect, en het vloog weg van Mariekes schouder. Vervolgens
zoefde het kriskras in het rond, om uiteindelijk boven haar kale hoofdje tot stilstand te
komen. Zwevend stond de kever nu stil in de lucht, en het kleine meisje sloot haar ogen
van gelukzaligheid toen het dier rap met zijn gulden vleugels begon te klapperen. Als een
elfenprinsesje werd zij bestoven met gouden korreltjes, die fel licht diffuus door de
gehele kamer verspreidden. Marieke dacht nog even aan papa en mama: zouden zij in de
gaten hebben wat er gebeurde? Zou het licht radslagen over de overloop, flikflakken op
de trap en al saltoënd de woonkamer binnenspringen? Niets van dit alles was waar: de
kever met zijn gouden stralen was de onzichtbare boodschapper van een andere wereld;
een metafysische plek die papa en mama nog niet mochten aanschouwen en waarvan
Marieke nu deel uit begon te maken. Zij voelde haar lichaam lichter en lichter worden...
De klok aan de wand verplaatste zich in!
een loodrechte lijn omlaag, terwijl haar voeteneinde verder van haar verwijderd raakte...
Voor even ervaarde zij de wereld als een zeepbel die in hartje zomer over een
vlindertuin zweeft... En toen slaakte zij een gil, die nergens in het huis te horen was.
Daar, op het bed, zag zij haar lichaam. Haar hoofd was zowaar doorzichtig in het felle,
gouden licht en in de aders stroomde onmiskenbaar blauw bloed. Of wacht: dat bloed
stroomde niet... Het stond stil in dode vaten. Vanuit vogelperspectief zag Marieke haar
lichaam, dat onder de warme dekens in kilte zou verstarren.

Zij wendde haar blik af van het bed en zag de kever voor zich opdoemen.
“Ben ik nu dood?” vroeg Marieke kinderlijk beteuterd. Het insect knikte glimlachend.
“Je hoeft niet bang te zijn. Kom maar op mijn rug zitten.”
En het dier hoefde het maar te zeggen, of de wereld rond Marieke werd groter en
groter, terwijl zij kleiner en kleiner werd... De mysterieuze kracht van de dood nam haar
verder mee de hoogte in en voor ze het wist, zat ze als piepklein wezentje tussen de
vleugels van de kever, die haar naar een volstrekt nieuwe, doch bekende wereld zou
voeren.

Zij reisden hoog over de stad, die Marieke met haar vele lichtjes en geluidjes enorm
fascineerde. De kever nam soms even plaats op een cumuluswolkje om wat uit te rusten,
terwijl het meisje zich dan liet overdonderen door de sterrenhemel die zij zo lang niet
meer had mogen aanschouwen. Als dit doodgaan was, dan begreep ze niet waarom mensen
daar met zo veel angst over spraken.
Hun reis voerde hen over weilanden, bossen en rivieren, en zij doorkruisten zelfs een
vlucht eenden op weg naar hun bestemming. Na een nacht vliegen daalde de kever plots
af, richting een gazon naast een door zwanen bevolkte vijver. Marieke verwachtte een
vervelend gevoel in haar maag te zullen krijgen, maar de dood had blijkbaar alle
negatieve facetten van het leven weggenomen. Zachtjes landde de kever tussen de
grassprieten en gaf zijn reismaatje gelegenheid van zijn rug te stappen.
“Ik ga nu iemand anders halen, lief meisje... Het ga je goed,” zei het insect vriendelijk en
het vloog weer op.
Mariekes gelukzalige gevoel verdween onmiddellijk, als sneeuw voor de zon. Hoe verder
de gouden stip in de verte verdween, hoe onveiliger zij zich voelde. Wat deed zij met
haar kleine lijfje tussen deze immens hoge grassprieten? Wat werd er van haar
verwacht? Lag de hemel naast een zwanenvijver?
