Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
JEFFREY WAINWRIGHT (BRITSE
POËZIE)
keuze en vertaling: Henri Thijs
BIOSCHETS  door Henri Thijs

De Britse dichter en hoogleraar Jeffrey Wainwright werd geboren in 1944 te Stoke-on-
Trent en studeerde aan de universiteit van Leeds. Hij was enkele jaren hoogleraar aan
de universiteit van Wales en doceert nu nog altijd poëzie en creatief schrijven aan de
Manchester Metropolitan Universiteit. Hij is ook een fervent vertaler van Franse
drama's o.a. voor de Royal Shakespeare Company en de BBC-radio. Tevens schrijft
hij toneelkritieken voor de Independent. Hij publiceerde tot op heden 5 poëziebundels,
nl.
- Out of the Air (Carcanet Press, 1995)
- The Red-Headed Pupil (Carcanet Press, 1994)
- Selected Poems (Carcanet Press, 1985)
- Heart's Desire (Carcanet Press, 1978)
- The Important Man (Northern House Pamphlet Poets, 1971)
Gedichten van zijn handen werden ook opgenomen in verschillende bloemlezingen in
het Verenigd Koninkrijk, Australië en de U.S.A. (o.a. in The Penguin Book of
Contemporary British Poetry waaruit Henri Thijs het gedicht 1815 koos en vertaalde).
Zijn werk werd ook vertaald in het Frans, Duits, Tsjechisch en Pools. Hij schreef ook
menig kritish artikel over hedendaagse poëzie en dab vooral met betrekking tot deze
van Geoffrey Hill en Tony Harrison waarmee hij zich poëtisch verwant voelt. De
dichter woont en werkt nu in Manchester.


GEDICHTEN VAN JEFFREY WAINWRIGHT

GEDICHT 1815
uit: "Heart's Desire" (1978)


1. HET MOLENMEISJE


Boven haar gezicht
staren dode karpers
vertikaal uit het kanaal.
Water vult haar oren,
haar neus en open mond.
Bovengekomen duwen
haar bloedloze vingers
op de drogende kieuwen.
De graven hebben geen
voetbreedte ruimte.
Leerjongens, zifters, spinners
vullen ze op recht van hun werk
gezamenlijk als rook.
Waterlo is nu een rage;
kolen en ijzer en wol
hebben het Engels wonder geleverd.

(THE MILL GIRL)


2. EEN ANDER DEEL VAN HET VELD


Doden aan alle kanten-
gevallenen-
de kloeke, roze ploegjongens
zwellen uit hun uniformen.
De appelbomen,
voorheen uitbundig getooid,
wiegen ontmanteld over hun hoofden.
"De Franse cavalerie
kwam sterk op, My Lord."
"Ja. En ging even sterk
ten onder.
Onder de voet gelopen als schildpadden.
Onze musketten hebben hun witte buiken
goed bediend."
Geen vliegen op Wellington.
Zijn schrandere geest zit
rechtop in het zadel en draaft voorbij.

(ANOTHER PART OF THE FIELD)


3. EEN GEWICHTIG MAN


Gestoord door zijn vrouw
bij een goed diner,
haast de sluiswachter zich
naar zijn grote waterdam
om het nieuwe lijk binnen te loodsen.
Een schipper, roepend om een doorgang,
strompelt over de uitstekende randen
van de sluisdeur,
alsmaar de traagheid
van het water verwensend.
De sluiswachter leunt voorover en
trekt haar met zijn blote handen naar boven.
Haar witte ogen, naar boven gerold,
blijven staren.
Hij is een gewichtig man nu.
En neemt zijn taak weer op:
het water vloeit bergop.

(THE IMPORTANT MAN)


4. DOOD VAN DE MOLENAAR


Nadat hij de zwarte aarde
van een aardappelstruik heeft geschud,
gaat de tuinier
naar de keukendeur.
De bomen rammelen
hun lege takken bij elkaar.
Boven is de oude man
verrast.
Zijn vet lijf balt tesamen -
afgestorven
door wat gebeurt.

(DEATH OF THE MILL-OWNER)


THOMAS MÜNTZER
uit: Heart's Desire

Thomas Müntzer was een protestantse hervormer in de vroege jaren van de
Duitse Reformatie. Hij was een radicale visionair zowel op religieus als op
politiek gebied voor wie religieuze ideeën en experimenten moesten worden
geïntegreerd in het principe van de sociale revolutie. Rondtrekkend door
Duitsland al predikend en schrijvend, en voortdurend in conflict met de
autoriteiten, leidde hij de strijd van het gewone volk tegen de monopolies van
rijkdom en ontwikkeling. In 1525 in de Boerenoorlog, leidde hij een leger tegen
de prinsen dat glorieloos werd verslagen in Frankenhausen. Müntzer werd
gevangen genomen en geëxecuteerd.

I

Net boven de plaats waar mijn huis staat op een helling
Is er een vijver, een nagelaten hol van de mijn dat nu,
Bewegingloos en geheimzinnig begroeid is met onkruid.
Soms bij heldere nachten spreid ik mijn armen wijd open
En scheer dan, stram maar perfect, op een duim hoogte over het Oppervlak van deze
vijver.
Bij het landen heb ik slechts een, twee druppels water
Op mijn baard. Het verbaast mij hoe vlug
Ik een vlieger ben geworden, een wandelaar in de lucht.


