Een kortverhaal van JEROEN DERA (3)

Wie een bijenhouder steekt, krijgt met diens angel te maken -

DE VLUCHT VAN DE HONINGBIJEN

I

Hoewel het weer die dag gekenmerkt werd door een schroeiende hitte en een benauwde
atmosfeer, waren er slechts weinig dorpelingen die een schaduwrijke plek opzochten om
siësta te houden. Terwijl zij zich koelte toewuifden met een waaier of de krant van
gisteren, namen zij massaal plaats in hun auto’s, waarvan de motorkappen een geschikte
kookplaat waren geworden voor het bakken van een smakelijk eitje. Gewapend met
koelboxen en jerrycans vol water begaven zij zich zingend, fluitend dan wel juichend
naar Atlanta, om een glimp op te vangen van de atleten die eeuwige roem probeerden te
behalen door het verzilveren van een medaille op de Spelen. Drie weken lang mochten de
dorpelingen zich gelukkig prijzen, omdat zij op slechts tien kilometer afstand van de
gaststad woonden en daarom slechts een kleine afstand hoefden af te leggen om van de
Olympische sfeer te kunnen proeven.
Gedurende een kleine maand zou er in het rustige dorpje dan ook een uitgelaten stemming
heersen. De cafés riepen speciale Olympische acties in het leven (Twee bier halen, met
één gouden plak betalen), de herbergen rekenden gezien al die sportfanaten in de wijde
omgeving op een totale bezetting van hun kamers en de dorpelingen zelf hingen uitgelaten
slingers en vlaggen buiten om hun vreugde over de Spelen te uiten.
Vrijwel iedere inwoner van het dorp werd door alle Olympische ophef uit zijn of haar
gewoonlijke dagelijkse ritme gehaald, met uitzondering van één persoon: de mysterieuze
bijenhouder, die aan de rand van het dorp een teruggetrokken bestaan leidde in een
bouwvallig huisje. Het scheen dat hij slechts om te koken en zich te wassen zijn
bijenschuur verliet; de nacht bracht hij door tussen zijn drukbevolkte korven. Zelden
begaf hij zich naar het dorpsplein, waar de winkels waren; nooit mengde hij zich onder
zijn dorpsgenoten. Zijn brood bakte hij zelf, en volgens de geruchten belegde hij dat
louter met zijn honing, het product dat zijn geliefkoosde bijen hem brachten. Groente en
fruit teelde hij eveneens zelfstandig, op een plantsoentje dat in al zijn onderhoudenheid
sterk contrasteerde met de voortuin van zijn huisje. Van vlees voorzag hij zich door eens
per drie dagen de plaatselijke bossen in te trekken om daar wild te schieten; water
haalde hij ouderwets uit een put. Vroeger, voor de gebeurtenis die hem nog verder had
gedistantieerd van zijn dorpsgenoten, had hij koeien bezeten, maar die waren hem na het
incident afgenomen. Zo nu en dan, wanneer zijn lichaam schreeuwde om calcium, wandelde
de bijenhouder naar Atlanta om daar melk te kopen, in een tempo dat opmerkelijk hoog
was voor een zeventigjarige man. Slechts voor één product was hij bereid zich naar het
dorpscentrum te begeven: glazen potten om zijn honing in te bewaren, die hij kocht van
een zwijgzame hispanic.
De meeste dorpelingen mochten de bijenhouder dan wel niet kennen, maar zij wisten alles
van hem. Dat wil zeggen: zij waren in staat feilloos de verhalen die over de imker de
ronde deden aan anderen over te brengen; in kroegjes, in de rij bij de bakker, op het
dorpsplein, op straat. Die vertellingen gingen niet zozeer over het merkwaardige gedrag
van de bijenhouder, of over diens teruggetrokken levenswijze. Nee, wanneer men het
over de imker had, dan had men het over wat er zevenentwintig jaar geleden had
plaatsgevonden. Met name jongeren verzonnen de gekste verhalen over het incident –
zoals de dorpelingen de daad van de bijenhouder noemden – en op het schoolplein
speelden zelfs kleuters de gebeurtenis na, waarbij er vaak ruzie ontstond over de vraag
wie de rol van de imker op zich mocht nemen. Echter, wat er nu precies was gebeurd, wist
niemand exact te vertellen. Sommige oudere dorpelingen kwamen met hun versie van het
verhaal dicht in de buurt, maar ook zij maakten zich hier en daar schuldig aan het
aandikken van belangrijke passages of vergaten belangrijke elementen in hun vertelling
op te nemen. Hoezeer men ook probeerde de gebeurtenis te reconstrueren, één ding
stond als een paal boven water: wat er precies gebeurd was, dat wist alleen de imker
zelf.

