Een kortverhaal van JEROEN DERA (4)

Morituri te salutant

A. De ramp

Ik was een murmillo. In het theater was mijn zwaard mijn enige redmiddel, de verlenger
van mijn bestaan. In het kamp was het echter mijn kwelgeest.
Iedere dag in mijn carrière, na iedere wedstrijd – misschien zelfs ieder uur – speelde ik
met de gedachte dat vervloekte stuk staal in mijn eigen lijf te steken; het door mijn eígen
ingewanden te boren. Maar ik kon het niet. Hoe laf zou ik zijn als ik op deze manier mijn
einde zou vinden? Hoe hard ons bestaan ook mag zijn, wij gladiatoren zijn de enige slaven
die de heldendood kunnen sterven, de enige slaven die werkelijk iets voorstellen.
Wanneer we onszelf van het leven beroven om ons gruwelijk lot te ontlopen, kunnen we
dat kleine beetje roem wel vergeten.
En dus staan we iedere week in het amfitheater, om de vrijen te vermaken onder het mom
van ‘brood en spelen’. Ik heb het me vaak afgevraagd toen ik de toeschouwers hoorde
schreeuwen als we achter de hekken stonden, die toegang verschaften tot de zandbak
waarin we elkaar met onze vlijmscherpe lemmeten afslachtten: wat was voor de massa nu
belangrijker, het brood of de spelen? Het antwoord is voor mij nooit moeilijk geweest.
Na een overwinning wierpen burgers regelmatig hompen brood in de piste, en zelfs
proletariërs schenen zo nu en dan wat kruimels te kunnen missen. Ergo, het waren de
spelen waarvoor men leefde. Acta nihil fabula sit.

Als ik het publiek vlak voor een gevecht hoorde juichen, was ik ervan overtuigd dat ik
zou sterven. En in wezen was dat mijn lot. Voor het volk is immers niets zo aantrekkelijk
als een slaaf wiens hoofd rolt, waarbij het een paarsig spoor achterlaat in het
schroeiende zand. De gladiator die overleeft, krijgt een bescheiden applaus alvorens hij
de zandbak mag verlaten, maar het geschreeuw en het gejoel van de toeschouwers zijn
bestemd voor de dode, die zojuist een held is geworden door op zo’n moedige manier zijn
einde te vinden.
Na elke wedstrijd besefte ik weer hoe paradoxaal ik in wezen handelde als ik in de arena
stond: elk gevecht was een kans de heldendood te sterven waarnaar ik eigenlijk zo
verlangde, maar iedere keer weer stonden mijn instincten het niet toe dat ik mijn lichaam
doormidden liet hakken. Wanneer je de dood eenmaal in de ogen ziet, draai je om en ren
je gillend weg, en alles wat je pad dan kruist moet het ontgelden. Ik betwijfel dan ook of
ik daadwerkelijk mijn zwaard tegen mezelf gebruikt had als ik me niet voor ogen had
gehouden dat er een heldendood voor me was weggelegd. Ergens moet ik hoop hebben
gehad dat ik ooit weer als een vrij man door het leven kon gaan, dat ik zou overleven.

Eén jaar en twee maanden lang heb ik het volgehouden gladiator te zijn. Toch was ik bij
het grote publiek totaal onbekend toen ik voor het eerst in Rome vocht. Die bekendheid
zal ik ook nooit krijgen, aangezien mijn eerste gevecht in Rome ook meteen mijn laatste
was.
Ik begon in Carthago, waar ik het op de markt opnam tegen de meest uiteenlopende wilde
beesten; van tijgers tot agressieve honden en van leeuwen tot razende stieren. De
Romeinen hadden me als krijgsgevangene naar de stad gebracht nadat ze ons dorp in
Algeria hadden verwoest: met mijn atletische lijf zou ik een prima dood kunnen vinden in
de arena en daarbij was het volk gebaat. Wat dat betreft hebben ze het mis gehad, want
ook toen ik mocht aantreden tegen woeste mannen, kreeg niemand me klein. En dan word
je interessant voor de handelslui. Ik werd voor een paar as gekocht door een
gladiatorentrainer en zou de dood vinden in een groot amfitheater in Neapolis, waar de
tegenstand groter was en het publiek massaler. Honderden mannen en enkele vrouwen heb
ik daar, in de nieuwe stad, van het leven beroofd. Ik heb er hoofden afgehakt, armen,
benen en borsten. Uit alle lichaamsdelen heb ik bloed zien vloeien en geen ingewand heeft
mijn zwaard niet doorkliefd. Het slechtste moest ik!
in mezelf naar boven halen om te overleven. En niemand kreeg me klein.

