Voorbij de grenzen van oost en west:naar een cultuur van de toekomst

Telkens als ik het woord "grenzen" hoor, voel ik dat woord meteen veranderen in ketenen, die
ik diep in mijn binnenste kan horen rinkelen. Ik schep dan voor mezelf een beeld van "grenzen"
zoals die zich in tijden van oorlog manifesteren - in de vorm van prikkeldraad. Ik zie dan
meteen ook hoe dat prikkeldraad zich verspreidt in de geest en in de gemoederen van mensen,
net zoals echt prikkeldraad zich uitstrekt over de grond. En dat beeld slaat me dan ook telkens
weer met verbijstering.

Een eerste stap om de grenzen tussen mij en mijn innerlijke zelf te verwijderen, bestond erin
het woord "grens" niet langer te beschouwen als een muur of als een einde, maar eerder als
een venster: als een vertrekpunt voor een ander pad, voor een andere soort kennis, een andere
zoektocht, een andere verbondenheid. Geleidelijk aan ontstond binnen in mij een kant die
buiten het bereik van de grens en de begrenzing ligt, een kant die tegenover het innerlijke zelf
staat, die het innerlijke zelf aankijkt. Deze "andere kant" is de andere, mijn ander. Mettertijd
stond deze andere - gelegen ver buiten de grenzen die mij omringen en beperken - niet langer
voor verdeeldheid, voor confrontatie of voor oppositie. Integendeel: de ander verwees
geleidelijk aan meer naar harmonie, naar vervollediging en naar eenheid.

Ik ben verder geëvolueerd door een volgende stap te zetten, die alles te maken had met mijn
lectuur van Arabische poëzie. De oude Arabische dichters legden niet de nadruk op het
geografische kader van het vaderland, maar wel op de menselijke betekenis ervan. Het
vaderland is een plaats die - in de woorden van de 10e eeuwse dichter al-Mutannabbi - "de
glorie doet ontluiken". Of in moderne bewoordingen: een plaats waar de mens kan leven in
waardigheid en vrijheid. Aan deze uitdrukking kunnen we een uitspraak koppelen die wordt
toegeschreven aan de imam Ali, de vierde van de rechtgeleide kaliefen, waarin deze zegt:
"Geen enkel land heeft, op zich, meer waarde of meer betekenis voor jou dan een ander. Wat
jou heeft voortgebracht en gemaakt heeft tot wat je bent, dat is het beste land." Deze regels
tonen aan dat de problematiek van de "verbondenheid" in wezen niet kan worden begrepen in
termen van geografische grenzen, maar wel in termen van menselijke waarden. Het vaderland
van de mens is geen plek. Het is niet louter een plaats of een locatie. De mens zelf is het
vaderland van de mens. De mens kan niet behoren tot een vaderland als dit vaderland hem
niet op zijn beurt toebehoort.

Vanuit dit startpunt is dan mijn verlangen naar het grensoverschrijdende gegroeid - en met dat
grensoverschrijdende verwijs ik zowel naar materiële als naar geografische of
intellectueel-culturele grenzen en begrenzingen.

We weten allemaal dat de cultuur van vandaag sterke veranderingen heeft ondergaan ten
gevolge van economische, sociale en politieke factoren. Die veranderingen worden nog
geïntensifieerd en versterkt door de media - door de pers, de radio, de televisie, het internet.
Hierdoor worden de verhoudingen tussen de getrouwheid aan het erfgoed - de traditie - en de
creativiteit, tussen de eigen identiteit en de interactie tussen verschillende identiteiten,
tussen het eigen zelf en de ander steeds complexer. De wereld waarin wij leven en die wij
willen veranderen om de weg te effenen voor de mens van de toekomst bestaat immers uit
verschillende landen, en dus uit verschillende identiteiten en verschillende culturen. Werken
aan de mens van de toekomst plaatst ons dan ook voor tal van obstakels en moeilijkheden. In
principe is het onmogelijk om culturen te definiëren op een globaal en universeel niveau. Er
bestaat dan ook geen universeel cultuurmodel dat cultuuroverschrijdend is in een wereld die
nog steeds een wereld is van naties. Naties verheerlijken immers altijd hun eigen cultuur en
spitsen zich toe - en staren zich blind - op de identiteit die uit deze cultuur ontstaat of ermee
verbonden is. Van daaruit is het bijzonder moeilijk, zoniet onmogelijk, om de mens van de
toekomst te definiëren. Onvermoeibaar herontdekken de individuele naties, elk binnen de
grenzen van het eigen bewustzijn en de eigen aspiraties, hun eigen mythologieën, hun eigen
symbolen, een eigen historisch geheugen en een eigen gouden tijd. Bovendien zijn alle naties
doodsbenauwd dat hun eigen nationale cultuur zal worden uitgewist - vooral omdat de
mondiale economische trend - of eerder de aard van de globalisering die eruit voortvloeit -
deze naties angst inboezemt. In de praktijk lijkt de globalisering immers een bedreiging te
zijn, die wel eens het einde van de nationale culturen zou kunnen betekenen.

Wij moeten ons dan ook de volgende vraag stellen: heeft de technologie van vandaag - of,
juister gezegd, de problematiek van de technologisch-economische globalisering - haar wortels
in een humaan en emancipatorisch project dat de komst van de mens van de toekomst inluidt?
Of gaat het in tegendeel om een project dat er uitsluitend op gericht is de wereld om te
vormen tot een "global village", tot één economische markt? Als dat laatste klopt, dan is de
globalisering niets anders dan een nieuw obstakel voor de cultuur van de toekomst en voor de
mens van de toekomst.

