KORTE VERHALEN VAN JEROEN DERA
("Tranen van Zeus", "Sterfbed met rozen" en "Metamorfose")

TRANEN VAN ZEUS

De verderfelijke kilte die de lemen keien van de binnenplaats van het slavenhuis
uitstraalden, vormde een voedingsbodem voor het panische gevoel dat zich meester
van hem had gemaakt toen hij met claustrofobische angsten het kamertje van zijn
familie was ontvlucht. Het kurkdroge gekuch van zijn moeder danste uitdagend heen
en weer door de donkere poelen van zijn geheugen. Haar door honger en dorst
uitgemergelde gelaat stond onuitwisbaar geprojecteerd op zijn getergde geestesoog.
De geur van dood en verderf zwierf rond in zijn reukcentra en bedwelmde hem. Er
was geen hoop meer. Geen greintje hoop.
De sleur van het dagelijks leven in het paleis was haar te veel geworden. Het
constante aanvoeren van etenswaren en drank had haar niet zozeer fysiek verzwakt,
maar psychisch des te meer. Het jarenlang wassen van de koninklijke kleren had
tergend langzaam aan haar geweten geknaagd, zodat ze na maanden tobben in een
diepe put van ellende was gestort. Haar lichaam was in haar val meegesleurd,
waardoor zij getransformeerd was tot een zielig hoopje mens. Even had het erop
geleken dat ze zou aansterken en tegen de wand van de put omhoog zou klimmen, maar
vorige week had ze een terugval gehad en tuimelde ze versneld de diepte in. Ze nam
geen voedsel meer tot zich, dronk nauwelijks en kreeg te kampen met een ernstige
vorm van slapeloosheid. Het leek erop dat zijn moeder op het punt stond Charon haar
obool te betalen om vervolgens de Styx over te worden gezet, op weg naar de
Elyseïsche velden.
Hopeloos knielde hij neer op de binnenplaats en stootte een ellendige kreet uit. Zijn
hele leven lang waren er slaven om hem heen gestorven, maar nog nooit had hij iemand
verloren die hem echt dierbaar was. Nog nooit zelfs hadden zijn tranen gevloeid uit
angst een dierbare te verliezen. Maar nu spookten beelden van zijn stervende moeder
door zijn hoofd; zag hij in gedachte hoe vlammen uit de Hades genadeloos aan haar
zwakke lijf likten. Hij begroef zijn hoofd snikkend in zijn handen. Zijn geest was
vervuld van een gemengd gevoel van smart en rancuneuze wrok. Als zijn meester zijn
moeders lasten had verlicht, had ze nu niet op sterven gelegen. Als hij haar ook maar
een dagje vrijaf gegeven had, had haar toestand anders geweest kunnen zijn. Maar die
despoot weigerde zijn slaven goed te behandelen. Zij waren slechts een bezit dat het
leven comfortabeler maakte. Wat maakte één slaaf meer of minder uit?
Voor deze man had hij nu zijn hele leven gewerkt. Waarom deed hij het eigenlijk nog?
Waarom zou hij nog werken voor een koning die verantwoordelijk was voor de
ellendige dood van zijn slaven? Die middag, vlak voor het moment dat zijn moeder het
leven liet, nam Alexandros een impulsief besluit: nooit meer zou hij de paarden voor
de wagen van zijn meester spannen. Hij zou zijn wraakzucht zege laten vieren.

Intussen, op de Olympus

‘Zeus! Jij vuile klootzak!’
Met woedende stappen beende Hera de kamer van haar broer en echtgenoot binnen.
De kraai op haar bevallige Godinnenschouder kraste furieus naar de Oppergod, die
zijn nectar liet voor wat ze was en zich angstig in zijn troon poogde te verbergen.
‘Je bent met een mens het bed in gedoken!’
Zeus hield zijn bliksemschicht beschermend voor zijn bebaarde gezicht en probeerde
zijn gemalin tot bedaren te brengen.
‘Hera, liefje, het stelde niets voor… Heus!’
‘Praat me niet van zaken die niets voorstellen! Je kon het gewoon niet laten een mens
te bevruchten! Wanneer bevrucht je míj weer eens? Nou?’
‘Schat, je weet dat je veel voor me betekent. Ik…’
‘Nee, niets ‘ik’! Dus jij stelt dat ik veel voor je beteken? Waarom moet je dan zo
nodig een méns het hof maken? Wat stelt sterfelijke seks nu voor?’
Zeus begon zich licht te ergeren aan het venijnige gedrag van zijn echtgenote.
‘Meer dan je denkt. Probeer het eens uit.’
‘Oh, dus ik moet me verlagen tot jouw niveau? Gedraag je toch eens als een Oppergod,
man! Word volwassen!’
De door merg en been gaande klap van de bliksemschicht op de paleisvloer snoerde
Hera de mond. Zeus stond op uit zijn troon en keek zijn vrouw dreigend in haar
koeachtige ogen.
‘Deze discussie hebben we vaker gehad. Leer je jaloerse gevoelens eens te temperen,
lieve.’
En met bonkende voetstappen verliet de Oppergod het vertrek, zijn vrouw woest
achterlatend.

