Leopold M. Van den Brande
|
EEN VERGETEN VLAAMSE REUS IN DE POËZIE door Henri Thijs
ontwaken is:
twee zwarte paarden
die een kind
aan handen en voeten gebonden
uitéénrukken.
(Uit: Blues voor de Guerilla, 1976, p. 9)
Ontwaken zal hij niet meer. Het is allicht begrijpelijk als je deze verzen leest.
Toch heeft hij het nog tien jaar na het neerschrijven van dit credo volgehouden.
In 1986 om precies te zijn, na het verschijnen van zijn laatste bundel “De kooi
van Faraday”, heeft hij er het poëtisch bijltje bij neergelegd en in de praktijk
gebracht wat hij mij toendertijd, in een brief die klonk als een aanklacht met de
hand op het verscheurd hart, had verzekerd: “ik schrijf niet meer, ik hou het
voor bekeken”. Hoe kon dat nu toch gebeuren? De meest gelauwerde dichter in
Vlaanderen (de lijst van toegekende prijzen is gewoonweg indrukwekkend, zie
bioschets hieronder), de meest existentiële en knapste uitvinder van woorden en
beelden in ons cultuurgebied, gaf er gewoon en plots de brui aan en weigerde nog
één woord op papier te zetten. En hij heeft stand gehouden alhoewel mij
persoonlijk zijn uitspraak wat overtrokken leek en ik rotsvast overtuigd was
dat een dichter van zijn allure gewoonweg niet kon ophouden – kan een echte
dichter of auteur wel stoppen met schrijven zonder zijn levensadem te
verliezen? – ook niet mocht ophouden omdat een hele generatie collega’s met
gretigheid hongerden naar zijn ongebreidelde en hoogst originele metaforiek en
in zijn spoor aan de kar van de poëzie gingen trekken. Een kar die tot dan toe
was blijven steken in de modder van een alledaagsheid en oppervlakkigheid
waarvan de aanblik alleen al pijn deed aan de dichterlijke ogen. Want hij was
een sporentrekker van formaat. Weliswaar een nihilist in hart en nieren, maar
een ongeëvenaard schepper van verzen en beelden die sneden in het hart. Zijn
paternoster van woorden liet je nooit los, leerde je bidden in de taal, wierp een
strop van verrukking om je hals, kooide je als een vogel in de spiegel van zijn
eenzaamheid waarvan hij constant getuigenis aflegde:
wie tekent mijn gelaat
in wolken van vrijheid,
wie zet de deur open
in de spiegel,
wie zal mij
de ruime laan van hemellicht
zien afgaan,
en mij groeten
met de vaste poolstem
van het kompas
in een gebroken noorden
de aarde draait om mij
meteoren vallen
uit mijn woorden,
bouwen hunnenbedden
voor de taal
in het heelal
van ergens
een stem.
(uit: Blues voor de Guerilla 1976, p. 21)
Maar toch. 18 jaar reeds weigert hij te ontwaken en slaapt hij rustig verder in
het bed van een niet-literair bestaan. Writer’s block, dacht U? Misschien wel
voor een ander toevallig nepdichtertje, een voorbijgaand meteorietje in de
ruimte van de literatuur, maar beslist niet voor deze vloedgolf van woorden die
hij was, deze orkaan van de nacht die raasde over het continent van de onmacht,
deze drilboor die de geest doorboorde met de nooit gesproken stem van de
uitvinder, de schepper van de infrarood camera van het gespleten hart:
de dood schept zand uit mij,
het leven stemt mij af
op stenen draaikolken
en oudheidkundig vrees ik
niet te vinden
dat vóór mij
leven op aarde was
maar ruïnes
uit de oudste oorlog
leveren bewijzen
op zwart-wit beelden,
bewustzijn fotografeert
een onvoltooide
dood
in de rechterkamer
van mijn metalen hart
staat een guillotine klaar,
in de linkerkamer wacht ik
terwijl de uren niet langer meer
voor de hand liggen
en dag en nacht
voorgoed samenspannen
kinderen huilen nog
in de nacht,
divisies honden
rukken dromen binnen,
moeders naast Mussolini
aan bloedende bomen
gehangen
reeds voel ik
handenvol zand
in mijn lichaam werpen
even later zie ik
een bruisend rood hart
in de aarde kloppen.
