Bjarne Donderdag

DRIE MINIMONOLOGEN


1. ALS HET HERT SPREEKT (Een hertenkop aan een Vlaamse cafémuur probeert in het reine te
komen met de stamgasten)
2. MAMA (Een zoon probeert in het reine te komen met zijn moeder)
3. ROLEX (Een minnares probeert in het reine te komen met haar ex-minnaar)


1. ALS HET HERT SPREEKT

Aan de muur boven de deur hang ik, Rudy de hertenkop. Er steken zachte ogen in, maar
er staat ook een gewei op dat bijvoorbeeld mensenvlees open zou kunnen rijten. En ja: de
muren hebben dus oren. Met deze hoofdrol in een Vlaamse huiskamer ben ik niet erg
opgezet. Een tochthond als hoofddrol bij de scheur onder de deur heeft het ietwat beter,
want hij behoudt tenminste het overzicht over zijn lijf. Ik niet. De rest van mijn lekker
lijf is al jaren geleden verspreid over enkele kerstdiners. Dieren met kerst: kijk uit! Ik
ben voor driekwart opgesoupeerd. Een ondernemende chef-kok vermaalde zelfs mijn
hoefjes ten behoeve van dure heren die na de maaltijd misschien van bil wensten te gaan
met een aanpalende tafeldame. Te wijten aan de wijn kwam het er niettemin nooit van.
Anders had ik dat wis en drie gevoeld. Mijn edel hertenvlees gecombineerd met de
weldaad van dieprode nectar hadden alle energie uit de genodigden doen vloeien, al zag
de beweging er toen omgekeerd uit: ik ontnam ze hun kracht, maar zij aten mij. Mijn ziel
echter heeft geen sterveling ooit weten te bemachtigen of te slachten: die blijft
hunkeren in het schrijn van mijn opgezette kop, zeg en schrijf maar: hoofd. Quasi-
wezenloos staar ik, Rudy het Ardense hertenhoofd, de Vlaamse meubeltjes tegemoet: ooit
Meurop, later Gaverzicht, nu Ikea. De tijd staat niet stil, n’est-ce-pas. Mijn gewei neemt
de kleur aan van de nicotine die bezoekers de lucht inblazen. Ik leef zo intens met mijn
omgeving dat ik me macrobiotieker voel. De huid van mijn kop verkrampt in een eeuwige
still. Ziehier het hert. Maar mijn ogen blijven zacht en mijn gewei vlijmscherp: erachter
en eronder zit mijn ziel.
Eén bepaald jaaruiteinde en –begin werd ik uit mijn donkerbruin gepeins opgeschrikt:
het Vlaams moeke des huizes hing verdorie plotseling pinkellichtjes in mijn gewei op. Het
batterijtje rustte op het weekste deel van mijn schedel. Wat een vernedering, van 22
december t.e.m. 4 januari! En dat geflikker! Even zelfs voelde ik mijn latent talent voor
homofilie opflakkeren, onder herten doodnormaal – een soort van verre herinnering waar
mijn lijf geen blijf meer mee wist, eerder een opwelling. In die helverlichte donkere
dagen torste mijn hertenkop mijn gewei annex batterij als een encefalogram, ja:
doornenkroon. 3 januari gaf het batterijtje de geest; 4 januari werd ik uit mijn lijden
verlost. Weer staarde ik quasi-wezenloos het nieuwejaarkezoete in.
Des nachts, wat niemand ziet of weet, geeuw ik de verveling uit mij weg en strek ik mijn
gewei breed vertakkend uit. Zo heb ik na maanden oefenen de afstandsbediening van de
teevee weten te bereiken. Die blijft soms achter op de sofa. Het allereerste wat mijn
dode ogen te zien krijgen, is een kookprogramma. Een kookprogramma, godgenageld. Dat
is niet naar mijn zin, ofschoon er met lamsvlees wordt gejongleerd: Pasen nadert
ondertussen. Wir haben es nicht gezapt. Maar na enkele nachtelijke zapsessies beland ik
ten slotte op een Duitse zender waar ik een tijdlang heel kijkdicht trouw aan blijf: men
onderneemt ten behoeve van de slapelozen urenlange treinreizen doorheen allerlei
landschappen, te aanschouwen via een camera op de snuit van een locomotief. Op een van
die nachtelijke trips ontdek ik zelfs eens een echt hert, wegvluchtend naar een bosrand.
Maar ook dat word ik beu. Uit nieuwsgierigheid naar mijn huidige biotoop en omgeving
vertoef ik al eens vaker op de streekzender.  Die straalt ’s nachts herhalingen uit van de
dagprogramma’s, reclameblokken en teletekstinfo. Zo ontdek ik op een nacht in mei dat
het huis waar ik hang te koop wordt gesteld. Er wordt een foto bij getoond, en de prijs is
‘overeen te komen’. Bij ontstentenis aan mijn hertenhart begint mijn kop heviger te
kloppen. Alle Ardennen op een hoopje, wat krijgen we nu?? Koleire maakt zich van mijn
kop meester. Ander volk aan huis? Zonder inspraak van mij? Net nu ik me zowat, nou:
thuis begin te voelen? Dat wordt verdorie weer wennen. Of, erger nog: de nieuwe
bewoners mochten het eens in hun hoofd halen mijn kop eruit te schroeven en …
containerpark? Rommelmarkt? Studentenkot? Ik begin huid en haar te zweten.
Het wordt café De Groene Jager, of all places. Nou, via tussenstations natuurlijk. Drie
maanden later hang ik gemengde gevoelens te hebben in de rochelende hoestmist van café
De Groene Jager. Ik kon het slechter getroffen hebben, maar ook beter. Het uitzicht
bijvoorbeeld kan ermee door: ik prijk nu aan de muur boven de toog en staar aldus in de
façades van stamgasten die naar hun drenkplaats zijn afgezakt. In den beginne krijg ik
zelf ook wat aandacht: mensenogen. Voer voor vele colloquia, dat wezenloos-wezenlijke
gestaar. Nu, het went, het slijt. Aanvankelijk is er ook de onvermijdelijke cafégiller in