Intussen, binnen de paleismuren

Alexandros had zich geruisloos tussen een groepje slaven geschaard, bij wie zijn
roodgezwollen ogen de aandacht trokken. Enkele lotgenoten vroegen hem wat er aan
de hand was, waarna hij hun het verhaal van zijn moeder weemoedig vertelde.
‘En nu wil je stoppen met werken? Wat wilde je dan doen? Vluchten?’ vroeg een
puberende slaaf hem sceptisch.
‘Ik dacht meer aan een opstand. We weigeren nog verder te werken.’
Een slaaf van een jaar of veertig snoof cynisch.
‘Laten we inderdaad ons doodsvonnis tekenen, Alexandros. Goed plan.’
‘We tekenen ons doodsvonnis juist als we hier blijven werken. Snap dat dan!’
antwoordde Alexandros geërgerd. Hij bracht de slaaf echter niet van zijn stuk.
‘We hebben niet allemaal een gestel dat zo zwak is als dat van je moeder. Kom op, je
kunt niet ontkennen dat de meester ons behoorlijk behandelt. We zijn hier beter af
dan buiten de paleismuren.’
‘Ach, stik er ook in.’
Hij was niet van plan zich op te laten jutten door een handjevol niet-meewerkende
slaven, maar al snel bleek dat Alexandros wel erg weinig bijval kreeg in zijn snode
opzet een opstand uit te lokken. Nagenoeg alle slaven met wie hij sprak, beweerden in
het paleis een fatsoenlijk leven te leiden en deelden mee dat een opstand niet was
waarop zij zaten te wachten. Een rationeel denker zou zonder veel bijval onmiddellijk
hebben afgezien van zijn plannen zijn meester een hak te zetten, maar Alexandros
was te verblind door zijn gevoelens omtrent de dood van zijn moeder om ook maar een
beetje gas terug te nemen. Hij zou zijn meester doen boeten, al was dat het laatste
wat hij deed.
Hij veegde een traan van zijn schrale wang, ademde diep in en ging op weg naar de
keukens. Daar aangekomen meldde hij dat hij opdracht van de koning had gekregen
hem wat te eten te brengen, en tot zijn verrassing maakte de kok zonder
tegenstribbelen een vleesgerecht klaar. Een excuus om op weg te mogen naar het
vertrek van de koning was bij deze geregeld.