II

Daar zat ze, de koningin, het stralende middelpunt van de zeshoeken. Haar volk krioelde
rusteloos om haar heen, vol in bedrijf, nijver zoals alleen bijen kunnen zijn. Hij streelde
vol liefde over de glazen plaat, over de vele bedrijvige ruggetjes, en genoot van het
gezoem. De bijen waren zijn leven. Zonder hen was hij hier niet geweest, had hij nooit
van de heerlijk zoete smaak van honing mogen genieten. Bijna zeventig jaar geleden was
het geweest, maar de steek van de honingbij kon hij nog altijd voelen – sidderend,
bijtend, tergend, afschuwelijk. Het was zijn vroegste herinnering en het had zijn laatste
kunnen zijn, als men het gekrijs van het jochie als reactie op die venijnige steek niet had
gehoord.
Wat was er van hem terechtgekomen zonder die ene, ogenschijnlijk nutteloze bij? Had
hij om hulp kunnen roepen, versuft als hij was door de pillen die zijn moeder hem had
toegediend, verzwakt als hij was door de dagenlange onthouding van voeding? Zou er
iemand zijn geweest die hem daar had gevonden, in dat verlaten pand, dat men slechts via
een muuropening in de achterzijde kon betreden?
De bijenhouder realiseerde het zich sinds zijn jeugd: die ene steek had zijn werkelijke
geboorte tot stand gebracht. De reflexmatige schreeuw ging door de dichtgetimmerde
ramen, misschien zelfs door de bakstenen, en bereikte de oren van de voorbijgangers, die
vrijwel onmiddellijk beseften dat er in het verlaten postkantoor een kind in nood was en
opgelaten om het gebouw heen liepen om te kijken wat er aan de hand was. De
bijenhouder werd gevonden, zijn weinige energie verspillend aan gesnik om de kloppende
pijn, en aangezien de politie er niet in slaagde het kind te identificeren, was het weeshuis
een jonge ziel rijker. Een ziel van een jongen die weliswaar gekweld was door wat hem
was overkomen, maar die zijn instelling gedurende zeven decennia nooit zou veranderen:
aan de bijen dankte hij zijn leven, en in ruil daarvoor gaf hij dat aan hen.

Hij plaatste het deksel op het laatste potje honing en nam plaats op de kruk, vanaf welke
hij uitzicht had op de taferelen die zich in en rond de bijenkast afspeelden. Met een
glimlach begroette hij de insecten die de kast verlieten of juist binnentraden, terwijl zij
elegant met hun drieledige lichaam waggelden om de afstand tot de dichtstbijzijnde
nectar aan hun collega-werksters door te geven. Het fascinerende aan de bij was niet
alleen haar vermogen honing en was te produceren, maar zeker ook haar wijze van
communiceren: de bijendans kon buitengewoon veel vormen aannemen en de patronen die
erin te herkennen waren, vormden een lust voor het oog.
Hij kneep zijn ogen samen en bestudeerde de dans van een van zijn honingbijen.
Verlekkerd door de pracht ervan voelde hij zijn oogleden zwaarder worden, en stilletjes
viel hij in slaap.

