RETROSPECTIEF: Is Poëzie schizofrenie?  
                                      door Henri Thijs

In juni 1980 schreef Henri Thijs in het toenmalig poëzietijdschrift ‘t Prieeltje een voor die
tijd opmerkelijk artikel over de problematiek van de “hermetische poëzie versus de
verstaanbare”.  In het licht van de huidige discussie en polemieken die - vooral in
Nederland en in mindere mate nog steeds in Vlaanderen - aan de orde zijn omtrent dat
onderwerp, is deze “retrospectief” anno 2001 actueler dat ooit.  De versie die hier volgt is
een lichte herwerking.

De dichter is in sé een gevangene van het lot gekluisterd aan de ijzers van de
dromen: hij is een geïnterneerde van zijn eigen bestaan.  Immers voor het leven
in zichzelf geborgen, communiceert hij enkel met de buitenwereld door de
tralies van de taal.  Gelaten voedt hij zijn lot met de schrale hoop door
klankenexcerpten allerhande een lied op te bouwen dat op de lippen klimt van
het volk als de boodschap van een tere ziel in elke mens gezongen.  Zo schept hij
met de adem van de tijd, geperst uit de longen van de hem omringende
werkelijkheid, klinkende recitatieven die als rijpe kersen bloeien in de
boomgaard van de nacht.
Niets kan hem ontzeggen te werken met de lucht uit zijn ijle bestaan aan wolken
die het land verwennen en de hemel van het alledaagse kleuren met hun bestaan.  
Purend naar de zin van de getijden en de stromen bruisend in het bloed van het
volk, kleeft hij gedachten en ideeën aan het zaad der bomen gekiemd op het veld
van onverschilligheid en wrok.
Zijn poëzie kleurt de binnenzijde van het leven met de borstels van de fantasie
en de verf van een intens genoten vreugde.  Onbevangen maakt hij aldus
gekleurde collages op witte muren, wandpanelen met handen van de maan,
schilderijen die op het land smelten in akkers, velden en huizen voor de mensen,
in harten voor de liefde, kortom: in alles voor een trouw en vredevol bestaan.
Maar wie keurt de binnenzijde van het leven als hij de buitenzijde niet eens
verstaat?
De dichter timmert aan een wereld die eigenlijk aan de oppervlakte niet eens
bestaat.  Hij is de bevolker van zeeën en waterlopen waarin de mens - op zoek
naar ondergedompelde waarden - slechts zijn eigen beeld en aanschijn ziet.  Hij
is de bewoner van de ijle sfeer der waarheid die achter een dampkring schuilt
van blauw vernis en wolken schuim.  Hij is de bron van het licht der maan, van de
illusies die knipogen in de sterren, van de melkwegen die de schimmen
verwekken van een fictief bestaan.  Hij is de brandstichter van de hemel, de
“ascetische pyromaan” die op de aarde roostert zijn dromen en het vuur aan de
conventies slaat.
Kortom: hij is de gestalte die als een trouwe schaduw de wetenschap belichaamt
van elke mens op zoek naar de waarden van het zijn.Hij is het vlees en bloed van
al de dromen, het vruchtvlees van de rijpe geest. Hij belichaamt de ziekte van
zijn psyche en is bewust de SCHIZOFREEN die in zijn binnenste moet
verdwalen om zijn papieren lot in de maatschappij begaan.
Men kan zo doorgaan met, aan de hand van een waslijst van eigenschappen, een
karikaturale tekening te maken van de dichter.  Feit is dat elke poëzie de
dubbelganger is van de handel en wandel van elke burger in zijn dagelijkse
bestaan, de ware spiegel van het wezen, de vierkantswortel getrokken uit de
schijn van het dagelijks bestaan.
Indien dit alles een waarheid is als een koe, dan zou men kunnen aannemen dat
elke poëzie ipso facto moet gedijen in het hart van het volk als een uniek
klankbord voor al zijn schizofrene frustraties.  Het raakpunt van de poëzie en
