Poëzie en Waanzin: vrienden of vijanden ? door Henri
Thijs

Nadat onze bijdrage "Is Poëzie Schizofrenie?", die aanvankelijk een onopgemerkte,
rustige winterslaap doormaakte in onze archiefpagina's, plots werd wakker geschud door
polemische geschriften van Bart Brey, vonden we dat er genoeg redenen waren om een
vruchtbaar vervolg aan deze problematiek te breien door ons gaan te wagen aan een
analyse van het al dan niet "waanzinnig" karakter zelf van de poëzie.  Twee boeiende
teksten vielen ons daarbij als een Gods geschenk uit de internethemel:  een van de hand
van Peter Davison gepubliceerd in het Amerikaanse e-zine"The Atlantic Online" en een
ander geschreven door Mev.Drs. Klaske Hiemstra en gepubliceerd op de website van
Antenna.nl.   Henri Thijs vertaalde en maakte een synthetische collage van beide teksten.

« Is it only coincidence that poetry in the last two decades has come into the
full uses of madness as of an instrument? »

Peter Davison

Er bestaat überhaupt geen reden om het belang van de fenomenen van de
waanzin en de poëzie en hun onderlinge hechte verwantschap te ontkennen. Het
verleden heeft ons immers geleerd dat de twee in Engeland lange tijd beste
maatjes zijn geweest en dit zeker in de eeuw van de Franse Revolutie toen
belangrijke namen als Christopher Smart, William Collins, William Cowper en
vooral William Blake deze relatie instinctief belichaamden in hun werk (*).
Trouwens veel laat vermoeden dat een forse alliantie tussen deze twee opnieuw
in de maak kwam tijdens de laatste twee decennia. Na de eerste wereldoorlog
overheerste bij de dichters de mening dat « waarheidsgetrouw » dichten
belangrijker was dan « verstaanbaar overkomen ». « Niet te worden verstaan
» werd een algemeen aanvaarde premisse die kon worden beschouwd als het
simpele en vuige lot van een dichter, een lot dat hij moest ondergaan tegen wil
en dank. Deze attitude ontpopte zich tot een soort van trots alsof
ontoegankelijkheid de stempel was die de Muze drukte op het voorhoofd van
haar uitverkorenen. Zelfs de literaire kritiek plaatste met verve het masker
van de complexiteit van de poëzie in het uitstalraam van haar geschriften.
Deze complexiteit begon ook bepaalde emotionele vormen aan te nemen en
deinde uit naar nevenverschijnselen zoals: aliënatie, revolte, en ja de waanzin.
Daar waar "The Waste Land" van T.S. Eliot zich uitspon in katachtige
raadsels, gingen de "Cantos" van Ezra Pound nog een stuk verder door een
soort geheimtaal te debiteren vol van profetieën of van waanzin, zo men wil.
Conrad Aiken verkende de geheimkamer van het onderbewustzijn. Wallace
Stevens die van de magische oorsprongen van de kunst. Heeft de poëzie van de
twintiger en dertiger jaren door zijn cultivering van de fragmentaire stijl en
de thema's van het onderbewuste, de gebroken verbeelding, en de ontredderde
geest, misschien haar technieken uitgeleend aan de volgende generatie ter
stimulering van het uiten van de waanzin? Of heeft de eeuw zelf ons de
incoherentie van de substantie en stijl op de schouders gelegd? Schrijven de
"waanzinnigen" in een eeuw van revolutie proza of verzen?  Vragen zoals deze
doen een duidelijke demarcatielijn veronderstellen tussen de zgn.
"waanzinnigen" en de "geestelijk gezonden", lijn die echter niemand in staat is
te trekken. Wie van ons is altijd gezond of normaal? En wie van ons, hoe
waanzinnig ook, vangt niet hier of daar in een perceptie van uiterste
gezondheid, in een uiting van extreme luciditeit, een glimp van waarheid op
over de wereld of onszelf die de modale mens in de samenleving, uit vrees voor
provocatie, nogal gemakkelijk overziet? Hoe dan en op welke gronden kunnen
we een onderscheid maken tussen de fragmentatie van leven en de
dementerende substantie? Opnieuw is niemand in staat dat onderscheid te
onderkennen alsof de ene de naakte realiteit zou voorstellen en de andere de
aangeklede. In dezelfde mate werden talrijke poëzielezers ongelukkig genoeg
op het verkeerde been gezet door een generatie van "brave en wijze" leraren
waardoor ze zelfs het verschil niet meer zagen tussen stijl en substantie, noch
tussen zwanen en ganzen. E.E. Cummings wordt tot op de dag van vandaag
verguisd en besmeurd door de media in de Verenigde Staten als de meest
geavanceerde en ontoegankelijke dichter, terwijl hij in feite de wereld bekeek
met ogen zo eenvoudig, sentimenteel en onbewolkt dat zelfs Tennyson daarmee
vergeleken als moeilijk en complex kon worden beschouwd. Heel anders dan
Cummings hield Yeats het bij traditionele waarden maar bloeide eens te meer
open wanneer de opstootjes van waanzin en de lusten van de oude man de gelijk
gestroomlijnde maten bevochten van het jambisch vers dat vanaf zijn jeugd
zijn passioneel handelsmerk was geweest. Van jeugd naar ouderdom, laten
Yeats gedichten onder de druk van hun inhoud, een geleidelijke groei zien van
gekletter en dissonantie zoals de dromen van de roos en de grijze zee
nachtmerries van wanhoop en verval verraden.