Intussen, in het vertrek van de koning en zijn vrouw

‘Lieverd, ik heb genoeg van die oorlogen. Laten we nu eens aan kinderen denken.’
De koningin streelde haar man teder over zijn wang.
‘Schat, ik zou niets liever willen, maar we moeten nu eenmaal rekening houden met de
politieke omstandigheden.’
Ze zuchtte.
‘Hemel, de politieke omstandigheden zijn altijd hetzelfde! Gewelddadigheid, corruptie
en religieuze ongehoorzaamheid blijf je toch houden; daar valt niets aan te doen.
Bemoei je er toch niet mee!’
De koning glimlachte.
‘Daar gaat het ook niet om, schat. Als wij de Perzen niet tegenhouden, kunnen we het
wel vergeten met onze kinderen. Dan zal er van een nageslacht nooit sprake zijn.’
‘Je weet best dat hetgeen je nu zegt, onzin is. Welke oorlogvoerende koning wil nu
geen sterke zoon om het leger voor hem aan te voeren? Volgens mij ben ik de enige
kinderloze koningin in heel Hellas!’
De koning keek zijn vrouw schattend aan. Misschien had ze wel gelijk en was het
inderdaad een schande dat hij nog altijd geen troonopvolger had.
‘Misschien moeten we over een jaar of twee inderdaad eens aan kinderen beginnen,
ja…’
Hoewel ze goedbedoeld was, deed deze reactie de koningin geërgerd zuchten.
‘Dus we moeten twee jaar lang moeilijk blijven doen? Is het nou werkelijk zo erg om
een kind te hebben? Ik heb er genoeg van niet met je te kunnen vrijen wanneer ik
daar zin in heb!’
Verontschuldigend legde de koning zijn handen op de uit woede schokkende schouders
van zijn vrouw.
‘Het komt echt wel goed. Ik heb een idee. Als jij nu eens …’
Wat de koningin moest doen, zullen we nooit te weten komen, want de koning heeft
zijn zin nooit af kunnen maken. In plaats van woorden uit te brengen, maakte hij een
raar keelgeluidje en bracht hij zijn handen naar zijn gapende mond. Zijn vrouw keek
hem aan met een uitdrukking op haar gezicht die het midden hield tussen een
verwardheid en angst.
Het werd ijskoud in het vertrek, alsof een winterse bries door de gesloten deuren
heen naar binnen was gedrongen. De kandelaars trilden, het aardewerk spatte uiteen
en de adem van het koninklijke echtpaar vormde gekristalliseerde wolkjes.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg de koningin angstig, en ze klampte zich rillend tegen
haar man aan.
‘Ik… Ik weet het niet.’
Machteloos keek de koning nu weer naar het plafond van het vertrek, dan weer naar
een van de hoeken, in de hoop daar een aanwijzing voor de geheimzinnige
verschijnselen te vinden. Lang hoefde hij daar niet naar te zoeken, want al snel
werden er in het midden van de kamer contouren zichtbaar van een welgevormd
vrouwenlichaam. Een gedaante verscheen in het vertrek, en hoewel zij omhuld was
door dunne flarden van rozige nevel, was het onmiskenbaar dat zich een kraai op de
schouder van de vrouw gezeteld had.
‘Bij Zeus… Het is vrouwe Hera!’ verzuchtte de koning, en hij knielde nederig voor de
zojuist verschenen godin. Zij trok zich echter niets van dit eerbetoon aan en stapte
woedend op de koningin af.
‘Nog nooit ben ik voor een mens verschenen, nog nooit! Maar voor jou maak ik graag
mijn eerste uitzondering! Hoe dúrf je met mijn man het bed te delen?’
De koningin stamelde wat, maar was te bang om een goed antwoord op Hera’s vraag uit
te brengen. De koning staarde zijn echtgenote met grote ogen aan. In zijn blik viel
een krankzinnige schittering te ontwaren.
‘Is dat waar, schat? Ben jij met de Oppergod naar bed geweest?’
De koningin stootte nu dramatische kreten uit.
‘Lieverd, het spijt me zo! Hij verscheen aan mijn bed, en ik… ik… ik kon gewoon geen
nee zeggen! Wie zegt er nu nee tegen Zeus? Toe, vergeef me!’
Driftig balde de koning zijn vuist, maar voordat hij wilde uithalen om zijn overspelige
vrouw te slaan, hief Hera haar hand in de lucht en schreeuwde:
‘Ik zal er voor zorgen dat mijn man hier nooit meer komt! Je had je sterfelijke
handen moeten thuishouden!’
Met een woedend gebaar smeet de godin een granaatappel richting het koninklijk
paar, waarna ze onder luid gekras van de kraai in rook opging. De appel bleef even
onschuldig liggen, maar explodeerde toen met giftig venijn, waarbij de koning en zijn
vrouw het leven lieten.

Intussen, binnen de paleismuren

‘Heb je het gehoord? Er is een aanslag gepleegd op de koning en zijn vrouw! Zij
hebben het niet overleefd!’
Het nieuws over de dood van het koninklijk echtpaar verspreidde zich razendsnel.
Alexandros, die met zijn bord eten op weg was naar zijn meester, liet de koninklijke
maaltijd verschrikt uit zijn handen vallen toen hij over het sterven van de koning
hoorde en staarde naar de adviseurs van zijn meester, die in paniek door de
wandelgangen renden.
‘Niemand weet hoe de dader is binnengekomen! Slaven hebben de deur van het
koninklijk vertrek voortdurend bewaakt! De koningin zei dat zij alleen met haar man
wilde zijn!’
Alexandros dacht er het zijne van. Het kon geen toeval zijn dat zijn meester
overleden was.
Met een merkwaardig gevoel in zijn buik rende hij naar buiten. De hemel was bedekt
met het donkerste grijs dat hij ooit had gezien. Donder galmde over de kruinen van de
bomen in de paleistuin. Bliksemschichten verlichtten zo nu en dan de grillige
schouwspelen van de regendruppels. Zeus moest woester zijn dan hij ooit was geweest.
Alexandros stortte zich op zijn knieën en staarde naar het dreigende wolkendek.
Terwijl de tranen van Zeus zijn lichaam doorweekten, dankte hij de Goden voor het
verhoren van zijn gebeden.

