DE DODEN TERUGBRENGEN

Ik besloot het geld van de vrouw te stelen.  Ten minste dat was het plan.  Het was een
uitgekiend plan.  De vrouw Jane Simmons begon een reisgenootschap onder de naam van
haar zoon nadat deze zelfmoord had gepleegd.  Hij hield van reizen, en dit was het beste
wat zij kon bedenken om hem te eren.  Ik beraamde een telefonisch voorstel waarvan ik
wist dat het haar zou aanspreken, zodat ik het geld kon krijgen en ermee aan de haal
gaan.  
Reizen behoorde nooit tot mijn interessesfeer.  Ik hield niet van vliegen of van te worden
gestopt in een auto voor een lange periode.  Deze feiten deden echter niets af van mijn
besluit om te solliciteren naar de reisbeurs.  Alles wat ik wilde was het geld, en wat ik
daarvoor nodig had, was een slim bedacht voorstel en twee aanbevelingsbrieven.   
Niemand zou ooit kunnen weten of je werkelijk of niet op reis ging.  Zo dacht ik toch
tenminste.  Het leek mij een schrander en gemakkelijk plan, dat onmogelijk kon mislukken.
De reisbeurs was 5.000 $ waard.  Ik voelde geen wroeging over het gappen van dat geld.  
Zij was immers naarstig op zoek om het te besteden.  Dankbaarheid was alles wat de rijke
dame wilde, en ik kon haar die garanderen.   Misschien dat ik ook nog wat tranen kon laten
lopen voor haar dode zoon.  Voor een prijs moet je wat over hebben.
Wie in aanmerking kwam voor de beurs, moest het land verlaten binnen de zes weken en
het geld uitgeven voor reisdoeleinden.  Iedereen in de universiteit vond Jane een beetje
excentriek.  Zij hield van de vreemdste voorstellen en had geen oor naar stijve
academische projecten.  Mijn voorstel was om naar Engeland te gaan voor archiefonderzoek
en bestudering van documenten over Joice Heth die P.T. Barnums eerste heldin was. Zij
beweerde de 165-jaar oude mama van Generaal George Washington te zijn.   Heth en
Barnum verkenden samen heel Engeland.  Ik wendde voor om musea te gaan bezoeken
waar zich documenten bevonden over haar eerste toneelspelen.  Zijnde flamboyant en
grappig zou ik het nooit riskeren over te komen als een flauw en zenuwachtig studentje.  
De enige rol die ik kon spelen in het leven was ikzelf, en ik kreeg het daarbij danig koud,
vooral sinds daar 5.000 $ te rapen lag bij een eenvoudig slachtoffer, een kwetsbare vrouw.
Ik zwoer in mijzelf dat ik niet zou week worden en deernis voelen voor haar.  Iedereen
maakt wel eens persoonlijke drama’s mee.  En zij was dan nog rijk ook en bezat geld
genoeg om zich er doorheen te slaan.
Twee weken voor ik mijn voorstel indiende, verdween mijn moeder, en stopte met mijn
telefoonoproepen te beantwoorden.  Zij verloor altijd haar job.  Ik hoopte maar dat zij niet
in geldnood zat.  Ik had vroeger al borg gestaan voor haar.  Maar nu voelde ik mij
egoïstisch.  Ik wilde de 5000 $ voor mij alleen.  Dat was toch het minste wat ik kon eisen
voor het bekokstoven van zulk een briljante oplichterij.  
Ik nam mij voor dat ik haar in geval van nood de helft van de beurs zou schenken.  Wat
ook aantoonde hoe zeker ik van mijn zaak was bij die kwetsbare vrouw.  Ik had de
reisbeurs nog niet gewonnen en ik was al bezig met het geld uit te geven.
Naarmate de deadline voor de reisbeurs naderbij kwam, groeide ook mijn verbolgenheid ten
aanzien van mijn moeder.  Ik was toch geen Robin Hood.  Ik wou de rijken niet bestelen
om te geven aan de armen.  Ik wilde de rijken bestelen om het geld aan mijzelf te geven.  