III

De bel ging. De bijenhouder, die bezig was geweest met de groenten op zijn veldje,
voelde hoe zijn lichaam verstarde. Hij kreeg nooit bezoek en het geluid van de bel – een
monotoon gezoem, bij lange na niet zo bevredigend als dat van de bijen – kwam hem
bijzonder ongewoon voor. Vroeger werd hij zo nu en dan lastig gevallen door kwajongens
die beldeurtje speelden, maar aangezien hij de deur nooit opende, was de lol er voor hen
snel vanaf en staakten zij hun pogingen de imker naar de voordeur te lokken. De
bijenhouder vermoedde dat er een nieuwe lading onverlaten was verrezen om hem het
leven zuur te maken en hij negeerde de bel, om zich vervolgens over de kroppen sla te
buigen. Een twintigtal seconden later werd hij echter opnieuw opgeschrikt door het
gezoem en bij de bijenhouder sloeg nu de twijfel toe: was er hier wel sprake van
vervelende kinderen? Of stond er iemand voor de deur met een grote, rammelende
collectebus? Iedereen in het dorp hoorde toch te weten dat hij nooit geld gaf aan
liefdadigheidsinstellingen! Nieuwsgierig naar de persoon die hem blijkbaar in de
deuropening verlangde te zien staan, verliet de imker zijn veldje. Hij baande zich een
weg door zijn huisje – hier en daar verbaasde hij zich over de buitengewoon slechte
toestand van de kamerplanten – en opende de deur.
Op de door de verzengende hitte verkleurde deurmat stond een gezette man met een
pafferig gezicht. Om zijn lippen krulde een geforceerde glimlach, die sterk
contrasteerde met de haast hatelijke blik die in zijn ogen te ontwaren viel. De man was
uiterst netjes uitgedost: hij ging gekleed in een keurig zwart pak, zijn grijze haren
waren gekamd in een volmaakte scheiding en om zijn nek hing een opvallende ambtsketen.
De bijenhouder had zijn onverwachte gast nog nooit gezien, maar het was hem meteen
duidelijk: bij hem op de stoep stond niemand minder dan de burgemeester.
De burgemeester deed een poging vriendelijk te glimlachen en vroeg of hij even binnen
mocht komen.
‘Ja, uiteraard, edelachtbare,’ antwoordde de bijenhouder en hij besefte hoe vreemd zijn
eigen stem hem in de oren klonk. Hoe lang geleden was het geweest dat hij voor het laatst
op een mens gereageerd had?
De burgemeester trad het huisje binnen en gebaarde dat de imker de deur moest sluiten.
Terwijl hij de rommel in de ruimte die hij zojuist had betreden afkeurend gadesloeg,
schraapte hij zijn keel.
‘Mijnheer Sullivan, het spijt me dat ik het u moet zeggen, maar uw wespen –’
‘Bijen, edelachtbare. Bijen.’
De burgemeester klakte even met zijn tong.
‘Ook goed. Uw bijen vormen een ware plaag. Overal in het dorp kom je die beesten tegen.
Laatst nog maakte ik samen met mijn vrouw een wandeling met onze zoon, en het arme
kind was zelfs in zijn buggy niet veilig voor die afschuwelijke insecten. Vroeger kon je
hier nog enigszins rustig over straat, maar tegenwoordig wordt het leven je overal waar
je komt zuur gemaakt door die ellendige beesten. U bezit té veel bijen, mijnheer
Sullivan. Ik kom hier om u te vragen een aantal van hen te verdelgen ten behoeve van de
veiligheid in dit vredige dorp.’
Een golf van woede ging door het lichaam van de bijenhouder. Zijn beestjes verdelgen?
Nooit!
‘Mijn bijen zijn volstrekt ongevaarlijk! Alleen wanneer zo’n diertje in het nauw gedreven
wordt, zal het toeslaan! Hoe kunt u me vragen hen te verdelgen? Nimmer zal ik mijn
levenswerk vernietigen! Nimmer!’
De burgemeester streek met een woedend gebaar door zijn scheiding en de glimlach om
zijn mond verdween geheel.
‘Slaan ze alleen toe als ze in het nauw gedreven worden? Man, die beesten voelen zich al
in het nauw gedreven als je in hun bijzijn achter je oren krabt! Ze zijn een gevaar voor
onze gemeenschap, en als het geen zin heeft u vriendelijk te vragen of u er een stel kunt
afmaken, kan ik er helaas niet onderuit hardere middelen te gebruiken. Vanavond nog zal
een ongediertebestrijder langskomen om een fiks aantal van die beesten uit te roeien!
Vanavond nog!’

