THIERRY DELEU

                   De doden zwijgen niet

                                      EXCLUSIEVE VOORPUBLICATIE
                                  (roman verschijnt vermoedelijk mei 2008)

                                                        Proloog

Een klein jaar geleden schoot een Belgische politieman een landgenoot dood in een
wegrestaurant aan de snelweg naar het Somme-departement. De media in Frankrijk en
België besteedden veel aandacht aan de zaak. Ook de Nederlandse kranten brachten
verslag uit. Het ging om een doofpotactie van leden van de Antwerpse federale politie
die betrokken waren bij drugstransport. De trafiek liep via Rotterdam en Antwerpen
over Frankrijk naar Spanje.
Het nieuws daarover verdween echter snel uit de picture. Een grote week na de moord
was de zaak geen nieuwsitem meer. Tot 1 oktober 1998. Die namiddag startte de VRT
live vanuit de Kamer een reeks uitzendingen op over het rapport van de commissie-Van
Gendt. Toen besloot ik deze roman te schrijven. Vanaf het moment dat de
Kamervoorzitter het rapport in ontvangst nam, rustte er geen “embargo” meer op de
inhoud van het rapport en kon ik er kennis van nemen.

Ik was in de eerste plaats nieuwsgierig naar de consequenties die de bevindingen van de
commissie-Van Gendt zouden hebben voor de politie zelf. De enige twee namen die Van
Gendt de eerste dag wilde noemen, waren de namen van twee rechercheurs van de
Rotterdamse CID (de criminele inlichtingendienst) en van de Belgische rechercheur Julo
Chambaere. De Commissie deed aangifte van meineed, omdat zij van mening was dat de
drie hadden gelogen over hun aandeel in het zogenaamde “saptraject”.  Van Gendt zei
hierover: “Het was een onontkoombare conclusie van de Commissie, omdat er zoveel
onbeantwoorde vragen en tegenstrijdige verklaringen op tafel lagen.”
De Commissie twijfelde vooral aan de uitleg die de Nederlanders gaven over de rol van
het saptraject.
“Ligt daar een nieuwe drugslijn of was het saptraject echt bedoeld om het tekort aan sap
in Ecuador weg te werken? Of was het uiteindelijk de bedoeling om deze dekmantel te
gebruiken voor een eigen drugslijn?” vroeg Van Gendt zich af.

Ik keek die bewuste namiddag naar de presentatie van het rapport op de televisie. De
inhoud kwam hard aan. Het rapport was zeer kritisch over de rol van de Rotterdamse
recherche. Zij zou niet hebben ingegrepen na de “ontsporing” van twee van haar agenten.
Diezelfde avond besloot Rotterdam een reactie naar buiten te brengen. Het persbericht,
dat in Nederland en bij ons werd afgedrukt, was een voorzichtige, positieve reactie vol
begrip voor de Commissie. Het was een geruststellende reactie. Rotterdam benadrukte
dat alle maatregelen, om herhaling van een “ontsporing” van de CID te voorkomen, al
genomen waren en dat ze “naadloos aansloten bij de voorstellen van de Belgische
commissie Van Gendt”.  Rotterdam wilde “leren van de lessen uit het verleden” en een
“frisse start” maken bij de aanpak van de georganiseerde criminaliteit.
De Kamervoorzitter noemde het rapport een “grondig en gedegen werkstuk met
belangwekkend en interessant materiaal dat om opvolging vroeg”.

(De auteur)