verband met ‘hertzeer’, maar ook dat verdwijnt. Al vaker kan ik me concentreren op de
kauwgumbak onder mij. Ik van mijn kant zou ook een mop kunnen lanceren, mocht ik een
stem hebben en die kunnen verheffen. Ik zou gewagen van twee ongelijke kampen in het
café: de aangeschotenen, zij dus, en de geschotene, ik dus. Maar een hertenkop zwijgt tot
in der eeuwigheid, in alle talen.
Ik hang namelijk af – letterlijk zelfs – van de goodwill van Mireille, cafébazin van De
Groene Jager. Dus hou ik mijn waffel maar. Ik stel me tevreden met mijn
stretchoefeningen na sluitingstijd, als de dronken zielen zijn verdwenen, en ik verken en
proef geweigewijs het bos van glazen met restjes grondsop. Soms rook ik zelfs een peuk
verder op – ah de langzaam omhoog kringelende rook van een Ardens vuurtje in de pure
natuur! Met wat doorgedreven oefeningen bereik ik binnenkort opnieuw de teevee, hoog
in de hoek opgehangen. De tijd pelt de kalender dag na dag af en ik leer de stamgasten
beter kennen. Armoede zit hier naast rijkdom, dank naast stank, maar drinken doet
eenieder dapper. Ik bespaar u verder een bloemlezende opsomming van het kruim der
drenkgasten alhier: hun tics, hun roepnamen, hun oneliners, hun seksleven, hun pisbeurten,
hun lijfgeuren. Een en ander zal u toch vanzelf duidelijk worden. Er komt ook wel eens
een hond mee naar binnen, vergezeld van zijn baas. Bah, het woord ‘Baas’! Ikzelf heb
nooit een baas gehad. Vroeger toch niet. Altijd was ik baas in eigen bos. Nou, een hond in
huis dus. Mijn bedenking luidt in dat geval onvermijdelijk (maar ik kan niet anders dan
die voor mezelf houden): ‘Wie houdt hier wie aan het lijntje?’ Zo’n laag-bij-de-gronds
huisdier, ex-kuddedier, strekt zich gewoonlijk als een soort van tochthond uit in de
omgeving van de reeds hoger vermelde scheur onder de deur, op het vloerkleed bij
voorkeur, verlangend om weer naar huis te mogen, zijn gedachten al zo rood gekleurd als
de vitrine bij de slager die van Waregem Koerse droomt. Ik zie zo’n beest dan een
dubbel leven leiden tijdens zijn aanwezigheid in café De Groene Jager, zoals iedereen
hier. Dat bestaat eruit de minste beweging van zijn baas te observeren én tegelijkertijd
mijn hertenkop hongerig gade te slaan. Nou, niet dat er in dat laatste geval nog veel
beweging in zit. Maar toch, ik zie zo’n springlevende aartsluie loebas mij met zijn ogen
ontkleden en verslinden: mijn huid, mijn haar. Mocht die vleesgeworden blafmachine op
een onbewaakt ogenblik alleen zijn in het café, zeker weten dat hij dan met zijn
foeilelijke snuit op waggelende o-poten nader tot mij komt, die hoofddrol, uit pure
domheid, want wat ben ik meer dan vel over been? Maar dat weet u al. Nee, ik wil geen
pint van hem. En ook geen kind. En dat hij me daarna verslindt. (Ja, ik ken het
driestappenplan bij de toogmensen). Waar het hert van vol is, loopt de hond van over.
Volgt u mij, ja? À propos, nu we toch de erotische zone naderen: het valt me op dat
sommige mensenlijven hevig gebalsemd zijn. Ik bedoel: ze verspreiden hier in De Groene
Jager opvallende geuren. Zegge en schrijve: reuken. Het gaat in dat verband heus niet
alleen over vrouwen. In de ergste gevallen botsen diverse balsems tegen elkaar op, zodat
een soort van stank ontstaat. Om het helemaal fraai te maken, ventileert des zomers de
luchtschroef die vreselijke parfums het kaffaat rond, tot in de vier hoeken. En je weet
wat ze zeggen: hoge herten vangen veel wind. En dan maar zeveren over de tijd van de
pruiken, poeders, syfilis, open riolen en grootvaders vakbondskrantje in het schijthuis om
je gat mee af te vegen! Dat de mensheid maar eens naar zichzelf kijkt. Of aan zichzelf
ruikt, verhippeltjes. Sorry voor mijn overdrive, maar waar het hert van vol is, loopt de
mond van over. Déjà-vu? Déjà-lu? Denkt u nu ? Rudy mag dan al geen aars meer hebben,
he is all ears! Als hertenkop ben ik natuurlijk ook een en al oor. Ik ben de gedroomde
afluisterapparatuur. Dear Mr. Hunter, I know all about you. Ik weet zelfs meer dan
bazin Mireille, want het mens kan niet overal tegelijk zijn aan haar toog. De Groene
Jager barst, zoals elk café, van de publieke geheimen. De place to be or not be voor
publieke geheimen is natuurlijk het café, het kwakhuis, het kaffaat, de kroeg, de
drenkplaats, de herberg, deze biotoop van roddel en samenzwering. Niet dat ik nu wil
beweren dat Mireille een publieke vrouw is. Nee, want dan ben ik een publiek hert. Maar
zoals bacteriën en bacillen het best gedijen in koortsige warmte, zo koesteren zich
roddels en publieke geheimen het liefst in zweterige huidplooien van konkelfoezende
toogzweren met gloeipijn op hun tong. Mijn kop eraf, zowaar ik Rudy heet: erger soort
en ergerlijker soort dan die der mensen heb ik op dit ondermaanse nimmer meegemaakt.
Cafégesprekken zijn ware slachtpartijen, onder soortgenoten, over soortgenoten.
Afwezigen hebben geen ongelijk. Nee. Wat niet weet, wat niet deert. De aardbol is wel
degelijk een blauwe plek in het heelal.

En nu ga ik even op hertenkamp.
(Rudy neemt een slok uit zijn borrelfles).