II


Ik zie mijn broeder kruipen in het bos
Op zoek naar slakkenschelpen. Dit is geen
visioen. Kijk aandachtig en je zult kunnen zeggen
Hoe hij wordt gevangen in de wortels van een boom
Wiens lange takken zich uitspreiden en tuiniers, wandelaars,
Handelaars
En advokaten, juweliers en bisschoppen,
Kardinalen, kamerheren, edele prinsen
En een na een koningen, paus en keizer dragen.


III


Ik voel hoe de ware aarde tegen mij is.
Nacht na nacht komt zij in mijn slaap
En stort stenen op mijn velden.
Ik lig heel de zomer op de loer naar haar
Uitgespreid als een kleed over de aarde.
En dan opeens
Is ze van mij en de lijsterbes bloeit -
Zijn zwarte wortels zwemmen uit en duiken om haar te Bedwingen -
Zijn rood bloed kraakt in de lucht en redt mij.


IV


Hoeveel dagen zocht ik in mijn boeken
Naar zo'n kracht, gebukt als een vogel onder
Mijn dak en verloren voor de wereld ?
Geleerden beweren dat God niet meer spreekt met
Ons Mensen - alsof hij doof geworden is, en zijn tong heeft Verloren,
(uitgesneden voor het stelen van een haas of een vis?)
Nu ontplof ik - uit deze enge woning,
Mijn geest brutaliseert handen stroopt mijn hele lichaam
Hen verwensend om hun vlees en hun kennis –


V


dran dran dran wij hebben het zwaard - de puurheid
Van het metaal - de schoonheid van het lekkend bloed.
Verspild wordt het ververst, het ververst ook
De ziel die wanneer we ze omkeren, een paradijs
Zal worden voor ons verlost van al die maden
En hun blinde kroost. Zij zullen ronddwalen
En je smeken: "Waarom gebeurt dat met ons?
Vergeef ons Vergeef ons", terwijl ze nu om
Genade vragen, een nieuw zoethoudertje dat ze
Hebben leren smaken.


VI


Zo zie je hoe ik ben - Müntzer:
"O bloeddorstige man" die geen lucht ademt
Maar vuur en slachting, een ware fantast -
"Een man geboren voor ketterij en schisma",
"Deze grootste leugenaar onder de mensen", " een dolle hond".
En dat alles omdat ik spreek en zeg: God maakte
Alle mensen vrij met Zijn eigen bloedvergieten.
Blijf allemaal volgzaam. Deel het kwaad.
Zo vind ik dat ik een God ben, zoals alle mensen.


VII


Hij onderwijst de tuinier vanuit zijn bomen
En de visser met zijn vangsten, zelfs
De goudsmid met het waarmerken van zijn goud.
In de vijver kleedt het koude, dikke water mij.
Ik leef met de angstige snip, kevers
En schaatsers, de snoek lacht en vergezelt mij.
Wij werken samen zonder afgunst.
Voel je eigen werk en de simpele wereld.
In deze ongerepte schepsels zingt de echte gospel.


VIII


Ik bezit twee gulden voor een hele winter;
Ik vraag gezelschap en voedsel aan bedelaars,
De allerarmsten, dezen die ik het meest
Edel vind... ik ben verliefd op een meisje
En durft het haar niet te vertellen...zij maakt
Van mij weer een jongen - ziek en met uitgedroogde mond.
Hoe vaak heb ik je verteld dat God enkel komt
In een staat van kennelijke verlatenheid. Dit is de
Ellende van mijn verbanning - Ik werd daarvoor uitgekozen.


IX


Mijn zoon zal niet slapen. Het geluid
En elk bewegend deel van de wereld
Pendelen rondom hem, en doen hem ernaar kijken,
En geven hem - nog maar vier jaar oud! - geen rust.
Hij beweegt zich rustig in zijn eigen voornemens
Maar blijft nu vreugdeloos. Er valt geen plezier
Meer te beleven. En hij weet dat en heeft zich
Erbij neergelegd. Bij zijn doopsel kleedden wij hem in het wit
En gaven hem zout als teken van zijn wijsheid.


X


Ik ben wit en gebroken. Ik kan nauwelijks uitbrengen
Wat ik wil zeggen, en dat is: Ik geloof in God...
In Frankenhausen bloeide zijn beloofde regenboog
In de hemel open, zijdeachtig en zo onverschrokken dat
Niemand hem kon mislopen. Toen ik hem daar zag
Dacht ik dat ik hun kogels met mijn handen vangen kon.
Een artikel van vertrouwen. Ik werd gevonden in bed
En naar hier gebracht voor een vriendelijke
Ondervraging. Zij vroegen me wat ik geloofde.


XI


Hun ruiters rijden over onze oogsten en trappelen
De wortels uit de grond. Zij vergiftigen bronnen
En gooien vuur in de holen waar mensen schuilen.
Een oude vrouw kruipt naar buiten. Zij bloedt
En huilt zodanig dat zij willen zeggen dat het hun spijt
En bereid zijn haar te verplegen. Zij wil niet
Meegaan met hen. Zij worstelt zichzelf vrij. Ik zie het
Ik zie het - zij is ten dode opgeschreven...
Dit is de glinsterende nacht waarin wij waken.


XII


Ik lig hier al een paar uren, nog steeds gekleed
In mijn externe leven, vlees dat ik heb geprobeerd
Zuiver te maken, en een schavot van beenderen.
Ik wilde afzien van elke belangstelling ervoor.
Affectie te voelen voor mijn eigen bevingerd
Lichaam en hersenen is een luxe.
Geschiedenis, die Eeuwig Leven is, is wat
We moeten eren. Statisch betraande
progressie ...je hebt gezien hoe ik ervoor heb.geweend

(THOMAS MÜNTZER, for David Spooner)

terug naar boven