Hoe vaak heb ik tot de goden gebeden me te bevrijden? In inder geval vaak genoeg, want
in Rome werden mijn smeekbeden verhoord.
In Neopolis werd ik gekocht door een slavenhandelaar uit Rome, waar me gevechten
wachtten in de grootste amfitheaters, die keizer Nero had laten bouwen om het volk en
vooral zichzelf en zijn politieke vriendjes te vermaken.
Het Roomse theater maakte me zenuwachtiger voor het schouwspel dan ik ooit was
geweest. In Rome was alles groter, duurder en imposanter. De Neopolese arena’s waren al
behoorlijk indrukwekkend, maar de afmetingen van het slachtveld hier deden me duizelen.
Hoe moest ik hier ooit overleven? Als mijn lichaam niet ophield met trillen, zou ik het
waarschijnlijk niet eens tot de arena halen! Was ik nu een ervaren gladiator of niet?
Hoe dan ook, toen de hoorns schalden en het gekrijs van het publiek tot het maximum
aanzwelde, ging nu voor mij ook in Rome de houten poort omhoog. Met opgeheven hoofd
liep ik met mijn nieuwe collega’s het toekomstige slagveld op, waar we werden begroet
door het uitzinnige gekrijs van het proletariaat uit de hoofdstad.
“Occide! Sanguinem! Occide! Sanguinem! Occide! Sanguinem!”
De commando’s galmden als een drammende melodie door mijn hoofd en de zenuwen vielen
van me af toen ik de groet van hen die gaan sterven bracht:
"Ave editor, morituri te salutant!"
Hier stond ik weer; het was weer tijd om te overleven en ik zóu overleven, wat voor
tegenstanders Nero dan ook opgetrommeld had. Ik nam mijn zwaard stevig in mijn handen
en concentreerde me op de poort.
In Rome was alles groter, duurder, imposanter. Het was dus strikt verboden geschrokken
op te kijken wanneer er een heel leger achter die houten poort zou staan, nam ik me voor.
Ik focuste mijn blik geheel op het glimmende hout en spitste afwachtend mijn oren. En
toen gebeurde het: de hoorns schalden en de poort werd langzaam omhoog getakeld.
Ik weet niet meer of ik me nu teleurgesteld of opgelucht voelde toen tien zwaar
bepantsterde gladiatoren de arena binnen kwamen gestormd, aangezien ik nauwelijks te
tijd kreeg te verwerken dat het ‘gewoon’ tien mannen waren tegen wie we het moesten
opnemen. Als een op hol geslagen stier stormde een van hen op me af, met zijn zwaard
dreigend boven zijn hoofd. Het was alsof er allerlei magische substanties door mijn bloed
kolkten, zo sterk was de drang deze vijand met één ferme slag van zijn leven te beroven.
Woest schreeuwend liep ik op hem in, terwijl ik mijn zwaard boven mijn hoofd hief...
Tegelijkertijd haalden we uit en onze zwaarden kruisten elkaar. Ik duwde mijn blinkende
staal woest tegen het zijne, in een poging hem te doen wankelen. Intussen richtte ik mijn
blik op zijn uitrusting, en ging op zoek naar een zwakke plek in zijn harnas. Ik kwam tot
de conclusie dat deze er niet was en dus moest ik zijn benen hebben. Uit alle macht
gooide ik mijn gewicht geheel tegen mijn zwaard, en die druk kon hij met zijn zwaard niet
opvangen. Hulpeloos tuimelde hij achterover en belandde in het schroeiende zand, waarna
ik hem van zijn beide onderbenen beroofde. De bloedrivier in zijn onderlijf trad uit
haar oevers en toen de gladiator afschuwelijke pijnkreten uitstootte, had ik ergens met
hem te doen. Maar om te overleven moest ik doden, en met die gedachte in mijn
achterhoofd ging ik op zoek naar mijn volgende slachtoffer, terwijl de toeschouwers
juichten om de zo juist half gepleegde moord. Aan de overkant van de arena kreeg ik mijn
prooi in het vizier; een zo te zien! sterke gladiator in wie ik een geduchte tegenstander
kon vinden. Ik maakte aanstalten om op hem af te stormen...
En toen gebeurde het. Het gekrijs van het publiek ging over in een verbaasd gezucht en
vervolgens in een doodsbang geschreeuw; de gladiatoren – onder wie ikzelf – lieten hun
zwaarden stomgeslagen in het zand vallen. Met open mond staarde ik naar de stenen
tribunes en de architectonisch fantastische wand van het amfitheater, die volgens Nero
het toppunt waren van de moderne bouwkunst. Links van de ingang van het theater trilden
de stenen in hun voegen, en de toeschouwers probeerden zich krijsend uit de voeten te
maken, maar tevergeefs. De tribune stortte onder luid gegil in en een grote stofwolk
verrees op de plaats waar even geleden nog enthousiast supporterende toeschouwers
hadden gezeten. Mijn ingewanden leken te bevriezen toen ook de andere tribunes
instortten, vergezeld door wanhopige kreten en machteloos gehuil. Wat gebeurde er hier
in hemelsnaam? Met wijd opengesperde ogen staarde ik naar de wolken. In godsnaam, wat
bezielde de goden? Hier stond ik dan, in het centrum !
van het theater, en om mij heen stortte alles in elkaar.