Er bestaan dus twee paradoxen. In een eerste paradox zien we dat de menselijke universaliteit
vernietigd kan worden in naam van een pseudo-universalisme: het universalisme van de markt.
Een tweede paradox bestaat erin dat elk land en elke natie nood heeft aan culturele eigenheid
om een eigen, specifiek mensbeeld te kunnen uitbouwen. De autonomie en de eigenheid van
de culturele identiteit van een bepaald land zijn immers de voorwaarden die het mogelijk
maken dat een land zichzelf opbouwt, dat het andere landen op een harmonische wijze
tegemoet treedt en dat het opgaat in - en deel gaat uitmaken van - een universeel weefsel,
een weefsel van pluriformiteit en diversiteit. Hoe zou een entiteit die niet één is in zijn eigen
identiteit, pluriform en divers kunnen worden? En hoe zou zo'n entiteit in een harmonische
verhouding kunnen staan tot andere entiteiten?

Het is onmogelijk de identiteit veilig te stellen door een beroep te doen op allerlei vormen van
repressie, tirannie en isolationisme, zoals dat vandaag in een aantal landen het geval is. Komt
de culturele identiteit echter in het gedrang ten gevolge van de technologisch-economische
globalisering, dan leidt dat op zijn beurt tot de culturele verschraling van de wereld, tot
culturele desertificatie, tot voortschrijdende woestijnvorming. Die culturele verdorring is dan
het gevolg van het feit dat "de ene cultuur" - de globale en globaliserende monocultuur - haar
hegemonie uitbouwt en een allesomvattende tirannie en onderdrukking installeert. In dat geval
dreigt de wereld omgevormd te worden tot een globale gevangenis.

Natuurlijk hoeft identiteit op zich geen hinderpaal te zijn voor openheid en verbondenheid.
Integendeel: de eigen identiteit is zelfs een voorwaarde voor die openheid en verbondenheid.
Wie geen eigenheid heeft, heeft ook geen andersheid. Hoe meer we waken over onze identiteit
en onze eigenheid, hoe meer ruimte we krijgen voor openheid en verbondenheid, en hoe
steviger diversiteit in onze eigen cultuur verankerd kan geraken. Als die voorwaarden echter
onvervuld blijven, dan leidt openheid tot capitulatie. Culturele uitwisseling wordt in dat geval
verengd tot ondergeschiktheid en onderdanigheid. Als er onvoldoende aandacht is voor de
eigen identiteit dan leidt de interactie tussen culturen ertoe dat bepaalde culturen verpulverd
worden en verkruimelen.

We kunnen de overstap naar een andere cultuur slechts maken door te vertrekken vanuit één
bepaalde cultuur. Deze overstap betekent natuurlijk niet dat we de eerste cultuur uitwissen,
maar wel dat we beide culturen met elkaar verbinden. Om de ander te kunnen worden, moet je
eerst "een zelf" zijn - moet je eerst jezelf zijn. Dit gegeven wordt geobjectiveerd in de taal.
Elke mens heeft een taal. Je zou dus kunnen zeggen dat de mens per definitie taal is. Aan
deze taal kan men niet zomaar voorbijgaan, men kan deze taal niet uitwissen. Het mysterie
van de taal is echter istmisch van aard, waarmee ik bedoel dat het zich in een
overgangsgebied bevindt. Op het eigenste moment waarop taal verdeelt, zorgt taal ook voor
vereniging. Taal is een instrument van verdeeldheid door middel van haar letters en haar
uitspraak. Maar taal is ook een element van vereniging door middel van de ideeën die door
deze letters overgebracht worden, door middel van de horizonten die deze ideeën openen, en
door middel van de relaties waarvoor zij de basis leggen.

Elke taal neemt een eigen, aparte en afgescheiden plaats in, in de zin dat zij uitgesproken
wordt, dat zij niet alleen "taal" maar ook "spraak" (speech) is. Als "spraak" kan een taal blijven
waken over de menselijke verhoudingen tussen identiteit/eigenheid aan de ene en
verschillendheid/andersheid aan de andere kant. Maar taal is tegelijk ook een istme: ze kan
alleen tot volledigheid, tot volheid komen door de overstap te maken naar de andere zijde, van
deze naar gene zijde. In die overstap naar het andere, naar de ander, van deze naar gene zijde
ligt de migrerende kracht, de migrerende dynamiek van taal besloten. Het migrerende karakter
van de taal zorgt er ook voor dat ook de creaties in deze taal migreren. Dit impliceert meteen
ook dat de cultureel-creatieve identiteit van een taal ook een migrerend karakter heeft: hoe
rijker en hoe menselijker deze identiteit, hoe minder zij zich aan grenzen gelegen laat en hoe
beweeglijker zij migreert. Taal kan alle grenzen overstijgen. Taal overstijgt dan ook de
nationale en geografische grenzen en beperkingen. Op haar beurt overstijgt ook de identiteit
de verbondenheid met een afstamming of met een geografisch gebied - en zo kan identiteit
grenzeloos en onbegrensd open staan voor andere identiteiten.

