Copyright © 2002/ 2006: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken met
en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
XI CHUAN (CHINA) keuze en vertaling Henri Thijs
|
IN DE SCHADUW VAN CHAOS
Maghiel van Crevel is een autoriteit op het gebied van de moderne Chinese poëzie. In het
recente nummer van “The Drunken Boat” (vol.6, issues 1-11) wijdt hij in het Engels een
hele studie aan de historische achtergronden en de kenmerken van de hedendaagse
Chinese poëzie waarin Xi Huan een voorname rol bekleedt. Henri Thijs las, vertaalde en
parafraseerde enkele belangrijke passages uit die boeiende studie.
Xi Chuan (pseudoniem van Liu Jun, 1963), promoveerde aan de universiteit
met een proefschrift over Erza Pounds benadering van de klassieke Chinese
literatuur. Hij doceert thans internationale en Chinese literatuur aan het
Centraal Instituut voor Schone Kunsten in Beijing. Sedert 1985 heeft hij veel
gepubliceerd – vooral poëzie maar ook essays en vertalingen (Borges, Pound
en anderen) – en is hij uitgegroeid tot een belangrijke vertegenwoordiger van
de hedendaagse Chinese poëzie. In 1995 begon hij zijn reeks uitstappen naar
het buitenland met een lezing op het Rotterdamse internationale
Poëziefestival. En in 2002 nam hij deel aan het internationaal
schrijfprogramma van de Universiteit van Iowa. Zijn werk werd reeds in het
Nederlands, Frans, Japans en Spaans vertaald.
Xi Huans handelsmerk zijn in het algemeen lange prozagedichten. Het zijn
raadselachtige teksten die uitnodigen tot en tegelijkertijd verhinderen elke
interpretatie. Zij hebben iets van verhelderende poses die meestal opgedeeld
worden in afzonderlijke secties en stanza’s en zich ontplooien in een eminent
beschaafde en soms ook wel archaïsche syntax. Zijn bewust gekozen,
esthetiserende herhaling van sommige zinspatronen is schatplichtig aan oude
filosofisch-literaire teksten uit Oost en West, zoals Zhuangzi en Heraclitus, en
leent zich uitstekend voor analogie en contrast, spiegelbeeldvorming en
paradoxen. Bovendien hebben zij een medidatieve functie en willen zij
ernstige dingen onthullen over de identiteit, taal en menselijke conditie. Maar
er is meer. Bij nader toezien fluiten Xi Chuans woorden al de regels van het
zgn. narratieve en de logica gewoonweg weer weg om sierlijk op te gaan in de
wereld van de ambiguïteit, paradox en uitgesproken contradictie, of pseudo-
filosofie: tactloos, speels, aards gericht en gevoed door hun eigen muzikaliteit
of wat dan ook. De bedoeling is dat de beelden uiterst functioneel zijn en
woorden vangen, terwijl het omgekeerde eveneens aan de orde is. Natuurlijk
is dat onderscheid – noem het een van ‘vorm en inhoud’ – alles behalve
absoluut. Wat betreft de inhoud handelt zijn poëzie over een rijkdom van een
subjectieve materie, en haar verbeeldingskracht maakt gebruik van
gesofistikeerde literaire mechanismen. Een van hen is de metamorfose.
Maar deze laatste dekt niet volledig de lading van zijn boodschap. Het “ik”
blijkt een geestelijk taalkundig tussenpersoon te zijn, autonoom op zichzelf
dat wel, maar zonder een eigen terrein. Zwervend van een lichaam naar het
andere, zij het een mens of een beest, of zelfs God, kan het “ik” diverse
gezichtspunten innemen.
“Daarna ga ik over in mijn nageslacht en laat de regen testen of ik waterdicht
ben. Daarna in de regen en plens op het kale hoofd van de intellectueel.
Daarna in die intellectueel terwijl ik de wereld zijn handelswijze afwijst, raap
een steen van de grond en keil hem naar de onderdrukker. Daarna ga ik over
in een steen en de verdrukker op hetzelfde ogenblik: als ik geraakt wordt
door mijzelf zet dat mijn beide hersenhelften in rep en roer.”
