XI CHUAN (CHINA)
keuze en vertaling Henri Thijs
IN DE SCHADUW VAN CHAOS

Maghiel van Crevel is een autoriteit op het gebied van de moderne Chinese poëzie.  In het recente
nummer van
“The Drunken Boat” (vol.6, issues 1-11) wijdt hij in het Engels een hele studie aan de
historische achtergronden en de kenmerken van de hedendaagse Chinese poëzie waarin Xi Huan een
voorname rol bekleedt.  Henri Thijs las, vertaalde en parafraseerde enkele belangrijke passages uit die
boeiende studie.


Xi Chuan (pseudoniem van Liu Jun, 1963), promoveerde aan de universiteit met een
proefschrift over Erza Pounds benadering van de klassieke Chinese literatuur.  Hij doceert
thans internationale en Chinese literatuur aan het Centraal Instituut voor Schone
Kunsten in Beijing.  Sedert 1985 heeft hij veel gepubliceerd – vooral poëzie maar ook
essays en vertalingen (Borges, Pound en anderen) – en is hij uitgegroeid tot een
belangrijke vertegenwoordiger van de hedendaagse Chinese poëzie.  In 1995 begon hij
zijn reeks uitstappen naar het buitenland met een lezing op het Rotterdamse
internationale Poëziefestival.  En in 2002 nam hij deel aan het internationaal
schrijfprogramma van de Universiteit van Iowa.  Zijn werk werd reeds in het Nederlands,
Frans, Japans en Spaans vertaald.
Xi Huans handelsmerk zijn in het algemeen lange prozagedichten.  Het zijn
raadselachtige teksten die uitnodigen tot en tegelijkertijd verhinderen elke
interpretatie.  Zij hebben iets van verhelderende poses die meestal opgedeeld worden in
afzonderlijke secties en stanza’s en zich ontplooien in een eminent beschaafde en soms
ook wel archaïsche syntax.  Zijn bewust gekozen, esthetiserende herhaling van sommige
zinspatronen is schatplichtig aan oude filosofisch-literaire teksten uit Oost en West,
zoals Zhuangzi en Heraclitus, en leent zich uitstekend voor analogie en contrast,
spiegelbeeldvorming en paradoxen.  Bovendien hebben zij een medidatieve functie en
willen zij ernstige dingen onthullen over de identiteit, taal en menselijke conditie.  Maar
er is meer.  Bij nader toezien fluiten Xi Chuans woorden al de regels van het zgn.
narratieve en de logica gewoonweg weer weg om sierlijk op te gaan in de wereld van de
ambiguïteit, paradox en uitgesproken contradictie, of pseudo-filosofie: tactloos, speels,
aards gericht en gevoed door hun eigen muzikaliteit of wat dan ook.  De bedoeling is dat
de beelden uiterst functioneel zijn en woorden vangen, terwijl het omgekeerde eveneens
aan de orde is.  Natuurlijk is dat onderscheid – noem het een van ‘vorm en inhoud’ –
alles behalve absoluut.  Wat betreft de inhoud handelt zijn poëzie over een rijkdom van
een subjectieve materie, en haar verbeeldingskracht maakt gebruik van gesofistikeerde
literaire mechanismen.  Een van hen is de metamorfose.
Maar deze laatste dekt niet volledig de lading van zijn boodschap.  Het “ik” blijkt een
geestelijk taalkundig tussenpersoon te zijn, autonoom op zichzelf dat wel, maar zonder
een eigen terrein.  Zwervend van een lichaam naar het andere, zij het een mens of een
beest, of zelfs God, kan het “ik” diverse gezichtspunten innemen.

“Daarna ga ik over in mijn nageslacht en laat de regen testen of ik waterdicht ben.  
Daarna in de regen en plens op het kale hoofd van de intellectueel.  Daarna in die
intellectueel terwijl ik de wereld zijn handelswijze afwijst, raap een steen van de grond
en keil hem naar de onderdrukker.  Daarna ga ik over in een steen en de verdrukker op
hetzelfde ogenblik: als ik geraakt wordt door mijzelf zet dat mijn beide hersenhelften in
rep en roer.”

