"HET GRENSGEBIED IN HET LANDSCHAP"
                            door Arno Cherubijns

Over de bundel "Landschappen, 40 (ver-)gezichten" van Henri Thijs - Ebook van Het Prieeltje Online.
 Te lezen op
www.hetprieeltje.net/netbook43/intro.html
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
Met de landschappen, waarvan in deze bundel constant sprake is, is het op zijn
zachtst gezegd vreemd gesteld.  Zij vertegenwoordigen niet alleen het
voorvaderlijk milieu (de geboorteplek, de roots van de jeugd) waarnaar de auteur
bestendig op zoek is, maar blijken ook de verraderlijke leefkernen van de taal
zijn waarin hij, bij ontstentenis van een permanent woongebied, verplicht is voort
te borduren tegen wil en dank en bij de gratie van taalexcerpten en
beeldassociaties behorend tot het specifieke domein van de woordkunst. Over het
wel en wee van beide terreinen en vooral over het verloren gaan van een
welomlijnde omtrek en een vaste gebiedsomschrijving van hun territoriums, gaat
het in deze poëzie.  Grensgebied is daarbij het parool dat het meest gehanteerd
wordt.  Want beide termen lopen regelmatig in elkaar onder, en tekenen maar al
te graag dubbele bodems in het geijkte patroon van eenduidigheid, begrip en
verstaanbaarheid.  Deze complexiteit, die zich geenszins laat verklaren, komt dan
ook mysterieus over en laat de auteur volledig in het ongewisse over de grote
levensvragen waarmee hij - zoals trouwens ieder weldenkend mens - te kampen
heeft.  Het enige houvast dat hij hierbij onderkent, is dat er geen houvast te
bespeuren valt en dat zowel het landschap van zijn herkomst als zijn geestelijk,
spiritueel landschap, weerspiegeld in de boodschap van de stem, een beeld van
hypocrisie en leugen voorschotelen, waarin geen lijnen te trekken vallen.  Zelfs de
dubbelde bodem blijkt bij nader inzien geen bodem te zijn in de echte betekenis
van het woord maar een schijnbasis, een fata morgana van een constructie die in
lucht opgaat en de zoeker plaatst voor een dilemma dat onoplosbaar is.
Maar daar is ook hoop.  De groene kleur van de algemene blijde verwachting
wordt opgelost in de reiservaring die de maker van deze problematische verzen
heeft opgedaan.  De zgn. "gouden driehoek" van India gevormd door de as Delhi,
Jaipur en Agra fungeert a.h.w. als een doorgeefluik naar andere waarden van de
geest die een hoge graad van spiritualisme laat opdoemen.  In de fascinerende
droomwereld van kunstig opgebouwde paleizen en tempels uit het verleden roept
het wonder van de scheppende geest nog meer vragen op dan binnen de
beschuttende kring van de eigen geborgenheid van de taal.  Mystiek staat hier als
het ware gebeiteld in de muren, druipt als zoete honing van verrukking van de
torens en likt het marmer van de ongebreidelde toewijding.  In dit verbijsterend
landschap rukt het verlangen naar materiële onthechting en naar een permanent
bestaan voor de geest met rasse schreden op.  Hier valt niet te ontkomen aan het
wonder van de schepping die de opgang naar het nirwana predikt en het dagelijkse
harde bestaan van armoede en honger spijzigt met de bedwelmende hype van de
triomferende geest.  De schijnbasis, de fata morgana waarover hierboven sprake
krijgt nu een duidelijke spirituele dimensie en verhuist naar een hoger niveau van
beleving en reïncarnatie.  Respect voor de almacht van de geest, doet bij de
auteur verzen ontstaan die het conflict met de eigen cultuur en materiële
ingesteldheid op de spits drijft.   Immorele waarden als het thema van de liefde,
de rijkdom van de geestelijke beleving, overstijgen de prangende vragen van het
bestaan die schering en inslag zijn in het Westerse patroon van de samenleving en
krijgen nu hun beslag in het elan van de schepping.   Het is de creatie die alles
domineert en zich ten dienste van een religieuze ontboezeming stelt die geen
grenzen kent en de bovennatuurlijke schoonheid op de aarde projecteert.  Deze
apotheose van troost en balseming vindt zijn hoogtepunt in het laatste gedicht
over de "Taj Mahal" waarin "melkwitte" verzen drijven in het water van het
ultieme geluk en dalen tot op de bodem van het hart van elke beschaving. Of zoals
de dichter het zelf in zijn slotverzen treffend  formuleert:

"En temidden van het bazuingeschal
van de zon, het trage hijsen van
nevelvlaggen en het roze juichen van wolken

ontspringt in een gouden feestgedruis
een spetterende melkfontein van liefde
die als een vloeiend juweel
van schitterend stromen

in de kleurrijke bedding
van de eeuwigheid verzandt.

De alles overheersende liefde dus als pasmunt voor de eeuwigheid. Waar wacht de
gekwelde "piekerende" mens nog op?

(geplaatst op 17-06-2004)

terug naar boven