IV

‘We moeten eigenlijk die achterlijke bijenhouder eens te grazen nemen.’
De vier vrienden, zojuist teruggekeerd uit Atlanta, lachten hard om die opmerking. Ze
zaten in hun stamcafé en waren behoorlijk aangeschoten.
‘Echt waar, William? Je zou Stacey Abbot toch ook te grazen nemen? Voor zover ik
weet heb je dat alleen in je dromen gedaan.’
Er werd wederom gelachen, maar nu slechts door drie personen.
‘Doe even normaal, John. Ik ben bloedserieus. Ik heb inmiddels schoon genoeg van die
maffe imker. Jullie toch zeker ook?’
Hij nam nog een slok bier en keek zijn vrienden doordringend aan.
‘Luister. Die vent houdt honingbijen en het schijnt dat hij tientallen kasten met die
beesten bezit. Hij is sinds vijf jaar terug in het dorp en in die tijd heeft hij hele
bijenvolken grootgebracht. Ik zie die klotebeesten overal vliegen en ik heb er schoon
genoeg van.’
Zijn vrienden keken hem spottend aan.
‘Dus? Wat wou je daaraan doen? Zijn schuur in de fik steken, soms?’
‘Dat komt in de buurt.’
De spot verdween van de gezichten van de drie tieners. John keek zijn beste vriend met
toegeknepen ogen aan.
‘Wat ben je van plan?’
‘Mijn vader zit nog in Atlanta, jongens. Hij keert pas na het weekend terug. Ik weet
waar hij de sleutels van zijn laboratorium verstopt heeft – in het kistje waarin mijn
moeder haar sieraden bewaarde. Wat nou als ik die sleutels pak, zijn laboratorium
binnenga en een flinke fles geconcentreerd zoutzuur meeneem? We hoeven het slechts in
die bijenkasten te gieten. Zo’n kast is afgedekt met een glazen plaat vol kleine gaatjes en
daar gaat zoutzuur gemakkelijk doorheen.’
Op de gezichten van de vier vrienden verscheen een duivelse grijns.
‘Wat een krankzinnig goed idee! Wanneer gaan we dat doen?’
‘Wanneer de bijenhouder op jacht is, natuurlijk. We houden hem nauwlettend in de gaten
en zodra we merken dat hij de bossen intrekt, voeren we ons plan uit. We zullen hem te
grazen nemen zoals hij vroeger die meisjes te grazen heeft genomen! Die vent zal boeten!’
Hij lachte maniakaal en bonkte met zijn vuist op de tafel.
‘En nu wil ik nog een biertje. Wie bestelt?’

V

Haast geruisloos sloop de bijenhouder door zijn huis, op zoek naar dat ene flesje
rattengif. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij het voor het laatst gebruikt had; het
kon vijf jaar geleden zijn geweest, misschien zelfs tien. Waar de imker ook zocht, de
rommel weerhield hem ervan te vinden waarnaar hij op zoek was. Zuchtend begaf de
bijenhouder zich naar de badkamer, waar vele insecten en andere geleedpotigen zo te
zien hun intrek hadden genomen. De deur van het medicijnkastje gaf niet gemakkelijk
mee, wat niet gek was na al die jaren waarin niemand hem geopend had. Uiteraard waren
de pillen in het kastje alle niet meer geschikt voor gebruik, maar dat maakte ze des te
giftiger.
De bijenhouder griste alle potjes, pakjes en strips van de plankjes en stopte ze in een
plastic zak, die hij beneden op het aanrecht uitschudde. Hij verpoederde alle pillen,
verzamelde het gruis in een boterhamzakje en slenterde vervolgens naar zijn schuurtje,
om daar een uiterst giftige honinglolly te bereiden.