(geplaatst op 19-04-2004)

* * *

STERFBED MET ROZEN

‘Ga maar rustig zitten, Milou. Rustig…’
De woorden van de dokter klinken vriendelijk, maar op mij komen ze dreigend over.
Ik wil niet rustig gaan zitten, niet nu het angstzweet zich sidderend uit mijn poriën
perst. Ik ben bang voor artsen. Bang voor hun naalden en pincetten. Bang voor hun
stethoscoop, bang voor hun spuiten. Bang voor hun witte jas en vooral bang voor hun
handen, die meedogenloos al die vreselijke instrumenten bedienen, van het zogenaamd
onschuldige hamertje tot het vervaarlijk schitterende mes.
Deze arts is echter rustig, vriendelijk, zelfs charmant. Niet een botte, op geld
beluste heler. Althans, niet op het eerste gezicht. Zijn twinkelende ogen stralen
vreedzaamheid uit, rondom zijn lippen krult een vriendelijke glimlach en zijn kalende
kruin heeft iets vertederends. Zijn sussende woordjes geven me een prettig gevoel,
dat ik nog nooit heb gehad in de aanwezigheid van een dokter. Deze man moet te
vertrouwen zijn. Misschien moet ik toch maar gaan zitten.
‘Laat me maar even voelen.’
Even weifel ik; dit is en blijft een dokter. Wat nu als hij een naald tevoorschijn
haalt? Ik wil tegenstribbelen, maar dan is er de stem van mama.
‘Het is goed, lieverd. Doe maar rustig.’
Voor haar werk ik mee; ze is er immers ook altijd voor mij. Ik ontspan me, en houd me
stil. Het is vast snel achter de rug.
De zachte hand van de arts zwerft naar het knobbeltje onder mijn oksel, dat de
oorzaak is van dit doktersbezoek. De afgelopen dagen hebben papa en mama er
verschillende bezorgde gesprekken over gevoerd, waarbij mama soms in een angstig
snikken is uitgebarsten.
‘Als het maar geen lymfeklierkanker is!’ riep ze dan, waarna ze met haar hand voor
haar mond mijn richting in keek, alsof ik tijdens het spelen met mijn tol iets had
opgevangen wat ik niet horen mocht.
‘Maak je niet druk, Miranda, dat begrijpt ze niet,’ suste papa, en dan keek hij me
bezorgd aan. ‘Gelukkig niet.’
Hij moest eens weten. Ik weet heel goed wat lymfeklierkanker is, ook al ben ik
nauwelijks vier jaar oud. Maar angst ervoor? Nee, die heb ik niet.
De dokter betast zachtjes het knobbeltje, een rotsachtig eiland in de vlakke zee van
mijn linker oksel. Hij drukt er even op, maar het doet geen pijn. Wat een fijne
dokter. Zo teder, zo voorzichtig. Nogmaals voelt hij aan het knobbeltje, haast
strelend, en richt zich dan tot mama.
‘Die knobbel onder Milou’s oksel is geen opgezette lymfeklier, mevrouw. Ik vrees dat
het een tumor is.’
Hoewel mama dat ook vreesde, reageert ze op die mededeling alsof ze verwacht had
dat ik slechts een verkoudheid had opgelopen. Ze wil iets zeggen, maar voordat haar
woorden de kans krijgen uitgesproken te worden, worden ze door gesnik ruw terug in
haar keel gezogen. Haar gezicht worstelt om in de plooi te blijven, maar al snel