(Uit: Wat de arend vertelt, vertaald naar het Engels van Maghiel van Crevel)
Buiten de metamorfose maakt hij, zoals elke dichter, ook gebruik van de
metafoor maar wel begrepen in de letterlijke betekenis van “transfert”.
Immers blijkbaar kunnen anderen dat even goed als het “ik”:
“Ik hoef maar te veinzen een arend te zijn, en een mens zal veinzen mijn ik
te zijn.”
En zelfs die keten van metamorfose en metafoor kan worden verbroken. Het
wereldbeeld van Xi Huan is immers te ambigu op alle vlakken en geeft
uitdrukking aan de sterk aanwezige vervaging van alle grenzen, zij het deze
tussen mens en dier, tussen leven en dood, tussen samenleving en individu.
Zeer mooi wordt deze gedachtegang verwoord in volgende parafrase:
“Tussen de mensen zijn er mensen die geen mens zijn, net zoals tussen de
arenden er arenden zijn die dat niet zijn: er zijn arenden die verplicht zijn op
en af te lopen door de gangen, en er zijn mensen die gedwongen zijn te
vliegen door de lucht.”
(Uit: Wat de arend vertelt, vertaald naar het Engels van Maghiel van Crevel)
Deze wisselwerking tussen individuen, dieren en begrippen en hun onderlinge
uitwisselbaarheid maakt deze poëzie zo boeiend en aantrekkelijk. De
vervaging tussen onze lotsgebonden overgeleverde waarden is hier constant
aan de orde. Het woord chaos wordt dan wel niet uitgesproken maar ligt dan
als een schaduw over deze verzen ontstaan uit het China van vandaag waar
verandering, metamorfose, vervaging en onderlinge inwisselbaarheid van
levensstandaarden het leven van elke dag bepalen.
VIER GEDICHTEN VAN XI CHUAN
vertaald naar het Engels van Inara Cedrins
VOGELS
Vogels zijn de hoogste wezens die wij kunnen zien met het blote oog.
Nu en dan zingen ze, vloeken of vervallen in stilte. Wij weten niets
over de hemel boven hen: dat is het rijk van de irrationaliteit
of van een reusachtig nihilisme. Alzo scheppen vogels de grenzen van onze
rationaliteit en het steunpunt van de kosmische orde. Er wordt gezegd dat
vogels de zonkunnen aanschouwen: waar wij daarentegen al na een seconde
duizelig daarvan worden en enkele seconden later zelfs blind kunnen worden.
Volgens de mythologie bood Zeus zichzelf aan als een zwaan om Leda te
neuken; God benaderde Maria in het beeld van een duif.
Er bestaat een regel in het Boek der Gezangen: “Hemel laat je zwarte
vogels neerdalen” en aldus ontstond de Shangdynastie.” al beweren
sommige experten dat deze zwarte vogel niets anders was dan de penis, maar
laat het ons daarbij laten. Er in slagen de wereld te bezitten als een vogel, is
een goddelijk privilege zoals een keizer zichzelf vermomt in een bediende
om een privaat bezoek af te leggen. Vandaar dat we mogen stellen dat God
wordt gebruikt om op ons neer te kijken, en dat vogels de bemiddelaars zijn
tussen aarde en hemel, ontmoetingspunten tussen de mens en god, en de
trappen, gangen die bijna goddelijkheden vormen. Eenden kopiëren het
uitzicht van vogels; vleermuizen vliegen op een vogelachtige wijze, en logge
kippen zouden “gedegenereerde engelen” kunnen genoemd worden. De
vogels waarvoor wij zingen – met hun grote veders en lichte beenderen - zijn
halfvogels:geheimzinnige schepsels, zaden van de metafysica.
* * *
SCHADUW
Naarmate ik groter word, begin ik een schaduw te produceren. Ik kan hem
niet negeren, tenzij hij opgaat in een andere, grotere schaduw – de nacht.