Bon, weer tegenwoordig: Rudy. Ik mag dan al zelf niet langer over een compleet megalijf
beschikken (onder het motto: ‘It’s all in the mind’), ik constateer dagelijks de afgang van
de voltijdse menselijke gestelde lichamen. ‘Het begint bij de poten’, beweren zij. Ik zie
dat anders. Hier wordt in volgorde van anciënniteit geleden aan en geleuterd over primo
tanden, secundo de rug, tertio ogen en brillen (ze zien nu beter waar ze vallen) en
sporadisch ook wel steunzolen. Dat zijn dus de exemplaren die tijdens hun actieve leven,
zoals een Chinees spreekwoord het voorschrijft, een kind kopen, een boek schrijven en
een boom planten. Laat ik die drievuldigheid maar onmiddellijk in ’s mensennaam
vertolken: zij wassen, zij krassen en zij plassen. Zij fotokopiëren zichzelf op gemiddeld
2,3 exemplaren, zij schieten voortdurend woorden te kort, zij wringen hun lulletje – dat
werkinstrument van hun stamboom – tegen boomstammen uit. Wij, herten, de kopstukken
aan zovele muren en wanden, worden door dat herrenvolk als kapstokken behandeld.
Eigenlijk zijn het, in vergelijking met ons, kopstukken: lijfeigenen. Van mij kun je dat
alleszins niet beweren. Vlees, vet, merg, bloed, zweet, kak, pis: dat is wat de mens is. Een
Steak Pretentie. De ergste zijn die met een groen hoedje op hun kop en een pluimpje
erbovenop. De gevederde vrienden, jodelahitee! Af en toe komt hier zo’n exemplaar in De
Groene Jager binnen. Hij is zo vreselijk anoniem, plusminus en onbekend, dat hij de vzw
Trilschade heeft opgericht om toch maar even in het Staatsblad en de kranten te kunnen
staan. Zijn vzw Trilschade telt een viertal misnoegde minkukels die in de omgeving van
een spoorweg of een verkeersbult wonen. Zij ijveren voor vergoedingen voor trilschade
aan hun huizen toegebracht door voorbijrijdende treinen en auto’s. Deze voorzitter van
deze tril-vzw draagt dus constant zo’n zweterig pluimhoedje op zijn schedel. Tiens: De
Groene Jager ligt hier ook vlak bij een afgedankt station waar per uur zo’n twaalf
treinen heen en weer voorbij denderen. Maar trillen doet de voorzitter daardoor nooit.
Nee: hij trilt alleen van opwinding als hij het heeft over de trilschade bij hem thuis. Als
zijn trilkompanen – met toestemming van hun trillende echtgenotes – hier samenkomen,
dan maak ik een thriller mee waarin ze zelfs niet eens de hoofdpersonages spelen. Als er
na verloop van pinten namelijk al iets gaat trillen in hun ogen, dan zijn het wel … Nou,
heb ik u al verteld dat bazin Mireille over twee prachtige vooruitzichten beschikt? Ze
durft er wel eens mee in te pakken, als u begrijpt wat ik bedoel. Niks fraaiers dan zo’n
stel waarmee net niet uitgepakt wordt. De ogen van die trilbeschadigde vzw’ers krijgen
dan steeltjes, en auto’s en treinen worden dan pikdorsers. Als u alweer begrijpt wat ik
bedoel. Gelukkig voor Mireille dragen die geilaards geen gewei op hun kop, of ze rijten
haar aan flarden. Het zijn hoogstens hoorndragers. Geen familie. Op vrijdagen vluchten
ze het café in, om uit te stellen waar ze niet goed in zijn: de verplichte wekelijkse
streling van de linkerborst van hun vrouw. Na enkele pinten zien ze dat dan wel weer
even zitten; na nog meer pinten weten ze niet meer welke borst in aanmerking komt. En
van wie. Nou, allicht schuilen er ook homo’s tussen, zoals bij ons, herten. Filatelie,
anglofilie, necrofilie, homofilie: breed is het gedachtegoed van deze homo sapiens.
Verhippeltjes, nu ik het over de homo sapiens heb: de allereerste winnaar van de
Olympische Spelen was een kok. De cirkel is weer rond. Ik heb iets met koks. Nee: ik
heb niéts met koks. Bijna niets meer. Alleen mijn kop, god betere het. Met mijn edel lijf
gaan de koks lopen. En ik woon in De Groene Jager, of all places. Mireille kijkt me wel
eens aan. Ik zie dan rode bessen in haar ogen. Ik weet het: ik geef haar een kerstgevoel.
Naast hondstrouw, kiplekker en poeslief, heb je ook hertroerend. Ik hoor thuis zowel in
een bos als op een bord. It’s all in the mind, but beware of the body. Ik sta voor
zachtheid, weet u wel. Wie kan met een geweer in de hand mijn ogen langer dan vijf
seconden weerstaan? Deerhunters zijn vaak ook doetjes.
Nou, ik apprecieer het ten zeerste dat u even herthorig bent geweest. U was een fijn
publiek. Zie: de lucht heeft soms de blauwachtige kleur van wintermelk; soms hangt hij
als een muisgrijze zakdoek vol met goddelijk snot klaar om los te barsten. Veel meer
variatie steekt er niet in, van hieruit gezien. Het kan eender welk seizoen zijn. Ik weet
het niet meer. Ik heb het niet bij kunnen houden. Meer weerpraatjes heb ik niet. Ah,
iedereen is weg. Eindelijk weer alleen. Er is werk aan de winkel. Ondertussen hang ik,
geheel de uwe, nou, ten minste toch de kop, het geweide hert: Rudy.

2. MAMA

‘Je bent wat je eet’. Mensen met iets ergers dan een opinie, namelijk een overtuiging,
proberen je dat wijs te maken. Goed, als dat zo is, dan ben ik een bijzonder zoete,
zachtaardige jongen. Ik ben verslaafd aan chocolade. Niet eens de echte fondant, maar
wel de schijtbruine nepchocolade. De zoetste dus, niet de bitterste. Als ik echter aan
rauwigheid doe, dan heeft dat niets met eten te maken, maar alles met drank. ‘Drank’
zijnde metafoor voor alcoholhoudende drank. Dan ben ik misschien wat ik drink. Ik sta
dan heel ver van de huisbelprofeet, die op zaterdagmiddag verkondigt: ‘Zeewier eten is
erg gezond’. (Eigenlijk verwoordt hij het bijbelser: ‘Het eten van zeewier is gezond’).
Dan verkoop ik zo iemand bijvoorbeeld een verbale dreun, zowel voor de inhoud als voor
de verpakking van zijn boodschap, en ook voor zijn slechte timing. Dan gedraag ik me
zouteloos. Dan staat rauwkost tot mij zoals olie tot vuur, Saddam tot Bush. Ik kan de
gezondheid van betuttelaars ernstige schade toebrengen.