Een culturele identiteit moet dan ook een migrerende identiteit zijn, die over alle grenzen heen
stapt. Een culturele identiteit die niet migreert en niet migrerend is, is alleen maar primitief en
blind. In de diepste definiëring van zijn identiteit is de mens een "taal". Als dusdanig is hij ook
een lichaam dat deel uitmaakt van een groep - een taalgroep - waaruit hij zich niet kan
losmaken. Hij is, met andere woorden, onlosmakelijk verbonden met en gebonden aan een
geheel van relaties, aan zijn geboorte en zijn groei, verbonden met en gebonden aan relaties
met het leven en de natuur. En als dat zo is, dan is de mens, als creatief scheppend wezen,
iemand die zijn allereerste verbondenheid - in zijn begrensd vaderland - overstijgt en de
overstap maakt naar elk ander mens op elke mogelijke plaats, over alle grenzen heen. Zijn
verbondenheid met een idee buiten de eigen specifieke grenzen kan zelfs nog krachtiger zijn
dan zijn verbondenheid met een idee binnen deze grenzen. Dat is wat de menselijke
creativiteit zo bijzonder maakt.

Creativiteit heeft dan ook geen eigen vaderland, geen eigen natie die haar verbondenheid met
alle andere naties of vaderlanden teniet kan doen. Het vaderland van de creativiteit is een
open territorium, het is de bestemming waar de creativiteit aankomt, het is de plek die de
creativiteit ontvangt en draagt, ongeacht de geografische locatie. Voor het denken van de
mens, voor de mens als idee is er geen enkel land dat waardevoller is, dat meer waarde heeft
dan een ander land.

Kort samengevat: creativiteit, dus cultuur, kent geen grenzen. Creativiteit bevrijdt niet alleen
"de geest", zij bevrijdt ook "het lichaam". Creativiteit is een horizon waarin geen plaats is voor
grenzen die afgebakend moeten worden of die zich moeten aftekenen. Het is een eindeloze
horizon die openstaat voor het oneindige. Alleen onwetendheid heeft een vaderland, of, om het
met de woorden van Alphonse de Lamartine (1790-1869) te zeggen: " L'égoïsme et la haine
ont seuls une patrie: la fraternité n'en a pas ". Alleen egoïsme en haat hebben een vaderland,
broederlijkheid niet.
Het voorvoegsel "trans-" is vandaag het levenssap dat de cultuur en de mens tot leven kan
brengen. Het is een voorvoegsel, een prefix dat niet uitwist wat het overstijgt, maar het in
beweging zet en het in een andere baan brengt. Het bevestigt wat het overstijgt, door het een
andere existentie te geven - een andere existentie en een andere betekenis. De cultuur van dit
prefix kan onmogelijk een cultuur zijn die op uitwissen of op uitvlakken gericht is. Per definitie
is deze "trans-"cultuur het tegengestelde van de globalisering in haar markttechnologische
expressie. Elke cultuur die uitwist is een inhumane cultuur. Zulk een cultuur vindt haar
identiteit dan ook alleen buiten de mens, zonder de mens, los van de mens. Zij heeft alleen de
leegte als vaderland. Hetzelfde geldt voor mensen, voor personen. Een persoon die zichzelf
voorstelt, die zichzelf aandient als "ontworteld" kan dan ook geen toekomst opbouwen.
Ontwortelde mensen kunnen immers geen "denkend riet" zijn, geen "roseau pensant", zoals
Pascal zei. Zij zijn slechts ontworteld en "verdord riet".

De mens die de weg vrijmaakt voor de komst van de mens van de toekomst, is een mens die
ervaart dat hij vastzit aan zijn wortels, maar die tegelijk ook een sterke verbondenheid voelt
met anderen en open staat voor het onbekende. Hiermee bedoel ik dat deze mens er met heel
zijn wezen naar streeft om een gemeenschappelijke toekomst op te bouwen voor de hele
mensheid, zonder dat hij erin wegsmelt, zonder dat hij er zijn eigen identiteit bij - of in -
verliest. Hij moet immers deelgenoot blijven zowel van de verscheidenheid als van de eenheid.
In de Arabische verbeelding bestaat er een onbekende wereld - zelfs binnen in de bekende en
bewoonde wereld. In deze verbeelding is het alsof een stad twee aspecten heeft. Eén aspect is
zichtbaar, een ander onzichtbaar. Eén aspect van de stad is bekend, zit aan de oppervlakte en
gehoorzaamt aan de wetmatigheden van een organisatiepatroon. Het tweede aspect is
onbekend en gehoorzaamt aan de kracht van de verbeelding. De mensen kennen deze "tweede
stad" aan de hand van hun dromen, hun verbeeldingskracht, hun intuïties en hun
verwachtingen. De mensen zijn zodanig met deze tweede stad vertrouwd dat zij hen als een
"bewoonde stad" voorkomt. Voortdurend komen er mysterieuze menselijke wezens naar buiten
en gaan weer naar binnen - in de vorm van djinns, engelen, tovenaars, geliefden, gekken, en
Sindbad-achtige avonturiers; allen op zoek naar het vreemde en het ongewone.