(Uit: Blues voor de Guerilla 1976, p. 25)
En beslist ook niet, deze nerveuse alchemist van de roos, de aanbidder van de
vrouw als verpersoonlijking van de eeuwigheid die hij incarneerde:
een vrouw, een rozenstruik.
en elke bloem verstomd een schreeuw
in de krop. schemering even
en dan weer duister.
drempel waarlangs alles komt en
gaat. aan uw stenen stootte zij zich
en verwondde water tot bloed.
want dieper dan de schoot
dieper kan ik haar niet liefhebben.
daar worden de doornen roder dan
de rozen, haar oog, gebroken wit,
naar de kleuren van de nacht gekeerd.
geen dieper bloeden dan in een roos
die rot, takken worden tot beenderen
even, en zuren en zouten waarover een
zijden bruidskleed glijdt
als een vage pijn om haar schoonheid.
(Uit: Alchemie van de roos, 1976, p. 13)
En evenmin ten slotte deze realist van de tijd die zeer goed besefte dat hij zich
bevond op de plaats “waar het licht zich legt als aan de grond gewaaid koren”,
die kanjer van een poëet die zo goed wist de poëzie te omvatten en te begrijpen
en ervoer dat hij slechts kon overleven in de vergeetputten van de gedichten:
gedichten zijn vergeetputten. ik schrijf
aan het sprakeloze papier, de overlevering
uitgeleverd. dat schrijven is: de leegte
verbergen achter wanden van papier. een
wereld behangen over een wereld.
als een spelen met het geraamte van
het alfabet. het ontbinden ervan leren in
lettergrepen. doch de zinloosheid der zinnen
aanvaarden. aanvaarden. dat alles sterft,
behalve dode talen. behalve
het woord, in deze of gene taal versta
ik dit orgaan. tot verworden verwoording
geworden, een soort nostalgiese toekomst.
want wie mij aankijkt in deze woorden,
weet wat naar ons toekomt, weet
dat één van ons spoedig stervende zal zijn.
(Uit : De Nabijheid van Spiegels, 1981)
Duidelijk geen writer’s block dus, maar een bewuste keuze gedragen door een
onwrikbaar besluit om niet langer op te boksen tegen de sfeer van afgunst en
nijd die als een web van wansmakelijkheid om hen heen gespannen bleef. Het
onbegrip dat hem vaak te beurt viel (hij moest van zijn pen leven) en het gebrek
aan respect dat de toenmalige literaire wereld hem blijkbaar ontzegde gepaarde
gaande met het pas ontgonnen inzicht van de zinloosheid van de schrijfact zelf
hebben hem blijkbaar de literaire das omgedaan. In sommige gedichten vinden
we daar zelfs expliciete sporen van terug:
de huiver slaat zijn tenten over ons
heen, vlammen hun boosaardige tongen.
de tijd stond niet stil, staat niet stil
bij de doden. Wie leeft draagt het zwaarste
zwart, weet voortaan dat slangen van vel
veranderen gaan in het vuur.
de aarde graaft haar graf voor een ander.
ik steek onhandig een sigaret op, schrijf
onmondig dit gedicht, en overleef, beetje
bij beetje, portie na portie, afstervend.