Angstig en onzeker keek zij in het rond, tot haar blik plots die van een ander meisje
trof, dat opgewonden op haar af kwam lopen. Ze was een jaar of twaalf, met lange blonde
haren en helderblauwe ogen, die te midden van het vele groen schitterden als saffieren
op ruw jade. Haar lichaam was gehuld in een maagdelijk witte jurk, die tot haar enkels
kwam.
Ze legde haar zachte hand op Mariekes schouder en keek haar dramatisch aan.
“Ben je hier net? Heeft de kever je gebracht? Waar is hij nu? Is hij nog ergens te zien?”
Ze ging op haar tenen staan en tuurde naar de hemel.
“Niet dus. Bah, ik mis hem ook altijd! Ik wil hem zo graag nog eens zien!”
Zuchtend leunde ze tegen een stengel gras. Marieke keek haar nieuwsgierig aan.
“Oh... Ik vergeet me voor te stellen. Alexandra, aangenaam. Hoe heet jij?”
“Marieke,” antwoordde ze verlegen.
“Leuke naam. Zeg, je vindt het zeker een beetje eng om hier te zijn?”
Ze knikte.
“Ach, nergens voor nodig. Je ziet er onschuldig uit... Wie zuiver is van bloed, is hier
binnen een mum van tijd weg. Ik geloof dat ik de enige uitzondering ben.”
Marieke keek haar niet-begrijpend aan.
“Oh, dat weet je natuurlijk niet. Kijk, ik loop hier nu al meer dan vierduizend jaar rond.
Ik ben de tel een beetje kwijtgeraakt, geloof ik. En eigenlijk, hè, heb ik er schoon genoeg
van hier te zijn. Na een dag of wat heb je het wel gezien, geloof me! Als die kever zich
nu eens liet zien.. Ik lig hier verdorie heel de dag op de loer, maar ik zie hem nooit!”
Marieke staarde Alexandra met open mond aan.
“Maar...” stamelde ze, “vierduizend jaar? Word je dan niet ouder?”
“Welnee!” lachte het meisje, en ze gooide haar blonde haren nonchalant in haar nek.
“Je blijft hier wie je was op het moment dat je stierf. Je loopt hier gewoon een tijdje
rond, voordat je naar de hemel gaat. Tenminste, ik denk dat je daar uiteindelijk heen
gaat. Op een gegeven moment vinden de meeste mensen wat ze nodig hebben, en dan lossen
ze gewoon op in het niets. Maar als je hun gezichtsuitdrukkingen dan bekijkt, dan moeten
ze wel merken dat ze naar de hemel gaan, zo gelukkig zien ze eruit.”
Marieke fronste haar wenkbrauwen.
“Maar waarom mag jij dan niet naar de hemel?” vroeg ze. Alexandra zuchtte diep.
“Daar heb ik lang over nagedacht, weet je. Maar na vierduizend jaar begin je wel te
beseffen waarom iedereen gaat behalve jij. Nou ja, eigenlijk wel wat eerder, hoor,”
glimlachte ze, en ze stak haar hand uit.
“Kom, dan laat ik je deze wereld zien.”
Zonder te twijfelen nam Marieke Alexandra’s hand. Ze worstelden zich door het dichte
woud van grassprieten en bereikten uiteindelijk de rand van de vijver, waar Mariekes
mond wijd open viel. In de ochtendzon krioelden honderden en honderden mensen tussen
de stengels van het waterriet: sommigen doken opgewonden de vijver in; anderen
doorbraken de waterspiegel en verschenen zichtbaar radeloos aan de oppervlakte. Weer
anderen werden juichend door een witte zwaan naar de oever gebracht.
Alexandra sloeg Marieke op haar schouder.
“Nou, daar zijn ze dan. Ze zoeken zich te pletter. Dat heb ik afschuwelijk lang ook
gedaan,” zei ze sip en spottend op het zelfde moment.
Het was Marieke volstrekt onduidelijk wat er nu allemaal gaande was, maar daar kwam
spoedig verandering in.
“Goed, ik zal eens uitleggen wat hier gebeurt. Kom mee,” sprak Alexandra en ze nam
Marieke glimlachend mee naar het riet.
