De terugkeer van Arthur Rimbaud
door ERIC ROSSEEL

C’est un diable

Ik heb veel idolen, een gans pantheon. En mijn idolenhuis is een duiventil: er zijn
er als ik op mijn leven terugzie maar weinigen die mijn huis die ganse tijd door
hebben bewoond. Tot de vaste waarden behoren Diogenes (al hou ik in het geheel
niet van honden), Geronimo, Patrice Lumumba, Karl Marx, Wilhelm Reich, Salomé
(en ook Lou Andréas-Salomé), Erik Satie, Fernando Pessoa, Mick Jagger,
Marilyn Monroe, Cesare Pavese en misschien nog wel een paar exemplaren. Maar
in de voordeur stond toch steeds Arthur Rimbaud en hij staat er nog. Had ik zijn
talent gehad, ik had zijn poëzie geëvenaard, daar ben ik zeker van. En had ik
niet deels zo’n angstig en laf karakter gehad, ik had ook zijn leven geleid: ik was
ook “ontdekkingsreiziger” geworden. Nu heb ik het moeten houden bij wat
kattenkwaad die in niets vergeleken kan worden met Arthur’s provocaties en
mijn reizen zijn grotendeels reizen in mijn eigen geest geweest (maar ik ben wel
op Zanzibar geweest, één van Arthurs laatste niet uitgevoerde plannen of “à
faire”-es zoals hij ze noemde). Dat ik een mislukking ben, wordt bewezen door
het feit dat ik op mijn 57ste nog de illusie koester met schrijven iets te kunnen
bereiken. Rimbaud zei reeds op zijn 20ste de poëzie vaarwel en hij heeft er tot
aan zijn dood (1891, 37 jaar “oud”) geen belangstelling meer voor opgebracht,
ook niet voor zijn eigen werk. Schande over mij!
















Niemand heeft zo’n grote invloed gehad op de poëzie na zichzelf dan Arthur
Rimbaud. De 20ste eeuwse poëzie is zonder Rimbaud niet denkbaar. Maar de
mythe Rimbaud doolde reeds in Parijs rond vanaf zijn eerste intrede bij de
dichters aldaar (in het bijzonder Paul Verlaine uiteraard).
Niet alleen met zijn poëzie sloeg de toen 17-jarige snotter iedereen perplex.
Vooral zijn compromisloze, rebelse, provocatieve en bijzonder ongemanierde
levenswijze liet onuitwisbare sporen na, sporen die terwijl hij al lang in Afrika
zat, in de periode 1885-1890 tot zijn publiekelijke literaire doorbraak leidden
(Rimbaud had tijdens zijn leven nauwelijks iets gepubliceerd). Een doorbraak
die een ware revolutie in de literatuur betekende.

Voor de dichter Rimbaud waren leven en poëzie één geheel: de zoektocht naar
het “ware leven”, die uitmondde in de doordachte “wetenschappelijke” schepping
van een nieuwe taal. Rimbaud hoopte als een soort ingenieur via de poëzie een
werkelijk nieuwe wereld, een “vraie vie”, te kunnen tot stand brengen, zoals hij
beoogde zijn relatie met Paul Verlaine de vorm te geven van een nieuwe vorm van
“amour”, van menselijk samenleven. Toen hij inzag dat de poëzie niet in staat was
zijn gedroomde wereld waar te maken en ook zijn “amour” een fiasco was
geworden, begon hij in plaats van poëtisch te reizen, te vallen en weer op te
staan, in de “echte” wereld te reizen. Met ook telkens weer de frustratie dat elk
project toch niet het resultaat opleverde dat hij verlangde en uiteindelijk op een
échec moest uitlopen. Het is de ironie van het lot dat Rimbaud (l’homme aux
semelles de vent – ‘de man met de schoenzolen  van wind’) die altijd  voor zijn
fugues, zijn reizen en zijn tochten op zijn benen moest rekenen, juist door een
soort kanker aan zijn rechterbeen gehospitaliseerd moest worden, zich dat been
moest laten amputeren en uiteindelijk aan de aandoening overleed.
Zijn wezenlijke bijdrage aan de integratie van Oost-Afrika en in het bijzonder
Ethiopië in de handelsrelaties van de Westerse naties (vandaar dat zijn buste
vóór het station van Charleville de inscriptie draagt “Poète et Explorateur”) was
eigenlijk ook een soort poëzie, of althans ze kan in het verlengde van zijn
poëtische ambities begrepen worden. Zijn werk in Oost-Afrika, al deed hij het
zogezegd allemaal voor het geld, heeft bijna letterlijk zijn voorafbeelding in
zijn gedichten: ook in Afrika hield Rimbaud de idee hoog dat hij als een
ingenieur een nieuwe wereld schiep. Zij het met dezelfde desillusie als afloop.

Poëzie: niet meer dan een “trou normand”?