(Uit: De Nabijheid van Spiegels, 1981, p. 15)
Maar ondanks dit bijtend negativisme was hij op zijn best in zijn tedere, broze
gedichten waar hij met eigen stem het raadsel van de dood ontgint en legeert met
het koper van de eeuwigheid. In al zijn bundels vinden we steeds enkele
afscheidsliederen terug die parels zijn aan de kroon van zijn groot talent. En al
spreekt in al deze verzen steeds zijn afkeer van de dood en zijn vlammende
hunker naar de eeuwigheid en reïncarnatie, hij is er op zijn paasbest bij als het
erop aankomt de dood en het afscheid te verzilveren met de glans van zijn intens
opgeblonken verdriet. Het weze nu bij het afscheid van een collega-auteur,
Arthur Rimbaud bij voorbeeld:
De dood van de zoon
dagelijks baart de ruimte het lichaam
uit het vuur van hun voorhoofd, draagt
de moeder in de schede de schedel
boven het razend rood van de zon geheven
en uit haar bekken gelicht volbracht
hun lichaam de dracht der graven
en na eeuwen, de afdaling in het graf,
de dag, het rijzen van de zeven zonnen
in de catacomben, het schenden van de
sarcofaag, het verwijderen van het kruis,
het gevecht met de dode.
(Uit: Geschraagd Geraamte, 1973, p.32)
Of bij de dood van de jongen Bart:
dit is de dag die geen einde
meer neemt, even nog, dan vergaan
horen en zien, lig je in je
lichaam onbereikbaar voor handen.
en gebaart niet meer, berust
geheel in de aarde al.
…
(Uit: Alchemie van de Roos, 1976, p.39)
Of nog het prachtige duet dat hij schreef ter nagedachtenis aan zijn nichtje
Carina, waarvan we het tweede (en mooiste) gedicht reproduceren:
LAATSTE RUSTPLAATS VOOR CARINA
2
ik zou je willen vragen of je zacht ligt
in de aarde, en antwoorden. ik lig als een
jonge vrouw in een bed van rozen. handen
die te kort kwamen legden ze daar. want
wie mij kust ontwaakt uit mijn dood.
ik zou je alles willen vragen, en meer nog
antwoorden. tot ik je weer hoor spreken.
want afstand van je doen, betekent, je op een
haarlok na naderen. iets als adem aan een
ruit waarin je naam geschreven staat. iets,
zo weinig, dat men het verloren legt in een lade.
ik vraag en ik antwoord, neem dit, het is
slechts mijn lichaam. alles wat ik op aarde
bezat, en wat mij zichtbaar maakte, in
de leegte, de leemte die ik in je nalaat,
en waarin wij even, tijdeloos verblijven.
want iets wellicht is nooit geheel verloren,
daarom, deze laatste rustplaats voor jou, carina,
als een drieluik in zichzelf gekeerd, als
een trap aan het uiteinde van de nacht,
als een trap aan het uiteinde van de
lange nacht.
(Uit: De Nabijheid van Spiegels, 1981, p.12)
En dat alles is dan nog klein bier vergeleken met de sublieme 12-delige ode die
hij schreef bij het afsterven van zijn vader:
HET WERKWOORD VADER
1.
Vader, ik draag u de steen, die men zal
oprichten. zelfs dan in water lichter,
of zelfs dat niet meer. want het is
de steen van het wachten, die drijft
en wijst naar de doorwaadbare plaats.
waar vogels opvliegen vanonder een
hemel, en onder aan de schaduwen het
licht lekt naar deze wereld. langs koude
tegels, want het is de steen waaraan
wij wachten, waaraan wij praten, of ik zeg
geborene of dode, hier staat niets dan
bestaan, dan steen. of zijn het de deuren.
(Uit: De Nabijheid van Spiegels, 1981, p. 37)
Ook in zijn laatste bundel “De Kooi van Faraday” – waarvoor hij de
prestigieuze Guido Gezelleprijs ontving – staan afscheidsgedichten centraal.
