EEN HERDER VAN WOLVEN

EEN VERGEETACHTIG GETAL

Er was eens een getal
Helder en rond als de zon
Maar eenzaam zeer eenzaam

Het begon met zichzelf te rekenen

Het deelde vermenigvuldigde zichzelf
Het trok zichzelf af en telde zichzelf op
En bleef maar altijd eenzaam

Het stopte met zichzelf te rekenen
En sloot zich op in zijn ronde
En zonnige puurheid

Buiten had het de trotse
Sporen van zijn rekenwerk
Achtergelaten

Die begonnen nu elkaar op te jagen in de
duisternis
Te delen wanneer zij zichzelf hadden moeten
vermenigvuldigen
Af te trekken wanneer zij zichzelf hadden
moeten optellen

Dat is wat gebeurt in de duisternis

En niemand die het vroeg
Die sporen te stoppen
En uit te vegen