Mijn moeder heeft jarenlang met afgewende, alles- en nietsbegrijpende blik naar de
verte gestaard. Ook als ze naar ons keek. Door ons heen keek. Naast ons keek. Of als ze
midden mompelend, feestend, gekscherend of doodgewoon aanwezig volk was. Na dat
lange oponthoud van circa veertig jaar trok weer zoals vanouds woeste bewolking over
haar gezicht, dat gelaat werd, ja: aangelaat. Reddeloos gered, opdrachten volbracht,
bijna mystiek onthecht, verzandde ze andermaal in de verlichte schemerzone waar
dichters met hoge koorts ronddwalen, knettergekke dansers in hoekjes vertoeven en
allerlei andere fijne lieden van de Laughing Academy halfopendeurdag houden. Ik heb
altijd gehoopt dat ze mij eensklaps haar Russische afkomst zou openbaren, maar het
enige wat bij haar echt uit het niet zo verre oosten kwam, was haar viool van Hongaarse
makelij. Ze was ooit een prima violiste. Vijf kinderen en een man pakten haar die viool af.
Al die jaren bleef het muzikaal stil op haar Titanic. Het is een cliché als een kathedraal
met duivenstront op, maar de viool van de moeder belandde op zolder, terwijl beneden
het irritante getokkel van ongetalenteerde kinderen op de piano weerklonk.

Tijdens mijn kinder- en jeugdjaren at ik per ongeluk gezond. Geld voor allerlei exotisch,
pikants en ongezonds was er niet. Zelfs niet voor doodgewoon veel. Fruit vergezelde
brood. Bijna alles wat in de tuin groeide, belandde ook op tafel. Een aardappel was een
aardappel, gekookt in water. Melk was goed voor elk. Luxe was voor later. Je bent wat
je eet, beweren ze. We waren dus mager. Op dagtrip aan de Vlaamse Noordzee waren we
nog magerder. Elk jaar weer keek ik uit naar de herfst, de winter: dikkere verpakking.
Iedereen gelijk voor de wet van Celsius, iedereen koud. Op die oude foto sta ik aan de
Ijzertoren in Diksmuide naast mijn vader vooral veel kleren aan te hebben en meer op de
wereld te zijn dan in de dunne werkelijkheid daarbuiten. Die foto verklikt mij. Ik maak
me dik. Ik was wat ik niet at. En niet alleen god, maar ook de duivel zit in het detail: ik
draag een chapka op mijn hoofd, een soort Oostbloks soldatenmutsje dat toen overal
verkocht werd. Russisch bloed, dan toch? Nee, gewoon een stomme kop met een vreemd
voorwerp op.

In haar bronstijdperk brandde mama echte kaarsjes in de kerstboom en bakte ze
vrolijke pannenkoeken. Ze speelde bakelieten muziekplaten die in bruinpapieren hoezen
zaten. De glazen en wat erin gewalst werd, zagen er duur en feestelijk uit. Ooms, tantes
waren jong en wilden wat. De grote overstroming van 1953 bezorgde de lage landen
rimpels en rillingen. Met al dat badwater kwam een eerste kind mee aangespoeld. Het
oudste kind, ik. Daarna brak de lange duisternis aan. Zomers te zwaar van gemis; winters
te scherp van besef. Het elementaire bestaan op aarde werd onvoldoende doordesemd
met wat het net aanvaardbaar maakt: geluk, toeval, desnoods respectievelijk stom en
dom. Of bijvoorbeeld iets van een hogere orde dat na gebruik toch weer met de glimlach
weg kan worden gegooid. Nee, de wereld was een blauwe plek. Kinderen moest je vooral
hebben. Kinderen dienden om naar school te stappen. Deze kinderen vormden een archipel
van eilandjes. Deze eilandengroep verklaarde de koude oorlog aan de mama. De papa kon
alleen maar lijdzaam toezien, met van woede trillende handen, zelf al in volle oorlog met
zijn trouwfoto.

Het is niemands schuld dat ik verslaafd ben aan chocolade, gedichten en verhalen schrijf,
mensen verbaliseer als ik gedronken heb, een onverklaarbaar heimwee heb naar een land
waar ik nooit ben geweest. O, heimwee, ja, zoals eenieder, ‘want bij elke wieg heeft een
deur opengestaan, al was het nog zo kort en op een kier, naar wind en licht buiten de
tijd’. Mijn mama heeft evenmin aan de goden gevraagd om die mama te zijn, een mama of
geen mama. Desgewenst moeder. Ik heb het wel herkend in mijn liefjes: die weerschijn
die me aan haar deed denken. De gloed van de pre-mama; de icoon van de avant-moeder.
In de ogen van de mensen om je heen loopt alles zo vaak verkeerd af. Maar eigenlijk red
je bij wijlen jezelf. Waar ik haar jaren later andermaal ontwaarde, in de gezichten, zeg
maar: blikken van de anderen, daar vluchtte ik. Tijdelijk lijfde ik me dan in het leger van
de zoetekauwen in, de drinkers, de dromers, de dichters. Ik wou haar niet meer nog eens
meemaken. Waar ik als eerstgeborene haar viool afpakte, daar gaf zij als moeder mij
mijn poëzie. It was an offer I couldn’t refuse. Het was mijn underground railway. Ik
schrijf haar af. Van mij.