De dag voor Thanksgiving verzond ik een bericht over een vermist persoon.  Alhoewel mijn
moeder en ik weinig samen spraken, was het toch vreemd geen telefonisch contact met
haar te kunnen bewerkstelligen.  Weken aan een stuk gingen mijn oproepen naar haar
voice mail, en dan opeens kreeg ik een boodschap zeggende dat de lijn was afgesloten
zonder verdere informatie.
Waar was mijn moeder gebleven?
Het leek er niet op dat zij geen geld meer had om ook maar ergens te verblijven.  Zij zat al
minstens drie jaar zonder werk en verliet nooit de caravan.  Arm opgegroeid, reisden wij
nooit, en nodigden nooit iemand uit. Ruziën was onze hobby; het was goedkoop en hield
ons bezig.  
Mijn broer hield niet zo van kletsen; daarom ook heeft hij mij, nadat ik de staat had
verlaten,  nooit nog gebeld.  Uit beleefdheid en domheid, liet ik hem met rust en belde
naar de politie alvorens hem te contacteren. Want mijn vrees overmeesterde mij en ik
moest een antwoord hebben en aangezien hij in tegenstelling met mij, leefde in dezelfde
toestand als mijn moeder, moest hij toch iets weten.
Ik kon niet geloven dat hij de hoorn opnam toen ik hem belde.
“Waar is mama?” zei ik, denkend er goed aan te doen al de gangbare groeten maar
achterwege te laten; ik wist dat hij zou inhaken zo vlug hij kon.
“Weg”, zei hij.
“Waar naartoe?” vroeg ik.
“De bank heeft de caravan verzegeld.  Zij moest weggaan.”
“Dat wist ik niet, jij wel?”
“Ik wil daar niet over praten” zei hij.
“Onze moeder is weg.  Ik heb een bericht van vermiste personen verzonden,” zei ik,” ik wil
de details kennen.”
“Er zijn er geen” zei hij,” De bank verzegelde de caravan en zij moest weg.”
Twee weken later belde mijn moeder mij op en vertelde me dat ze gezond en wel was en
woonde in een leegstaande slaapkamer van mijn broer.  Zij klonk helemaal niet triestig, en
liet geen enkel teken van zelfbeklag horen.  Nochtans wilde ik haar kwaad horen, en het
feit doen betreuren dat zo vele werkgevers haar discrimineerden omwille van haar leeftijd.  
Ik wilde haar terug tot leven wekken door woede, of haar woede zich laten keren tegen
mij.  Maar dat gebeurde niet.  Zij vroeg hoe ik er financieel voor stond en mezelf kon
bedruipen.  
Ik zei haar dat ik volop bezig was met het solliciteren naar reisbeurzen.
“Goed,” zei ze, “ Neem maar alles wat je kunt krijgen.”
“En maak je vooral geen zorgen over mij,” zei ze nogal kortaf, ” Ik stel het goed.”
Ik was vastbesloten mijn moeder wat geluk te brengen, en terug wat leven op te wekken in
haar stem.  Ik besloot daarom haar zeker de helft van mijn potentieel gewin af te staan.  
Maar niet meer dan de helft, ik was geen heilige.
Het geld zou mijn moeder bezielen.  Ik beeldde mij in dat dit de reden was waarom Jane
Simmons in eerste instantie met dat beursgenootschap was begonnen.    Ik stelde mij haar
voor liggend in bed zeer bedroefd over haar zoons dood en piekerend over een manier om
haar pijn te overwinnen.  Zij dacht dan aan haar zoons geluk tijdens die keren dat hij de
kans had om op reis te vertrekken.   Door dat idee van het reisgenootschap voelde zij zich
wellicht een beetje beter , niet zo veel misschien , maar het was toch een stap in de goede
richting.  Deed ik wel niets verkeerd door het geld te gebruiken om iemand anders te
helpen, als die iemand anders uitgerekend een verloren familielid was?
Toen ik mijn mentor vertelde over mijn intentie om te solliciteren naar de reisbeurs,
vernam ik dat zij nauw bevriend was met Jane Simmons.  Enkele dagen nadat ik mijn
aanvraag had ingediend bracht zij mij dan ook in contact met Jane.  Jane zag wel iets in
het voorstel, zoals ik wel op voorhand geweten had.  Toen ik haar thuis opbelde, klonk zij
zo gelukkig alsof zij de tragedie met haar zoon al vergeten was wat mij ook tevreden
maakte.  Ik wou echt geen geld stelen van iemand die triestig was.  Ik had zo mijn
principes.  “Jouw mentor vertelde me alles over je.  Waarom kom je mij niet bezoeken?”
zei ze.