                           De moord op informant Maarten Decock

                                                          1

Het is koud. De avond valt op de parking van het wegrestaurant “Aire des Passereaux” in
Sailly Flibeaucourt.
Halfzes. 17.30 u. Waarom kan Bens nooit eens op tijd zijn? Waarom is iedereen niet
zoals hij? Oké, iets te vroeg... nu ja, een kwartier, maar dat geeft dan gewoon wat extra
speling. Hij weet het in elk geval zeker: hij zal niet wachten, hij zal gewoon naar binnen
gaan en kijken of Decock er is.
“Verdomme, Bens, we hadden toch afgesproken: donderdag 21 november om halfzes stipt,”
moppert Vanhee.
Hij klappertandt. Wat een idee ook, om eind november 's avonds laat buiten te wachten.
Dat had hij natuurlijk van tevoren al kunnen zien aankomen, dat het koud zou worden.
Maar ja, welke zijn de goede kleren om een man neer te knallen? Het voelt alsof hij
helemaal geen ondergoed draagt.
17.40 u. Tijd om te gaan.
“Ze kunnen me wat. Ik ben weg,” denkt Vanhee.
Hij snuift. Shit, hij heeft een verkoudheid opgelopen. Vanhee draait zich om en loopt in
stevige pas weg. Dit is iets waar zijn vrienden altijd om moeten lachen: “marcheren”
noemen zij zijn tred. Hij moet lachen bij de gedachte: ze hadden hem in het leger willen
zien en niet als agent!
Met dit idee in zijn hoofd wil hij nu toch echt richting restaurant lopen.
“Vanhee, Vanhee! Hee, Vanhee!”
Bens komt over de parkeerplaats gerend. Hij is buiten adem.
“Sorry dat ik zo laat ben.”
“Valt wel mee,” zegt Vanhee, “het is vijf vóór zes.”
“Is Decock er al?”
“Ik weet het niet, maar daar ga ik niet meer op wachten. Ik ga naar binnen. Ik ben stijf
bevroren! Wacht jij hier. Waar staat je wagen?”
“Geen probleem, ik stationeer hem aan de ingang.”
Vanhee pakt zijn aktetasje dat hij op de grond had gezet, toen hij Bens zag en loopt naar
de ingang. Het fel verlichte glazen gebouw straalt een welkome warmte uit. Het hele
complex is gloednieuw en door de architect ontworpen als “a place to be”.
“Vanhee!" roept Bens hem na. “Maak het wachten niet te lang.”
Ze hebben afgesproken dat Vanhee zijn gestolen auto op de parkeerplaats zou
achterlaten. Vanhee voelt zich op geen enkele parkeerplaats veilig, maar het feit dat
deze hier omringd is door water, maakt veel goed. Erg op zijn gemak voelt hij zich echter
niet. Hij is op zich zorgeloos en optimistisch ingesteld, sommigen vinden hem naïef, maar
nu voelt hij zich toch niet zo geweldig op zijn gemak.
Het is barkoud. Hij weet zeker dat het vriest. De schuifdeur opent zich en een zomerse
warmte drukt zich tegen zijn gezicht aan. Iets knijpt zijn keel dicht en hij snakt naar
adem. Hij kan geen geluid meer voortbrengen.
In het wegrestaurant zijn niet veel bezoekers. Op een barkrukje ziet hij Decock zitten
die hem in de gaten krijgt en hem toewuift.
“Dat jij het bent, verrast mij. Ik had Julo verwacht. Wat drink je?”
Fabienne schenkt voor beide heren een lekker bakje koffie en trekt naar de keuken.
“Vreemd,” denkt ze bij zichzelf. “Ik heb dit raampje toch dichtgedaan?”
De wind die erdoor komt, snijdt door merg en been. Ze pakt een keukentrapje en wil
erop klimmen om het raampje dicht te doen. Ineens hoort zij een schot. Ze haast zich in
de bar en ziet nog net hoe de dader een laatste schot lost, het restaurant uitloopt en
zich in een auto hijst die de uitrit opgiert.

“Nu moeten wij snel de snelweg naar het Zuiden op,” schreeuwt Vanhee.
Sinds zij samenwerken, zijn ze door twee dingen geobsedeerd: hun opdracht uitvoeren en
iedereen die hen voor de voeten loopt overhoop schieten. De waanzin spuit uit iedere
porie van hun lichaam. Goed en kwaad zijn op hen niet meer van toepassing.