Wind, storm, zee, woestijn: onze fascinatie voor ‘slecht weer’ en ‘weidsheid’ was
gemeenschappelijk. Objective correlative? Zijn het weer en de natuur zoals we die graag
hebben de spiegels van de ziel en het gemoed? Whatever, als het bestaan op deze blauwe
plek in het heelal toch maar een langgerekte hoofdpijn is. Laat maar waaien dan. Waar we
het, natuurlijk onuitgesproken, totaal oneens over waren: gewicht, omvang van het
menselijk lijf. Ik droomde ervan meer op de wereld te zijn, minder mager. Toch vond ik
dijen die over stoelzittingen uitdijden afstotelijk. Mama wou dun zijn, worden, blijven.
‘Fijn’, zeiden ze bij ons. ‘Mager’, luidde de feitelijke diagnose. Het was in die vreselijke
tijd van voor de woorden ‘slank’ en ‘volslank’ bestonden. Magerzucht, eigenlijk was het
meer angst voor dikheid, bepaalde onder andere ook de stillevens op de eettafel thuis. In
die tijd deelde ik het lekkerste onder het lekkerste, friet, ook nog eens met Aloysius,
mijn teddybeer. Die had een gaatje in zijn holle buik, zoals bij de mensen. De moeder
merkte het niet; ze staarde over de tafel heen. Ze was niet dik, dun, mager, slank of
volslank. Door erfelijkheid en afstamming was ze van dat alles niets. Ze was fysiek
volmaakt en ontnam mij het recht op vet.

De geluiden veroorzaakt door het eten van een appel. Het geschuif van de
accordeondeur. Het nachtelijke getamp van een waterzuigpomp in de opgebroken straat.
Het matineuze gegil van een stoomfluit. Geroffel van regen op een golfplaten dak.
Geprevel van gebeden. Gelui op zondag. Zomers belgerinkel. Soldatenhalfuurtje. De knal
bij het doorbreken van de geluidsmuur. Donder, bliksem, geruis van bladeren. Verstikte
stemmen. Het zinderen van stilte: sneeuwstilte, hittestilte, ruziestilte, ziektestilte.
Oorverdoving van schoolpleinen. Klokhuizen, kleren na regen, pijptabaksrook, chloor,
gymzweet, putlucht, warme melk, zure pis, moederspeeksel, de stoppelbaard van een
buurman, houtkrullengeur, de kachel. Troost door herfst. Genezing aan zee. Voelen,
ruiken, smaken, horen, zien, zwijgen. Mamamia. Schrijven.

Hoe ouder ik word, hoe dichter alles weer komt. In de lichtplas van een oude straatlamp
uit de jaren vijftig van de vorige eeuw zie ik steeds beter hoe wazig de foto’s van toen
waren en hoe scherp de rest was net buiten beeld. Ouders kijken vaak weg van foto’s.
Een van de kinderen neemt zo’n foto, maar de anderen voeren ondertussen iets in het
schild. Uitkijken geblazen. Kinderen kijken wel naar het vogeltje, tijdelijk verblind door
hooggespannen verwachting. Een foto is een poging in het kader van een eeuwigheid.
Mama keek door alles heen. Of gewoon opzij. Geen kader of rand hield haar tegen. Op
een foto zie je veel duidelijker dan aan de echte mens hoe goed of hoe slecht de ziel er
aan toe is die in beiden huist. Vele ziektes hebben mama nooit bezocht, want zij wou
nooit echt op de foto. Haar ziel was al lang vooruit gehold naar een ander bestaan, vanaf
de dag wellicht dat haar vioolkist definitief dicht ging. Reddeloos gered dichtte ze
zichzelf daarna jarenlang allerlei ziektes toe. Ik, dichter, ben de eerste zoon van een
gesmoorde diva.

Je bent wat je eet; je wordt wat je niet vergeet. Met de planken waar ze maar twee of
drie keer op stond en de koorts die ze toen bezweren moest, bouwde ze zich een
levenskist om levenslang ziek in te zijn zonder te moeten sterven. Ongespeelde
vioolmuziek begeleidde haar; de noten werden ontlokt aan een onbestaande partituur. In
de plaats van een strijkstok kwam een grimmige wasstok. Aaien, strijken, plukken werden
vervangen door slaande werkwoorden. Bijgevolg sloegen de eilandjes op drift:
bedplassend, marathonhuilend, verbitterd, vernederd. Toen we begonnen te begrijpen dat
een man zijn lul in zijn vrouw moet steken om een kind te kunnen maken, vroegen we ons
af of dat bij ons thuis niet totaal anders was gebeurd. Hoe, dat wisten we niet, maar
alleszins niet ‘zo’. Nochtans spookten we met z’n allen rond in een tijd waar overal ijverig
kinderen werden gekocht. Schoolpleinen waren volgestouwd met snel op elkaar volgende
ukken, meestal fotokopietjes van elkaar, met uitzondering van de buitenbeentjes. ‘Mooi’,
‘schoon’, noemden pastoors en opvoeders dergelijke gezinnen. Maar de jaren vijftig en
zestig van die oorlogseeuw stonken naar zuurpruimen, zure pis, zure melk, zuur
kindervlees. De vaders zogen aan sigaretten zonder filter; de moeders schilden een appel.

In de grote wereld werd er ondertussen ook duchtig wat afgehakt. Men transplanteerde
een eerste hart, men kogelde een president neer, op de voorpagina van de krant
poseerden negers zonder handen, in ‘Nam’ flambeerden ze de huid van de roden. Het lot
dat mama trof, was echter veel erger. Niemand kon dat begrijpen, bevatten. Er bestond
geen zielenzalf tegen. Niks hielp: zangkoor, huishoudhulp, gebedsgroep. Vaatdoek en
valium voerden het bewind.
Allesvernielende woordenstormen en langdurige balorige stiltes volgden elkaar op. Een
oudtestamentische kinderslachting behoorde ons inziens een tijdlang tot de
mogelijkheden. We doken onder in onszelf en vertrouwden zelfs mekaar niet meer,
broers en zussen. De vader fossiliseerde in zijn pantoffels en ranselde uit pure wanhoop
en frustratie op zijn evenbeelden in. Het was nochtans de tijd van de UNO, NATO,
BENELUX, EGKS: samenwerking, begrip, verstandhouding, vooruitgang, menselijkheid.
Mijn reet, godverdomme. De terreur ten huize van de ‘schone’ of ‘mooie’ gezinnen
verminkte menige babyboomerpuber grondig.

