DAGBOEK VAN DE  DICHTER:
BALANCEREN TUSSEN POËZIE EN PROZA

VERWEERSCHRIFT VAN EEN GESPLETEN PERSOONLIJKHEID
DONDERDAG/DENOO

door Thierry Deleu

Over de bundel "Dagboek van de dichter " van Bjarne Donderdag
bij De Oostakkerse Cahiers ”, bf Ampersand & Tilde, Antwerpen, 2005 en bij Het Prieeltje Online,
NetBook nummer 8
Verbaasd, veeleer verward, panisch zelfs, zo zou ik mijn gemoed kunnen
omschrijven bij het ontvangen van een recensie-exemplaar van Dagboek van de
Dichter van Bjarne Donderdag. Volgens ‘betrouwbare’ bron geboren op 4
november 1973 in Bloemfontein, Suid-Afrika. Hij werkt als biochemicus in een
Noord-Frans bedrijf en woont aan de Burgemeester Nolfstraat 15/3 in Kortrijk.
Via via werd mij bevestigd dat Bjarne Donderdag een pseudoniem is van Joris
Denoo. Op zijn website
www.jorisdenoo.be wordt alles duidelijk(er).

Bjarne Donderdag valt af en toe in de prijzen, o.a.: 2003: Nijmeegse SNS-
Literatuurprijs, bekroond werk: Oblomow in Handzame; Dunya Poëzieprijs 2002-
2003, bekroond werk: Winkeldochter, Brugge.

In Nieuw-Zeeland werd Donderdag veroordeeld voor het misbruiken van het
woord “kiwi”. Hij had de nationale eer gekrenkt, zo luidde het. Verbijsterd door
deze uitspraak ging de Dichter de inquisitie te lijf met een poëziepartituur.
Dagboek van de Dichter is dus zijn verweerschrift. Voor het tribunaal reageert
hij op eenzelfde ongewone manier op de aantijgingen.

Dagboek van de Dichter is een experimentele bundel waarin een verhaal wordt
verteld en waarin elke bladspiegel er speciaal uitziet. Ook de werkelijkheid
krijgt er onderdak.

Onder andere om deze reden kun je dit verweerschrift onderbrengen bij
“polypoëzie”, in de zin van “polyvalente poëzie”. Waarom? De Dichter schrijft
hier poëzie die veel mogelijk maakt, die haar eigen mogelijkheden uitprobeert.
Etaleert? Ook, maar in de positieve betekenis: anekdotisch, verklarend en
demonstratief. In deze poëzie is de taal geen (louter) doel of middel, ze wenst
ook geen (loutere) artistieke uiting te zijn van een genormaliseerde regelige
structuur.
Veeleer is deze “polypoëzie” een mogelijkheid om dichtkunst (gedichtenkunde) in
een sociale context te plaatsen. Letterlijk poëzie met veel mogelijkheden:
- ze maakt gebruik van alle mogelijke uitingen (dus niet alleen woorden),
- ze maakt op een zinvolle manier gebruik van elektronica en performancekunst,
- zij onderkent ook de tradities van niet-westerse wereldculturen
- en zij is niet noodzakelijk gebonden aan het “gedicht” en het “boek”.

De evolutie binnen de elektronica heeft zich zo snel voltrokken dat het moeilijk
wordt de implicaties ervan te verwerken of consequent toe te passen op de
poëzie. Tot op heden heeft het merendeel van de dichters de 19de eeuw nog
steeds niet verwerkt.  
Bjarne Donderdag slaagt erin op een zinvolle wijze de verworvenheden van het
computertijdperk toe te passen. Zowel op technisch gebied als op het gebied van
het denken. Hij heeft hiervoor geen “veelkleurigheid” of “veelstemmigheid” nodig
(polychromie, polyfonie) - andere dichters wel. Hij gebruikt technische middelen
zoals bladspiegel, achtergrond, woordenschikking, lettertypes, lettertekens,
symbolen, nummering, arcering, ingelijste woorden/regels/zinnen.
“Poëzie” die zich toch vereenzelvigt met het (geschreven) woord, maar dan in al
haar “vormen”, “veelvormige” poëzie of “multiforme poëzie”. Ik weet het, deze
term is overbodig in die zin dat er alleen maar “poëzie” bestaat, maar hier is het
noodzakelijk om verwarring te voorkomen dat wij Dagboek van de Dichter
omschrijven als een bundel “multiforme poëzie”.
Sommigen zullen tot de conclusie komen dat dit geen poëzie is, maar de vraag
luidt niet: “Hoe ziet deze multiforme poëzie eruit?”, maar “Hoe verandert zij de
perceptie van poëzie in onze wereld”?
Wat denkt “de Dichter” hierover? Hij is teleurgesteld. Hij is in de war (eventjes
maar). “Waar stuurt het Ministerie toch op aan? Door het Openbaar Ministerie
word ik beschuldigd en door de minister van Cultuur word ik betoelaagd.”