“Zeker,” zei ik,”Wanneer?”
“Nu,” zei ze,” nu direct.”
Ik voelde mij verveeld om haar te vertellen dat ik geen auto had.
“Ik heb geen auto ,” zei ik.
“Neem een taxi,” zei ze,”Ik zal hem wel betalen.”
Jane wachtte buiten op mij.  Ik wist niet of ik iets ging zeggen.  Ik was bang dat het niet
eerlijk zou klinken, zoals iemand doet om 5000 $ vast te krijgen.  Ik gaf mij er rekenschap
van dat ik moest overkomen als iemand die niet in het minst gaf om het geld.   Daarom
besloot ik van maar niets te zeggen.  Laat haar maar de conversatie leiden, dacht ik.  Laat
haar me maar naar de 5000 $ brengen.  
“ Kom ik je niet bekend voor?”
Ik wist niet hoe ik het had. “Neen,” loog ik, “Hebben wij elkaar dan ooit ontmoet?”
Zij zag er een beetje gekwetst uit.” Ik hield van je voorstel,” zei ze,” Het zag er helemaal
niet stijf en academisch uit.  Barnum is een fascinerende jongen.”
“Dank je,”zei ik.
“Mijn zoon verzon veel verhalen.  Echt vreemde verhalen.  Toen hij nog een kind was diste
hij verhalen op over de plaatsen die hij wou bezoeken.”
“Dan moet hij heel creatief geweest zijn,” zei ik.
En toen begon ze te huilen.
Zij snotterde onophoudelijk.
Niets kon haar doen ophouden.
Ik moest iets ondernemen.  Ik moest helpen.  Ik wou zeggen dat ik niet verwachtte iets
terug te krijgen.  Ik wou benadrukken dat dit een opdracht was die ik graad deed vrij van
lasten.
Ik sloeg mijn armen om haar heen en trok ze stevig tegen mij aan.  Mijn armen raakten
haar rug aan, mijn handen hingen in de lucht alsof zij toebehoorden aan een zakkenroller
die op het punt stond zijn slag te slaan. En ik won de beurs.  Ik moest eerst geïnterviewd
worden door Jane en een comité van geleerden.  Net voor de vergadering nam Jane mij
even terzijde en zei dat ik me geen zorgen hoefde te maken.
“Maar ik kan vertrouwen faken,” zei ik.
“Je zult het niet nodig hebben te faken,” zei ze,” ik zeg je dat het in kannen en kruiken is.”
Drie weken later ontving ik de cheque met de post.  Jane belde me op om te zeggen dat ik
het bedrag moest sparen en niet uitgeven vooraleer ik effectief aan de reis begon.  
Dezelfde dag nog besloot ik mijn moeder gaan te bezoeken.  Ik boekte een vlucht en
schreef opgewonden een cheque uit voor mijn moeder van 2000 $.(Haar 2500 $ schenkend
zou wat vreemd overkomen, een even som voelde minder vreemd aan.  En ook had ik wat
nieuwe kleren nodig en vond dat ik het verdiende om mij eens extra te verwennen.  
Wanneer zou ik nog zo’n een gelegenheid krijgen?)
Ik wist dat de 2000 $ haar gelukkig zou maken.  Ik wist ook dat zij trots zou zijn van een
zoon te hebben die haar zo uit de problemen hielp.
Voor mijn telefoongesprek met Jane, drukte zij mij op het hart van het geld afzonderlijk te
bewaren van mijn ander spaargeld.  Haar geld was speciaal geld, “magisch” geld, zei ze.  
Het was geld dat iemands droom kon verwezenlijken.
Maar alles waar ik kon aan denken was het kopen van een hoop extravagante dingen voor
mijzelf.  En,natuurlijk, het uitschrijven van een cheque voor mijn moeder.  Ik had Jane niet
langer meer nodig en vond het effenaf vervelend dat zij altijd maar wilde praten over mijn
verplichtingen in verband met haar geld.  Wat meer wilde zij nog van me?