Hoestend baande ik me een weg door de stofwolk, door de lijken, door het puin. Een
vrouw van rond de veertig wierp zich aan mijn knieën en huilde: “Heeft u mijn man
gezien? Hij heet Lucius en heeft grijs haar... Alstublieft, help me mijn man te vinden!”
“Het spijt me,” antwoordde ik en keek toen met opgetrokken wenkbrauwen naar het
tafereel dat zich voor mijn ogen in het dwarrelende zand afspeelde. Voor me lag een
tapijt van puin en lijken, waarin enkele overlevenden hulpeloos krioelden in een poging
aan het massagraf te ontsnappen. Het was werkelijk ongelooflijk hoezeer de rollen nu
omgedraaid waren. Vijf minuten geleden hadden hier mensen gezeten die zich vermaakten
met de dood van dappere slaven. Zij schreeuwden enthousiast wanneer een gladiator werd
afgeslacht; hoe spectaculairder, hoe liever. En nu zij zelf op opzienbarende wijze op het
slagveld waren beland, schreeuwden zij moord en brand en vochten zij hulpeloos voor hun
leven. De goden hadden hun gevoel voor cynisme vandaag teruggevonden.
Geen mens heb ik uit zijn benarde positie geholpen. Nu de muren van het amfitheater
gevallen waren, waren mijn tralies gebroken. Behendig klauterde ik over het puin, over de
lijken, over de gewonden. Ik klauterde mijn vrijheid opgewonden tegemoet.

B. Zes dagen later

Ze keek me met haar honingbruine ogen verwonderd aan.
“Je was gladiator?”
Ik knikte en dronk van mijn wijn, waarna ik haar mijn arm toonde. Het brandmerk oogde
merkwaardig vaal in het kaarslicht.
“Hemel... Heb je soms gevochten in dat ingestorte amfitheater?”
Wederom knikte ik.
“Wat afschuwelijk! Wat moet het vreselijk zijn zo veel mensen te zien sterven!”
Ik lachte honend.
“Ik denk dat het voor jou inderdaad een verschrikkelijke ervaring zou zijn. Voor mij is
het echter niet meer bijzonder een medemens op een onmenselijke wijze te zien sterven.”
Ze knikte meelevend en verontschuldigde zich voor haar opmerking. Wat had ik het goed
getroffen met haar. Vier dagen lang had ik op straat rondgezworven, op zoek naar een
onderkomen, maar zonder succes. In Rome is alles groter, duurder en imposanter, en dat
kun je als dakloze merken ook. Aan water is niet zo moeilijk te komen, maar een
fatsoenlijke maaltijd is nauwelijks te krijgen. Ik durfde niets te stelen, uit angst te
worden gepakt en weer terug in het gladiatorencircuit te belanden. En zo waren de
eerste dagen van mijn herwonnen vrijheid een hel vol honger. Toen ik op de middag van de
vijfde dag van uitputting op straat ineen zakte, heeft Octavia – een toevallige
voorbijganger – me meegenomen en zorg verleend. Een dag lang heb ik kunnen slapen op
het zachtste bed waarop ik ooit lag. Wat ben ik haar en haar ouders dankbaar.

Ze streek met haar slanke hand door haar donkerbruine haar en keek me bestuderend
aan.
“Er zijn duizend mensen gestorven, schat men.”
Duizend. Het getal fladderde door mijn hoofd. Duizend doden. Duizend mensen waren
opgeofferd voor mijn vrijheid. In één klap werden duizend mensen van de wereld
weggevaagd. Ik zou er duizend klappen voor nodig hebben gehad.
“Duizend doden. Zo veel mensen heb ik niet eens gedood.”
“Zo veel hoef je er ook niet meer te doden. Je bent vrij.”
Nu pas leek ik het te beseffen. Ik was vrij. De arena zou ik nooit meer terugzien,
hoogstens vanaf de tribunes. De toekomst had haar poorten voor mij geopend, en ik mocht
naar binnen. Het was afgelopen met het vechten, afgelopen met het doden, afgelopen met
de ellende. Het leek alsof er kettingen van me afvielen toen ik daarbij stilstond.
“Nou, dan moet ik nog maar eens een slok van mijn wijn nemen,” antwoordde ik haar.
“Weet je, wijn kregen we in het kamp haast nooit. En als we het al kregen, smaakte het
niet lekker omdat we bloed in onze mond hadden.”
Ze lachte.
“Ja, de wijn smaakt hier goed. En je kunt zo veel krijgen als je wilt. Dat is nou een van de
voordelen van vrij zijn. Wat merkwaardig toch, dat zo’n grote ramp zo’n positieve draai
aan iemands leven kan geven.”
Daar had ze gelijk in. Het ingestorte theater was een van de grootste rampen die Rome
hadden geteisterd, en dagelijks kwamen vele mensen naar het puin om te rouwen of hun
steun te betuigen. Over de stad hing een donkere sluier van rouw, maar de ramp had mij
de grootste bevrijding van mijn leven gegeven. Ita diis placuit.
Met haar lieve gezicht keek ze me nieuwsgierig aan.
“Zou je me willen vertellen over je ervaringen? Of is dat te zwaar momenteel?”
Ik glimlachte en legde mijn hand op de hare.
“Ik denk dat ik dat wel aankan, ja.”

(geplaatst op 22-09-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.