EEN KORTVERHAAL VAN GUIDO DE BACKER

DE AFSPRAAK

7.30h
Het kletterconcert van de borden die werden klaargezet in de ontbijtruimte, haalde
Médard uit zijn slaap.  Wat je tenminste slaap kon noemen, voor iemand die haast twee
maanden geen oog meer had dichtgedaan.  Hij had vannacht dus minstens drie uur aan een
stuk geslapen, en voelde zich min of meer uitgerust.  Médard wroette zijn stramme
lichaam uit bed, en dwong z’n tachtigjarige benen naar de badkamer.  Het badkamertje,
zoals elke bewoner van huize Avondrust er eentje had, was klein maar volstond
ruimschoots.  Er was een kale spiegel met een schapje en een spoelbak eronder.  En
voorts was er een kastje, het toilet en een zitbad.  N’en ouwe mens die alleen in en uit
dat bad moet klauteren, die mogen ze daarna in ‘t gips steken.  Dat was zowat de meest
gangbare mening voor wat het baden betrof.  De meeste senioren hadden zich dan ook
bekwaamd in het kattenwasje aan de spoelbak.  Maar niet zo voor Médard.  Niet
vandaag.  Straks had hij immers de afspraak van zijn leven, en hij zou netjes voor de dag
komen.
Hij draaide de badkranen open, en voegde wat lavendelbadschuim toe.  Zijn lichtblauwe
pyjama kwam in het wasbakje terecht, en z’n horloge, ach, hij besloot het aan te houden.  
Met grote omzichtigheid - de gangbare mening in gedachte - liet hij zich in het
lichaamswarme water zakken.
Daarna sloot hij de ogen, en genoot van dit eenvoudige geluk; de badkamer geurend als
een lavendelveld, en de zon die schuchter een stralende zomerdag kwam aankondigen.  In
gedachten droeg Médard zichzelf een vers voor:

‘t Geluk moet ge niet te ver gaan zoeken
      Maar denk niet dat het u wordt gezonden
Misschien vind gij ‘t in heilige boeken
Ik heb ‘t in de gewone dag gevonden.

Samen met het oplossen van kruiswoordraadsels, was dit steeds zijn hobby geweest; hij
nam een gevestigde levenswijsheid, mengde die met eigen ervaringen, en kneedde ze met
zijn visie.  Dan goot hij alles in versvorm, en tenslotte stelde hij alles op schrift.  Het
geheel was dan een eigenzinnige versie van De Waarheid.  Hij was best trots geweest op
zijn spirituele bevliegingen, en liet deze dan ook steevast lezen door zoon René, die toen
Germaanse volgde.  Maar op advies van René had hij toch wijselijk besloten om zijn
pennenvruchten binnen huiselijke kring te houden.
“Op mijne leeftijd nog voor acrobaat willen spelen”, kreunde Médard terwijl hij uit het
bad klauterde.  Om uit te blazen van de halsbrekende toeren, ging hij even op de
toiletbril zitten.  Maar het mocht gezegd, het resultaat was elk risico waard geweest.  
Hij keek naar z’n dertig jaar oude Pontiac, die de onderdompeling had overleefd, en naar
zijn trouwring.  Ze blonken als nieuw.  Zie nu ne keer, dacht Médard, goud en lavendel;
ze zijn voor mekander gemaakt.  Volgende stap was de UFO, zoals René het in z’n jonge
jaren had genoemd.  Het ietwat ronde, overjaarse Braun scheerapparaat werd toen
voorgesteld als een staaltje van haast buitenaardse technologie.  En die Kerstmis
negentiendrieënzeventig was Médard maar wat blij geweest dat zijn kerstvrouwtje aan
hem had gedacht.  Tussen hem en scheermesjes had het nooit echt willen vlotten.  Een
handige Harry was hij nooit geweest, en bij dat gedoe met die “vlijmscherpe miserie” was
toch enige handigheid vereist.  Als je niet met teveel littekens door het leven wou gaan
tenminste.  Uiterlijk niet althans.  Aan andere littekens wou hij niet denken.
Vandaag zou alles veranderen.  De UFO cirkelde in vaardige bewegingen over z’n grijze
stoppelbaard, en voor de finishing touch, zorgde een kwistige sprenkel Irish moss.  
Médard wreef even over zijn gladde kin, en knikte goedkeurend.
Hij slofte naar het nachttafeltje waar een uit de kluiten gewassen tas op stond, en viste
er zijn volledig gebit uit.  Hij duwde het hele boeltje in z’n mond, en ging naar de
kleerkast.  Het prachtige meubel in donker eik had hij toen - vier jaar geleden nu -
absoluut willen mee verhuizen.  Hij pikte er zijn zondagse pak uit: een donkerblauw
kostuum met fijne, witte biesjes.  Twaalf jaar oud, en nog zo goed als nieuw.  Het werd
immers alleen uit de kast gehaald voor de begrafenis van een medebewoner of kennis.  
Alhoewel, hier en daar begon er wat sleet op het pak te komen.  Logisch vond hij, want op
zijn leeftijd begonnen de begrafenissen elkaar in versneld tempo op te volgen.  Hij trok
een bijpassend hemd en das aan, en de zwarte sokken en zwartleren schoenen
vervolledigden z’n garderobe.  Hij sloot netjes de kleerkast.  De zwarte aktentas kwam
straks wel aan de beurt.  De kleren maken de man, dacht hij, terwijl hij in de levensgrote
spiegeldeur keek.  Ondanks zijn tengere gestalte, de knokige neus en ingevallen wangen,
schatte hij zichzelf weer enkele herfstjes minder.  Alleen zn eens zo pientere grijze
ogen, die hem nu dof aankeken deden afbreuk aan zijn verzorgde uiterlijk.  Ach, dacht
hij, ‘t is de laatste vier jaren niet anders geweest en daar hebben ze goei medicamenten
voor.  “Ai!” Médard tastte instinctief naar z’n onderbuik.  De plotse pijnscheut was de
voorhoede van een acute pijnaanval.  “Ik weet het, ik weet het, “ kreunde hij zich op de
stoel.  “Ge zijt er nog, maar kapot zult gij mij niet meer krijgen.”  Na een vijftal minuten
veranderde de stekende pijn weer in een steeds aanwezige zeurderigheid.