Mama kunstenares. Mama middelares. Mama troosteres. De vader was een stuk groter
dan zijn vrouw; de moeder kleiner dan ze had gewenst. Het moedergedicht, nou:
Moedergedicht van Eerwaarde Heer Hugo Claus moesten wij als student ooit tot op het
bot meemaken. Elk woord, elke regel werd omringd door en ingesmeerd met vele
uitleggende citaten, teksten, boeken. Nooit, onderweg in dat gedicht, heb ik daarbij ook
maar één jota aan u gedacht: mijn mama. Noch mijn pen, noch mijn beenderen hebben bij
het lezen vuur gevat. Integendeel: in die tijd schreef ik een vadergedicht. Ik ontdekte
de vaderfiguur aan de overkant van een straat, dubbel weerspiegeld via een etalageraam.
Ik dichtte hem wat kingewas toe, waarachter hij zich verborg: zo’n kutbaardje dat de
mond, dus de woorden camoufleert. Die vaderweerschijn trilde mee met dat etalageraam
– weze het door de hitte, weze het door voorbijdenderend verkeer. Fata morgana of
doodgewoonheid. Het betrof de etalage van een winkel voor kinderspullen: kleren,
speelgoed, aanvankelijkheden. De zuurtegraad was er hoog. Ik zweette.

Je bent wat je eet. Ik ga chocolade kopen. Je wordt wat je niet vergeet. Dag mama.


3. ROLEX

‘Time is on my side’

Meneer

U neukte mij in de nacht van vrijdag op zondag. Ik vond het heel fijn. Deze liefdesdaad
vormde zelfs even een bron van vermaak, gedurende enkele seconden. Maar nu zit ik met
een probleem. We zullen samen een kind hebben, na mijn quarantaine van de
gebruikelijke dracht. Uw horloge ligt hier nog (u was zo attent dat af te leggen teneinde
me niet te verwonden tijdens het liefdesspel), maar u heb ik sindsdien niet meer gezien.
Daarom neem ik even de laptop ter hand om u te schrijven. Hierbij volg ik slechts
gedeeltelijk de BIN-normen van de briefschrijverij. Die zijn, zoals u weet, opgelegd
door het Belgisch Instituut dat alles wil ‘normaliseren’, zeg maar: beveiligen. Nou, ik bied
u alvast een platte tekst, zonder veel plichtplegingen. Wat ik verder met mijn gevoelens
aanvang, daar zijn in geen enkel instituut woorden voor. En ik mag alvast hopen dat onze
nakomeling nooit ofte nimmer een uniform of apenpakje zal dragen. Denk nu niet
onmiddellijk dat ik driftkikkerig te werk ga. Nee. De lengte van deze brief bewijst het
tegendeel. Wil u eventueel de àndere metaforische richting uit: ik voel me momenteel zo
koel als, nou, een kikker dus. De associatie met ‘kikkerdril’ laat ik hierbij in het midden
van onze vijver. Allerlei vormen van humor zijn hier misplaatst. Toch brengt die
onvermijdelijke associatie me bij mijn volgende bedenking. Lees maar: overtuiging. Het
kind dat u en ik samen hebben uitgelokt, wil ik wel degelijk geboren laten worden. Dat is,
na de dans van de miljoenen waterkansen, een van de twee mogelijkheden. Het is leven of
niet-leven. Wat is de mens toch een vrij wezen, nietwaar? Het wordt een mooie
herinnering, die alsmaar groeien zal. De gedachten aan een universitaire opleiding voor
onze uk zet ik vooralsnog even opzij. Maar ondertussen zullen zich het komende
anderhalve decennium diverse onkosten voordoen. Het mag onze verse wereldburger aan
niets ontbreken, voorwaar.
Terwijl ik naar uw horloge zit te kijken, zie ik de tijd voorbij tikken. Dure tijd. Time is
money, honey. Uw polsslag zit er zelfs nog in. Hoe onachtzaam and yet toch zo
symbolisch van u dat voorwerpje mij hier na te laten! Of kwam u graag nog eens terug
naar de plaats van de moord? Beschikt u eventueel nog over het garantiebewijs?
Tja, dat u nu, net voor de herfst van uw leven aanbreekt, ik bedoel wel degelijk uw
levensherfst, nog een nakomeling scoort! Het moet zoiets zijn als het plotse opduiken van
een vliegtuig in het mariablauwe zomerzwerk van de vijftiende eeuw. Dat had u nooit
verwacht, hé? U hield er totaal geen rekening mee. U liet alle profylactische
bekommernissen gemakshalve aan mij over. U bent immers een man. Nou, weest u verder
maar eens flink man. Ook bij u begon het ooit met een ijverige zaadcel. Iets
substantieels van uzelf zal nu binnenkort mee de aarde helpen bevolken, deze blauwe
plek in het heelal. Bidden we samen om body & soul, gevoel & rede. Een ietsje meer mag
best.

