EEN KORTVERHAAL VAN MARTIN CARRETTE

HA!

Op het ritme van zoveel trams per dag waren de tien jaar in Leven Centraal
voorbijgedenderd.  Drieduizend zeshonderdvijftig dagen én nachten, give or take a few.  
Drieduizend zeshonderdvijftig keer, give or take a few, de herbeleefde doodsstomp.  De
woedende hiel.  Het dodelijke kraken.  Het langzame, maar blijvende bloed.  Eva met het
geplette gezicht.  Voor altijd achttien.  De hoop op leven, de eeuwige liefde.  Kleine Aad
met het rooie haar. Ha.

Hé, kleine Rooie!  Hé, Rooie, zie hoe we met haar dansen, zie hoe gewillig ze zich in de
billen laat knijpen!  De wildste dans, daarna.  De val.  De dodelijke hiel.  Dag na nacht,
nacht na dag, week na week, de ellende van twee maanden liefde en pesterijen en dertig
seconden withete woede.  Tien jaar leven.  Ha.

Op zijn dertigste kon hij eraan beginnen, aan zijn nieuw leven.  De ouwe had laten weten
dat hij welkom was, voor een tijdje.  Dan moest hij maar zien hoe hij het rooide en zich
elders een onderkomen zoeken.  Voor men wist dat hij er was, besefte wie hij was, kon hij
al weer weg zijn.  Trouwens, na tien jaar, een eeuwigheid, werd nooit meer over het geval
gesproken.  Buren waren gescheiden, verhuisd of gestorven.  Er waren zoveel nieuwe
mensen ook, het dorp bijna onherkenbaar verkaveld en verbouwd.  De ouwe ging en stond
waar hij wilde.  Er werd niet geroddeld, schreef hij, hij werd niet scheef bekeken.  Aad
ging, werd aanvaard, bleef.

Dag Rooie!
Kleine Rooie!
Ha.

Nieuw leven.  Nieuwe vrienden.  Vriendinnen.  Eefje.  Hoe die zich kon optutten.  Meer
dan één doodzonde waard, zoals aalmoezenier Vercruysse dikwijls zei in Leven Centraal,
als het over vrouwen ging. Eerst, die hoge stem over het veld van de Zondagsstompers
achter café Trekvogel.  Bleek bij haar te horen.  Het alternatieve grungekapsel.  “Piek”.  
De vlugge babbel in ‘t café, telkens na de match, bij Kaat, de pronte weduwe.  Het
drankje, een paar keer de bioscoop.  Zag het wel zitten met haar.  Zij luisterde.  Knikte.  
Kirde even. “Ach Aadje, lieve kleine Rooie”, zei ze dan.  Begrijpen en begrepen worden in
vijf woorden.  Het kon nog, in een wereld die zich te pletter chatte.  “Lieve kleine Rooie”,
spelden de vloeibare kristallen van zijn eigen gsm haast elke dag, op de meest
onverwachte ogenblikken.  “Piek”, spelde hij terug, “Piekje”.  Miljoenen keren wel, give or
take a few.  Maar hét geheim moest eruit, wist Aad, wilde het ooit echt wat worden.  
Alleen, hoe zeg je dat?  Dat hij klein maar stevig op zijn benen stond, dat had ze al
gezien.  Daar hield ze van.  Dat hij kon exploderen had ze ook al meegemaakt.  Maar zij
kon hem bedwingen.  Alleen, hét kreeg hij voorlopig niet gezegd.

“Doe ze nog eens vol, Kaat!”
“Mag jij al drinken van je ouwe, kleine Rooie?”
Rug.  Of opstappen?
“Piek, ga je mee?”
“Breng ‘m maar vlug bij moeke, stoot.”
Omdraaien.  Of nee, toch niet.
“Wat een harde, die met z’n kale kikker.”
“Bekijk je eigen rooie varkenskop maar eens, mongool.”
In zijn ogen kijken.  Wat zeggen.  Nu.
“De match is gedaan, man, drink er een van me.”
“Bang, manneke?”
“Wil je Aad wel eens met rust laten?”
“Laat maar, Piekje, wat ie niet heeft kan ie niet gebruiken.”
Stom natuurlijk.  Niet laten provoceren.  Ja, Vercruysse, nee, Vercruysse.
“’k Had je liever in je ballen geschopt, sproet, maar ‘k vond ze niet!”
Glas tegen tafelrand, dan het smoel van de smeerlap.  De arm van Eefje.  De tussenkomst
van de vrienden, de ouwe.  Die lieve hoge stem.  Een schram maar, en wat langzaam bloed.  
Kraken in zijn hoofd.  Plotse kramp in zijn voetzool.  Drieduizend zeshonderdvijftig, give
or take a few.  Samen weg, en onverklaarbare huilbui in de auto.  Lieve kleine Rooie.