Met een zwarte kap over zijn hoofd struinde de bijenhouder nu over straat. Het dorp
was geheel verlaten; iedereen was natuurlijk naar die bijzondere bijeenkomst die de
burgemeester had georganiseerd. De mond van de imker krulde zich tot een satanische
grijns. Nog even en hij zou zijn arme bijen wreken. Haast elke nacht werd hij badend in
het zweet wakker, steeds weer gewekt door die ene droom, waarin de
ongediertebestrijding zijn diertjes het leven ontnam, zij het met een nog brutere
methode dan in werkelijkheid gebruikt was. Na vanmiddag zou die nachtmerrie definitief
verleden tijd zijn.
De bijenhouder bereikte de villa van de burgemeester. Vreemd genoeg maakte het huis
geen enkel gevoel van spanning of angst bij de imker los, en met een haast serene rust
betrad hij het pad van de keurig onderhouden voortuin van het optrekje. Een scheut van
pijn ging door zijn hart toen hij enkele bijen in de struiken zag dartelen, maar de
bijenhouder liep vastberaden naar de voordeur en drukte op de bel. Een krachtig gezoem
ging sterk echoënd door het huis en even later hoorde de imker hoe iemand op
hakschoenen de hal binnenkwam. De deur werd op een kiertje geopend en een meisje van
een jaar of vijftien slaakte een gilletje toen ze de zwartgekapte man zag staan. Ze zette
haar gehele gewicht in om de deur zo snel mogelijk te sluiten, maar de bijenhouder
belette haar dat te doen door zijn vingers razendsnel om de rand te klemmen. Hij gaf een
woedende duw tegen het hout, waarbij de deur geheel geopend werd, en het meisje rende
gillend de hal in, in een vruchteloze poging te vluchten. De bijenhouder stapte met een
kille kakellach af op het kind, dat de trap op wilde stormen, maar vanwege haar hakjes al
voor de eerste trede onderuit ging. De imker trapte het meisje venijnig een aantal keren
hard in de nierstreek en de echo van haar smartelijke gekrijs vervulde het gehele huis.
Boven begon een jong kind te huilen, duidelijk gewekt door de geluiden die de
mishandeling beneden had voortgebracht, en het hart van de bijenhouder sprong op. Hij
pakte een vaas van het kastje naast de trap en sloeg deze ruw kapot op het hoofd van het
meisje, wier gegil verstomde tot een zacht gekreun voordat zij het bewustzijn verloor.
Zachtjes liep de imker nu de trap op, op weg naar het kind dat nog altijd aan het huilen
was. Het gesnik kwam uit het eerste kamertje aan de linkerzijde van de overloop, en
opgewonden opende de bijenhouder de deur daarvan, nadat hij de kap van zijn hoofd
verwijderd had. Toen hij het ledikant aanschouwde met daarin het huilende zoontje van
de burgemeester, bereikte hij van binnen een extase, maar aan de buitenkant bleef de
imker uiterst kalm.
Het jongetje keek hem aan met een blik vol kinderlijke onschuld in de ogen, en de
bijenhouder besloot dat hij iets tegen hem moest zeggen.
‘Hallo, jochie!’
Het kind murmelde snikkend en stopte enkele van zijn vingers in zijn mond.
‘Heeft de oppas jou naar bed gebracht?’ vroeg de imker op zijn vriendelijkst, in een
poging een gesprek aan te knopen met een jongetje dat hoogstens kreten als ‘papa’, ‘mama’
of ‘honger’ uit kon stoten. Het kind sloeg een aantal keren met zijn rechterhand op het
matras en begon wat luider te huilen. De bijenhouder zag zijn kans schoon.
‘Oh, ben je verdrietig, lief kind? Lust je soms een lekkere lolly?’
Hij haalde het dodelijke snoepgoed uit zijn jas en hield het voor het bolle gezichtje van
de peuter, die in verleiding werd gebracht door de heerlijke honinggeur en de lolly uit de
handen van de imker griste, waarna hij er vredig aan begon te sabbelen. Een paar likjes
van deze lolly waren voor een kind van deze afmetingen voldoende om de dood te vinden,
en een brede grijns verscheen op het gezicht van de bijenhouder. Over een uur zou de
burgemeester beroofd zijn van zijn meeste geliefde bezit, zoals hij beroofd was van het
zijne. De imker stak zijn armen triomfantelijk in de lucht toen hij zag hoe het kind een
stuk van de lolly afbrak en het in zijn mond stopte. De moord was zo goed als gepleegd.