Ik knuffelde haar.
Ik liet haar ophouden met huilen.
Ik had mijn plicht vervuld.
Mijn moeder, mijn dakloze moeder, had mij nodig, en ik had hoegenaamd geen oren meer
naar de noden van anderen op deze wereld.  De wereld kon zichzelf genezen.
Een maand later won ik de reisbeurs,  mijn broer kocht mij een vliegtuigticket om hem en
mijn moeder te bezoeken.  Ik voelde mij gelukkig om persoonlijk de cheque aan mijn
moeder te overhandigen. Tijdens de taxirit naar het verblijf van mijn broer, schreef ik een
cheque uit van 1.500 $ en stak hem in een geschenkdoos.(Zij woonde nu bij mijn broer
zonder huurlasten.  Had zij dan wel 2.000 $ nodig?  Dat was toch een beetje overdreven.)
Toen ik bij mijn broer aankwam, was mijn moeder net buiten.  Ik voelde mij gelukkig.  
“Schatje,” zei ze en omhelsde me.  Zij stootte bijna de doos uit mijn hand wat mij
ergerde.  Ik had immers iets dat zij broodnodig had.  
“Wat een verrassing!” riep zij uit en haar stem klonk zo luid dat ik bang was dat de buren
haar zouden horen.  Zie dat ze buiten kwamen gelopen om te zien wat er aan de hand was,
dan zou ik het overhandigen van het geschenk moeten uitstellen.  “Kom binnen,” zei ze.
Zij gebood mij te gaan zitten en ging iets halen om te drinken.  Ik hoorde haar rommelen
in de keuken, deurtjes open en toe gooien op zoek naar iets.  Haar klaarblijkelijke
toomloze energie maakt mij nerveus.
“Wat scheelt er?” vroeg ik.
“Ik kan hier niets vinden”, zei ze,” dit is niet mijn thuis.”
Zij kwam uit de keuken met een schaal vol melk en koekjes.  Ik overhandigde haar de
geschenkdoos.
“Voor mij?” zei ze.
“Het is een geschenk,” zei ik.
“Voor mij?” herhaalde ze.
Het was vreemd.  Zij leek verward.
“Voor wie anders?” zei ik.
Zij opende de doos.
“Heb jij een bank beroofd?” riep zij uit.
Ik rolde met mijn ogen.
“Jij deed toch niemand geen pijn om dit te bemachtigen?” zei ze
Ik had een volle seconde nodig om haar te antwoorden,”Neen, natuurlijk niet.”
Het geld leek haar niet veel gelukkiger te maken.  Ik kon mijn ogen niet geloven.  Ik dacht
dat het geld haar terug tot leven zou brengen.  Ze zag er nog steeds even versteld uit en
zenuwachtig.
“Ben je wel zeker dat je niemand pijn hebt gedaan?” herhaalde ze.
“Zeker” zei ik,” Op mijn erewoord.”
Ik heb haar niet gevraagd wat zij aanving met dat geld.  Zij verliet nooit mijn broers
appartement.  Daar was ik bepaald zeker van.  Mijn broer belde mij eens om te vragen of
mijn moeder bij mij kon blijven voor een paar weken.  Eerst wou ik weigeren, maar hij
beloofde me dat het niet langer dan twee weken zou duren de dag van aankomst en
vertrek inbegrepen, en hij zou de tickets betalen.  Verder zei hij dat hij mij twee maanden
gaf om mij voor te bereiden.  Uitgerekend dezelfde dag belde Jane.  Zij vroeg mij bij haar
te komen lunchen.  Ik stemde daarmee in.  Tijdens de lunch vroeg Jane naar het geld.” Je
hebt toch het geld gereserveerd voor de trip?”
“Ja.”
“Wanneer vertrek je?”
Ik voelde dat ik begon te panikeren.  Ik zei haar binnen twee maanden.  Mijn moeder hield
er toch niet van het huis te verlaten.  Er zou dus ook weinig risico zijn om te worden
betrapt.
Ik probeerde niet in haar ogen te kijken terwijl ik haar dit alles vertelde.  Ik leidde het
gesprek af naar het opmerken van een foto van haar zoon.  Ik stond op en ging er naar
toe.  Het was een spontante en onbewuste reactie van mij.