Maar zoals steeds bij een groot dichter zijn dit geenszins belijdenisgedichten
maar toont hij zijn groot talent door het fenomeen van de dood filosofisch te
benaderen en te projecteren op het scherm van het leven dat in zijn visie steeds
weer een spiegel is van diezelfde dood. (“De pijn van de geboorte die dezelfde is
als die van de dood”). Deze bundel - waarmee hij cynisch genoeg ook afscheid
neemt van zijn dichterschap en zichzelf als artiest op dat ogenblik nog onbewust
ten grave draagt - is de meest toegankelijke van de reeks maar bulkt van de
metaforiek, alliteraties en enjambementen die als een stormram op de lezer
inbeuken. Het meest markante van de poëzie van deze grootmeester is dat de
beelden als wormvirussen aan elkaar geketend blijven en bij het lezen elkaar
oproepen en weer in de hoek drummen en dit in een niet aflatend continu proces
dat de lezer nooit loslaat. Het lezen van zulke gedichten is op zichzelf al een
afdalen in de kooi (van Faraday) waaruit niet meer te ontsnappen valt. Men
wordt als men het wil of niet meegesleept door een ketting van beelden en
woordassociaties waarbij men als een sneltrein over het gedicht heen reist,
zonder oog te kunnen hebben voor de individuele verzen. Merkwaardig hierbij
is ook het hoogst persoonlijk gebruik van leestekens. Hij plaatst wel punten,
maar nergens hoofdletters om aan te duiden dat de verzen nergens af zijn maar
worden opgenomen in een oneindige reeks van voorstellingen die wel toelaten van
even naar adem te snakken op regelmatige tijdstippen maar een algehele lezing
vereisen in de vorm van een race naar het einddoel.
“Ik ben een tweeling in mijn eigen lichaam” is het motto dat hij in deze bundel
nastreeft. Want hij “is niets maar alles is in hem” en vreemde chemiën van
woorden hebben zijn bloed vermengd met de aarde en zijn lichaam zodat hij
“jong gestorven is en oud heeft geleefd”. Deze laatste zin is de een van de
mooiste uit de ganse bundel. De contradictie die erin vervat zit bepaalt de hele
sfeer van de bundel. Jong gestorven is hij ingevolge het voortdurend ritueel van
de daad van schepping waarvan zijn dichterschap de emanatie is, maar deze
laatste laat hem geenszins toe “de kooi van de aardse oorsprong” te ontvluchten
en aan de aardse beslommeringen van het leven en de beperktheid van het
bestaan te ontsnappen. Zijn bloed blijft vermengd met de aarde en zet hem
terug met beide benen op de grond van de alledaagse realiteit. De weg naar de
eeuwigheid, die hij in het woord en de droom heeft gezocht, brengt hem echter
terug op het spoor van de vergankelijkheid, want hij is “niets, maar alles is in
hem”, zowel het leven als de dood. En daar is geen ontkomen aan. Zeer mooi
verwoordt hij de “status van kunstenaar” die met het hoofd in de wolken van de
eeuwigheid met beide voeten wortelt in het aardse, het lichaam, de dood:
toch heb ik geen vrouw, die mijn kinderen
draagt: meer heb ik niet, dan dit weinige.
het woord te hebben genomen,en weer gegeven,
dit lichaam te hebben willen verlaten,
te hebben verdragen. overgedragen. aan de
herfst en de seizoenen daarna, als brood
het woord te hebben gebroken. opengebroken.
voor het onderhoud van het leven. voor de
poëzie, van de poëzie te leven. van jaar tot
jaar, in de gedaante van gedane dingen, in het
geschrevene, terug te keren, als een dode
naar de plaats van zijn vergane lichaam.
(Uit: De Kooi van Faraday, 1986)
En zelfs dat weinige dat hij maar bezit, heeft hij zichzelf daarna ontzegd. Wij
hebben er het raden naar wat de juiste motivering hiervan is geweest maar
vinden het op de dag van vandaag nog steeds betreurenswaardig dat zulk “een
reus in de Vlaamse Poëzie” het werk niet heeft afgemaakt en te vroeg is
teruggekeerd “naar de plaats van zijn vergane lichaam”.
In dit artikel hebben we gepoogd bijna twintig jaar na zijn zwijgen zijn stem
even te laten doorklinken op de pagina’s van het wereldwijde net, omdat we van
oordeel zijn dat een kwaliteitsvolle dichter van zijn kaliber niet in de
“vergeetput” van de tijd mag belanden maar onder de aandacht van de moderne
poëzieliefhebber moet worden gebracht. Hij heeft zichzelf dan wel het zwijgen
opgelegd, maar dat lot mag zijn dichtwerk niet te beurt vallen. In zijn visie is
hij over dat laatste wel hoopvol gestemd getuige waarvan het volgende gedicht
waarin hij de essentie van het schrijven en het lot van de poëzie met een nooit
geziene zuiverheid en filosofische kracht uit de doeken doet.