Maar wiens schaduw is de nacht? De aarde werpt zijn schaduw op de maan,
vandaar de maansverduistering: de maan werpt zijn schaduw op de aarde,
vandaar de zonsverduistering. Ieder van ons
leeft in de schaduw. Aan de andere kant van de schaduw ligt het vuur, en de
schaduwgeeft ons alleen maar een basis voor het meten van de zon. In het
dagelijkse leven, omdater maar een zon is, kan niets meerdere schaduwen
hebben; wat onze zielen betreft, is de schaduw de totale som van verlangen,
egoïsme, angst, ijdelheid, jaloezie, wreedheid en dood. Schaduw schenkt de
dingen een realiteit. Om een ding te ontdoen van zijn realiteit, moet men het
ontdoen van zijn schaduw. De zee heeft geen schaduw; daarom voelt zij aan
als een illusie. Voorwerpen in onze dromen hebben geen schaduw; daarom
vormen zij een andere wereld. Alzo hebben de mensen alle redenen om te
geloven dat geesten geen schaduw hebben.
* * *
STAD
Ziehier het ontstaan van een stad: in het begin is er de handel;
er zijn mensen die zout, leder, graan en luxegoederen ruilen.
Zij die komen van verre plaatsen zetten de eerste blokken
van hutten in elkaar; daarna nog meer hutten met straten, kelders, pleinen,
toiletten en riolen tussen en onder hen. Sommigen vinden er
werk voor henzelf door het fabriceren en verhandelen.
Als de duisternis valt, schieten restaurants en bordelen op uit het
verlangen van de mensen om zich te amuseren. Dat mondt uit in
stadscivilisatie.
Het ontstaan van steden is verschillend van dat van dorpen: mensen
wonend in een dorp komen gewoonlijk uit één familie, waarbij ze
de vader als koning beschouwen (soms kan zich een dorp al eens ontwikkelen
tot een “stad”, maar in realiteit blijft het dan een uitvergroot dorp). Maar
een echte stad is een keuze vrijelijk gemaakt door mannen en vrouwen, die
voortkomen uit verscheidene families en stammen. Een gemengde
overlevering doet ideeën en deugden ontstaan die zich later vertakken in
scholen; ze brengt ook misdaad en conflicten met zich mee die rechtbanken
en gevangenissen vereisen. Mensen moeten compromissen sluiten om hun
bestaan als een entiteit te bewaren. Dan zal er op een dag een vreemdeling
arriveren. Hij zet zijn kleine valies neer, wandelt van de bar naar het plein al
blazend op de hoorn, en roept de verblufte toehoorders toe dat hij gekomen
is om het hoofd te worden van de stad als van de hemel gezonden; en de
mensen zullen hem moeten respecteren, beschermen en taksen betalen voor
hem.
* * *
VUUR
Vuur kan geen vuur verlichten; wat verlicht wordt door het vuur is geen vuur.
Vuur verlichtte Troje, vuur verlichtte het gezicht van Keizer Qing Sh; vuur
verlichtte de smeltkroes van de alchimist, vuur verlichtte leiders en massa’s.
Al deze vuren zijn maar een vuur – element, passie – die de logica voorafgaan.
Zarathroestra had maar half gelijk: vuur heeft te maken met het heldere
en het zuivere, als tegengestelden tot het duistere en het vuile. Maar hij
negeert het feit dat het vuur geboren is uit de duisternis, en niet mag worden
tegengesteld aan de dood. Omdat het vuur puur is, wordt het
geconfronteerd met de dood; omdat het vuur exclusief is, wordt het al eens
gezien als koudbloedig en kwaad. Mensen zien gewoonlijk het vuur als de
geest van creatie, niet wetend dat het ook de geest is van destructie. Het
vuur is vrij, vaderlijk en heilig: zonder vorm, zonder massa, stimuleert het niet
de groeivan gelijk welk leven, noch steunt het enig bestaand voorwerp. Net
als zij vervuld van ambitie elke hoop moeten opgeven, moeten zij die het vuur
omarmen grote opofferingen dulden.
(Geplaatst op 30-06-2006)
Bron: The Drunken Boat
terug naar boven