8.30h
Voor een tachtigjarige volstond de wandeling van kamer zeven naar de ontbijtzaal wel als
ochtendgymnastiek.  Médard ging naar z’n vaste stek, en nam plaats tegenover vriend en
tafelgenoot.  Die liet bij wijze van begroeting een rochelend geluid opborrelen, en
hoestte een stevige portie onverteerde nicotine op zn boterham met kaas.  “Awel, wat
hebben ze met u uitgestoken!”  “Ze zeggen dat ik stink, maar bij u is ‘t nog een pak
erger.”
Médard glimlachte minzaam.  “Dat is aftershave, Toineke.”  “Ik heb vandaag een
afspraak, en alleen het beste is goed genoeg voor haar.”  Antoine kneep z’n ogen samen.  
“Met haar? Bedoelt ge met een wijf? Jongen toch, waar gij u nog mee bezig houdt.”
“Nee, Toineke, niet met een wijf, met een dame.”  Antoine schudde nog even meewarig met
zijn hoofd, en ze aten beiden zwijgend verder.  “Komt g’er nog efkes bijzitten”, vroeg
Antoine terwijl hij naar de salon wees.  Médard was steeds te vinden voor een praatje,
maar vandaag had hij gans andere dingen aan z’n hoofd.  Toch stemde hij toe, het zou wel
eens de laatste keer kunnen zijn...  Samen gingen ze de salon binnen, waar een zevental
dames en twee heren zaten.  De mannen waren steeds in de minderheid, maar waar kon je
anders nog iemand vinden om over “de goeie ouwen tijd” te filosoferen.  De dames hadden
het hoogste woord, en Médard hoorde hoe ze nog maar eens hun mening over de mannen
ventileerden.  “Voor mij gene pee nie meer, mè z’n vuil calçons en zenne stekelenbaard.”
Wat volgde was een meisjesachtig gekir, dat je zeker niet zou toeschrijven aan derde
leeftijd-stembanden.  En de mannen, het sterke geslacht - nou ja - die zaten erbij, en
lachten mee.  Médard keek op zijn horloge, en trok zich overeind.  “Niet weglopen
Toineke, binnen een kwartierke ben ik terug.”  En nog voor Antoine - die aan het
knikkebollen was gegaan - kon antwoorden, was Médard reeds op weg naar zijn kamer.