breekt het als een angstaanjagende onweerswolk open, waarna tranen van smart over
haar bolle wangen biggelen.
‘Ze is nog zo jong, het is niet eerlijk!’ schreeuwt ze huilend, terwijl ze zich naar me
haast om me in haar armen te nemen. Ik kan geen geluidje uitbrengen.
‘We zullen het eerst gaan onderzoeken. We weten nog niets zeker. Wie weet is er
niets aan de hand en verdwijnt dat knobbeltje binnen nu en een week. U moet er
echter wel rekening mee houden, dat er kanker in het spel kan zijn,’ zegt de dokter,
en hij klopt mama op haar schouder, waarna hij mij vriendelijk een aai over mijn bol
geeft, zij het met een ernstige uitdrukking op zijn gezicht.
‘Je bent een sterke meid, Milou. Het komt vast goed.’
Ja, het komt vast goed.
Twee weken later
‘Het spijt me, meneer en mevrouw Upbergen. Milou heeft non-hodgkin, een ernstige
vorm van lymfeklierkanker. Er bevinden zich metastasen – uitzaaiingen – in haar
ruggenmerg en borstbuis. Ik vrees dat we niet meer veel kunnen doen.’
Miranda Upbergen sluit haar ogen. Haar meisje Milou, haar levenslustige meisje,
kanker. Het kan niet waar zijn. Ze moet nog vier worden. Het is zo oneerlijk. Met de
zoute smaak van warme tranen in haar mond drukt ze zich tegen haar man aan, wiens
verstarde gezicht van rozig in krijtwit en vervolgens in grijzig verandert.
Twee maanden later
‘Gaat het, Milou?’
Ik ben te verzwakt om mama te antwoorden. Mijn broos geworden botten doen pijn,
mijn rug voelt alsof er een helikopter op is geland en mijn keel brandt bij elke
slikbeweging. Ik zie vlekken, vegen in mijn gezichtsveld. De rozen in de vaas op de
tafel vervagen. Het gaat niet goed.
‘Milou? Milou!’
Mama rent op me af, alsof ik aan het verdrinken ben. Misschien ben ik dat ook wel.
Ik verdrink in mijn eigen pijn, in mijn eigen leed, in mijn eigen lot. Ik stik in de
vlekken voor mijn ogen. Geen lucht meer. Geen pijn meer. Slechts wit licht.
Die avond
Verslagen zit Miranda Upbergen op de rode sofa. Ze dept haar gezwollen, rode ogen
met een verfrommelde tissue. Zometeen komt haar echtgenoot thuis. Haar lieve man,
Milou’s lieve vader. Hij weet nog niet dat ze overleden is. Ze kón hem gewoon niet
bellen. Hoe moest ze in godsnaam zeggen dat Milou, hun lieve Milou, er niet meer was?
Ze kon het niet over haar hart verkrijgen.
Het geluid van een inparkerende auto. Voetstappen. Een sleutel die in het slot steekt
en een draaiende beweging maakt.
‘Schat, ik ben thuis!’
Daar is hij. Ze moet het hem vertellen. Ze begint harder te huilen. Hij komt de kamer
binnen en fronst bezorgd zijn wenkbrauwen, als hij zijn vrouw huilend op de sofa ziet
zitten.
‘Liefje, wat is er? Is er iets met Milou?’
Ze knikt en snikt luid.
‘Ze…’
Meer hoeft ze niet te zeggen. Haar man weet het. Hun kat is dood. Voor eeuwig naar
het hiernamaals. Ze was pas vier jaar oud.