Is waanzin een conflict tussen verbeelding en realiteit? Misschien wel, maar
wat anders dan dit conflict kan aan de oorsprong liggen van poëzie? Waar
waanzin optreedt zouden we ons mogen verwachten aan incoherentie. Maar
laten we oppassen met een verschil te maken tussen de incoherentie van "het
niet weten hoe", en de incoherentie van "het verder reiken dan". Waanzin
zonder poëzie kan soms door de opwinding die het verwekt, gevoelens oproepen
bij de lezer die analoog zijn met deze veroorzaakt door poëzie zonder
waanzin. Longinus (**) verklaarde het verschil als zijnde het onderscheid
tussen het sublieme en het schone; maar de twintigste-eeuwse psychiatrische
waanzin heeft te weinig van het sublieme in zich. Waar hij (de waanzin) de
dichter te fel betrekt op zichzelf bestaat er een kans dat hij de poëzie
schaadt, want het "zichzelve" moet eerder het reservoir zijn van poëzie en
niet haar gangmaker. Poëzie heeft te lang geleden onder het overwicht van het
idee dat zij slechts bestaat om de jeuk van de dichter te krabben. Als waanzin
toeslaat moet de dichter proberen zichzelf te genezen op het papier, of
zichzelf overgeven aan verdere intoxicaties van de waanzin. Als waanzin de
poëzie schaadt, moet de poëzie beschermd worden. De dichter draagt als
dichter de verantwoordelijkheid voor de voortreffelijkheid en de gaafheid van
zijn gedicht meer nog dan voor zijn eigen gaafheid, in welke staat van waanzin
hij ook moge verkeren. Deze gaafheid en voortreffelijkheid staan ook in
directe correlatie met de uiting van de boodschappen van het onbewuste, het
individuele onbewuste weliswaar, dat echter dankzij het "waanzinnig" talent
van de dichter een oeroud universeel karakter kan meekrijgen. De
interpretatie hiervan is noodzakelijk voor de geestelijke gezondheid van zowel
auteur als lezer alhoewel dit een tamelijk arbeidsintensieve en specialistische
aangelegenheid is. Het gaat tenslotte vaak om de analyse van een droom. En
daar wringt nu precies het therapeutisch schoentje.  Want paradoxaal genoeg
wordt in de wetenschap en de literatuur aan het voorkomen en vooral de
betekenis van dromen en psychoses niet altijd de aandacht geschonken die ze
verdienen. Daarmee wordt in feite een heilzame weg verlaten die door Freud
resoluut werd ingezet en door Jung diepgaand uitgewerkt. Volgens Mev. Drs.
Klase Hiemstra (***) betekent last hebben van wanen in concreto voor de mens
dat het onbewuste zijn recht van bestaan opeist en om welke reden dan ook wil
breken uit het enge keurslijf van de geest. Hierbij dringt zich een vergelijking
op met dromen die ook alleen maar kunnen ontstaan ingevolge de irrelevante
realiseerbaarheid van de gebeurtenissen uit het recente menselijke bestaan.
Omdat alles wat op een dag wordt beleefd bezwaarlijk volledig kan worden
verwerkt, ontstaat de droom als een medicijn, een ultieme oplossing, de ideale
uitlaatklep. Hij fungeert als een gekend en steeds wederkerend nachtelijk
syndroom dat heilzame uitwerking heeft op de genetische toestand van de
menselijke geest. Het is bij voorbeeld psychiatrisch bewezen dat wie de
droomslaap wordt onthouden door technisch ingrijpen in de slaap d.m.v.
slaapinterruptie na bepaalde tijd volslagen "gek" wordt. Het onderbewustzijn
laat zich namelijk niet dwingen en eist zijn bestaansrecht op. M.a.w. het wil
worden gehoord en perceptief meetbaar voorgesteld zoniet loopt het
geestelijk mis met de gastheer die het een verborgen onderkomen verschaft.
Vandaar dat proefondervindelijk is vastgesteld dat een herneming en beleving
van de droomslaap de opgedoemde "gekte" volledig doet verdwijnen. Zo ziet
men ook bij tijdelijke waanzin, die optreedt o.m. bij manische depressiviteit,
dat een niet-verwerking van gebeurtenissen uit het werkelijke leven door een
ontbreken van de droomslaap aanleiding geeft tot een zgn. "dwaze eruptie"
van de boodschap die de kracht heeft van een explosie. Deze laatste uit zich in
een soort verwrongen beeldtaal, waarvan het chaotische karakter sterke
verwantschap vertoont met dromen die ook gezonde individuen hebben tijdens