Ik staarde naar de foto.  Haar zoon zag er helemaal niet uit als een welstellend iemand.  
Zijn haar was verward en hij droeg een onaantrekkelijke marinekleurige sweater die er wat
afgeschoten uitzag.  Er lag een zekere droefheid in zijn ogen, bijna alsof hij wist dat hij
binnenkort ging verdwijnen en dat niets of niemand daar iets kon aan doen.  Ik stelde mij
Jane voor terwijl zij hem overal volgde in het huis, pogend om hem wat op te vrolijken en
een lach op zijn gezicht te toveren.
Ik voelde Jane’s  hand op mijn schouder.
“Ziet hij er ongelukkig uit?” vroeg ze.
“Neen,” loog ik.
“Je liegt,” zei ze, “ Zeg me niet wat ik graag wil horen.”
Zij wachtte een ogenblik en vervolgde,” Jij lijkt op hem.”
Ik besloot maar niet te zeggen dat we in niets op elkaar leken.  Ik zou haar ook niets
vertellen over mijn moeder en haar dakloosheid.  Zij had het recht niet om dat te weten,
om het even hoeveel geld ze mij ook gaf.  Ik was haar niets verschuldigd.
Zij had mijn pijn niet nodig.  Dat maakte geen deel uit van onze overeenkomst.
Ik gaf haar al een knuffel.
Dat was meer dan genoeg.
Ik bracht onze aandacht terug naar de foto van haar zoon.  Hij had meer ruwe, klassieke
trekken, een flets gezicht.  
Ik had nog altijd babyvet, of dat probeerde ik mijzelf toch wijs te maken, zo moest ik niet
nodig op dieet.
“Denk je niet dat je op hem lijkt?” Ik kon onze droefheid voelen in de kamer.  Zij bezat het
fijnste en mooiste meubilair, niets van dat goedkoop spul dat in onze caravan stond toen
ik nog een jochie was.  Alles was zo mooi en sereen; daarom wilde ik niets beschadigen
met een ernstige conversatie.
Zij kwam terug binnen met een automatische camera en nam een foto voor ik mij
realiseerde wat zij deed.  Voor de twee foto, vroeg ze mij stil te staan en te lachen, en
daarna vroeg ze weer om te poseren wat ik deed.
“ Ga een beetje in die richting,” zei ze.
Ik voelde mij een beetje verward.   Waarom kon ik niet blijven staan waar ik stond?  
Poseren voor foto’s was iets dat ik verafschuwde.  “Je houdt hem buiten beeld,” zei ze.
Ik wist eerst niet over wie ze het had.  Daar was niemand anders in de kamer.
“Mijn zoon,” zei ze,” Je staat voor zijn foto.”
Ik verwijderde mij een beetje van de foto.  En ging dan nog wat verder staan, niet omdat
ik dat moest doen, maar ik wou weg van hem.  Hij maakte mij nerveus.
Zij nam nog een foto.
“Nu,” zei ze,” moet je een beetje dichter bij hem gaan staan. Ik wil een foto van jullie
beiden.”
Ik deed wat ze vroeg en zij nam de foto.
De dag voor mijn moeder bij mij ging arriveren, liet ik een boodschap na op Jane’s
antwoordapparaat, zeggend dat ik haar vroeger wou contacteren maar daartoe geen
gelegenheid had en dat ik nu op weg was naar Engeland.  Voor de rest van de dag, nam ik
geen telefoon meer op.  Zij antwoordde met twee boodschappen waarin zij haar
bezorgdheid uitdrukte dat wij niet meer hadden samen kunnen praten.  Zij had nog zoveel
reistips voor mij in petto.Dat irriteerde me. Ik was haar zoon niet.  Ik had haar raad niet
nodig.  Ik was een volwassen persoon.  Ik wist wat ik moest doen.
De dag dat moeder aankwam, voelde ik mijzelf rusteloos, en voelde een neiging opkomen
om mijn telefoon los te koppelen, want ik wilde absoluut niet dat mijn moeder Jane aan de
lijn kreeg.  Maar toch kon ik die behoefte bedwingen.