“Je hebt wel geluk, hoor, dat ik bij je ben. Normaal gesproken moet je deze plek zelf
vinden. Kost je zeker een dag of vier. Maar goed, het zit dus zo...”
Alexandra stokte echter toen een dolgelukkige man joelend op hen af kwam gestormd. Hij
had zijn armen triomfantelijk in de lucht gestoken; en in zijn hand hield hij een drijfnat
stuk papier.
“En? Gevonden zo te zien?” vroeg Alexandra aan de man. Breed lachend knikte deze.
“De trouwakte van mij en mijn liefste Natalya! Steeds weer zei ze nee, maar in die vijver
lag het bewijs dat we écht man en vrouw zijn! Ik ben zo gelukkig!” jubelde de man, en hij
wilde Alexandra omhelzen. Toen echter vervaagden zijn contouren; en hij loste korrelig
op in het niets.
Marieke staarde met grote ogen naar de plaats waar zojuist nog een man had gestaan en
keek Alexandra toen vragend aan.
“Nou, nu ben je er zelf getuige van,” zei deze, en ze staarde mijmerend naar de
geheimzinnige vijver.
“In dat water vind je wat je het liefst wilt, Marieke,” sprak ze toen.
“Dat is voor iedereen iets anders. Voor de één is het een grote som geld, voor de ander
een geliefde en voor deze man was het een trouwakte. Voor mij is het de gouden kever.
Maar die is nergens te vinden. Ik heb gezocht en gezocht en heb hem niet gevonden. Hoe
kon ik nou zo stom zijn juist hém te wensen? Vind in die vijver waarnaar je op zoek bent,
en je gaat een betere wereld tegemoet. Voor mij mag het niet zo zijn.”
Marieke had met Alexandra te doen. Ze wilde het liefst haar arm om haar heen slaan,
maar aan de andere kant zat ze nog vol met vragen.
“Maar als je daar kunt vinden wat je het liefst wil hebben, waarom komen er dan zo veel
mensen terug aan de oppervlakte?” vroeg ze verwonderd.
“Je bent een slim meisje,” antwoordde Alexandra glimlachend.
“Alleen wie zuiver van hart is, vindt wat hij het liefste wil. Iemand met een slecht hart
zal zich een voorwerp wensen met een slechte natuur, en die voorwerpen zijn in de vijver
niet te vinden. Vertegenwoordigers van het kwaad zijn gedoemd voor eeuwig op deze
plaats rond te dolen. Zij blijven duiken en duiken in de hoop te vinden waarnaar zij
doeken, maar nooit zullen zij het in de vijver aantreffen.”
Met een beetje medelijden keek Marieke naar de mensen die aan de oppervlakte
verschenen en naar lucht hapten. Niet wetend waartoe de mens in staat kon zijn, wenste
ze zelfs slechteriken niet toe hier eeuwig te moeten blijven. Laat staan Alexandra.
“Weet je zeker dat je die kever niet kunt vinden?” vroeg Marieke. “Misschien heb je
niet goed genoeg gezocht.”
Het meisje schudde glimlachend haar hoofd.
“Ik heb vreselijk lang gezocht, maar ik moet me er bij neerleggen dat ik de kever daar
nooit vinden zal. Ik ben zo stom geweest te duiken naar de boodschapper van de dood en
die zal ik daar niet vinden. Wanneer ik hem meeneem naar de hemel, dan zal iedereen
eeuwig leven.
Ik kan niets anders dan me verschuilen tussen de grassprieten, totdat ik de kever tref.
Een glimp van hem zou voldoende zijn om mijn honger te stillen...
Maar kom, het wordt tijd dat jij op zoek gaat naar wat jij het liefste wilt.”
Ze nam Mariekes arm en de twee schreden naar het riet. Op een dunbevolkt stukje oever
kwamen zij tot stilstand.
“Denk nu diep na, Marieke. Wat wil jij het liefst?”
Het meisje dacht diep na, maar ze kon niet kiezen wat haar hart het meest begeerde.
Haar papa of mama? Haar knuffelbeer? Haar vriendinnetjes? Mijmerend staarde
Marieke in de vijver. En toen wist ze het. Haar ogen begonnen te fonkelen.