Dag Rooie!
Kleine Rooie!
Ha.

Laatste zon van ‘t jaar, hadden ze gezegd op ‘t weerbericht.
“Naar zee, lieve kleine Rooie?”
“Je weet niet wat je vraagt, Piek!”
“Creep”
“Little bitch”
“Lieve kleine Rooie”
“Hou je klaar, Piekje, kom eraan!!”

De lange wandeling, weg van dijk en mens.  De duinen in.  De woordenloze
verstandhouding.  De intieme worsteling.  De haperende bekentenis, twee eeuwen had hét
geduurd.  De tranen.  Het ongeloof.  Het krantenknipsel, vergeeld verleden.  “Slechts
tien jaar voor brutale moord”.  De foto.  Alleen de zee in de verte had geantwoord.  De
intiemste worsteling, daarna.  Weten, van beide kanten.  De ultieme bevrijding.  De
dronken rit naar huis.  De eenzame nacht.  De verbaasde ochtend, toen hij voor de spiegel
stond, zich tegen zijn rooie haren in streek.  Hij had twee keer gescoord.  Rare droom.  
Nieuwe droom.  Er was geen drieduizend zeshonderd en zoveelste doodsstomp geweest.

Dag Rooie!
Kleine Rooie!
Ha.
“‘k Denk dat ik ga verhuizen, pa...”
De ouwe gromt alleen maar, slurpt koffie.  Neemt zijn tijd.
“Ah”
Hap.
“’t Werd anders stilaan tijd.”
Hap. Slurp.
“’t Is nog niet voor morgen, zeg.”
“Ah”
Slik.
“’t Is maar een gedacht, dan?”
Grommen.  Slurpen.  Uren.
“Ah, Ge doet maar.”
“Ge kent Eefje toch?  Van bij Kaat?  De Zondagsstompers?  Uit ‘t Veld, de nieuwe
verkaveling, dat huis op de hoek?”
“Ah, die kattenkop?”
Slurp.  Slik.
“Niet mis.  Schoon huis.  Chique volk.”
Tabaksdoos en vloeitjes vullen een volgende eeuw.
“’k Ga haar vragen om samen te wonen.  Er is dat huis, langs de steenweg.”
Rochel.
“Ah”
Aad had dat laatste wel begrepen.  Ah.  Goed zo, kleine Rooie.  De ouwe had er zich toen
toch goed doorheen geslagen.  Eerst de ellende met zijn zoon, ‘t jaar daarna was moeder
gestorven.  Van verdriet, van pijn, van schaamte.  Had Rooie altijd gedacht.  Drieduizend
zeshonderd en zoveel keer, give or take a few.  Niemand had hem daarop kunnen
antwoorden, al die jaren, in Leven Centraal, ook Vercruysse niet.  De ouwe had alleen
maar nu en dan geschreven, stug gekrabbelde briefjes, zoals zijn conversatie.  Komen
wilde hij niet.  De kop.  Al die tijd had hij daarover getobd, tot het draaglijk werd.  
Maar bleef.
“Nog wat koffie, pa?”
“Ah”

Hij had de batterijen van zijn gsm al gecheckt, was de telefoonwinkel al binnengestapt.  
Er mankeerde niets.  Al twee dagen geen “lieve, kleine Rooie”.  “Piekje” bleef
onbeantwoord.  De nachtploeg was ondraaglijk geworden.  Uitslapen en dan naar ‘t Veld.  
Piekje.  Piekje.  Piekje.  ‘t Huis had nooit zo imposant geoogd. Twee zuilen voor de
voordeur.  Grote koperen bel.  Luiken als blinddoeken.  Alles rook naar zuurverdiende en
krenterig belegde centen.
“Kom maar eens af, ze zullen je echt niet opeten, lieve kleine Rooie.”
“Maar, je zegt toch dat...”
“’k Weet wel, modern zijn ze niet, maar ze geven wel toe, Rooie van me.”
“Zeker, Piek?”
“Ze hebben m’n haar toch ook geslikt?  Ze gingen me d’eruit gooien, toen.”
“Ja, maar, Piek...”