zijn lezers zou dus op een rechte lijn moeten liggen en niet dienen uit te wijken
voor vooroordelen, weigerachtige houdingen, laat staan voor pure
onverschilligheid.  Toch weten velen van onze dichters wel beter.  Hun werk
vond en vindt niet de normale toegangsweg naar het publiek al draagt het ook
het schoeisel van de beste bedoelingen.
Een contradictio in terminis?  Inderdaad.  Vermits poëzie het werkelijk eigen
ego vertegenwoordigt van elke mens, zou eenieder de poëzie moeten aanvaarden
als de sacrale offerande van “zichzelf aan zichzelf”.  Waar ligt hier het
zwaartepunt van deze op het eerste gezicht onvoorstelbare vaststelling?  Bij de
dichter of bij het lezerspubliek?  Is de dichter dan nog meer schizofreen dan
de innerlijke opstand van de burger in het dagelijkse leven tegen zijn
“ingemetseld-zijn” in de maatschappij laat vermoeden?
De mening overheerst dat de oorsprong van deze communicatiestoornis wortels
heeft bij de moderne dichter zelf.  Als de dichter de burger een spiegelbeeld
voorschotelt bewasemd met een geheime codetaal waarbij hij zijn eigen
werkelijkheidsbeeld niet meer herkent, loopt er alvast iets mis met de poëzie.  
Als de gewone man uit het volk op zoek naar de poëtische evocaties, die een
pleister zouden moeten leggen op de wonden van de eigen frustraties, in de zon
van de moderne muze zijn eigen, trouwe schaduw niet meer herkent, raakt hij
ontmoedigd. Later wellicht ook vijandig gestemd tegen alles wat de rake
ontboezeming zou moeten zijn van de eigen oriëntatie in de moderne
maatschappij.
De poëtische sleutel past niet meer op de deur van het “eigen ego” opgesloten
achter de coulissen van zijn innerlijk vermomde psyche en theatraal optreden.
Ingevolge de etiketten van allerlei -ismen en andere zgn. kwaliteitslabels
geplakt op de verzen van de hedendaagse dichter, verliest de lezer door de
ingewikkelde verpakking de zin van de inhoud.
Mede aangespoord door de steeds pijnlijker injecties toegediend aan de vrije
geest van de dichter door de zgn. literaire en academische critici, die door hun
uitzonderlijke begaafdheid menen het werk van een dichter te kunnen be- en
veroordelen, is deze laatste de dag van vandaag steeds moeilijker en moeilijker
gaan schrijven.  Eenvoud is a.h.w. een taboe, een misplaatste stijlfiguur, een
angstduivel.  De dichter wordt op het spoor gezet van de hermetische,
introverte poëzie door de literaire opiniepeilers.
Op gevaar af te worden versleten voor oudmodisch, traditioneel, weinig
vindingrijk, verkiest hij te experimenteren met metaforen, associaties,
juxtaposities, pleonasmen en andere filologische middeltjes om een taal op te
bouwen die een zeer complex vaandel kleurt maar geen lading meer dekt.
Voor vele poëten die modern wensen aangediend te worden is de inhoud van de
eigen verzen voor henzelf niet meer duidelijk.    
Wie war- of geheimtaal schrijft of spreekt is daar natuurlijk volledig vrij in,
maar kan niet vanuit dezelfde dichterlijke vrijheid hopen dat de lezer geneigd
zal blijven zijn literaire codes te blijven ontcijferen, hetzij op eigen houtje,
hetzij door een perceptief beroep te doen op de kritieken regelmatig gedrukt in
de literaire tijdschriften.
Het klassieke gezegde: “kunst is voor het volk”, mag niet andersom voorgesteld
worden als zijnde: “het volk is er voor de kunst”, of men komt vroeg of laat
bedrogen uit.  Tenzij de dichter zich wil opsluiten in een getto van een
beroepsgericht en meer gespecialiseerd dichterspubliek, dient hij het wapen van