De identiteit van deze onderwereldse of onzichtbare stad die continu in beweging is, lijkt haar
componenten niet te ontlenen aan beginperiodes of aan wortels, maar aan wat nog komen
moet - aan de toekomst waarop ze hoopt, waarnaar ze streeft en die ze zich verbeeldt.
Deze "tweede stad" belichaamt een dynamiek waarmee men uit het eigen zelf kan treden - op
weg naar een ontmoeting met de ander, met een andere persoon of een ander ding. Bij een
dergelijk uit-het-zelf-treden verliest men zichzelf niet, gaat het zelf niet verloren in de
ontmoeting met het vreemde. Integendeel zelfs: het zelf verandert en vernieuwt zichzelf. Als
een wezen uit zijn zelf treedt, als een entiteit uit zijn identiteit treedt, dan gaat het noch als
wezen, als entiteit, noch als zelf, als identiteit verloren. Het omgekeerde is waar: zowel het
wezen - de entiteit - als het zelf - de identiteit - krijgen meer tegenwoordigheid. Ze groeien
allebei en komen in een nieuw licht te staan: in nieuwe onderlinge verhoudingen.
In het Arabische mystieke denken bestaat er een concept dat zich concentreert rond de idee
van de volmaakte mens. Deze volmaakte mens blijft niettemin in staat tot een grotere graad
van perfectie, net als het universum dat geen eindpunt kent. Deze volmaakte mens is
universeel: hij overstijgt zijn persoon die een specifieke verbondenheid tot de dingen heeft.
Tegelijkertijd overstijgt hij de andere, de gelijkaardige. Zo wordt hij een nieuw en ander mens:
de kwintessens van het universum, met zijn zichtbare en zijn onzichtbare zijde. Dit gebeurt
echter binnen in een identiteit die heel het universum - God dus - omvat. Met andere woorden:
het speelt zich af binnen in het centrum of het hart van de eenheid tussen mens, universum en
God - dus binnen de eenheid van de existentie, binnen de eenheid van alles wat bestaat.
Een cultuur die transcultureel is kan het pad effenen voor de komst van deze volmaakte mens:
de mens van de toekomst, de mens die de kwintessens zal zijn van het universum. Eén en
ander voltrekt zich echter binnen een universele identiteit die eindeloos openstaat, en die zijn
perfectie kan bereiken dankzij de dynamische kracht van de creativiteit - niet om de existentie
/ het bestaan te vermenselijken, maar integendeel om God en het universum te vermenselijken.

Uit deze culturele klei, die culturen doorkruist en ze overstijgt, zal de cultuur van de toekomst,
de mens van de toekomst, de volmaakte mens geboren worden.

Ik vind in al-Andalus een historisch vertrekpunt: al-Andalus was het prototype van de cultuur
van de toekomst. Vandaag is er volgens mij één woord waarmee ik al-Andalus het best kan
omschrijven. Het is een woord dat al-Andalus zelf heeft uitgevonden: de muwashshah. De
muwashshah is een dichtvorm die ontstond in al-Andalus aan het einde van de 9e /3e eeuw en
wordt gekenmerkt door een strofische opbouw. Kenmerkend is verder dat de muwashshah
naast het hoofddeel in klassiek Arabisch ook een kharja heeft: een einde in de volkstaal, die
zowel Arabisch als Romaans kan zijn. (Noot van de vertaler) Net als deze muwashshah was
ook al-Andalus op menselijk en cultureel vlak een smeltkroes van verschillende en toch
harmonieuze componenten. Het was verscheiden en toch één. Al-Andalus was de wereld, die in
een soort van hybride mengvorm gebracht werd, zowel op vormelijk als inhoudelijk vlak. In
alles wat al-Andalus voortbracht op het vlak van filosofie, wetenschap en kunst ontmoetten
drie horizonten elkaar: een joodse horizon en een christelijke horizon naast de
Arabisch-islamitische horizon, die in dit geval als onderbouw, als fundering, gold. Zo kon
Al-Andalus de grenzen overstijgen van taal en van culturele of etnische afkomst. Al-Andalus
was met andere woorden het vaderland van het zelf én van de ander. Op die manier legde het
ook de basis voor een idee dat baanbrekend zou blijken: de idee dat men het vaderland moet
ontdoen van zijn grenzen, of juister van zijn grens-karakter, zodat het (her)opgericht kan
worden in en als een ruimte van vrijheid. Een vaderland voor de mens moeten we niet zoeken
in een geografie die afgelijnd wordt door grenzen, maar wél in een geografie die bepaald wordt
door vrijheid. Als men het concept "vaderland" ontdoet van zijn grens-karakter, beschikt men
over de vrije wil om dit vaderland te kiezen. Dan is iemands vaderland niet langer bepaald door
geboorte. Dat is wat ik bedoel met een vertrekpunt voor een nieuw denken op universeel
niveau, een denken met nieuwe kenmerken.
Vandaag wint dit vertrekpunt nog aan belang omdat er een nieuw fenomeen bij betrokken is.
De culturele eenheid van landen valt immers niet langer samen met de politieke eenheid van
die landen. De culturele eenheid primeert nu op de politieke eenheid; de culturele eenheid
heeft de politieke eenheid achter zich gelaten. Terwijl er nog steeds politieke grenzen zijn die
de mensen van elkaar scheiden en gescheiden houden, beginnen culturele grenzen daarentegen
mensen te verenigen, samen te brengen en één te maken. Niettegenstaande de verschillen
tussen mensen, en de verscheidenheid van de culturen waartoe zij behoren.