                                                       @

Het slachtoffer, Maarten Decock, is een informant van de politie. Onder waarborg van
zijn anonimiteit verstrekte hij informatie over de handel in drugs en de trafieken. Tot
voor kort hield hij zich aan de spelregels. Om te voorkomen dat hij zijn runners zou
compromitteren, werden afspraken met hem altijd gemaakt in een wegrestaurant of een
hotel.
Bovendien infiltreerde Decock en als infiltrant vervulde hij de rol van “pseudo-koper”.
De laatste tijd hield hij zich echter niet aan de code. Hij zorgde voor
transportfaciliteiten bij vervoer van drugsladingen. Bovendien zette hij een
witwasconstructie op waarvan ook hij beter werd. In dit tussengebied tussen criminele
informatiewinning en infiltratie werd door Decock handig veel mist gespoten.
In 1996 werd hij bij verstek door het Hof van Beroep in Brussel veroordeeld tot drie
jaar cel wegens handel in drugs. Hij tekende verzet aan tegen dit vonnis. Een juridische
handeling die de straf opschortte. Hij kon het echter niet laten naar België te komen. Op
10 november 1997, elf dagen voor zijn liquidatie, werd hij gesignaleerd op een
parkeerterrein in de haven van Antwerpen. Hij zat in een Alfa Romeo 156.

De Antwerpse politie had al een groot jaar de indruk dat iemand hem de handen boven
het hoofd hield.

                                                         2

Een uit de hand gelopen caféruzie   daar lijkt het op. Maar het Belgische slachtoffer,
Maarten Decock, zou in het bezit zijn geweest van bewijsmateriaal over een
geraffineerd Nederlands Belgisch samenwerkingsverband tussen drugshandelaars en
politie. Decock sterft echter op de avond van de finale afspraak met een Belgische
rechercheur.
Twee schoten. Een klant die tussenbeide springt, maar te laat komt. Getroffen door twee
kogels tuimelt Maarten Decock op de grond.
Zo ontzet als de enkele gasten zijn, zo kalm reageert de man die zojuist iemand heeft
doodgeschoten. Antoine Vanhee steekt zijn pistool weg en loopt het restaurant uit. De
Franse politie die enkele minuten na het incident het gebouw binnenrent, pakt in de
consternatie nog even de verkeerde man als verdachte op.
Decock is vrijwel onmiddellijk dood. De man die een trouwe bezoeker was van “Aire des
Passereaux”, sterft op 21 november 1997. Hij is 43. De getuigen van het schietincident
begrijpen tot op de dag van vandaag niet hoe ze het bizarre spektakel moeten verklaren.
Het personeel had Decock leren kennen als een gemoedelijk man. Door zijn Vlaamse
tongval bleef hij niet onopgemerkt. Hij was goedlachs, charmant, een echte Belg,
herinneren zich de meisjes. Soms was hij sentimenteel, wanneer hij vertelde dat er
kanker bij hem was geconstateerd. Ook bekroop de dienstertjes het vermoeden dat
Decock niet voor vakantie aan de Somme verbleef en zich met duistere zaken inliet. Hij
gebruikte bijvoorbeeld nooit zijn gsm, maar belde wel minutenlang via de telefoon van
het restaurant. Eén keer informeerde hij ook naar het dichtstbij gelegen wegrestaurant.


                                                          @

Op bureau XL, Place Jules Verne, roept de hoofdcommissaris alle politiehoofden samen.
Uit de eerste inlichtingen die hem werden verstrekt, maakt hij uit dat de dader een man
van kleine gestalte is, zwart haar, zwarte ogen. Het korte gesprek en de moord hebben
nauwelijks zes minuten geduurd. Het slachtoffer zou nog een naam hebben kunnen zeggen.
“J’ai entendu le mot zut, ” zegt de klant die tussenbeide kwam.
De rechercheurs die de zaak in onderzoek krijgen, gaan er van uit dat het een uit de
hand gelopen caféruzie is geweest. De kogel die Decock miste   en die de uitbater van
het wegrestaurant de dag daarop terugvindt   wordt pas een week na het incident door
de Franse politie opgehaald.

