Een kortverhaal van JEROEN DERA (2)

SPELEN MET DE REGENBOOG

Terwijl de vogels kwetterend het krieken van de dag vierden en de krekels hun getsjirp
vaarwel zeiden, opende zij in al haar onschuld haar bekoorlijke oogjes. Toen ze zag dat
de zonnestralen speels haar kamertje binnenvielen en de gesloten deur belichtten, dook
ze schichtig onder haar dekentje. Wat als hij zich vannacht in haar slaapkamer had
verstopt? Zou hij vanuit een donker hoekje naar haar aan het loeren zijn, klaar om op
haar af te stormen? Of stond hij nu pal achter die deur, met zijn hand op de klink en zijn
oor tegen het hout, om bij het horen van haar gegeeuw onmiddellijk binnen te komen
vallen?
Ze sloeg de dekens zo stevig als ze kon om zich heen. Vandaag zou ze niet uit bed komen.
Ze sloot haar ogen, vastberaden om de slaap te hervatten, maar beelden van openende
kastdeuren en dunne latten eikenhout weerhielden haar daarvan. Ze kneep haar oogleden
uit alle macht op elkaar, in de hoop daardoor snel weg te doezelen of in ieder geval de
kastdeuren te doen sluiten, maar een gevoel van angst in haar buik overwon haar wil
terug te keren naar het land van de zoete dromen. Enkele minuten lang lag ze afwachtend
in haar bedje, dan weer bewegingloos, dan weer woelend als een muisje dat een holletje
graaft in het mulle zand, en zij poogde niet te denken aan de houthakkersbijl die de
vader zo dreigend boven zijn hoofd had geheven toen hij zijn zelfbeheersing verloor. Het
gegil van mama galoppeerde als een woest ros door haar hoofdje, en tranen stroomden
over haar wangen toen ze haar handen wanhopig tegen haar oren drukte.
Ferm gebonk op de deur leek alle processen in haar lijfje stil te doen staan. De vogels
buiten schenen hun vrolijke gekwetter te staken en in haar verbeelding werden grillige
schaduwen op de muren geworpen. Als een zuchtje van de wind veerde ze op en sprong
kwiek uit haar bedje, met haar ogen angstig gericht op de deur, die ieder moment ruw
opengezwaaid kon worden.
Met gebogen hoofd schuifelde ze angstig naar het middelpunt van haar kamertje. De rode
vloerbedekking die ze vorig jaar samen met mama had uitgezocht gaf geen warmte aan
haar ijskoude voetjes. Haar ademhaling werd onregelmatiger toen de vader de deur met
veel geweld opende. Met een ongeschoren gezicht en een onaangename dranklucht rond
zijn lichaam zwalkte hij de kamer binnen, terwijl hij in zichzelf mompelde en schuddende
hoofdbewegingen maakte.
‘Ontbijt?’ snauwde hij haar toe.
Ze hield haar handen beschermend voor haar gezichtje, alsof ze bang was dat de vader
haar ieder moment een dreun kon verkopen. Met een fluisterstemmetje bracht ze een
aarzelend ‘nee’ uit, waarop een agressief ‘waarom niet?’ volgde.
‘Ik heb geen honger, papa,’ stamelde ze, terwijl ze haar vlecht zenuwachtig rond haar
wijsvinger wond. Er scheen niet naar haar geluisterd te worden.
‘Ik heb eieren gebakken. Ik verwacht je binnen een minuut in de woonkamer. We moeten
praten, Kim.’
En met een woest gebaar smeet de vader de deur in het slot.
In gedachten struinde ze al naar de eettafel, waaraan ze altijd met mama een boterham
had gegeten, lachend om de verhalen die haar dan over opa en oma verteld werden. Als
het lekker weer was, zette mama meestal een raam open, zodat de boslucht hun huisje
binnendrong en de maaltijd hun nog beter smaakte.