De beweging die zich vandaag op creatief vlak voordoet - in de poëzie, de literatuur en de
kunst - is een onderdeel van een constant wordingsproces dat de taalkundige en
volksverbonden sfeer overstijgt en zich afspeelt in een universele sfeer. De creativiteit
beweegt zich tussen het geworteld zijn en de ontworteling, tussen het vaderland van de
geboorte en het vaderland van de migratie, tussen de vervreemding in het vaderland van het
zelf en de vreemdheid in het vaderland van de ander. Het is daar dat de creativiteit haar
hoogtepunt kan bereiken, of het nu om allochtone of autochtone creativiteit gaat. Vooral de
allochtone uiting van creativiteit kan de notie kracht bijzetten dat er een uitweg mogelijk is uit
de kunstvormen die gevangen zitten in nationaal-politieke grenzen; een uitweg naar
kunstvormen met een universeel karakter. Dat betekent hoegenaamd niet dat deze kunsten
zich moeten onttrekken aan hun taalkundige, culturele en menselijke wortels.
In deze nieuwe werkelijkheid ontstaan kunstwerken, gecreëerd door mensen die in de periferie
leven, die zich tegelijk binnen en buiten de verschillende culturen bevinden. Politiek gezien
bevinden zij zich op de rand, maar cultureel gezien bewonen zij tegelijk hun eigen taal én
andere talen. Politiek gezien worden zij gemarginaliseerd, maar cultureel gezien situeren ze
zich in het échte centrum, dat gekenmerkt wordt door universaliteit en artistieke creativiteit.

Als ik even terugkeer naar mijn vertrekpunt - al-Andalus - kunnen we vaststellen hoe in de
wereld vandaag een cultuur ontstaat, waarvan de grenzen en de talen in elkaar overvloeien.
Het is een transpolitieke cultuur, die geen boodschap heeft aan geografische en nationale
grenzen. Het is een mengcultuur, gecreëerd dankzij hybridisering. Het is een cultuur die zijn
identiteit vindt in verscheidenheid, een cultuur die verscheidenheid beschouwt als basis, als
grondbeginsel en als horizon. De anders-heid is een dimensie die op een wezenlijke en
organische manier deel uitmaakt van deze nieuwe cultuur. Zelfheid en anders-heid verhouden
zich tot elkaar als de voorzijde en de ommezijde van één en hetzelfde blad. Deze mengcultuur
is de cultuur van het zelf, de eigenheid, maar dan bewoond door en bezeten door de ander. Zij
is gebaseerd op de identiteit van het zelf, maar deze identiteit is vergroeid en verweven met
de identiteit van de ander.

In dit universele kader was de cultuur van al-Andalus de voortzetting van de culturen van
Fenicië en Griekenland, maar dan op een hoger niveau en in een ruimere context. In de
Fenicische en de klassiek-Griekse cultuur kunnen we immers al de eerste wortels ontwaren van
wat later de cultuur van al-Andalus zou worden. In Fenicië was dat het alfabet, in het oude
Griekenland het respect voor de ander. Het alfabet in Fenicië legde de basis om relaties aan te
gaan met de ander. De Griekse cultuur legde dan weer de basis voor een tweeledig denken,
waarin het denken van de ander een deel was van het eigen denken; waarin het denken van de
ander in feite het eigen denken zelf was. Eigenheid impliceerde in de Griekse cultuur dat men
de wederzijdse verscheidenheid omhelsde.

Met al-Andalus begint in het moderne westen de beeldvorming over het Oosten, tenminste
voor wat de artistieke creativiteit betreft. De Arabische cultuur gold daarbij als model. Deze
westerse beeld(vorming) is er geen die ons terugbrengt naar grenzen, systemen en etnische
groepen, maar die leidt naar de creativiteit en naar de mens zelf, naar de cultuur en naar de
beschaving.

Als we uitgaan van de moderne Europese literaire werken, dan is dit beeld over het Oosten
gebaseerd op drie dimensies.

1. De eerste dimensie impliceert dat men de ketens van de werkelijkheid en dus ook van de
zichtbare wereld, van zich afschudt. Hierover spreekt - onder meer - Rubén Darío, één van de
grootste Latijns-Amerikaanse dichters, als hij het heeft over de 1001 nachten. Kort
samengevat zegt Darío dat geen enkel ander boek zijn denken in zo'n mate kon bevrijden uit
de "last des levens", zoals hij het noemt. Hij beschrijft de 1001 nachten als het boek van de
"reëel geworden verbeelding". Dit boek bood Darío de mogelijkheid om te ontsnappen uit de
werkelijkheid en uit de werkelijkheid te treden en toch binnen die werkelijkheid zelf te blijven.
Aan de hand van 1001 nachten beschrijft Darío het Arabische Oosten als "een bezetenheid door
illuminatie" of als "een verlichte bezetenheid".

2. De tweede dimensie is de magisch-mythische dimensie van het Arabische Oosten. Het is
een symbolische dimensie die de mensheid verenigt en samenbrengt, maar er tegelijk ook voor
zorgt dat de wereld zich voortdurend in een toestand van mogelijkheid en waarschijnlijkheid
bevindt. Deze toestand maakt het mogelijk het heden te overstijgen en te verlangen naar iets
dat nog komen moet en beter is. Deze dimensie plaatst de wereld in een toestand van
voortdurende verandering die in essentie gebaseerd is op de hoop op een betere toekomst.

3. De derde dimensie is de dimensie van de oneindigheid. Het is een thema dat Borges, om
maar één voorbeeld te noemen, na aan het hart lag.
Deze drie dimensies schudden de verticale structuur van de identiteit dooreen, een structuur
die de mensheid bedreigt met scherpe, verticale opdelingen. De drie dimensies van het
Arabische Oosten maken van identiteit een horizon die open staat voor alle richtingen, een
horizon die eindeloos beweeglijk is.

De nadruk op de verticale identiteit was een visie die gesitueerd moet worden in welbepaalde
historische omstandigheden, tegen de achtergrond van de bevrijding van een hegemonie die
van elders kwam. Indien we het verticale identiteitsdenken echter gaan benadrukken zonder
die specifieke historische context en los van die specifieke historische omstandigheden, dan
wordt die visie gevaarlijk en vormt ze zelfs een bedreiging voor de identiteit zelf.