Dagboek van de Dichter is het resultaat van deze filosofie. Bjarne Donderdag
slaagt er op meesterlijke wijze in vorm te geven aan de versmelting tussen
plastisch (in de zin van bladspiegel) en poëtisch werk. Een delicate, héél moeilijke
opdracht, een uitdaging.

Wie is de Dichter (niet een dichter)? Is hij een archivaris? Een kleptomaan? Een
herschikker? Of gewoon “de bewaker van de bewakers, als gevangene”? Schreef
Donderdag met Dagboek van de Dichter toneel, poëzie, een essay, fictie, een
docudrama, of gewoon “een dagboek: zeg maar nachtboek”? Met deze vragen in
mijn achterhoofd begin ik aan de lectuur van het verweerschrift.

Vooral de annotaties zijn hier belangrijk (denk ik). Zoals: “Het beroep van
dichter is in het deelkoninkrijk Vlaanderen onbestaande. Men neme het statuut
van zelfstandige-in-bijberoep en men late zich aanmeten de volgende leugens:
copywriter, performer, het schrijven en opstellen van teksten, charlatan,
gecoöpteerd politicus”.

De dichter Bjarne Donderdag “slaapt goed”, is af en toe ook “opstandig”, en stelt
de rechter een wedervraag: “Is dichten het onder elkaar zetten van geparkeerde
woorden en zinnetjes, geïnjecteerd met beletseltekens en voorzien van grote
woorden, zoals: oorlog, vrede, dood, liefde?”
De rechter vraagt koud: “Voelt u zich geroepen?” (om dichter te zijn en goede
slaper en opstandeling).
“Neen,” zegt de Dichter, “wel teruggefloten.”
Beiden aarzelen: “Had ik (u) niet beter een essay geschreven?” De dichter beaamt
dat dit verweer(schrift) een essay lijkt.
Een woordenwisseling tussen rechter en Dichter boeit de lezer (i.c. het publiek)
op. Vooral als de Dichter beweert dat hij “in ’t diepst van zijn gedichten” God is.
“Blasfemie!” roept een deel van het publiek. De rechtbank is in alle staten. “Orde!
Orde! Orde in de zaal!”

“Wat is dichten?” vraagt de rechter. (Het valt het publiek op dat hij nog met
geen woord heeft gerept over het abusief gebruik van het woord “kiwi”.)
“Dichten. Buigen? Verzen? Een versje?”   
“Neen,” roept de Dichter, “ik wil niet opschrijven, wél schrijven!”
“U dwaalt af, poëet,” zegt de rechter.
“Poëet is een scheldwoord, mijnheer de rechter.”
“ Hoe wenst u dan aangesproken te worden?”
“Ik wens niet aangesproken te worden.”

Over “dichten” en “verweerschrijven”:
“Dat kan ik ook,” lacht de rechter.
“Doe het dan!” antwoordt de Dichter.
De rechter neemt een krachtig en snel besluit (snelrecht): “Morgen om 15 u.
gedeeld door 30 komen wij weder samen!”

“Waar was u de nacht van vrijdag op maandag?”
Lees: “Met wie gaat u om?”
“In het gezelschap van Rimbaud, Baudelaire, Lowry, ’t Hooft, Villon, Louis-
Ferdinand, André, Carl-Joris, Het broederpaar …”
“Triest gezelschap,” merkt de rechter op.
“Literaten van de linkeroever en nazaten van de overkant. En u, Edelachtbare,
wat hebt u thuis op de plank staan? De telefoongids? De Winkler Prins? De
opbergmap voor Beroemde Treinen?”
De rechter is furieus: “Die klotedichters denken altijd dat alles kan en dat ze
alles mogen zeggen en schrijven! … Dood aan alle dichters!”
Met bevende wijsvinger: “U bent een gecoöpteerde charlatan, een schrijver van
ongerijmde teksten!”