Van zodra ik mijn moeder had opgepikt in de luchthaven, kloeg zij erover dat zij moe was
en vroeg me om direct naar huis te rijden.  Daar viel ze onmiddellijk in slaap.  Ik zette mij
neer en bekeek haar terwijl zij sliep.
Gedurende de eerste dagen bij mij thuis deed mijn moeder bijna niets anders dan slapen.  
Zo nu en dan verliet ik het huis om wat groenten te kopen en video’s te huren.  Maar die
laatste vielen bij haar bijna nooit in de smaak.  
Na een week zei mijn moeder,” Waarom haal je altijd komedies?  Ik haat komedies.”
Ik wist niet wat te antwoorden, zo zweeg ik maar.
“ Het spijt me,” zei ze dan,” Let maar niet op mij.  Beschouw mij maar als een spook.”
Ik wilde zeggen, “ Maar ik gaf je geld.  Je hebt iets nu.  Het geld zou je moeten toelaten
weer te leven.”
Maar ik zei dat alles niet.  Alles wat ik deed was haar knuffelen en zeggen,” Jij moet je
niet excuseren.  Je hebt al genoeg doorgemaakt.”
Na twee weken van mijn moeders verblijf, belde Jane op.  Mijn moeder sliep toen Jane een
boodschap achterliet.  Ik luisterde verschillende keren aandachtig ernaar, om
aanwijzigingen te vinden over haar wantrouwen misschien en om te horen of ze er niet op
uit was om mij te testen op leugens.  Geloofde zij mij niet?  Was zij misschien van oordeel
dat ik op een moment van verstrooidheid de telefoon op zou nemen vergetend dat ik haar
had verteld dat ik weg was?
Twee dagen later stuurde ik haar een e-mail, met de boodschap dat ik uit het land was en
haar vurig dankte voor de gelegenheid die zij mij had gegeven om te reizen.
Tijdens die periode van mijn moeders verblijf werkten wij elkaar serieus op de zenuwen.  
Iedere keer dat ze mij zei van een dutje te gaan doen, bevestigde ik dat met een razende
opmerking.  Op de voorlaatste dag van haar verblijf, stelde ik haar voor om uit te gaan
eten om ons afscheid te vieren.  Wij waren zelden uitgegaan.  Zij stemde er mee in om
naar een aangenaam klein Italiaans restaurant te gaan in de buurt.  Zij deed zelfs wat
make-up op haar gezicht .  In het restaurant leek zij erg nerveus.
“Je moet nu niet nodig je geld verspillen aan mij,” zei ze,”Je hebt al genoeg gedaan.”
“Je bent toch mijn moeder,” zei ik.
“Trouwens,” zei ik,” wat ga je met het geld doen dat ik je gaf?”
Ik kon niet geloven dat ik die vraag gesteld had.  Ik behandelde haar alsof ze mijn kind
was, om te horen of ze het geld niet nutteloos had gespendeerd.
“In feite,” zei ze,” Heb ik het al gebruikt.”
“Echt waar?” zei ik.
“Ik had schulden onder de mensen.”
“Mensen?” zei ik, “Je bedoelt kredietkaartmaatschappijen?”
“Ik verloren mijn kredietkaartfaciliteiten al jaren geleden,” zei ze,” Ik bedoel mensen.  Ik
had schuld bij mensen.”
De manier waarop zij het woord mensen uitsprak maakte mij nerveus.  Ik stelde ze mij al
voor als een soort Italiaanse maffiabazen die op mijn moeders deur bonkten.
“Je had jezelf toch niet diep in nesten gewerkt ?” zei ik
“Dat doet nu niets meer terzake” zei ze”Dat is nu achter de rug.”
Wij aten onze maaltijd in stilte.  Toen we aanstalten maakten om te vertrekken hoorde ik
iemand mijn naam roepen.  Ik maande mijn moeder aan naar de auto te gaan met de
belofte dat ik direct zou volgen.
“Ga je mij niet eerst voorstellen aan je vriendin?” vroeg ze.
“Neen,” zei ik,” ga nu a.u.b.”
Maar daarvoor was het al te laat.
Jane was minder dan een voetstap verwijderd van ons.  “Ik ben Steve’s moeder,” zei ze.
“Ik dacht dat je weg waart,” zei Jane, “ Kwam je vervroegd terug?”