Ik zie Al-Andalus dus als een project, dat niet alleen waardevol is voor ons heden, maar ook
voor onze toekomst. Dit project vereist dat wij de definitie van identiteit, de betekenis van
cultuur en de verhoudingen tussen het zelf en de ander durven herzien. Wij zullen dus ook de
politiek-economische opdeling tussen Oost en West moeten durven herzien, omdat dat die
opdeling vandaag een blinde opdeling is.
Deze politiek-economische opdeling tussen Oost en West staat in de weg van de huidige
tendens naar universalisme. De opdeling verklaart wellicht ook waarom de tendens naar
universalisme zich voorlopig vooral vertaalt in winstbejag of (markt)globalisering, eerder dan in
waarden. De klemtoon ligt op de markt, veel meer dan op de mens. In deze context is
universalisme in de eerste plaats economisch en politiek - er is dan ook niet echt sprake van
een globalisme gebaseerd op rechtvaardigheid en gelijkheid. Integendeel: alles wijst erop dat
het huidige globalisme gebaseerd is op dominantiedenken.

Ik zou zelfs verder willen gaan: het universalisme uit winstbejag heeft het waardegebonden
universalisme in een stevige houdgreep. Immers, waardegebonden en waardevast
universalisme is gebaseerd op pluriformiteit en verscheidenheid. Het roept aanhoudend vragen
op. Dit universalisme steunt op de dynamiek van de voortdurende verandering, op het immer
variërende vermogen van de mens om zichzelf te vernieuwen en op zijn roeping om diepgaand
creatief te zijn. Precies die dynamiek wordt op haar beurt fundamenteel bedreigend voor het
globalisme uit winstbejag, voor zijn leiders, en voor hun werkwijzen en denkwijzen.

In de nieuwe mondiale ontwikkelingen zien we dan ook hoe versmelting en onderwerping de
plaats innemen van verscheidenheid en van harmonisering. In dit proces heeft de politieke,
militaire en economische macht van het Westen de touwtjes in handen, aangevoerd door de
Verenigde Staten van Amerika. Het Westen domineert het politieke globalisme door middel van
zijn politieke beslissingsmacht, domineert het economische globalisme door middel van zijn
financiële macht en domineert het culturele globalisme door middel van zijn kennisoverwicht.
Deze dominantie geeft het Westen de mogelijkheid om één prototype te verspreiden voor het
denken en het leven. Het beroept zich daarbij op zijn moderniteit en zijn technische
voorzieningen. Dit ene, uniforme prototype wordt verder aangejaagd door één economische
markt. De wereld is voor dit Westen geen humane academie, geen bron van kennis, waarin
iedereen gelijk is, maar wel één grote winkel. Deze ene grote winkel domineert niet alleen de
productiemiddelen maar ook de producten zelf, de marketingmiddelen en de marketeers. Het
draagt er allemaal toe bij dat de armen in de wereld steeds armer en talrijker worden. Volgens
de statistieken van de Wereldbank bedroeg het aantal armen in de wereld in de jaren '60 en
'70 - en met "armen" bedoel ik: mensen met een inkomen van minder dan één dollar per dag -
ongeveer 200 miljoen. In het begin van de jaren '90 was hun aantal toegenomen tot 2 miljard.
In een andere statistiek stond dat er op de wereld één miljard 15 miljoen kinderen zijn, van
wie er 100 miljoen op straat leven en van wie er 200 miljoen kinderarbeid leveren. Hun aantal
zou in het jaar 2000 opgelopen zijn tot 400 miljoen. Volgens een andere statistische raming
van de Verenigde Naties zouden in de wereld vandaag 100 miljoen kinderen werkzaam zijn in
de sekshandel en de seksindustrie.

Dit beeld wordt nog minder rooskleurig als we rekening houden met de zaken waarop Réné
Dumont wijst in zijn laatste boek: "Famines, le retour", uitgegeven bij Fayard in Parijs, 1997.
Het aantal mensen dat het slachtoffer is van ondervoeding zou vandaag de dag 800 miljoen
bedragen. Jaarlijks worden 10 tot 17 miljoen hectare bos definitief verwoest (wat overeenkomt
met 4 keer de oppervlakte van Zwitserland).
Niet alleen de mensheid zelf, maar ook de natuur en de aarde verkeren dus in een
beklagenswaardige toestand. De natuur, ons aller moeder, is vervuild. Haar bomen en planten
worden uitgerukt. De natuur wordt net zoals de mensheid gemarteld, raakt uitgeput en wordt
levenloos.
De eerste mens had de behoefte aan een besef van superioriteit over de natuur. Hij moest zich
tegen deze natuur beschermen met "zijn techniek", uit vrees voor deze natuur, uit
levensbehoud.

Nu begint hij daarentegen de behoefte te ervaren om terug te keren naar de natuur, om zijn
toevlucht te zoeken in haar armen. Hij voelt de behoefte om deze natuur te beschermen uit
vrees voor de techniek.

De natuur is de baarmoeder van alle wezens. Als we de natuur vernietigen, vernietigen we ook
alle wezens. Vandaag is de aarde inderdaad "het verloren paradijs" geworden, zoals Lorca zich
uitdrukte.