9.30h
De zwartleren aktentas lag gesloten op het bed.  Médard stapte naar de wereldbol, en
trok hem open.  De uitverkorene was ditmaal het bekende bruin stenen kuipje.  Een
borrelglaasje werd voor drie vierde gevuld, en dat zette hij de fles terug tussen haar
soortgenoten.  Old man’s best friend, dacht hij terwijl hij de minibar weer sloot.
Médard ging voor het raam staan, en hief het glas omhoog.  Hij tuurde in het
doorschijnende drankje alsof het een glazen bol was, waarin hij de toekomst kon zien.  
Of het verleden.  Even een proostend gebaar naar de staalblauwe hemel, en het lege
glaasje ging netjes uitgespoeld terug in de kast.  Niemand zal moeten zeggen dat het hier
ne varkensstal was, dacht hij nog.
Vanaf nu was elk handeling die hij deed, onbewust reeds maanden voorbereid.  
“Telefoneren”, zei hij geconcentreerd in zichzelf.  Een nummer werd gevormd en na een
gesprekje van ongeveer vijf minuten legde Médard de hoorn neer.  De korte babbel was
voldoende geweest om hem gerust te stellen.  Voorzichtig opende hij de aktentas, alsof hij
verwachtte dat er opeens een duiveltje zou uitspringen.  De tas was leeg.  Maar niet voor
lang.  Eerst ging de witte tafeldoek er netjes opgevouwen in.  Uit een lade viste hij een
kurkentrekker en een rood pennenmes met een wit kruis erop.  Hij klapte het uit, en
voelde even aan de punt.  Vlijmscherp.  Dan kwam de exclusieve Chateau Pétrus 1976 aan
de beurt.  Via een collega-arbeider die een brevet van sommelier op zak had, had hij
deze voor een vriendenprijsje mogen kopen.  Drieduizend frank, toen.  Tegen Emma had
hij er wel tweeduizendvijfhonderd afgelogen.  Anders zou het z’n beste dag niet geweest
zijn.  Ze zouden ter ere van een groot moment samen de fles kraken.  Maar zelfs bij de
geboorte van hun kleinzoon was ze blijven liggen.  Champagne werd meer geschikt
gevonden voor zo’n feestelijke gebeurtenis.  Hij wikkelde de fles voorzichtig in de
tafeldoek, en nam dan een wijnglas uit hun Christal d’Argues collectie.  Cadeau van zoon
en schoondochter ter ere van hun vijftigste huwelijksjaar.  Twee maanden voor Emma ...
Hij besloot er even niet aan te denken, en keek sluiks naar de scheurkalender.  
“Zevenentwintigste juli” zei hij luidop.  Nadat het glas was ingepakt, was het dan
eindelijk zover.  De eerste dagen nadat hij zijn “zegeltjes”, zoals hij hen noemde, begon
op te sparen rammelde de inhoud van het metalen doosje nog.
Maar nu, na twee maanden, bleef alles doodstil wanneer hij het vastnam.  Het zat eivol.  
Met het doosje erbij was alles nu ingepakt.  Hij sloot de aktentas, en zou ze pas in de
namiddag terug opendoen.  Médard ging voor de commode staan, en keek naar zijn zoon,
schoondochter en kleinzoon.  En naar Emma. Allen keken ze hem vanuit een kadertje
glimlachend aan.  Er was één lach die hij al vier jaren moest missen, en dat viel hem
steeds zwaarder.  Maar vandaag zou alles veranderen.  Hij nam de aktentas en een gevuld
plastiek zakje, en liet de kamer voor wat ze was.

10.00h
Antoine zat nog steeds op dezelfde plaats als een half uurtje geleden.  Médard ging voor
hem staan, en gaf het zakje.  “Voor mij?” “Waarvoor is dat nu weer?”  Antoine leek even
verbaasd toen hij de sigaretten en een fles jenever zag.  “Ik mag nen ouwe schooier als
gij toch wel eens iets geven.”  Médard probeerde zijn stem zo achteloos mogelijk te laten
klinken.  “Als ge ‘t niet graag hebt, neem ik het terug mee.”  “Al goed, al goed, ‘t is
verkocht”, zei Antoine snel.  “En past maar op met die sigaretten, want met te paffen
zult ge nooit oud worden.”  Médard hoorde hoe de zwartgeblakerde longen van Antoine z’
n befaamde lach uitrochelden.  “Maar nu moet ik gaan, de bus wacht niet.”  “De groeten
aan uw verovering”, hoorde hij Toine nog zeggen.  Médard moest zowaar even op zijn
tanden bijten, terwijl hij home Avondrust achter zich liet, maar vermande zich snel.  Een
man weent niet.