Dag Rooie!
Kleine Rooie!
Ha.

Hij was nog nooit binnengegaan.  Voelde de banbliksems van haar ouders elke keer als hij
haar oppikte of thuisbracht.  De zoon van die norse ouwe, die zomaar uit het niets was
opgedoken.  Waar zeker iets achter moest zitten.  Zouden ze wel eens uitvissen.  Piek
had hem al dikwijls verteld van de discussies en halve insinuaties.  De ruzies, ‘s avonds
voor de tv, tijdens de soaps, de quizzen, de reality shows, die ze niet mochten missen.  
Big Brother en de rest.  Al die propere, gewone jongens, waarom kon zij er niet zo een
aan de haak slaan?  Ze had hem nog geplaagd, jij zou eens een paar maand opgesloten
moeten zitten in zo’n huis.  Bijna in paniek had hij haar toen ruw op de mond gekust.  
Haar, en zichzelf, het zwijgen opgelegd.  Het geheim.  Hét.  Hét.  Drieduizend en zoveel
keer, give or take a few. Ha.

“Goeie middag, meneer, kan ik Pie... eh, Eefje even spreken?”
“Niet thuis.”
Even slikken.  Ze moest thuis zijn.
“Wanneer zou...”
“Wil je haar alsjeblief met rust laten!  Of moet ik er de politie bijhalen, soms?  Mijn
dochter ga je de kop niet instompen!”
Deur hard dicht.  Sleutel dubbel omgedraaid.  Driemaal vergrendeld.

Lieve kleine Rooie.  Lieve kleine Rooie.  Lieve kleine Rooie.  Give or take a few.  Hij had
de auto gestart, had razendsnel opgetrokken, de geur van verbrand rubber was lang in
de auto blijven hangen.  Zee.  Duinen.  Niemand om mee te praten.  Niemand die tegen
hem had gezwegen, als teken van verstandhouding.  Waarom had hij het haar verteld,
waarom, waarom, waarom?  Sentimentele lulkoek.  Woorden in de wind.  Hij had zelfs het
antwoord van de zee in de verte niet kunnen horen.  Na uren in paniek teruggereden.  
Alsof hij op de vlucht was geweest, jaren na zijn doodsstomp.
Ha.

Trekvogel.

Geen dooie kat.
Ha, Rooie.
“Whisky, ‘n dubbele!”
“Hola, kalmpjes aan, Rooie.  Hebben we wat te vieren?”
Stilte.
“Hier, nog een van Kaat.”
Binnengieten.  Zwijgen.  Plots tranen.
“Kom op, Rooie, vertel”
“Laat maar...”
Kaat was naast hem komen zitten.  Had hem gewoon over het haar gestreeld.  Naar Eefje
gevraagd.  Only your love will do.  Ze waren beginnen dansen.  Only your love will do.  
Toen was de deur opengedraaid.  “Ho, Kaat, met de kleine aan ‘t dansen?  Moet hij nog
niet naar bed?”

Voor de drieduizend zeshonderd en zoveelste keer.  De krakende hiel.  Het blijvende
bloed.  Het geplette gezicht.  Eva.  Kaat.  Kaat.  Ha.

Dag Rooie!
Kleine Rooie!
Ha.  Ha.  Ha.

De wildste vlucht.  Auto ondergronds.  De anonimiteit van de stad.  Misschien is
Vercruysse thuis.  Die zal het wel begrijpen.  Weten wat te doen.  Nog één hoek.  Een
late tram dendert nader.  Redding wordt plots hoorbaar.  Alsof hij zijn passen had lopen
tellen schreeuwt Aad luid: “Drieduiz...”.
Het dodelijke kraken.  De snerpende remmen.  Eén pijnflits lang spatten gensters voor
zijn ogen weg, het donker in.  Duizenden.  Give or take a few.  Ha.

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.