(geplaatst op 08-02-2004)


* * *

Metamorfose

Waarschijnlijk was ik de enige die het kleine, donkere steegje zag. De mensen om mij
heen wezen opgewonden naar de vele winkeletalages, die hen uitnodigden hun
zuurverdiende geld uit te geven aan de modernste elektronica of de hipste mode. Het
steegje werd door niemand gezien. Het werd slechts voorbijgelopen. Om eerlijk te
zijn was het ook voor mij de eerste keer dat ik het kleine, haast verstopte straatje
opmerkte. Ik was me er nooit bewust van geweest dat het er was, hoewel ik altijd
goed om me heen keek in drukke winkelstraten, uit angst om te maken te krijgen met
een godvergeten zakkenroller. Maar nu, op deze zonnige zaterdag in juni, viel het
steegje me plots op. Sterker nog, het trok me aan, alsof het een magische kracht op
mij uitoefende. Langzaam liep ik er op af. Ik moest weten waarheen het steegje
leidde, en of zich iets bijzonders bevond op de verregende klinkers uit welke het
bestond. Gefixeerd als ik op het mysterieuze straatje was, viel het me nauwelijks op
dat vele voorbijgangers tegen me op botsten, terwijl ik richting dat steegje ging. Ik
struinde erop af als een honingbij die zoemend naar een schitterend bloeiende heester
vliegt, en toen ik het bereikte, kwam ik tot de conclusie dat het werkelijk een
betoverde steeg moest zijn.
Hoewel de hemel strak blauw was en de zon haar glanzende stralen over de
winkelstraten deed schijnen, hing in het steegje een dichte mist en was het er
onaangenaam koud. Ik kon nauwelijks tien meter in de verte kijken en de rillingen
liepen over mijn rug, toen ik een meter of twintig van me vandaan iemand hoorde
hoesten. Door de nevel was het onmogelijk te zien wie de veroorzaker was van dat
gekuch, en dat wilde ik eigenlijk niet weten ook. Toch verliet ik het steegje niet; iets
leek me daarvan te weerhouden. Ik schuifelde langzaam verder het straatje in, en
merkte een weeïge geur op. Hoe verder ik liep, hoe sterker de geur werd, en na een
meter op twintig zag ik waarvan ze afkomstig was. In het midden van de steeg stond
een bronzen kelk, waaruit een zoet ruikende, rode damp opsteeg. Ik ging op mijn
hurken zitten om hem beter te bekijken en voelde de aandrang de vloeistof die erin
zat te drinken. Ik pakte de kelk op, zette hem aan mijn lippen en dronk van de rode
vloeistof. Het smaakte een beetje dof, maar zeker niet onaardig. Ik sloot mijn ogen
om de smaak van de drank dieper tot me door te laten drinken, en stond op het punt
ervan te genieten, toen ik mijn ingewanden voelde bevriezen. Het begon te draaien
voor mijn ogen, een pijnscheut schoot door mijn lijf, en ik voelde hoe mijn beenspieren
in stevigheid afnamen, hoe mijn heupen verbreedden, hoe mijn haren in rap tempo
groeiden en hoe mijn andere mannelijke vormen veranderden in vrouwelijke. Ik werd
een vrouw, een femina.
Vijf minuten later liep ik weer door de winkelstraat. Ik kon nauwelijks bevatten wat
er met me was gebeurd, maar het stond vast dat ik van geslacht veranderd was. Mijn
stevige mannenlijf was getransformeerd in het frêle lichaam van een jonge vrouw.
Mijn donkere haren waren blond geworden, en op mijn eerst zo platte borstkas waren
twee heuvelachtige borsten gegroeid. Ik voelde een akelig leeg gevoel in mijn keel en
broek en ik had het idee dat ik ieder moment met de wind meegevoerd kon worden,
hoewel er slechts een aangenaam briesje tegen mijn kleine gezichtje opbotste. Ik was
een vrouw, maar wel één in mannenkleren. Daar moesten we maar eens iets aan gaan
doen.
Ik liep een trendy kledingwinkel binnen en snuffelde er in de rekken kleren. Kleding
had me nooit geïnteresseerd, maar nu maakte een apart gevoel zich meester van me: ik
wilde graag honderden kledingstukken aanschaffen. Sexy bloesjes, korte rokjes,
hippe truitjes: wat vond ik ze geweldig. Ik griste een roze jurkje uit een rek en
besloot het te gaan passen. In het pashokje ontdeed ik me van mijn wijde
jongenskleren en zag in de spiegel het naakte vrouwenlichaam dat me nu eigen was.
Wat vond ik mezelf lelijk. Als man had ik nooit het idee gehad er slecht uit te zien,
maar nu mijn geest opgesloten was in een vrouwelijk lijf was ik onmiddellijk
ontevreden over de vormen van mijn lichaam. Mijn borsten vond ik te klein, mijn
heupen vond ik te breed, mijn buik vond ik te dik. Het leek haast wel, alsof mijn geest
ook in die van een vrouw was veranderd. Ik paste het jurkje en besloot het te kopen,
ondanks dat ik mezelf er niet in vond passen. Ik had echter iets nodig om me in te
kleden, en dus moest ik wel iets aanschaffen. Na betaald te hebben en het jurkje in
het pashok onmiddellijk aangetrokken te hebben, verliet ik de winkel. Ik merkte dat
ik honger kreeg, en zodoende begaf ik me naar de eerste de beste snackbar, zoals de
meeste mannen doen als ze trek krijgen en toevallig in de stad zijn. Ik wierp een euro
in de snackautomaat en trok een kroket uit de muur. Dat zou vast lekker gaan smaken!
Echter, zodra ik een hap van de vleesstaaf had genomen, begon ik me schuldig te
voelen. Ik had nooit aan deze snack moeten beginnen. Had ik zojuist niet gezien, hoe
vet ik wel niet was? En nu stond ik hier extra kilo’s te kweken! Wat was ik een blonde
doos!
Ik schrok van mijn eigen gedachtegang. Ik was toch zeker niet echt een vrouw? Ik
zat alleen gevangen in het lichaam van een vrouw! Maar waarom begon ik dan in
godsnaam te redeneren als een vrouw? Als man stond ik nooit stil bij mijn figuur,
wanneer ik iets vets at. En nu stond ik me hier een potje schuldig te voelen. Ik leek
wel vervloekt. Nooit had ik die drank moeten drinken.
Zoals de meeste vrouwen kon ik het niet laten mijn kroket alsnog op te eten, en toen
ik het laatste stukje had doorgeslikt, voelde ik mijn telefoon tegen mijn linkerdij
trillen. Ik haalde de GSM tevoorschijn en las het SMS’je van mijn vriendin:

Schatje, zullen we straks iets gaan drinken samen? Ik moet je wat vertellen. Hopelijk
tot gauw.
xxx

Ik zuchtte diep. Wendy wist nog niets van mijn metamorfose. Ik wilde haar eigenlijk
niet onder ogen komen. Maar aan haar SMS te zien was er ook iets dat ik niet van
haar wist. Wat wilde ze me in hemelsnaam vertellen? Ik besloot toch met haar af te
spreken en stuurde een berichtje terug:

Is goed. Ben benieuwd naar wat je te zeggen hebt. Om acht uur in De Zwanenhals?

Enkele minuten later ontving ik haar positieve antwoord. Ik zou dus iets met haar
gaan drinken in mijn vrouwelijke gestalte. Ik zou haar moeten vertellen wat er
gebeurd was, en ik vroeg me af of ze boos zou worden, en of ze het überhaupt zou
geloven. Ik streek mijn haren achter mijn oren. Misschien was het helemaal nog niet
zo gek geweest om met haar af te spreken. Als vrouw kon ik haar mooi uithoren over
ons liefdesleven, en misschien zelfs over hetgeen ze op haar lever had. Het was vast
niet netjes van me om misbruik te maken van mijn metamorfose, maar ik kon mijn
nieuwsgierigheid niet de baas.
Die avond ging ik rond acht uur De Zwanenhals binnen. Ik vestigde me op een barkruk
en keek in het rond, op zoek naar Wendy. Ze zat aan een tafeltje voor twee, vlak
naast het raam, en speelde met de asbak. Ze wachtte duidelijk op me. Ik zette gauw
mijn mobiele telefoon uit, om te voorkomen dat deze af zou gaan als ze me zou bellen,
en bestudeerde mijn vriendin. Haar donkerblonde haren waren samengebonden in een
elegante knot en haar slanke lichaam was gehuld in een gitzwarte, fonkelende jurk.
Tot mijn afschuw merkte ik dat ik een steek van jaloezie voelde toen ik haar bekeek;
ik benijdde haar, omdat ze mooier was dan ik.
Rond kwart over acht pakte ze haar telefoon om te bellen. Ze kreeg overduidelijk
mijn voice-mail te horen, want ze gebruikte Gods naam op beledigende wijze – een
vloek die ik aan de bar overduidelijk horen kon. Ik keek toe hoe ze nijdig haar
telefoon in haar tasje stopte en stapte toen op haar af.
‘Je wacht zeker ook op iemand?’ vroeg ik haar. Ze knikte.
‘Mijn vriend. We hadden hier een kwartier geleden afgesproken, maar hij is nergens
te bekennen.’
‘Bah, wat vervelend. De mijne is ook niet komen opdagen, en wij hadden nog wel om
zeven uur afgesproken. Mag ik je even gezelschap houden?’
Ze glimlachte.
‘Natuurlijk. We zitten in hetzelfde schuitje.’
Ik ging met mijn te dikke kont op de stoel tegenover haar zitten.
‘Doet hij dat wel vaker, te laat komen?’ vroeg ik belangstellend. Ze schudde haar
hoofd.
‘Nee, nooit. Hij is toch wel een man van de klok… Ik verwacht hem zo meteen min of
meer, maar het is niets voor hem om niets te laten weten als hij wat later is. En hij
heeft zijn telefoon ook al uit staan. Zo vreemd.’
‘Ach, dat zal best goed komen. Bij mij vast niet… Volgens mij heeft die vent van me
een ander.’
Ik keek haar scherp aan, terwijl ik dat zei. Ik verwachtte min of meer dat ze haar
ogen neer zou slaan of zou blozen, omdat ook zij een ander had. Wat zou ze me
anders moeten vertellen?
Wendy keek me echter meelevend aan.
‘Doe niet zo raar! Hij is vast niet zo laf, dat hij vreemdgaat!’
Nee, misschien was hij dat niet. Ik hoopte dat Wendy ook niet zo laf was om met een
ander het bed in te duiken, en dat leek ze ook niet te zijn, gezien de verontwaardigde
toon waarop ze over vreemdgaan sprak. Toch vertrouwde ik het niet. Ik besloot haar
uit te horen.
‘Nou, tegenwoordig gaan steeds meer mensen vreemd. Ik moet eerlijk bekennen dat ik
zelf ook wel eens met een andere man naar bed ben geweest.’ Ze begon te giechelen en
ik giechelde met haar mee, hoewel ik dat eigenlijk niet wilde.