Heel wat van Rimbauds eerste gedichten waren parodieën op de gangbare
poëzie, die toen rond 1870 nog altijd Baudelaire’s Les Fleurs du Mal niet had
verteerd. Die poëzie stond gekend als “parnassienne” onder leiding van Théodore
de Banville. Ze muntte uit door zelfgenoegzaamheid en thematische
vrijblijvendheid. De dichters kwamen regelmatig samen in clubs waar dan tussen
de maaltijdgangen door gedichten werden voorgelezen, als een “trou normand”,
een glaasje calvados tussendoor. Het leek Rimbaud dat deze poëzie eerder een
excuus was voor diners en soupers allerhande en hij liet dit de heren poëten ook
heel onbeleefd blijken. Voor Rimbaud was poëzie geen hobby of een amusement,
noch voor de schrijver, noch voor de lezer. Rimbaud zag veel grootser en veel
verder, al was hij amper 16. Reeds op zijn 14de had hij in een Latijns gedicht
geschreven: “TU VATES ERIS”. “Ziener”, “dichter” zult gij worden! Deze visie
op de dichter als “ziener” herhaalt hij op zijn 16de in de bekende
Zienersbrieven (Lettres du voyant). Daar schetst hij zijn visie  op het dichten
als een “beredeneerde ontregeling van alle zinnen”. Rimbaud is inderdaad geen
denker maar letterlijk en figuurlijk een visionair, zijn gedichten worden
inderdaad steeds meer “visioenen”, wanen zelfs. Tal van letterkundigen en
geleerden bijten nu nog altijd hun tanden stuk op de “betekenis” van Rimbauds
poëzie, in het bijzonder van zijn prozagedichten. Het maakt inderdaad heel wat
verschil uit of je die leest als je nuchter bent dan wel wanneer je stomdronken
bent, als je verdrietig bent dan wel vrolijk. En elke keer je een biografie over
Rimbaud dichtklapt, lees je zijn gedichten weer anders. Met Rimbaud ben je
nooit klaar.

Rimbauds “formule” JE est un autre! (“IK is een ander!”, ook al in de
Zienersbrieven) is even onbegrepen en even belangrijk geweest als Einsteins
E=mc². Zonder Rimbaud waren dada en surrealisme niet denkbaar. En met zijn
formule was hij Freud en de psychoanalyse 30 à 40 jaar vóór. Freuds analyse
van de “droomarbeid” is niet veel meer dan een herhaling van de wijze waarop
Rimbaud poëzie schreef. Maar waar Rimbaud duidelijk schreef “JE est un
autre” (alhoewel ook hier natuurlijk diverse interpretaties van zijn bedacht),
zette Freud “Waar HET is, zal IK worden”. Precies het omgekeerde dus van
Rimbauds visie. De ontmoeting tussen het opperhoofd van het surrealisme André
Breton (met het schrijven “vanuit het onbewuste”) en Freud eindigde dan ook op
een volkomen débâcle. Breton, voor wie het surrealisme de Revolutie was, moest
vaststellen dat Freud de creativiteit van het onbewuste wou “sublimeren”, m.a.w.
inpassen in het maatschappelijk en cultureel heersende kader. Met weer een
illusie armer zat er voor Breton niets anders op dan in Wenen maar snel weer de
trein naar Parijs te nemen.

Le Retour de Rimbaud

Voor de surrealisten was Rimbaud maar één van hun vele voorlopers. Hij werd
door hen niet verafgood. Voor de beat poets van de jaren 1950 (waarvan Patti
Smith, ook zo’n Rimbaud-fan, een soort nakomertje is) was hij echter de held, als
mens en als dichter. Niet alleen zijn manier van schrijven maar ook zijn
levensstijl van bohémien pur sang (of van mauvais sang, zoals Rimbaud het zelf
zou zeggen) golden als hoogst navolgbaar voorbeeld. De geest van Rimbaud
zweefde ook boven de barricades van Mei 68 in Parijs en Frankrijk. Het
gerucht gaat zelfs dat Jim Morrison zijn dood in Parijs zou hebben
geënsceneerd en nu zoals Rimbaud ergens in Ethiopië tussen de inboorlingen zou
leven. Maar ja, net zoals veel verhalen die deel uitmaken van de mythe Rimbaud
verzonnen zijn, zal ook de mythe Jim Morrison dit lot wel beschoren zijn.

Zoals Rimbauds poëzie en zijn leven een voortdurend zoeken zijn van het
onmogelijke, het “ware leven”, doemt Rimbaud telkens terug op als het
onmogelijke misschien toch wel mogelijk lijkt. Rimbaud fascineert dan ook elkeen
die voelt dat er naast het reële leven nog een ander leven mogelijk is, want
denkbaar en als poëzie uitdrukbaar. “De liefde moet heruitgevonden worden!”.
Inderdaad, telkens weer moet na een periode van inperking en onderwerping aan
één of ander ruimer geheel (“vaderland”, “de opbouw van het socialisme”, “de
competitiviteit van de economie”, etc.) de mens zichzelf heruitvinden. En daar
komt dan hoe dan ook Rimbaud dan even goedendagzeggen. Dat zal binnen
afzienbare tijd ook wel weer zo zijn, laat ons zeggen rond 2010-2015. Enfin:
hoop doet leven.


Je ne parlerai pas, je ne penserai rien:
Mais l'amour infini me montera dans l'âme
Et j'irai loin, bien loin, comme un bohémien,
Par la Nature, - heureux comme avec une femme.
     (Arthur Rimbaud - Sensation, 1870)

(geplaatst op 18-12-2007)

Meer over Eric Rosseel op zijn websites:
http://ericrosseel.blogspot.com
* HEUREUX COMME AVEC UNE FEMME *
Netwerk Psychiatrie & Samenleving
http://psychiatrie.blogse.nl

terug naar boven
© 2002/ 2007 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.