Wat verlangde ze terug naar die tijd. Wat verlangde ze ernaar de tafel weer huppelend
te verlaten, mama een zoen op haar wang te geven omdat de aardbeienjam zo lekker was
en Mark te omhelzen voordat ze naar bed toe ging… Was vader maar weggebleven. Hoe
had hij hen in hemelsnaam gevonden zo midden in de bossen? Waarom was hij zo verteerd
geraakt door jaloezie?
‘Kom je nou nog?’ klonk het agressief vanuit de woonkamer.
‘Die eieren worden verdomme koud!’
Weemoedig sloot ze haar ogen, en haar gedachten gingen terug naar de afgelopen
meimaand, waarin ze elke avond voor het slapen gaan met Mark verstoppertje had
gespeeld, waarna hij haar altijd naar bed bracht.
‘Kim! Komen, of ik kom je halen! Wil je soms dat ik je aan je vlecht naar de tafel sleep?
Nou?’
Nee, natuurlijk wilde ze dat niet. Ze wilde zelfs helemaal niet naar de tafel, hoewel haar
buik voortdurend knorrende geluidjes leek te maken. Was mama er maar …
Ze kromp ineen toen ze dreunende voetstappen op haar kamertje af hoorde komen. De
deur werd voor de tweede maal die morgen ruw opengezwaaid, en de vader kwam furieus
haar kamer binnen gelopen.
‘Kom godverdomme naar die tafel, klerejong! Ondankbaar stuk vreten dat je bent!’
De agressieve stem van de vader bezorgde haar het afschuwelijkste kippenvel dat haar
armpjes ooit had geteisterd, en uit onmacht begon ze te huilen zoals ze nog nooit had
gedaan. De vuist van de vader raakte haar midden in haar gezichtje, en angstig kermend
tuimelde ze achterover op de grond, waar ze bewegingloos bleef liggen.
‘Dat zal je leren niet naar je vader te luisteren! Ongehoorzaam teringjong!’
Kreunend opende zij haar ogen. Voor haar ogen bewoog haar omgeving onrustig op en
neer; uit haar neus stroomde een straaltje bloed. Ze probeerde het stroompje met de rug
van haar hand te stoppen, maar tegen deze bloedneus was zelfs geen sterke zakdoek
opgewassen. Ze probeerde zich op te richten, maar haar duizeligheid was haar de baas.
Ook haar tweede poging op te staan was niet succesvol, maar driemaal was scheepsrecht.
Met bonkend hoofd liep ze naar het venster en legde haar schouder tegen de ruit, waarna
ze haar vingers onder het voor een kwart geopende schuifraam klemde en uit alle macht
opwaarts duwde. Toen ze het raam voldoende had geopend, klom ze zo snel als zij kon
naar buiten en zette het op een lopen. Ze rende en rende, langs de vele bomen, struiken
en bloemen die het bos sierden. Zelfs het prachtige gezang van de vogels kon haar tranen
niet doen ophouden met stromen. Zo nu en dan keek ze over haar schouder om te kijken
of de vader haar niet was gevolgd. Wat als h!
et wel zo was? Zou hij haar dan meenemen en de bijl halen?
Haar hoofdje werd weer gevuld door mama’s wanhopige gegil. Ze zag de verbaasde blik
van Mark voor zich, toen deze de deur had geopend en oog in oog had gestaan met de
vader, die hem maniakaal had toegegrijnsd. Ze probeerde het beeld te verdringen, maar
daarvoor was ze te uitgeput. Ze verslikte zich in haar gesnik en gehijg, greep naar haar
keeltje, hoestte en struikelde over een boomstronk, waarna ze een lelijke smak maakte en
bewusteloos in de boombladeren bleef liggen.
‘Kijk, daar heb je de regenboog. Zou je die niet willen beklimmen, schat?’
Mama had het altijd gevraagd als het kleurrijke natuurverschijnsel haar plaats aan de
hemel had ingenomen. En altijd had ze enthousiast ‘ja’ geantwoord, waarop mama haar dan
optilde en deed alsof ze samen met haar dochtertje vanaf de regenboog naar beneden
gleed. Dat was me een tijd.