(Uit: Wat de arend vertelt, vertaald naar het Engels van Maghiel van Crevel)

Buiten de metamorfose maakt hij, zoals elke dichter, ook gebruik van de metafoor maar
wel begrepen in de letterlijke betekenis van “transfert”.  Immers blijkbaar kunnen
anderen dat even goed als het “ik”:

“Ik hoef maar te veinzen een arend te zijn, en een mens zal veinzen mijn ik te zijn.”

En zelfs die keten van metamorfose en metafoor kan worden verbroken.  Het wereldbeeld
van Xi Huan is immers te ambigu op alle vlakken en geeft uitdrukking aan de sterk
aanwezige vervaging van alle grenzen, zij het deze tussen mens en dier, tussen leven en
dood, tussen samenleving en individu.

Zeer mooi wordt deze gedachtegang verwoord in volgende parafrase:

“Tussen de mensen zijn er mensen die geen mens zijn, net zoals tussen de arenden er
arenden zijn die dat niet zijn: er zijn arenden die verplicht zijn op en af te lopen door de
gangen, en er zijn mensen die gedwongen zijn te vliegen door de lucht.”

(Uit: Wat de arend vertelt, vertaald naar het Engels van Maghiel van Crevel)

Deze wisselwerking tussen individuen, dieren en begrippen en hun onderlinge
uitwisselbaarheid maakt deze poëzie zo boeiend en aantrekkelijk.  De vervaging tussen
onze lotsgebonden overgeleverde waarden is hier constant aan de orde.  Het woord
chaos wordt dan wel niet uitgesproken maar ligt dan als een schaduw over deze verzen
ontstaan uit het China van vandaag waar verandering, metamorfose, vervaging en
onderlinge inwisselbaarheid van levensstandaarden het leven van elke dag bepalen.


VIER GEDICHTEN VAN XI CHUAN
vertaald naar het Engels van Inara Cedrins

VOGELS

Vogels zijn de hoogste wezens die wij kunnen zien met het blote oog.
Nu en dan zingen ze, vloeken of vervallen in stilte.  Wij weten niets
over de hemel boven hen: dat is het rijk van de irrationaliteit
of van een reusachtig nihilisme.  Alzo scheppen vogels de grenzen van onze rationaliteit
en het steunpunt van de kosmische orde.  Er wordt gezegd dat vogels de zonkunnen
aanschouwen: waar wij daarentegen al na een seconde duizelig daarvan worden en
enkele seconden later zelfs blind kunnen worden.  Volgens de mythologie bood Zeus
zichzelf aan als een zwaan om Leda te neuken; God benaderde Maria in het beeld van
een duif.
Er bestaat een regel in het Boek der Gezangen: “Hemel laat je zwarte
vogels neerdalen” en aldus ontstond de Shangdynastie.” al beweren
sommige experten dat deze zwarte vogel niets anders was dan de penis, maar
laat het ons daarbij laten.  Er in slagen de wereld te bezitten als een vogel, is een
goddelijk privilege zoals een keizer zichzelf vermomt in een bediende
om een privaat bezoek af te leggen.  Vandaar dat we mogen stellen dat God wordt
gebruikt om op ons neer te kijken, en dat vogels de bemiddelaars zijn tussen aarde en
hemel, ontmoetingspunten tussen de mens en god, en de trappen, gangen die bijna
goddelijkheden vormen. Eenden kopiëren het uitzicht van vogels; vleermuizen vliegen op
een vogelachtige wijze, en logge kippen zouden “gedegenereerde engelen” kunnen
genoemd worden.  De vogels waarvoor wij zingen – met hun grote veders en lichte
beenderen -  zijn halfvogels:geheimzinnige schepsels, zaden van de metafysica.