Sedert het proces wordt de rechter bestookt met nachtmerries.
Een voorbeeld: “Hoe wens je dood te gaan, poëet? Je ballen in je mond en een
euro in je kont? …” Hij wordt zwetend wakker en denkt: “Dat is nog altijd niet zo
erg als in Amsterdam de kanker achter je hart krijgen.”

Tijdens het proces dwaalt de Dichter (bewust) af en poneert enkele van zijn
stellingen, zoals: “de Landelijke Gedichtendag mag er zijn”, “Saint-Amour ook,
alhoewel, S-A is het monopolie van de commerçanten en de dichters en een klein
marktsegment, geen gat in de markt.” Of “Dichter is het oudste beroep ter
wereld, daarna volgt het hoerendom.”
“Er zijn van die dagen, zeg maar nachten” denkt hij, “dat ik inzicht krijg, terwijl
taal mij ontglipt en woorden haperen.”

“Wat is poëzie?” vraagt de rechter ineens.
“Sandra Bullock, dàt is pas poëzie!” roep de Dichter uit.
“U raaskalt, man.”

Terwijl de Dichter dicht, is er “elke avond Festival van Vlaanderen in elke
huiskamer”. De TV is het medium, kijkdichtheid de norm, een wenende minister het
emogehalte. De Dichter glijdt ontgoocheld weg in zijn dromen. God stuurt hem uit
als een zendeling, met een welomlijnde opdracht: “Gij zult niet leven van uw pen,
maar voor uw pen. Gij zult mijn naam niet doen rijmen met rijmwoorden, zoals
daar zijn: God, zot, Marmot, tarbot, of gewoon mot.”

’s Ochtends krijgt de Dichter een brief van justitie: “Bij dezen laat het Hof u
weten dat uw proces/zaak geseponeerd wordt. U mag de woning en het land
verlaten. U bent onschuldig totdat bewijzen van uw schuld gevonden worden.”

Of Dagboek van de Dichter nu poëzie is, of proza, of een mix van beide, of een
poëziepartituur, of een essay, een verweerschrift, het maakt niets uit, wat voor
mij ligt is zo oud als Van Ostaijen jong is, het is een ludiek, ironisch, cynisch en
goed onderbouwd stuk dat mits enkele scenariorale aanpassingen zou kunnen
worden ten tonele gevoerd.

Bjarne Donderdag bewijst nog maar eens zijn kundig- en kunstigheid in gunstige
zin. Als Andere Ik van Joris Denoo probeert hij zijn persoonlijkheid op te
splitsen in Ik en Jij en soms ook Wij. Dit “ernstig” spel tussen de Dichter Joris
Denoo en de rusteloze Bjarne Donderdag gunt vooral de eerste de kans om zich te
ontlasten, om zich te bevrijden, om zich uit te leven, om daarna zich weer te
kunnen focussen op poëzie die dan wel een regelige structuur heeft, een
herkenbare vorm.  

Denoo is een veelschrijver (soms wordt deze eigenschap met schele ogen
aangezien: enerzijds van wantrouwen en anderzijds van afgunst), maar ik stel toch
maar vast dat hij altijd kwaliteit brengt en af en toe ook vernieuwend uit de hoek
komt. Is hij nieuwzuchtig? Ik hoop het voor hem, ik ben dat ook. Is hij
“ongedurig”? Misschien, ik ben dat ook. Dagboek van de Dichter heeft mij
bekoord om het lef van de schrijver, om de parenthesisses en annotaties van de
berechte, om de ludieke statements en de “duidinggevende” grappen, om de
vrijpostigheid van zowel de Rechter als de Dichter die het proces maken van een
woord dat nooit uitgesproken wordt (vandaar dat de aanklacht werd geseponeerd).

Verrassend(e) (multiforme) poëzie of (hyperventilerend) proza, het maakt niets
uit: ik heb het (verweer)schrift graag gelezen, het heeft mij doen nadenken, het
heeft mij geïnspireerd.


Thierry Deleu
Alterego: Derek van ’t Gulle Zand

 
Bjarne Donderdag, Dagboek van de Dichter. – bf Ampersand & Tilde, Antwerpen, 2005.   
Bjarne Donderdag. Dagboek van de Dichter -
NetBook nummer 8 - Het Pieeltje Online.
 
(geplaatst op 18-12-2005)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje ., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.