De bijeenkomst waarbij de burgemeester en zijn vrouw aanwezig waren, zou nog ruim
drie uur duren. Voor de bijenhouder was er dan ook geen haast om het huis te verlaten;
hij kon mooi wachten tot het kind levenloos in zijn ledikant lag. De imker daalde de trap
af om de woning van de burgemeester wat te verkennen en zag tot zijn genoegen dat het
kindermeisje nog altijd levenloos onderaan de trap lag.
Hij betrad de keuken, waar zijn aandacht werd getrokken door de krant van vandaag, die
op de voorpagina kopte: ‘Mens landt op de maan!’ De bijenhouder fronste, legde de krant
hoofdschuddend weg en nam geeuwend plaats in een stoel. Nog even en zijn bijen waren
gewroken.

VI

Met een drietal hazen in de hand zag de imker zijn huisje in zicht komen. Wat woonde hij
eigenlijk mooi zo aan de rand van het bos. Glimlachend staarde hij naar een bij die op een
bloeiende struik afvloog, terwijl zij sierlijk waggelde met haar achterlijf. De
bijenhouder bestudeerde haar dans, en toen sloeg de angst hem om het hart. De
bewegingen van deze werkster verrieden het: er was gevaar in de bijenkast!
Verlamd door de schrik liet de imker de dode hazen op de grond vallen en hij rende zo
hard als hij kon naar zijn schuur, waar hij zijn kasten in verruïneerde toestand aantrof.
De zure lucht die rondom de korven hing was ondraaglijk en met een hevig kloppend hart
boog de bijenhouder zich over een van zijn kasten om te zien wat er was gebeurd. Toen
hij de honderden met pus bedekte bijenlijken zag, bracht hij zijn trillende hand naar zijn
gapende mond. Struikelend liep hij naar een volgende kast, waarin hij opnieuw een massa
vermoorde bijen aanschouwde, en ook in de andere kasten trof hij het resultaat van een
slachtpartij aan.
De bijenhouder voelde hoe het bloed uit zijn gezicht wegtrok, onderdrukte de neiging
over te geven en stootte vervolgens een hartverscheurende kreet vol hysterie uit. Het
overkwam hem opnieuw; opnieuw waren zijn bijen van hem afgenomen!
De imker verborg zijn getergde gezicht in zijn handen en liet zich op zijn knieën vallen.
Wie had dit op zijn geweten? Vijf jaar geleden was hij teruggekeerd in het dorp en
sindsdien had hij niemand lastiggevallen. Niemand! Waarom deed men hem dit aan? Had
hij niet genoeg geboet tijdens die tweeëntwintig jaar in de gevangenis? Was hij niet
gestraft voor het doden van dat kind en die oppas nadat de dienstmeid hem in het huis
had aangetroffen?
De bijenhouder liet zijn schouders zakken en realiseerde zich toen dat het nest in de
appelboom voor zijn deur waarschijnlijk onaangedaan was gebleven. Luid snikkend, maar
met een sprankje hoop, begaf hij zich naar de voortuin en trof daar inderdaad een intact
bijennest aan. De imker slaakte een luide doch gekwelde zucht van opluchting: één
bijenvolk had deze verschrikking overleefd. Eén volk had hij het leven kunnen geven. Met
een serene glimlach om zijn mond keek de bijenhouder toe hoe verschillende bijen het
nest dartel wiegend met hun achterlijf verlieten. De vlucht van de honingbijen gaf hem
even innerlijke rust, en met een merkwaardig kalme tred ging de imker op weg naar het
medicijnkastje, dat vijf jaar geleden opnieuw gevuld was.

(geplaatst op 29-07-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.