de zgn. "remslaap". Beide waanzinstypen hebben ook te maken met twee
soorten droompatronen, nl. primo, de verwerkingsdroom die het meest
voorkomt en de dromer vanuit het onbewuste een signaal geeft dat het gedrag
moet veranderd worden en secundo, de profetische droom die blijkbaar veel
minder vaak voorkomt en erop duidt dat er een profetie gaat bewaarheid
worden die meer dan normale aandacht verdient. Duidelijk moet dus worden
gesteld dat alle informatie verstrekt door het onderbewuste kan geduid
worden op dezelfde manier waarop dromen kunnen worden geanalyseerd.
Vreemd toch wel in dat perspectief dat droomuitleggers vaak naar de
paranormale hoek worden verwezen en niet bejegend met het respect dat ze in
feite verdienen. Wat op het menselijke, individuele vlak niet au sérieux wordt
genomen, kan echter wel op gebied van literatuur en kunst waar kunstuitingen
geproduceerd door manisch depressieven wel uitgelegd worden door de
symbolen te duiden. Deze symbooluiting is echter een medaille met twee
belangrijke zijden: de persoonlijke kant en de kant die door Jung de
"archetypische" wordt genoemd. De laatste houdt verband met het collectief
onderbewustzijn voornamelijk tot uiting gebracht in mythen en sagen waartoe
ook de bijbel behoort en die tot doel hebben de diepste zijnsgronden van de
mens te verklaren. De symbolen daartoe gebruikt zijn oeruniverseel en kunnen
dan ook gemakkelijk met behulp van algemeen erkende symboolduidingen en de
"close-reading"-methode geïnterpreteerd worden. De eerste, de persoonlijke
kant, betreft beelden die een persoonlijke band ontwikkelen met degene die ze
uit en waarmee ze zich associëren om de eigen droom van betekenis te kunnen
voorzien. Het is niet zo dat deze twee finaal tegenover elkaar staan: het
onderbewuste maakt bij zijn optreden in kunst, literatuur, dromen en psychose
gebruik van beide soorten beelden. Dit betekent dat het altijd noodzakelijk en
nuttig is beide aspecten, de persoonlijke associaties én de universele betekenis
van symbolen te betrekken bij de goede interpretatie van dromen. Hierbij
moet blijvend voorop gesteld worden dat het onderbewuste staat in de geest
tegenover het bewuste als een negatief tegenover een foto. Wat op een foto
positief is, is op het negatief een donkere vlek. Wat donker is in het dagelijks
leven licht fel op in het negatieve beeld van de werkelijkheid dat de droom, de
kunst, de manie toont. En deze droom hoort eigenlijk te zijn als de droom van
Maarten Luther King : het "I have a dream" moet iets zijn waarvoor men zich
volledig kan inzetten om het op een positieve manier waar te maken in het
werkelijke leven. Het gedicht, het "manisch depressief", het "waanzinnig
gedicht" reikt daartoe de sleutel. Het probeert de lezer tot in detail duidelijk
te maken over hoe hij als mens, als vrouw en als manisch depressieve
persoonlijkheid in elkaar zit. Als het onbewuste ons zegt middels het gedicht
dat we de dood moeten zoeken, is het van het grootste belang dat wij de
negatieve kracht die daarvan uitgaat weerstaan en haar zien als een boze
droom en als de manier waarop ons onderbewustzijn ons duidelijk maakt dat
het moment gekomen is waarop we de puinhoop die we van ons leven gemaakt
hebben de rug moeten toekeren en ons leven een positieve draai geven.

Daarmee kan meteen worden gezegd dat de vraag: "zijn poëzie en waanzin
finaal vrienden of vijanden?" bijna overbodig gesteld is.  Het antwoord blijkt
immers duidelijk uit vorige analyses. Samengevat: poëzie is de lokroep van de
stem uit het onbewuste die uitnodigt om verbinding te zoeken met de eigen
grote levenskracht. Waanzin is de levensboom in het gedicht die met zijn
takken dat onderbewuste vorm en inhoud geeft en de milde schaduw schenkt
van het diepe inzicht: de rust van het begrijpen.

__________________________________________________

(*) Peter Davison. Madness in the New Poetry.
(Http://www.theatlantic.com/issues/65jan/davison.htm)

(**)ibidem

(***) Drs.Klaske Hiemstra. De Zin van Waanzin.
(http://www.antenna.nl/nsmd/waanzin.html)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.