Vanuit de verte hoorde ze opeens mama’s stem: ‘Beklim dan toch de regenboog, lieve schat!’
En daar was hij plots, mooier en helderder dan ooit tevoren. Voorzichtig kroop ze naar
de plaats waar de regenboog de grond raakte en ze plaatste haar linkerhandje op het
rood en haar rechter op het geel. De waterdruppeltjes kietelden een beetje aan haar
handpalmen, en ze begon vrolijk lachend omhoog te klimmen. Verschillende vogels
vergezelden haar op haar tocht naar de top, en de wind ging liggen opdat zij niet naar
beneden geslingerd zou worden.
Wat voelde ze zich gelukkig. De honingzoete helderheid van deze plek maakte dat haar
somberheid werd verdrongen door vrolijke gevoelens vol dartelheid. Wat wilde ze graag
spelen, en wat was de regenboog daar een geschikte locatie voor…
Ondeugend haalde zij het indigo van de boog en zij spon het door haar vlecht. Zij draaide
een pirouette naar het geel en bekeek voldaan haar spiegelbeeld in de waterdruppeltjes
uit welke haar regenboog was opgebouwd. Ze spreidde haar armen en richtte haar hoofd
naar die heerlijk warme zon. Wat was ze die ster dankbaar voor het maken van deze
zorgeloze plaats.
Met een koprol begaf zij zich naar het oranje, dat haar onmiddellijk aan mama deed
denken, omdat zij altijd zo mooi de avondlucht kon schilderen. Vele paletten had ze
zwierig leeg gestreken om de oranje gloed van de ondergaande zon natuurgetrouw weer
te geven. De gedachte aan mama maakte haar nog blijer dan ze hier op de regenboog al
geworden was, en eventjes stopte zij met spelen.
Zij staarde naar het felle rood, dat mama zo van haar schoonheid had beroofd. Ze wist
dat het rood behouden was voor de zee, die ooit haar waterloze einde bloedend in de
nacht bereiken zou. Voorzichtig plukte ze de kleur uit de regenboog, en gooide haar naar
beneden.
Daarna rende zij naar het groen en danste daar lustig in het rond. Ze ging op haar buik
liggen en gleed over de groene baan naar beneden, de bomen en het zwiepende gras
volgend. De snelheid waarmee dat gebeurde, gaf haar een oppermachtig gevoel: geen
regenstorm zou zij niet kunnen trotseren.
Zij remde af en maakte een hinkstap naar het blauw. Eventjes had ze het gevoel één te
worden met de lucht, en zij aanschouwde vol bewondering de licht bewolkte hemel.
Doodvermoeid van het spelen kroop ze tenslotte naar het violet en legde zich te ruste.
Het zwarte van de wereld zou haar hier nooit vinden. Voor vader was zij voorgoed veilig.
‘Voorzichtig, ze bloedt… Schud haar alsjeblieft niet te hard door elkaar!’
‘Nee, je denkt toch zeker niet dat ik gek ben? Ze is bewusteloos…’
‘Dat zie ik ook wel. Ze woont hier vast in de buurt. Als ouders stuur je zo’n kind toch
zeker niet in haar eentje naar de bossen? Kijk eens, ze mist een schoentje…’
‘Nu je het zegt… Wacht, daar bij die boomstronk ligt een schoen!’
‘Het lijkt me dat ze gestruikeld is… Maar hoe komt ze dan in hemelsnaam aan zo’n
toegetakeld gezicht? Het lijkt wel of ze geslagen is…’
‘Ik weet het niet… Misschien heeft ze een tak in haar gezicht gehad.’
‘Ik ben er niet gerust op, schat. Laten we haar naar een ziekenhuis brengen… Dat
trimmen komt later wel.’
‘Je hebt gelijk… Help me even haar op mijn schouders te tillen. Moet je die regenboog
trouwens zien… Werkelijk schitterend.’


terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.