Ik heb heel even gewezen op de toestand van de aarde vandaag. Die strekt het Westen niet
tot eer en staat haaks op de verworvenheden van de westerse revoluties, die stuk voor stuk
opriepen tot mensenrechten. Ik neem gemakkelijkheidshalve maar aan dat met deze oproepen
niet alleen de rechten van de westerse mens bedoeld werden of worden. Deze toestand is,
meer specifiek, in tegenstrijd met de democratie waarover het Westen maar blijft spreken,
waartoe het blijft oproepen. Het meest verwonderlijke van dit alles is dat het
politiek-militair-economische Westen probleemloos neerstrijkt, met zijn economie, zijn wapens
en zijn strategieën in landen die datzelfde Westen lange tijd gekoloniseerd heeft, landen
waarvan het de rijkdommen geëxploiteerd heeft. En tegelijk houdt datzelfde Westen zijn
deuren gesloten voor de verschoppelingen uit deze streken.

De toestand van de aarde maakt duidelijk dat de centralistische tendens van het hedendaagse
globalisme precies in het Westen zijn wortels heeft. Het is een vorm van fundamentalistisch
centralisme. Immers, fundamentalisme - onder eender welke vorm - ontkent ofwel de ander,
ofwel domineert het de ander en maakt hem ondergeschikt. In feite biedt het globalisme,
waarvoor het Westen de basis heeft gelegd, in de praktijk steun aan alle fundamentalismen in
de wereld. Het steunt de krachten die gebaat zijn bij onderontwikkeling en onrechtvaardigheid.

Hoe moeten we weerstand bieden aan deze belegering door het globalisme, aan de houdgreep
waarin dit globalisme ons houdt? In de "taal" van al-andalus vinden we de opmerkelijke
sleutels tot het antwoord. De "taal" van al-Andalus is immers transcultureel en
grensoverschrijdend. Het is derhalve een tweede taal die verborgen gaat achter elke taal. Daar
verbergt ze zelf haar eigen mogelijke visies en dimensies. We moeten het verborgene,
aanwezig in de taal van al-Andalus, proberen te ontdekken en kenbaar maken. Onze talen
kunnen dit verborgene echter pas ontdekken nadat ze zichzelf bevrijd hebben van de taal van
de markt en van het winstbejag. Elke ont-dekkende uitspraak is noodzakelijkerwijs een
uitspraak die zijn eigen sluiers heeft afgeworpen. Een uitspraak kan immers alleen bevrijdend
zijn, als zij zelf bevrijd is. Een uitspraak kan met andere woorden geen nieuwe boodschap in
zich dragen als zij nog gebukt gaat onder de lasten van oude boodschappen.

Via een dergelijke bevrijde uitspraak kunnen we meteen ook de technologisch-rationalistische
objectiviteit overstijgen die de mens tot een ding maakt, hem ver-dingt, en hem reduceert tot
een nummer. We kunnen meteen ook het gesloten subjectivisme overstijgen dat de mens
reduceert tot louter een afgesloten wezen.

Al-Andalus is een horizon, een mengvorm van mensen en culturen. Daarom lijkt het vandaag
een model waarmee we de toekomst kunnen opbouwen. Al-Andalus lijkt in zich de overstap te
dragen van datgene wat al vorm heeft naar datgene wat hunkert om vorm te krijgen, de
overstap van de diepere betekenis naar de pluriforme manifestaties die deze betekenis kan
aannemen. Het gaat dan niet over een betekenis die al een definitieve vorm heeft aangenomen
en die definitief is. Het gaat wél om een betekenis die voortdurend opnieuw ontstaat, die
voortdurend opnieuw een nieuwe vorm krijgt, tot in de oneindigheid.

In een verhelderend artikel van de Franse schrijver Daniel Rondeau in "Express magazine"
(25-5-2000) over de in 1923 gestorven Franse schrijver Pierre Loti lezen we dat Loti vreesde
voor het lot van de steden in het Oosten. Die werden volgens Loti immers bedreigd worden
door "le souffle empesté de houille qui vient de l'Occident" - stinkende steenkoolwalmen die
uit het Westen komen - en door een "flot de touristes" - een toevloed aan toeristen. De
schrijver vreesde dat de steden in het Oosten zouden worden opgeslokt door die enorme
octopus, genaamd: de westerse beschaving: "la grande pieuvre appelée civilisation".

Rondeau verwijst in hetzelfde artikel ook naar wat Paul Morand enkele jaren na Loti schrijft:
"Un jour viendra peut-être où il n'y aura même plus d'Orient et d'Occident mais une seule
misérable nation terrestre." "Misschien komt er ooit wel een dag waarin er zelfs geen sprake
meer zal zijn van Oost of West, maar alleen nog van één armzalige mondiale natie."

Vandaag kunnen we allemaal zien hoe deze "stinkende walmen" alsmaar toenemen en zich
blijven samenpakken. We zien ook de armzaligheid van het Oosten, het Westen, de ene natie
steeds maar toeneemt.

We kunnen hier nog iets aan toevoegen. Vele kunstenaars in onze wereld - uit alle domeinen
van de kunst - leven vandaag in naties zonder er geboren te zijn. Uitgerekend dáár leveren ze
uitzonderlijke en buitengewone artistieke prestaties. In hun kunstwerken smelten West en
Oost weg in één golf. Misschien is het hoofdkenmerk van deze kunstwerken een scepticisme
ten aanzien van het begrip "vooruitgang", een begrip waarvoor de westerse beschaving de
basis heeft gelegd.

Hebben we niet het recht opnieuw te dromen van iets dat een einde kan maken aan deze
armzaligheid, van iets dat deze "walmen" tot stilstand kan brengen? In dat geval zouden wij
onze ogen opnieuw kunnen openen voor die oude droom, waarin het model van al-Andalus een
stuwend toonbeeld kan worden: dat er gezocht wordt naar harmonie tussen natuur en cultuur,
tussen het zelf en de ander, zonder het Oosten westers te willen maken, of het Westen
oosters te willen maken.