10.22h
De bus was drie minuten te laat.  “’t Is weer van da! ‘t is zeker weer nen andere?”  
Médard keek naar de man van middelbare leeftijd, die deze begripvolle woorden had
uitgesproken, en zowaar om een bevestigend wederwoord leek te vragen.  Zonder de man
nog een blik te gunnen, trok Médard zich de bus op.  De begroeting van de joviale
buschauffeur deed hem goed.  “Ah, Médarke, tot den terminus?”  De chauffeur wisselde
graag enkele woorden met de sympathieke oude man.  “Neen, Rikske, vandaag ga ik maar
tot het centrum, ik moet er mijn zegelkes gaan inwisselen.”
“Uw zegelkes, hebt ge een volle kaart, Médarke?”  Een volle kaart...Zo had hij er
eigenlijk nog niet over nagedacht.  “Ja, zo zoudt ge ‘t misschien ook kunnen zeggen”,
antwoordde hij nog.  Het was nog een twintigtal minuten rijden, en hoewel hij zich er niet
toe dwong, dobberde Médard al gauw op een grijze filosofische wolk.  Hij dacht aan
Antoine, en vele andere oude mannetjes.  Sommigen hadden nog tatoeages, die getuigden
van een kleurrijk leven.  Ooit waren ze ongetwijfeld de schrik van hun buurt geweest, of
oorlogshelden.  En nu, nu moesten ze zich een pamper laten aandoen door de
verzorgsters.  Vroeger zouden ze gekwijld hebben van geilheid als er zo’n knap wijfje
over hun onderlichaam gebogen stond.  En nu, nu kwijlen ze van dementie, of gewoon
omdat ze hun gebit niet in hebben.  Hij dacht aan de oude dames en hoe die machteloos
moesten toezien terwijl de tijd zich meester maakte van hun spiegelbeeld.  En hoe jaar na
jaar de hand van de tijd moe werd, en hij soms al eens een streepje te veel trok.  De
afstaphalte maakte een eind aan z’n overpeinzingen.  “Tot ziens Rik, en bedankt.”  De
buschauffeur keek enigszins verbouwereerd.  “Zonder dank Médarke, ‘t is mijn job om
mensen te vervoeren.”  “Dat weet ik, jongen, toch bedankt.”  
Médard dacht er nog iets aan toe te voegen, maar de buschauffeur zou wel wat anders
aan z’n hoofd hebben.  Het was niet meer dan een gemompel terwijl hij de bus afstapte.  
“Gij zijt ne witte raaf jongen, spontane vriendelijkheid is zo zeldzaam tegenwoordig.”

11.00h
Op een van de terrasjes aan het plein besloot Médard van een kopje koffie te genieten.  
Hij koos een plaats die zicht gaf op de ingang van het station.  Hij keek gewoon voor zich
uit, en als vanzelf toetsten zijn hersens het schouwspel op zijn authenticiteit.  De
zesenvijftigjarige fontein die nog steeds met jeugdige kracht z’n stralen tot ver boven
manshoogte spoot.  En de oude, verroeste stationsklok, die mocht blijven hangen als een
ode aan naoorlogse techniek.  Het werk werd haar weliswaar uit de wijzers genomen door
een digitale collega, die in protserig groene cijfers de juiste tijd aangaf.  Tot op de
seconde, want tijd is geld. De koffie had gesmaakt en Médard keek op z’n horloge.