zijn taal, waarmee hij trainen kan en moet, zo af te richten dat hij zijn eventueel
eigen publiek niet onmiddellijk vermoordt en neerknalt bij de eerste aanwending
ervan.
Automatisch zal zulke tactische uitroeiing op de lange duur leiden tot een
doelbewuste “zelfmoordpoging” in die zin dat hij zijn literaire producten gewoon
niet meer kan brengen bij de man in de straat.
Waarschijnlijk zijn zulke zelfmoordpogingen heden ten dage schering en inslag,
vermits er zich bij de doorsnee lezer uit het publiek een huiveringwekkende
afkeer manifesteert voor alles wat te maken heeft met poëzie, vooral dan voor
de nieuwste creaties in dit genre.  Poëzie is voor de actuele lezer geen gezel
meer waarmee hij verkiest een duurzame vriendschap aan te gaan.  “Poëzie voor
de dichters” is een steeds vaker gehoord argument waarmee men verkiest
resoluut elk nieuw dichtersinitiatief van de hand te wijzen.
Niet altijd is de dichter als maatschappelijk individu schuld aan die fel
gevorderde antimentaliteit bij het lezerspubliek.  Zeker is dat velen zich laten
meeslepen met de stroom van de moderne poëtische extravagante modegrillen
met de uitsluitende bedoeling zich veilig te stellen in de toekomst.  Toch
bereiken velen niet hun doel, want het mes van de kritiek snijdt ongenadig hard
en wreed, daarbij maar al te vaak het hart van de dichter zelf verwondend.  
Ongeneeslijk dikwijls voor het leven.  Want één rake kritische messteek is soms
voldoende om het gewas van een jong ontluikend poëtisch talent met de wortels
uit de grond te rukken en voorgoed te laten vergaan op de vuilnisbelt van de
toekomst.
Terugkerend naar ons uitgangspunt kunnen we dus stellen dat elke poëzie gewis
schizofreen is, zoniet zou er van een kunstuiting überhaupt geen sprake zijn.  
Deze schizofrenie loopt echter ondergronds, d.i. in de onderste bedekte lagen
van de maatschappij, onder het gras, parallel met een dito fenomeen dat het
exponent is van de huidige gedragslijn van de burger in de samenleving.  Extern
harmonieert de burger noodgedwongen met het uiterlijke beeld van de
maatschappij: hij probeert een coherent, samenstellend celbestanddeel van het
maatschappelijk lichaam te vormen.  Intraveneus echter en intern bemest hij de
plant van zijn eigen bewustzijn en de “zelfgewaarwording” met de ideeën die als
boterbloemen in de lente de frisse weiden van de poëzie versieren en de nodige
levende “flair” geven eigen aan de werkelijke “ars nova”, het zielenvernis
aanwezig in elke mens.
Het luchtgat tussen beide is de zuivere poëzie die als een zachte, strelende
lentebries waait uit een windstreek van de ziel, het wezen van elke mens, de
oerbron van de dichter.
Uiterste eenvoud in woord en beeld is haar onvolprezen boodschap.  
Universaliteit van inhoud de bodem van haar mededeelzaamheid.  Bewogen en
ontroerd de hartenklop van haar bestaan.
Zij is de onmisbare “tederste van alle tederheden” die dichter Walter Haesaert
zo treffend uitbeeldt in zijn verzencyclus “Een warme holte”:


“Zij was de tederste van alle tederheden
zij was de letters van mijn woord, mijn ligplank,
mijn koel water.  Zij was het glanzend hout
waarin de ringen van de jaren die wij samen waren.

Als gij haar ooit ontmoet, spreek haar dan aan,
maar haal voordien de naalden uit Uw stem.
Pijnig haar niet.  Geloof in haar, maar plet
voordien de tuinslak twijfel in uw hand.

Want zij was goed, zij was geschenk van zomers,
Zeg haar dat ik haar zoek, dat ik aan elke hoek
weer navraag doe, als was zij laatste
woord van een zeer graag gelezen boek.”

(Walter Haesaert)

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.