HET GEDICHT ZWIJGT
Het gedicht zwijgt tot iemand het leest.
dan gaan in zijn ogen de woorden open
en spreken, krijgt in haar klank elke letter
haar lichaam weer in de mond genomen
en beiden, die elkaar tot leven praten,
in elkaar zichzelf zoeken, van symbool
tot symptoom, de pijn te voelen. verklaard
te zijn en te betekenen, lang voordien
lang voor alle schrijven. alle zwijgen.
legende van mijn hand zoals ze mij heeft
geschreven, dat wij ooit zijn geboren,
niet uit deze taal, maar uit vreemde moeders
onmondig uit hun starre zwijgen te voorschijn
te komen. niet te willen sterven en toch
dood te gaan. geen woord, geen mens legt
op deze angst dit zwijgen, dat alleen
in de diepste bladspiegel even, in het
gelaat van de lezer, het gedicht dood is
tot het weer wordt gelezen.
(Uit: De Kooi van Faraday, 1986, p. 41)
En hoe hoopvol tenslotte is zijn boodschap over het "eeuwigheidsgehalte" van de
poëzie en de suprematie van het geschreven woord. Een mooier epitaaf voor de
dichter Van den Brande die "jong is gestorven, maar oud heeft geleefd" konden
we ons niet voorstellen:
ALS ER NIETS MEER IS
Als er niets meer is is er toch
nog de hand die schrijft dat er
niets meer is is er toch nog
het woord dat zegt der er niets
meer is is er toch nog de leegte
van het papier die schreeuwt
dat er niets meer is is er toch
nog de dood om er niet meer te
zijn is er toch nog altijd dat
ene woord, dat over alles heen
in het niets geschreven staat.
(Uit: De kooi van Faraday, 1986,p. 64)
Bio- en Bibliografische schets
Geboren op 02-11-1947 te Mechelen, studeerde hij industriële elektronica. Hij is een
autodidact die probeerde te leven van zijn pen. Was van 1967 tot 1973 hoofdredacteur
van het literair tijdschrift Morgen. Hij publiceerde gedichten in de voornaamste
Nederlandstalige tijdschriften alsook o.a. in Wallonië, Frankrijk, West-Duitsland, Engeland
en Polen. Zijn werk werd opgenomen in ruim vijftig bloemlezingen. Hij publiceerde de
bundels: “Hoog-tij” (1967), “Met nauwelijks nog adem” (1968), “Het Woord een Ruïne”
(1968), “Blue voor de Guerilla” (1969), “Boodschap van Bloed” (1969 met Rob Goswin),
“In staat van ontbinding” (1970), “Moulin Rouge” (1971), “Moulin-Rouge” (Franse vert.
H. Fagnes), “Geschraagd Geraamte” (1973), “Alchemie van de Roos” (1976), “De
nabijheid van Spiegels” (1980), “De kooi van Farraday” (1986). Ontving naast vele 2de
prijzen, vermeldingen en Eervolle Vermeldingen de volgende prijzen: Provinciale
Poëzieprijs Herentals (1972), Poëzieprijs van Knokke-Heist (1975), Poëzieprijs van de stad
Halle (1976), Herdenkingsprijs Basiel de Craene (1980), Prijs van de Vlaamse Poëziedagen
(1980), Jules Van Campenhoutprijs voor Poëzie (1981), Poëzieprijs van de stad Sint-
Truiden (1981), Prijs van de Vlaamse Club Brussel (1981), Gouden-Litera Onderscheiding
(1983), Koreander Poëzieprijs (1984), Prijs van de stad Antwerpen (1984), Driejaarlijkse
Hugues C. Pernathprijs voor Poëzie (1986), Poëzieprijs stad Izegem (1986), Guido
Gezelleprijs (1985).





© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs. 't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 0032477794783. Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
|