* * *


SCHADUW


Naarmate ik groter word, begin ik een schaduw te produceren.  Ik kan hem niet negeren,
tenzij hij opgaat in een andere, grotere schaduw – de nacht.  Maar wiens schaduw is de
nacht?  De aarde werpt zijn schaduw op de maan, vandaar de maansverduistering: de
maan werpt zijn schaduw op de aarde, vandaar de zonsverduistering.  Ieder van ons
leeft in de schaduw.  Aan de andere kant van de schaduw ligt het vuur, en de
schaduwgeeft ons alleen maar een basis voor het meten van de zon.  In het dagelijkse
leven, omdater maar een zon is, kan niets meerdere schaduwen hebben;  wat onze
zielen betreft, is de schaduw de totale som van verlangen, egoïsme, angst, ijdelheid,
jaloezie, wreedheid en dood.  Schaduw schenkt de dingen een realiteit.  Om een ding te
ontdoen van zijn realiteit, moet men het ontdoen van zijn schaduw.  De zee heeft geen
schaduw; daarom voelt zij aan als een illusie.  Voorwerpen in onze dromen hebben geen
schaduw; daarom vormen zij een andere wereld.  Alzo hebben de mensen alle redenen
om te geloven dat geesten geen schaduw hebben.



* * *

STAD


Ziehier het ontstaan van een stad: in het begin is er de handel;
er zijn mensen die zout, leder, graan en luxegoederen ruilen.
Zij die komen van verre plaatsen zetten de eerste blokken
van hutten in elkaar; daarna nog meer hutten met straten, kelders, pleinen,
toiletten en riolen tussen en onder hen.  Sommigen vinden er
werk voor henzelf door het fabriceren en verhandelen.
Als de duisternis valt, schieten restaurants en bordelen op uit het
verlangen van de mensen om zich te amuseren. Dat mondt uit in stadscivilisatie.
Het ontstaan van steden is verschillend van dat van dorpen: mensen
wonend in een dorp komen gewoonlijk uit één familie, waarbij ze
de vader als koning beschouwen (soms kan zich een dorp al eens ontwikkelen
tot een “stad”, maar in realiteit blijft het dan een uitvergroot dorp). Maar
een echte stad is een keuze vrijelijk gemaakt door mannen en vrouwen, die
voortkomen uit verscheidene families en stammen.  Een gemengde overlevering doet
ideeën en deugden ontstaan die zich later vertakken in scholen; ze brengt ook misdaad
en conflicten met zich mee die rechtbanken en gevangenissen vereisen.  Mensen moeten
compromissen sluiten om hun bestaan als een entiteit te bewaren.  Dan zal er op een
dag een vreemdeling arriveren.  Hij zet  zijn kleine valies neer, wandelt van de bar naar
het plein al blazend op de hoorn, en roept de verblufte toehoorders toe dat hij gekomen
is om het hoofd te worden van de stad als van de hemel gezonden; en de mensen zullen
hem moeten respecteren, beschermen en taksen betalen voor hem.



* * *

VUUR


Vuur kan geen vuur verlichten; wat verlicht wordt door het vuur is geen vuur.  Vuur
verlichtte Troje, vuur verlichtte het gezicht van Keizer Qing Sh; vuur verlichtte de
smeltkroes van de alchimist, vuur verlichtte leiders en massa’s.
Al deze vuren zijn maar een vuur – element, passie – die de logica voorafgaan.
Zarathroestra had maar half gelijk: vuur heeft te maken met het heldere
en het zuivere, als tegengestelden tot het duistere en het vuile.  Maar hij negeert het
feit dat het vuur geboren is uit de duisternis, en niet mag worden tegengesteld aan de
dood.  Omdat het vuur puur is, wordt het geconfronteerd met de dood; omdat het vuur  
exclusief is, wordt het al eens gezien als koudbloedig en kwaad.  Mensen zien
gewoonlijk het vuur als de geest van creatie, niet wetend dat het ook de geest is van
destructie.  Het vuur is vrij, vaderlijk en heilig: zonder vorm, zonder massa, stimuleert
het niet de groeivan gelijk welk leven, noch steunt het enig bestaand voorwerp.  Net als
zij vervuld van ambitie elke hoop moeten opgeven, moeten zij die het vuur omarmen
grote opofferingen dulden.


(Geplaatst op 30-06-2006)

Bron: The Drunken Boat

terug naar boven
Maghiel van Crevel)
Copyright © 2002/ 2009 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768