Het onderzoek neemt echter een wending na analyse van het materiaal dat door de
Belgische recherche ten huize Antoine Vanher in beslag wordt genomen. De agent, die
deel uitmaakt van de Antwerpse politie, heeft een soort dagboek bijgehouden met
cryptische notities. Hij beklaagd zich er over nu al drie maanden zijn werk niet goed te
kunnen doen. Veelzeggend is zijn aantekening: “Decock praat zijn mond voorbij.”

In Antwerpen schrikken een aantal rechercheurs zich een ongeluk. Bij de criminele
inlichtingendienst van het korps hebben drie agenten sinds enkele weken bijna een
dagtaak aan het runnen van Maarten Decock als informant. Decock heeft de GDA in
september 1997 laten weten dat hij fascinerende informatie bezit over de manier
waarop drugshandelaars in België en Nederland opereren. Hij kan het weten. Decock
heeft volgens politiebronnen immers zelf wel eens een containertje binnengehaald. Hij
vertelt hoe de haven van Antwerpen dient als gateway voor vele containers met drugs.

Een dubieuze hoofdrol in de verhalen die Decock de Antwerpse GDA gedoseerd opdient,
is weggelegd voor een van de meest ervaren politiemensen van België. Drugshandelaars
zouden ongestoord hun slag weten te slaan dank zij de hulp vanuit Nederland.
Met Antwerpen spreekt hij af om namen te noemen. Chambaere dringt bij Zuidbergen
aan om Decock te mogen horen.
Chambaere heeft de schouderpartij van een zwaargewicht en is getraind als
eliteschutter. Hij heeft het geschopt tot chef onderzoeker gerechtelijke politie in
Antwerpen. Het brengt hem veelvuldig in contact met Nederlandse politiekorpsen. In
Rotterdam is hij al jaren kind aan huis. Wie zijn naam bij Nederlandse collega's laat
vallen, krijgt haast vanzelf een sappige anekdote opgedist over de ingenieuze oplossing
van een huurmoord of ontvoering of de spectaculaire aanhouding van een drugscrimineel.
Maar zijn actieve contacten in het criminele milieu hebben Chambaere niet alleen de
naam van superspeurder gegeven. Hij staat bij de collega's in een kwade reuk, omdat zijn
contacten met misdadigers te innig zouden zijn. Al in de late jaren ‘80 raakte Chambaere
enkele malen in de problemen, omdat hij werd verdacht van dubbelspel met informanten.
Dat Decock, die jarenlang informant van Chambaere was, de Antwerpse GDA ook over
nevenactiviteiten van Chambaere zou hebben geïnformeerd, lijkt voor Dewever weinig
waarschijnlijk. Toch wordt Chambaere even aan de tand gevoeld, maar de verklaringen
van Decock over het profijt dat Chambaere zou hebben van inkomende drugscontainers,
worden door deze laatste hardnekkig ontkend.  
“Bullshit,” zegt Chambaere aan Dewever. “Decock kletst uit zijn nek om de aandacht af
te leiden van de ware toedracht.”
Hij beweert het slachtoffer te zijn van wraakzuchtige criminelen die hij eerder bij de
kraag greep. De leiding van de GDA legt geen verklaringen af. Dewever wil graag de
versie van Chambaere voor waar aannemen, maar hij twijfelt.

Geïnteresseerden voor de informatie van Decock zijn er genoeg. Niet alleen justitie in
Antwerpen zit op vinkenslag. Ook de Rotterdamse officier van justitie heeft veel
interesse voor de verklaringen. Decock stelt de politie onthullend bewijsmateriaal in het
vooruitzicht. Hij heeft documenten, zegt hij, die bewijzen dat linke afspraken worden
gemaakt tussen Rotterdam en Antwerpen.
“Die documenten bevinden zich op een geheime locatie,” vertelt Decock.
Alleen zijn advocaat zou weten waar de foto’s zich bevinden. Decock zelf vlucht voor
zijn veiligheid naar Frankrijk.
Donderdag 21 november heeft hij een afspraak met een rechercheur van de Antwerpse
GDA. Hij zou in “Aire des Passereaux” zijn laatste koffietje drinken.

(geplaatst op 06-01-2008)

terug naar boven
© 2002/ 2008 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.