“Je weet het, hè?” zei Alexandra. “Ga dan, en vind het. Ik zal op je wachten.”
En Marieke stapte het water in. Het tintelde heerlijk warm aan haar blote voeten en ze
voelde zich een beetje loom worden, alsof ze in een bad vol rozenwater lag en
wegdoezelde. Langzaam waadde ze door de vijver, totdat ze de bodem onder zich voelde
verdwijnen. Zonder erbij na te denken ademde Marieke diep in en ze dook…

Het was alsof zij in Alexandra’s ogen zwom. Honderden prachtig gekleurde vissen
zwommen dartel rond gouden koralen en in het heldere blauw ontwaarde Marieke de
mooiste wieren die zij ooit had gezien. In de verte zag zij verschillende mensen
zwemmen, op zoek naar dat wat zij het liefste wilden hebben; de één spartelend van
vermoeidheid, de ander soepel van opgewondenheid.
Marieke vroeg zich net af waar zij heen moest, toen haar aandacht werd getrokken door
een mysterieuze, heldere stem, die vanuit de diepte opwelde. Zij spitste haar oren en
concentreerde zich op het fascinerende gezang, dat haar betoverde. Als een jonge
zeemeermin zwom zij richting de bron van het geluid, dat haar gehypnotiseerd had en
haar zuurstof gaf. Zij merkte niet dat zij vele anderen passeerde, dat een regenboogvis
haar eitjes zag uitkomen en ook niet dat een oude vrouw dolgelukkig een glazen bol in
beslag nam... Haar aandacht ging slechts uit naar de muzikale trillingen uit de diepte,
totdat deze ophielden en Marieke een rode schittering tussen enkele anemonen
opmerkte... Zij peddelde erop af en strekte haar hand uit naar het robijnen doosje...
Haar spiegelbeeld flitste door haar gedachten toen ze het voorwerp vastpakte. In het
water had ze de reflectie van haar kale hoofd gezien en ze had het geweten: het liefst
van alles had ze haar blonde staartjes terug; die ze zo lekker door haar handen kon laten
glijden, waar papa soms zo plagerig aan had getrokken... Eindelijk zouden ze haar weer
sieren...
Met het doosje tegen haar hart steeg Marieke vol van geluk richting het oppervlak, maar
zij zou haar hoofd nooit boven het vijverwater uit hoeven steken: toen zij de scheidslijn
tussen ademen en stikken immers in de buurt zag komen, werd zij geschept door een
reusachtige vleugel en zij rolde op de rug van een helderwitte zwaan. Zij klampte zich
vast aan het verendek van de vogel en spetterend doorkruisten zij de waterspiegel.

Zij opende het doosje en bekeek het pilletje dat erin zat aandachtig. Het was
helderblauw; als de ogen van Alexandra. Dolgelukkig nam zij het in en voelde haar haren
tintelend groeien; waarbij zij wapperden in de wind. Voldaan leunde ze tegen de hals van
de zwaan, die haar naar de oever voerde.
Daar wachtte Alexandra, die haar stralend aankeek.
“Meisje, wat heb je een mooie haren...” zei ze, en ze liep op Marieke af.
“Ze lijken op de mijne...”
Glimlachend haalde ze twee gekraalde bandjes uit een zakje van haar jurk en bond
Mariekes haren tot twee speelse, blonde staartjes.
“Het ga je goed, lief meisje,” fluisterde ze teder, en ze gaf haar vriendinnetje een kus op
de wang.
Marieke sloeg haar handen voor haar mond van verbazing toen zij in het niets oploste.
Zij wilde Alexandra roepen, maar ze kon al geen contact meer met haar vinden. In de
verte zag zij een intens witte cirkel, maar zij kon haar ogen niet van het meisje afhouden.
Naast Alexandra zat de gouden kever, en beiden straalden een helder licht uit.

lees nog meer verhalen van deze auteur op deze site: klik hier !

(geplaatst op 29-01-2005)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.