11.50h
Hij liet het stationsplein achter hem, en begaf zich naar zijn afspraak.  Met hondsdolle
ogen en spastische handbewegingen maakte een jonge bestuurder duidelijk dat zijn
uitgebouwde VW Golf niet was gemaakt om bejaarden de tijd te geven, het zebrapad
over te steken.  Het getoeter deerde Médad niet, in gedachten was hij reeds vele stappen
verder.  Of terug, t is maar hoe je ’ bekijkt.
De omtrekken van het stadspark leken een fata morgana in een stenen woestijn.  Z’n
handen begonnen te transpireren, en hij klemde zijn vingers steviger rond de aktentas.  
Plots leken de vijfhonderd meter niet eens zo ver meer.  Hij voelde werkelijk hoe de
vervuilde industrielucht als pure zuurstof z’n longen binnenstroomde.  En elke stap die
hem dichter bij de groene oase bracht, leek iets makkelijker te gaan.  Hij bleef even
staan voor de zwarte gietijzeren poort, en leek verwonderd dat hij hier dan uiteindelijk
toch stond.  De reden ervoor was zonneklaar.  Zijn hart had voor hem de plaats en datum
vastgelegd.  En de steeds aanwezige pijn - dan weer zeurderig, dan weer hevig -
bevestigde dat het tijdstip niets te vroeg was gekozen.  Hij ademde diep in, en stapte
zelfzeker door de openstaande poort.  In het park was het uiterst kalm, en dat was net
zoals hij het wou.  Er was alleen een haastig stappende medemens die het park
ongetwijfeld gebruikte als binnenweg, om zo alweer een halve minuut kostbare tijd te
winnen.  Médard stapte verder, en na enkele bochtjes kwam er plots iets van glans in z’n
doffe ogen.  Daar moest hij zijn, aan het eind van het park, waar ook het verzorgde
wandelpaadje het voor bekeken hield.  Een stukje beschermd bos van zo’n vier
voetbalvelden groot, waar de tijd stil leek te hebben gestaan.  Na de dood van de
eigenaar, de baron, scheen niemand echt te weten wat ze ermee aan moesten, dus werd
het gewoon met rust gelaten. Wie kon een lap grond immers wat schelen als je er geen
huis mocht op bouwen?
Eindelijk stond hij dan aan de rand van het bos.  Er hadden zich wilde frambozen rond
het  prikkeldraad gewikkeld en daarachter stond het vol met uit de kluiten gewassen
brandnetels.  Zelfs een hond die dringend moest zou het liever tegen baasjes been doen,
dan daar te moeten doorwroeten.  Maar Médard zou het doen, zijn einddoel was nu zo
dichtbij.  Hij speurde de omgeving af, en plots zag hij iets wat op een mogelijke doorgang
leek.  Ne jonge gast van twintig zou hem daardoor kunnen wurmen, maar een oud peeke
als ik, dacht hij, terwijl hij de opening bekeek.  De hele situatie deed de adrenaline door
zn lichaam stromen, en voor hij het wist stond hij met een been op het domein.
“Aah, dedju!”  Médard gooide het aktentasje in het gras en tastte naar z’n nek.  Een stuk
verroeste prikkeldraad had zijn nekvel over vijf centimeter opengereten.  Hij voelde het
bloed er uit stromen, depte het met z’n zakdoek en negeerde de pijn.  Toen hij eindelijk
met beide benen op het domein stond, voelde hij zelfs de pesterige prikken niet die de
horde brandnetels aan z’n handen toedienden.