‘Nou, ik niet hoor,’ zei ze vriendelijk. ‘Nee, ik ben te gek op Jeroen om vreemd te
gaan. Ik hoop maar dat onze relatie standhoudt.’
Dat vond ik een vreemde opmerking.
‘Hoezo dat?’ vroeg ik scherp. Ze frommelde zenuwachtig aan het bandje van haar jurk.
‘Ik ben drie weken over tijd,’ zei ze zacht.
Het leek of mijn hart stil was gaan staan, of een hogere macht op de remmen van mijn
lichaamsmechanisme had getrapt. Drie weken over tijd? Grote god! Ik keek haar
verafschuwd aan, stond op en rende De Zwanenhals uit.
Ik voelde me ellendig. Als man zou ik een woedeaanval hebben gekregen en met
voorwerpen hebben gegooid, maar als vrouw kwamen mijn emoties door hysterisch
gejank tot uiting. Ik bonsde met mijn vuisten tegen de muur van een kantoorgebouw en
stelde me radeloos voor hoe het moest zijn om moeder – excuseer, vader – te zijn.
Nadat ik een tijdje snikkend door de stad had gezwalkt, bezatte ik mezelf in een
discotheek. Ik hing er aan de bar en klokte het ene wijntje na het andere naar binnen.
Toen ik mijn tijdsbesef was kwijtgeraakt, nam een charmante man naast me plaats.
Ook hij had duidelijk een glaasje te veel op.
‘Ik verzuip in de zee van je ogen,’ schreeuwde hij in mijn oren. Een enorm clichématige
openingszin, waar ik als man hard om gelachen zou hebben. Als vrouw kon ik hem
echter waarderen; vraag me niet waarom. Ik nam een slok wijn en glimlachte.
‘Dan zou ik maar zwembandjes omdoen,’ antwoordde ik. Hij lachte luid, alsof ik een
cabaretier eersteklas was.
‘Misschien wil jij ze me omdoen? Dansen?’ nodigde hij me uit. Onder de invloed van de
alcohol besloot ik op zijn aanbod in te gaan en al snel stonden we hitsig tegen elkaar
aan te dansen. Zijn handen streken door mijn haren, en al gauw voelde ik hoe hij me in
mijn nek kuste. Zijn stoppelbaardje schuurde enorm, maar dat hinderde me niet. Ik
draaide me om en we begonnen heftig te zoenen. Hij duwde zijn tong krachtig in mijn
mond en betastte mijn in het roze jurkje gehulde borsten. Al zoenend liet ik me door
hem naar de toiletten leiden, waar hij me een wc-hokje induwde. Hij knoopte zijn
broek los en scheurde mijn jurk haast van mijn lijf, terwijl hij zijn T-shirt en
boxershort uittrok. Hij kuste mijn borsten – het was een apart gevoel – en stond op
het punt me het hof te maken, toen mijn ingewanden bevroren. Het begon te draaien
voor mijn ogen, een pijnscheut schoot door mijn lijf, en ik voelde hoe mijn beenspieren
in stevigheid toenamen, hoe mijn heupen versmalden en gespierder werden, hoe mijn
haren in rap tempo qua lengte afnamen en hoe mijn andere vrouwelijke vormen
veranderden in mannelijke. Ik werd weer een man, een vir.
Na mijn transformatie stond ik even naakt tegenover mijn minnaar, die uiteraard een
stomverbaasde uitdrukking op zijn dronken gezicht had.
‘Wat zullen we nou beleven? Je bent een vent!’
Ik stamelde wat, in een poging een verklaring te geven voor wat er was gebeurd, maar
werd toen omhuld door een weeïge mist. Ik begon me bijzonder licht te voelen en had
het idee vanaf de aarde omhoog te stijgen. Ik zag een rode flits en lag toen plots in
dat steegje, naakt. Door de kou hoestte ik als een bezetene en ik krabbelde zo snel
als ik kon overeind. Ik moest weg uit deze duivelse steeg. Ik moest met Wendy gaan
praten, en wel nu meteen. Ik zou wel zien hoe ik aan kleren zou komen. Ik zette het
op een lopen, maar keek nog eenmaal achterom. Een jongedame hurkte zich zachtjes
bij de kelk, pakte hem op en nam een slok van de vloeistof die erin zat.
Ik ben stiekem benieuwd hoe het haar vergaan is.


(geplaatst op 03-02-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.