De huidige toestand op mondiaal vlak, zowel in Oost als in West, noopt ons ertoe het
voorbeeld van al-Andalus voor de geest te halen. Daar was een hybride mengvorm in de cultuur
mogelijk, zowel in de algemene visie als in de specifieke manieren waarop cultuur zich kan
uitdrukken. De huidige situatie nodigt ons uit om van de mens, de kunst en het denken een
muwashshah te maken. Zouden we op die manier kunnen bevestigen dat de mensenrechten
werkelijk de rechten van de mens als mens zijn? Niet omdat deze of gene mens tot deze of
gene etnie, etnische groep, taal of religie behoort, maar gewoon omdat hij Mens is? In dat
geval is elke mens, los van alle grenzen en structuren, in ieder geval verantwoordelijk voor de
bescherming van deze mensenrechten en moet hij ze verdedigen op het menselijke en op het
universele niveau.
Vanuit deze optiek kan het voorbeeld van al-Andalus een horizon voor ons openen, die ons
helpt om uit deze lange, duistere tunnel te geraken.
Deze horizon huldigt geen alleenrecht en geen dominantie, wel coöperatie en verscheidenheid,
in een wereld waarin de natuur toeziet op de techniek en waarin de "mythos" de profeet is voor
de "logos". Ik ben ervan overtuigd dat kunst en creativiteit zich in deze horizon moeten
bewegen. Het cultuurbeleid voor de wereld die nog komen moet, moet precies hierop gestoeld
zijn. We spreken dan over een universele cultuurpolitiek, uitgaande van creativiteit en van
kunstwerken die voor de mens horizonten openen. Deze geven hem de gelegenheid om op te
stijgen tot een universeel menselijk niveau. Of, in de optiek van de Arabische mystiek: elk
mens moet een klein universum kunnen zijn waarin het grotere universum besloten ligt.

Hoe moeten we dit verwezenlijken? En meer specifiek: hoe moeten we de overstap maken van
de theorie naar de praktijk? Die kwesties laat ik over aan de experts en de beleidsmakers. Ik
stel alleen de volgende vraag: Hoe kunnen we creatief zijn op een universeel-menselijk
niveau? Hoe kunnen we ons bezinnen over cultuurpolitiek op ditzelfde niveau, zonder zomaar
uit te gaan van de huidige toestand op wereldvlak? Creativiteit en cultuurpolitiek moeten zich
op dit universeel-menselijke niveau situeren, zo niet kan er geen sprake zijn van creativiteit of
cultuurpolitiek. En als denken en zijn een eenheid vormen , zoals Parmenides zei, dan moet
het menselijke in essentie gekenmerkt zijn door een universele verantwoordelijkheid. Op deze
verantwoordelijkheid steunt de mens. Zij onderscheidt hem van alle andere wezens.

Op die manier kunnen denken en praktijk een licht werpen op de vraag: hoe kan de mens zich
bevrijden uit de gevangenis van de verstikkende last van de technologie? De politicus-econoom
is onderworpen aan de alomtegenwoordigheid van deze technologie, hij is onderworpen aan
deze last en is er afhankelijk van.

Dit alles tezamen versterkt nog het beklemmende specialisme, of het centralistische
fundamentalisme dat een onderscheid maakt tussen volkeren; dat deze volkeren gevangen
neemt en ze tot armoede veroordeelt. Het centralistisch fundamentalisme is een laboratorium
dat de neiging tot dominantie voortbrengt en dat het kolonialisme heeft veranderd van de
worging met een ijzeren touw, zoals vroeger het geval was, in een worging met een touw van
zijde, zoals vandaag het geval schijnt te zijn.

Het Westen zelf heeft in de allereerste plaats de wezenlijke behoefte om te ontsnappen aan
zijn politieke, militaire en economische zelf, om dit zelf terug te vinden in de ander, in de
verscheidenheid, in een universalisme van inspraak, participatie en harmonisering. Technologie
zoals zij vandaag de dag wordt benut is duisternis, is een einde. Er moet een ommekeer
komen waardoor het oneindige zich kan bevrijden uit dit eindige, die uitweg biedt vanuit het
duister naar het licht, vanuit het geslotene en het eindige naar het opene dat geen einde kent.
Als de westerse identiteit er niet in slaagt een universeel, open en verscheiden geheel, te
worden, dan zal zij op den duur niet meer zijn dan een afgrond.

De mens sterft alleen, maar hij wordt geboren in verscheidenheid, zei de Franse dichter Paul
Valéry. En Victor Hugo zei: "Elk zelf omvat een volledig model van alle andere zelven".
Vooraleer hij een deel kan worden, is de mens eerst een geheel. Hoe kunnen we prioriteit
geven aan deze totaliteit, die de mens is? Dat is de vraag waarvan elke cultuurpolitiek zou
moeten uitgaan, als ze wil bestaan op het niveau van het universum en op het niveau van de
mens. Een dergelijke cultuurpolitiek moet zich niet langer alleen maar uitspreken over de
rechten van de mens, maar ook over de rechten van de natuur en de rechten van het
universalisme.

http://www.thakafa11.be/teksten.htm

(geplaatst op 08-06-2009)

terug naar boven
‘Voorbij de grenzen van oost en west'
door ADONIS
(vertaling: www.jehat.com)
Copyright © 2002/ 2009 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768