HOE SCHRIJFT MEN POEZIE ? Lexicon voor een
"eeuwig" beginnend dichter (2)
door Henri Thijs











DE CREATIE VAN EEN SEIZOENSMOZAÏEK VAN DE  
STILTE

"Wij kwamen uit verschillende straten,
uit ongelijke talen,
naar de Stilte."
(Pablo Neruda)

Wie het strikt private domein – eigenlijk een koele, romantische tempel – van
de poëzie wil betreden, mag niet vooringenomen, noch minder ongeduldig
ingesteld zijn, want er wacht hem een voorportaal van loutering en inkeer
alvorens te worden toegelaten tot de eigenlijke boeiende leefwereld van de
stilte.  Het beleven van de groeimomenten hiervan, evenals het ondergaan van
haar geluidloze, zalvende seizoenen, leiden dan wel tot een zulkdanige
apotheose van bezinning en mijmering dat de afgelegde weg zeker de moeite
loont van een gedegen verkenning.  
Voor een dichter is het woonerf van de stilte zó privatief, zó piëteitsvol een
kerk of kathedraal dat ze slechts met de nodige omzichtigheid en dan nog
sporadisch bij momenten (of seizoenen) kan worden betreden.  Deze
omzichtigheid is nodig om de delicatesse, die de poëzie omringt, op haar smaak
te beoordelen en te proeven als een dure bonbon in de mond van een diep
doorleefd genot.  In zulk een gevoelig territorium met de deur in huis vallen
zou dan ook een onvergeeflijke onbetaamdheid van formaat zijn waarvoor de
lezer al van bij de aanvang wordt gewaarschuwd door het gedicht dat als een
gedragscode de huishoudelijke, inwendige leefregels vastlegt via het apocrief
“pas op” en “betreden op eigen risico”.  Nog explicieter wordt de lezer met
zijn neus op de intimiteit van de poëzie gedrukt wanneer de waarschuwing een
welbepaalde, concrete vingerwijzing wordt door een uitdrukking als : “Neem
dus dit gedicht en nu je het leest ben jij de enige voor wie ik er ben geweest”
(Jos Van Roie).  Met een aanmaning als deze voor ogen kan dan het voorportiek
met zijn drie trappen worden ingenomen.  Het wordt al meteen duidelijk dat de
waarschuwing van bij de aanvang au sérieux moet worden genomen.  De stilte is
voor de dichter het oord van zelfbegrip waarin hij het gevoel heeft meer dan
ooit te leven, maar ze is zo subtiel en van een dergelijke makelij dat haar
ervaring aan strikte sensuele voorwaarden ligt verbonden.

“De stilte is een binnenmeer,
het overwinnen van een weerstand,
een verbruik van eeuwigheid.
(Willem M.Roggeman)

Zo moet ze vooreeerst tridimensioneel en een kosmisch trillen van de schepping
zijn, vervolgens een nakend aanrukken van de geboorte inluiden en verrukking
losprikken uit het vacuüm van het denkend zijn.  Tenslotte een vlinderlichte,
voorwaardelijke abscis van de schepping worden alvorens “de dichter dichter”
komt.  Pas wanneer aan al die voorwaarden minutieus wordt voldaan, kan men
tot haar komen, maar ook dan niet zonder meer.  Het eigene van haar wezen is
een gesloten wonder dat zich niet zo maar weggeeft als een verliefde, sensuele
vrouw.  Ze moet als een psychologische burcht in het graafschap van haar
mysterie worden “ingenomen” maar dan zonder overrompeling, geweld, noch
gerucht.  Men kan slechts als “stilte” tot de stilte komen en zo alleen het leven
vinden dat men niet verdient (een duidelijk kosmogologisch perspectief).  Dat
deze loutering ook onthechting is, Oosterse motieven heeft en zelfs Helleens-
klassieke principes huldigt is zonder meer duidelijk.
Na deze intredetherapie kan het eigenlijk domein van de stilte worden
prijsgegeven en kan de verrukking die zij biedt met mondjesmaat worden
geproefd en haar gevoelsgebied doorwandeld.  Maar ook hier is omzichtigheid
en beteugeling geboden.  Het gebied dat men betreedt – de wereld van de
dichter -  is een eigengereid geheim dat zich nooit voltooid weet op zijn
voortdurend reizen naar het licht en dat slechts voorbij het licht getreden –
zonder vorm en zonder gewicht – kan eeuwig blijven leven als een jong geluk.  
Want immer is het “groen en groots vol gratie, weelde en levende creatie “ (Jos
Van Roie).  M.a.w. het is een voortdurend zichzelf worden zodat het nooit kan
worden vastgepind – zij het slechts een moment of hoogstens gedurende een
seizoen – op een stabiel en statisch stramien.  Daarom kan men het ook niet
ervaren als een tastbaar werkstuk bestaande uit een geheel met een begin en
einde, een omtrek van grenzen.  Het is zo dynamisch, zo ongrijpbaar een
omwenteling, een osmose groeiend uit de andere, dat men er slechts “momenten”
en “seizoenen” van kan waarnemen.  
Om de eerste dik in de verf te zetten en voor iedereen duidelijk zichtbaar te
schilderen maakt de dichter gebruik van concrete, maatschappij-betrokken
allusies op de dagelijkse realiteit.  Zo kan hij best aantonen hoe zijn realiteit
een “onbeschreven blad” is en een groots en ongekend vermoeden en de dichter
alsmede (daaronder verstaan) de creatieve lezer een pas ontwaakte doler in
een ongeschonden niemandsland.  
Om vervolgens de “seizoensperiode” weer te geven kan hij zich best laten
inspireren door de omringende natuur die in haar verschillende levensfasen op
zichzelf al een voldoende mysterieus en veranderlijk teken van de tijd
schetst.  En dat doet een "ernstig" dichter dan ook zeer bewust.
Zo is de winter, waarmee dit seizoensepos start, voor hem/haar de meest
attractieve en betekenisvolle schakel in de voltrekking van het
scheppingsfenomeen.  Winter beklemtoont als het ware het imago van de nacht
en omgekeerd.  En nacht staat symbool voor koker van vragen, geworpen over
de schouder van elke bewuste mens.  Nacht is mysterie, ongerept geheim, is
sluier van de stilte en de stilte het bed van slapende vogels op de weg
waarnaar de dichter zich begeeft.

