| DE KOUDE BLIKSEM Avond na avond voelden wij zijn vanwezigheid tussen ons, wisten dat hij er was, de vleugel, en zochten discreet en onopvallend naar hem in de esdoorn, de schuur de avondlucht, zelfs onder de grote sofa in de eetkamer, achter het familieportret, tussen de kleren in de kleerkast, achter de gordijnen. We zochten, wisten dat hij er was, maar vonden hem niet en dat maakte ons onrustig. Daarom werd ‘s avonds altijd de radio aangezet, hielden we een stel katten en honden en lieten ‘s nachts de lantaarn aan de ingang branden. Heel toevallig en zeker een jaar later, op een maandagnamiddag, toen ik geroepen werd bij een patiënt, voelde ik weer zijn bekende koude zucht in mijn rug. Ik stopte bruusk op de hoek van de straat, draaide mij vliegensvlug om en zag dat onze vermeende engel gewoon de muur was van ons huis, de hoge gevel met het venster in het midden : hier deze muur met het vierkante raam, dat was hem, die ons altijd aanstaarde met een koude bliksem in zijn ogen. |
| copyright 2003 Het Prieeltje Online |