Ik ben van plan binnenkort ochtendmisselijk te worden. In vroege treinen zal ik
bijvoorbeeld onverwacht overgeven. Bedienden en scholieren zullen een halte te vroeg
doen alsof ze ter bestemming zijn en een ander compartiment opzoeken. Een ietsepietsie
uw schuld, vindt u niet? Ook zal ik een niet te onderdrukken neiging vertonen om
ononderbroken bananen te vreten. Waarschijnlijk neem ik tevens grote hoeveelheden
avocado’s tot mij. De vrouw van de Vivo om de hoek zal misschien als allereerste wat
langer in mijn ogen kijken, dan naar mijn buik, daarna naar haar weegschaal voor gezond
fruit en gezonde groenten. Opzwellen zal ik ondertussen gestaag. Bij de eerste prenatale
penalty’s wil ik evenmin nalaten u even op te bellen, weze het dag, weze het nacht. Dan
wil ik geen voetbaltermen van u te horen krijgen. ‘Ze schoppen hem misschien half-do-od’,
weet u wel. Het kan zich natuurlijk ook zo voordoen dat u mij af en toe frequenteert met
lieflijkheden zoals daar zijn tulpen, pralines, oorbellen of een kijkboek met
textielmotieven betreffende de wieg. Allerhande versnaperingen zullen te allen tijde in
dank worden aanvaard. Allemaal kleine onkosten voor u en uw firma. Misschien rekent u
zelfs kilometervergoeding aan, aan uzelf. À propos: u die naar eigen zeggen zo
vlekkeloos en zo vlotjes eurogeconverteerd was tot ver na de komma: enig eurobenul van
geboortepremie? Sojagedoe? Pamperaanschaf? Nadat ùw komma in mijn
staathuishoudkunde juichend huishield, zijn ook die getalletjes beduidend hoor!
Sigaretten, ten slotte, laat u bij visitatie echter maar beter achterwege: de allerlaatste
heb ik gerookt toen u aan mijn wastafel uw lulletje met mijn rozenwater besprenkelde.
Rozenwater dient om de ogen uit te wrijven, meneer. En blijft u verder maar van die
verwijfde Dunhills af; u bewijst ook zonder dat het u voor de wind gaat. Overigens
rookte ik die eigenlijk maar uit beleefdheid. U had ze me opgedrongen omdat u vond dat
een vrouw die zelf haar sigaretjes piert ook andere stuff tot zich neemt, dus voor
iedereen open staat en gezwind andermans koffer in duikt. Zo ging de breedheid in uw
denken vaak de breeveertien op. U dacht als een douanier. (Tiens, dat u dat halve pakje
toch niet liet liggen, naast uw rolex!)
Misschien vindt u het nu jammer dat ik niet tot de zovelen behoor die hun lijf als een
kathedraal beschouwen. Ik zou (en dat hoopt u), in het licht daarvan, kunnen overgaan tot
het wegmaken van mijn, pardon: ons vruchtvlees. Tot meerdere glorie van mijn lichaam,
dat ongeschonden zou blijven. Ik verkies echter het totale leven, met zijn lusten en zijn
lasten. Niet omdat het voor een stukje van u komt; wel omdat ik er aan toe ben.
Hedendaagse vrouwen kopen onderweg wel eens een kind, weet u. Zelfs in het immer
groter wordende holebi-compartiment van de samenleving speelt men meer en meer met
gedachten aan wat jong bloed in de gelederen. Op dat lijfelijke vlak, meneer, kunt u dus
op uw beide oren slapen. De beide ezeloren der gemoedsrust. En ik op mijn linker- of
rechterzij, mettertijd, als onze liefdesvrucht wat meer ruimte behoeft in mijn
middenbeuk. Ach, een man weet vaak niet waarom.

Tiens: nooit hebben we samen gedanst en wellicht zullen we dat ook nimmer doen, meneer,
die rechthoek van afgrijzen mee bevolken die ‘dansvloer’ heet. Nooit zult u in dat
verband met uw kleffe vingers mijn monnikskapspier verkennen, noch mijn kont. Dat zag
ik in den beginne wel eens zitten, nochtans, zonder kil gepotel dan natuurlijk. Misschien
zag u me ooit als Assepoestertje? Had u mij met wat meer tijd beter willen leren kennen
dan alleen maar de binnenkant van mijn kut? Dat kon: u had uw rolex, ik beschikte over
tijd. (Nu heb ik alleen nog uw rolex). Maar met uw haastzaad in de pijplijn verliep het
vaak anders; vooral nà de lozing kon u niet vlug genoeg wegwezen. De tijd drong
plotseling vreselijk. U struikelde dan gewoonlijk over uw eigen ondergoed en de lift kon
niet snel genoeg weer uw veilige plattegrond bereiken. Nou, ondertussen zit ik dus wel
met een portie kindervlees in mijn pijplijn. Yes, I put on weight, Esquire. Mijn schoentje
begint te knellen. Negen maanden lang draag ik uw soortelijk gewicht. De tijd zal er een
publiek geheim van maken. Het staat me dan vrij tot bekentenissen over te gaan, midden
de kletstantes bijvoorbeeld tussen de groente- en fruitbakken. Hebt u dat ooit
voorgehad, iets wat u zelf veroorzaakte maar waar u niet langer de hand in had?

Nee, ook uw sponsorpraat in verband met de ijshockeyclub van uw zoon – wie speelt nu
godverdomme ijshockey in dit godgenagelde regenland!? – liet me al zo koud als het ijs
waarvan ik hoop dat het te gelegener tijd de vier ledematen van uw wettelijk geregeld
nageslacht zal breken. Evenmin kon ik medeleven betonen bij het heengaan van uw oude
moeder, die ondanks uw geboorte nog lange jaren het levenslicht aanschouwen mocht,
weliswaar aan bed gekluisterd. Neen, dat verscheiden deed me niets. Op moederleed van
mannen staat gewoonlijk een vervaldatum. Ze rochelen even als een oude apotheker en
verkopen daarna weer hun placebo’s als vanouds. Kan het ook zijn, meneer, dat u, die
keren dat u vluchtig mijn boekenplank doorbladerde, u eigenlijk op zoek was naar
eventuele perversiteiten van mijn kant? U beperkte zich daarbij vaak tot de
flapteksten. Vooral die serie goedkoop uitgegeven romannetjes trok uw bellettristische
aandacht. Was u op zoek naar mijn vreemde of geheime voorkeuren?!
Hoopte u mettertijd en metterdaad misschien eens, om maar een voorbeeld te geven, aan
weerskanten van mijn bilspleet een oog te tekenen, en dwars over diezelfde spleet een
dik aangezette rode mond? Waarin dan uw purperen kardinaal – mits de nodige sterkte
(à propos: neemt u nog ginseng?) – duchtig huis in zou houden? Vermoedde u een
dergelijke passage ergens in een van mijn romannetjes, flauwtjes met een potlood
aangevinkt? U vond die niet? Jammer. Ik moet u daarover helaas in het ongewisse laten,
bij ontstentenis van uzelf hier ter plekke en in mijn verdere leven. Misschien moet u in
dat verband te rade bij mijn leenvideoboer. (Ik hoop nu echt, tussen twee haakjes, dat
deze brief u niet al te zeer opwindt. Sommige niet-vrouwen krijgen namelijk al
copulatielust bij het simpele aanschouwen van een pannetje kikkerbillen).