13.05h
Eindelijk.  Daar stonden ze allebei tegenover elkaar, vijfenvijftig jaar na datum.  En
allebei droegen ze een stukje van dezelfde herinnering.  Hoopte hij althans.  Médard
keek omhoog naar de machtige beuk, die van onder tot boven met fijne klimplanten was
omstrengeld.  Alsof ze zijn robuuste naaktheid op een subtiele manier wilden aankleden.  
Af en toe liet het dikke bladerdak een zuinig straaltje zon door.  “Ge ziet er goed uit”,
sprak Médard tot de eeuweling.  “Ge staat in ieder geval steviger op uw benen als ik.”  
Médard legde z’n hand op de stam en trok een deel van de klimop weg.  Zo ging het
verder, de omtrek van de boom volgend.  Het leek op een vreemd ritueel, maar hij wist
wel beter.  Het moest er nog zijn.  Er mocht niets meer ontbreken nu, het was zo
belangrijk.  En ja, onder de bladeren van een weelderige klimop zag hij iets wat het zou
kunnen zijn.  Hij rukte de stengels weg, en zag duidelijk de omtrekken van een gravure.  
Mos had zich knus in de sneden genesteld, maar toch was ze nog zichtbaar.  De aktentas
mocht geopend worden nu.  Het Zwitsers zakmes mocht er als eerste uit.  Met de
nauwgezetheid van een horlogemaker kraste Médard het mos uit de groeven.  En na een
klein halfuurtje stond het er als nieuw.  De hartvorm met een doorsnede van zo’n dertig
centimeter die in de stam was gekerfd, en in het midden stond er:
EMMA - MEDARD 27JULI 1945 15 00
Plots was het weer die warme zomerdag van toen, om drie uur in de namiddag.  De
herinnering aan hun eerste stiekeme vrijpartij bracht jarenlange verdrongen emoties
naar boven.  Hier won de menselijkheid het van de opvoeding, en Médard liet de
melancholie over z’n ingevallen wangen vloeien.  Vochtige ogen keken naar zijn vingers die
haast liefkozend de groeven volgden.  Alsof het hier een onschatbaar en uiterst fragiel
perkament betrof.  Het was immers vanaf dat moment geweest dat hij en Emma
onafscheidelijk waren gebleven, tot het noodlot had toegeslagen, vier jaar geleden.  Hij
had haar plotse dood nog steeds niet verwerkt, integendeel.  En daar was enkele maanden
geleden nog wat anders bijgekomen.  Hij had toen aan de dokters gevraagd aan niemand
wat te zeggen.  Hij wou niemand tot last zijn.
Tijd voor de volgende stap.  Hij nam het tafelkleed en legde het op het gras, net onder de
ets.  Dan kwam de kurkentrekker, het glas en de Chateau Pétrus.  Alleen het metalen
doosje bleef zitten.  Médard had alles netjes samengezet alsof het om een picknick ging.  
Niets was minder waar.  De kurkentrekker boorde zich door de stop, en met een
gedistingeerd plopje kwam de kurk los.
Een lichte nevel steeg op vanuit de fles, alsof een vijfentwintig jaren oud mysterie
eindelijk z’n sluier afgeworpen had. De zware, fruitige geur die opsteeg bij het
inschenken maakte hem bijna duizelig.  De wijn mocht z’n tijd nemen om een walsje te
maken in het glas, en dan...
De smaak overtrof zijn stoutste verwachtingen!  Médard knikte goedkeurend en slikte
uiteindelijk het edele vocht door.  De wijn bleef nog even aanhankelijk aan zijn
smaakpapillen kleven.  “’t Is heel juist, ‘t geluk zit hem in de kleine dingen, zoals wij
altijd al hebben geweten hé Emma,” zei hij stilletjes.

14.15h
Médard zette zich op de tafeldoek, en leunde tegen de boomstam. Volkomen beheerst
nam hij het metalen doosje uit de aktentas en opende het.  Voor hem verdrong zich de
reden van zijn slapeloze nachten.  Het moesten er zo’n honderd twintig zijn.  En terwijl
hij de zware slaappillen op verschillende hoopjes legde, rolde het telefoongesprekje met
de notaris vanmorgen, zich als een film voor z’n ogen af.
“De uitvaart - betaald en geregeld - niemand zou nog veel geloop hebben.”
“De brieven - liggen klaar in de kluis - ik heb niet voor niks ganse nachten zitten
schrijven. M’n uitleg is duidelijk, ze zullen het verstaan.”
“De bezittingen - niemand zal iets te kort komen.”
Médard sprak luidop.  Hij wou zichzelf - voor de allerlaatste keer - horen bevestigen
dat alles tot in de puntjes was geregeld.  Alleen zijn waardigheid - zowat het enige dat
nog niet was aangevreten door de snel voortschrijdende prostaatkanker - had hij voor
zichzelf behouden.
14.30h
“Nu wordt het menens,” zei hij stil.  Voor het maken van zijn keuze was een onwrikbare
vastberadenheid noodzakelijk.  De totale eensgezindheid met het onontkoombare
scherpte zijn geest als nooit tevoren.
Médard schonk het wijnglas vol, hief het in de richting van de zomersblauwe hemel en
proostte: “op ons Emma, ‘t is schoon geweest.”
Dan nam hij het eerste hoopje pillen, en zonder een greintje spijt spoelde hij ze door met
flinke teug Pomerol.  En het volgende hoopje, en nog een...
Hij liet zijn armen naast zich zakken en wachtte...

14.45h
Hij voelde hoe ergens van heel ver een loom gevoel kwam opzetten.  Zijn ledematen
begonnen loodzwaar te worden en hij duizelde.

14.50h
En dan toch, die enkele seconden van doodsangst - noodsignaal voor elk levend wezen -
sloegen als een bliksem in Médards moegeleefde hart, en benamen hem letterlijk de adem.

15.01h
Zelfs het schichtige eekhoorntje hoog in de kruin, knabbelde rustig verder terwijl het
zittende lichaam langzaam weggleed.

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.