“De droom van iedere nacht is tot de dag te gaan
met in de hand het onontbeerlijk wapen”
(Albert Bontridder)

“De nacht is de enige werkelijkheid
eeuwen en eeuwen oud…
(R.M.Rilke)

In de lente daarentegen ziet de dichter de levensvragen in hun geheel zingen
als koolmeesjes en vogels op de takken van zijn bezinning.  Lente is klaarte en
een dolksteek in de mist.  Met de lente zet de dichter een vraagteken achter
de levensvraag die in feite geen echt vraagteken behoeft, maar een retorische
vraag is die het antwoord vindt in zichzelf:

“De zin van het leven
zingt het koolmeesje
is het leven zelf”
(Jos Van Roie)

In de lentesfeer wordt trouwens de permanente groeilijn van de stilte en de
scheppingsdrang van het leven duidelijk en scherp getrokken.  In de lentelucht
laat de vlucht en het vluchtige van de levensstroom duidelijk sporen.  De
creatieve act wordt zichtbaar nu en onder de schijnwerpers van het licht ook
duidelijk oplosbaar tot een ondefinieerbare wolkenmassa die haar intertie
steeds wijzigt.

“Wie zegt dat ons leven geen tunnel is
tussen vage dimensies licht?
Of dat het geen plek is
tussen twee driehoeken donker?
(Pablo Neruda)

De zomer vervolgens werpt het kruispunt tussen leven en licht en laat geen
plaats meer voor de dromer, laat slechts die lange weg naar het gedicht.  In de
hitte van de zomer smelten alle valse hiaten die verhinderende kloven wierpen
op de weg naar de stilte en…dus het gedicht.  Daarom laat de zomer ook ruimte
voor de lach en spant hij in het woord van de dichter de boog van een
onbegrensde levenslust.  Zomer is het transitstation waar de dichter nog eens
uitgelaten zijn reiskoffers vult met zonnige dromen, want aan de horizon wacht
weer een nieuwe nacht en treedt de beleving van de ongetemde bezinning weer
aan:  

“Als de gierzwaluw die in de lucht slaapt moeten we ons thuisloze verstand een
onderdak geven in een droom”
(Inger Christensen)

Zo belandt men ongemerkt in de voorfase van ’ t eindpunt dat het vertreksein
van deze seizoensmozaïek was: de herfst.  Het seizoen dat alles te slapen legt
en toedekt met de warmte mantel van de stilte is de rechtstreekse aanloop
naar de winter waarna het verhaal weer rond is.  De aankomst treedt in zicht
en werpt haar maskerade af.  Ze toont langzaam maar zeker een nieuwe agenda
van de stilte die in feite terug openvalt bij de beginbladzijde.  En daar valt
niet aan te tornen; dat proces is nu eenmaal niet te stuiten, al kan men heel
even verdrietig zijn in een andere tijd.
Eens de momenten en seizoenen beleefd en doorkruist, zwaait de poort als
vanzelf open naar de ultieme bezinning over het lot van de dichter en het
scheppend individu.  Hier krijgt de stilte de functie van finale waarzegster en
ziener in de stortvloed van vragen die het lot van de denker belagen.  Het
wordt daarom tijd conclusies te trekken uit dat overwinteringsproces dat in de
stilte domineert.  De dichter weet nu, na al die welzijnsfacetten van de
bewustwording te hebben doorlopen, dat rusten een infernale gedraging is die
in feite niet bestaat.  Poëzie en ook het sacrale leefpatroon kent geen
statische motieven.  Het is “immer onvoltooid en even tijdloos als het water,
even een-zijn met zovelen, even nu en even later” (Jos Van Roie).
Hoe het ook zij de stilte van de dichter is een broeinest van activiteit, energie
en uiterste streefbaarheid dat nooit ophoudt te worden hoe vaak ook vergane
glorie wordt afgestoten en vervallen wonderdingen zich opstapelen in de
verste diepten.  Met dichter Leendert Witvliet kunnen we het volgende credo
volledig onderschrijven:

“Stilte vergaat in rijden
in tijd
in na elkander rijden.”

Of nog zoals confrater Frank Pollet het even raak formuleert:

“ In de ruime sterfput stilte
wordt de tijd een klare zeef
waardoor het water van je woorden
valt als stenen in de vijver van je hart.”

En tenslotte als synthese van deze “seizoensmozaïek” een gedicht van Jos Van
Roie dat de rechtstreekse aanleiding was tot het schrijven van deze column:

Verder dan de wind nog
strekt zich stilte uit
en rust en ook een tikje
heimwee naar illusies

een weinig later dooft
mijn schaduw uit
mezelf staat heel en al
alleen

mijn lied zingt slechts
in mijn dromen, zo
wezenloos

dat de werkelijkheid net niet
wordt ontluisterd en straks
toch de zon weer op kan, zij het
in een bleke lucht – oud en versleten

maar ik zal nooit vergeten
hoe ze neerzeeg en stilte bleef
loom en zwaar van
lentebloesem

(Uit: “Een licht gestoorde Stilte” , Het Prieeltje Diest 1984)


(geplaatst op 21-04-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.