Ik herinner me nog een scène, meneer. Niet in de dramatische betekenis van het woord –
wees gerust, get on with your Life. Die speelde zich af enkele weken voor de zoveelste
consumatie annex conceptie. We dronken iets in kaffaat De Blinde Fotograaf (: fake-
treincompartimenten, easylisteningmuzak, schaarse lichtplassen, namiddagsfeertje
vooraleer Mannen Als U des avonds het algehele woeden der wereld weer zouden
ondergaan, nou, kortom: wat gestolen en verstolen overspelige eilanderigheid, we hadden
even de tijd, nietwaar, om wat bij te praten en eens niét in elkaar te schuiven. I
apologize for this overloaded sentence, Esquire). U zette en nam voortdurend uw
overbodige leesbrilletje op en van uw neus. U kon niet beslissen wat we zouden drinken.
Met de kleinere letters op de menukaart ondervond u de grootste moeite. U wou zelfs
even iets eten, godgenageld, iets eten op dat unheimliche uur, tot het u te binnen schoot
dat u al gegeten had. (Ik niet: ik zat al drie koffies lang op u te wachten, I skipped the
part about food). Ik merkte dat u zag dat ik het doorhad: dat u uw ogen niet af kon
houden van dat andere Verboden Koppel dat daar handenwriemelend aan elkaar zat te
frunniken in naam van de liefde. Het Geheime Leger der Verliefden vindt een gedroomde
drenkplaats in De Blinde Fotograaf. Het is een gigantisch groot leger, en toch denkt u,
dacht u, daar een uitzonderlijk onderdeel van te zijn. U vergeleek voortdurend. U was
verblind door de aanwezigheid van die andere deerne. Daardoor hebt u me toen
gedegradeerd. En toen, meneer, toen lijfde u zichzelf in het Leger van de Voorspelbare
Mannen in: zij die menen dat eender welke schuinsmarcherende vrouw ook voor hèn
schuinsmarcheren wil. En dat is niet waar. Dat moet ik met een hevig stilzwijgen
tegenspreken. Wat meer is: op de man die zich in het gezelschap van die mooie vrouw
mocht verheugen, was u stikjaloers. Ik zag het. En u zag dat ik het zag. Daarom wou u
weg en wou u ook blijven. Daarom wou u naar mijn appartement en wou u tevens ter
plekke krampachtig zitten praten. U wou alles. U wou misschien het liefst eerst die
vrouw een vlugge beurt in de toiletten geven, dan het mannetje vermoorden, daarna mij
met uw overbevolking teisteren, en dan te horen krijgen, van mij: ‘Jij bent de beste. It
was wonderful’. Ja, ook dat is een gigantisch groot leger. Nou, dat speelde zich dus af in
De Blinde Fotograaf, enkele weken voor … Herinnert u zich dat nog, meneer? Sedert die
namiddag heb ik geen koffie meer gedronken. Ik kan niet meer, nooit meer, zelfs niet in
het mekka van de mokka, ooit, met een volgende kerel als een kraan, neen. Ik voel me als
Anna O., de bekende theetante die bij Sigmund Freud op de sofa ging liggen. What’s on a
woman’s mind?

En toch liet ik me enkele weken later alweer door u voltanken, met A Lovin’ Spoonful
vanuit uw lendenen vertrekkend. Lovin’? Nou, eerder Lustful. De gevolgen zijn u
ondertussen bekend, dankzij deze epistolaire inspanning van mijnentwege. (U laat toch
elk woord goed tot u doordringen? Zoals uw zaad in mijn schoot uitwaaierde en vrucht
begon te worden?)
Ja, dat kind van ons, m/v. Laten we hopen dat het gelukkig wordt. U zal daar maar voor
een heel klein stukje tussen gezeten hebben. Op zijn echte vaders zal het misschien vele
winters en lentes moeten wachten. Nog iets: hoe zullen we het noemen? Ik bedoel: het
kind, met name. Daar moeten we samen over beslissen, vind ik. Dat is het minste maar ook
het enige wat ik kan doen. Voor wat, hoort wat. Wat mij betreft, voor u zich dingen in
het hoofd haalt: mail me geen bijbelse namen, geen mythische namen, geen namen uit
teeveefeuilletons, geen hypermoderne namen, geen retronamen, geen drie- of
meerlettergrepige namen. Doodgewoon Jan bijvoorbeeld. Of Elke. Pam en Kim kunnen
ook. Desnoods Maaike. Een kort sms’je volstaat; uitvoeriger overleg is mogelijk aan een
neutrale onderhandelingstafel, maar dan wel voor de zesde maand van de dracht. (Niét in
de liefdesafspanning De Blinde Fotograaf, graag!) Mocht zich een meerlinggeval
voordoen, dan wil ik zeker geen gelijkluidende benamingen voor de diverse eenheden.
Ongerijmdheid, graag. Zelfs geen assonanties, begrijpt u? Er zijn grenzen aan bepaalde
herinneringen. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd. De achternaam van mijn eerstgeboren
uk vormt natuurlijk geen enkel probleem. Dat wordt door mij geregeld. Nou, u merkt,
meneer: een nachtje neuken doe je nooit alleen. Wie de trein neemt, komt gewoonlijk
ergens aan. Kwestie van het goeie perron te nemen. Ik hoop op uw rolex geen al te grote
vertraging af te moeten lezen. Vlucht u maar niet ijlings naar een van uw zwitserlanden,
bijvoorbeeld. Precisie, graag. Schoon volk eerst. De tijd dringt, maar niet echt. Het
getuigt overigens van een ongehoorde pretentie de tijd om uw pols vast te binden
teneinde die aan banden te leggen en ondergeschikt te maken. Ik leg het onding ergens
waar ik er niet elke dag mee geconfronteerd word. Zo wordt het geen paardje van Troje
dat alsnog begint te galopperen in de hoop me op te winden en overhaaste besluiten te
doen nemen. Het blinkt overigens zo opvallend dat ik u er van verdenk het al vaker op
vele andere plaatsen een tijdlang niét gedragen te hebben, klopt het? Zoals uw rolex hier
tikt, zo tikte hij volgens mij op andere plaatsen. U kunt me ondertussen altijd bereiken
op het nummer 000-0894929-07. Wij verblijven inmiddels, geheel de uwen:

Familiale groeten

Bärbel Vandermeeren en de baby in spe


(geplaatst op 21-08-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.