“Hij is nooit weggegaan.  Ik kwam naar hem,” zei mijn moeder.
“En hij vertelde me dat hij op reis was,”
“Reis?” zei mijn moeder, “ Hij haat vliegtuigen.  Hij haat auto’s.  Hij zal nooit reizen.”
“ Bovendien waarom zou hij, hij stelt het goed hier,” zei mijn moeder, “ De school gaf hem
zopas een pak geld.  Hij kocht een nieuwe kleerkast, een TV en een video.”
“Oh,” zei Jane.
“Ja”, zei mijn moeder, “ Ik ben echt trots op hem.”
“Het is niet wat je denkt,” zei ik.
“Ik ben zeker dat het nog erger is,” zei Jane.
“Waarover hebben jullie beiden het?” vroeg mijn moeder.
“Het geeft niet,” zei Jane, ”Moeders lijden al genoeg.  Nog meer pijn is voor niets nodig.”
En dan richtte Jane zich tot mijn moeder, “Wanneer vertrekt U?”
“Morgen,” zei mijn moeder.
“Wij zullen overmorgen praten,” zei Jane, “ Me dunkt dat we nog veel hebben bij te praten.”
In de tijdspanne dat Jane mijn moeder had ontmoet tot de dag na haar vertrek, belde Jane
mijn mentor op en verschillende decanen die allen nieuwsgierig  waren naar enige uitleg.
Ik sprak met de mensen van de school alvorens ik mij tot Jane wendde.  Ik legde hun de
situatie van mijn moeder uit, maar geen enkele van hen toonde enige sympathie.  Waarom
kocht  ik een heel nieuwe kleerkast, een TV en een video?  Ze zegden dat ze hun best
zouden doen om voor mij te pleiten maar dat ik toch verplicht was zelf contact op te
nemen met Jane om te proberen de zaak met haar in het reine te brengen.
Toen ik haar opbelde, begon ik te huilen van zodra ik haar stem hoorde. “ Wat wil je dat ik
doe?” zei ik.
Eerst zei ze niets.
“Ik zal alles doen wat je wenst,” zei ik, “ik handelde totaal verkeerd, en het spijt me.”
“Het is niet dat ik persoonlijk het geld terug wil,”zei ze,” Het zit zo dat mijn zoon het geld
terugwil.  Het is zijn geld. Niet het mijne.  Ik kan er niet mee doen wat ik wil.”
“ Ik wil je alleen maar zeggen,” zei ik,” dat ik het geld enkel gebruikte om mijn ma te
helpen.  Mijn moeder kwam mij bezoeken.  Ik wou daarom die dingen kopen om haar trots
voor mij af te dwingen.”
“De reisbeurs houdt de herinnering aan mijn zoon levend,” zei ze.
Ik wou haar kwetsen.  Ik wou haar de waarheid vertellen.  Ik wou zeggen:”Je beweert wel
dat dit alles is dat je voor hebt met het geld.  Maar de waarheid is dat je het geld wil om
je zoon terug te brengen van de dood.  En geen geld ter wereld zal ooit in staat zijn dat te
verwezenlijken.”  Maar ik zei dat alles niet.  Ik aarzelde.  Ik stelde mij voor hoe ik in haar
ogen keek en daarna in die van mijn moeder, ogen van een vermoeide, uitgeputte vrouw,
een vrouw zo afgetakeld dat zij nauwelijks iets begreep van wat er eigenlijk gaande was.
Niet dat ik dat zo goed wist op dat ogenblik.
“Hij moet zijn geld terug hebben.  En is bereid afbetalingen te aanvaarden.  En jij moet
elke maand stipt op tijd betalen want anders zal hij niet gelukkig zijn en ik weet dat je
wilt dat hij gelukkig is.  Hij zou zich over jou geen zorgen hoeven te maken.”
Voor een gans jaar en een half, betaalde ik mijn afbetalingen op tijd. Toen Jane de laatste
betaling ontvangen had, belde zij mij op en vroeg ze me om naar haar te komen.  Zij had
iets nodig van mij.
Ik vroeg haar wat dat iets was.
Ze zei dat ze haar verzoek alleen maar persoonlijk kon overmaken.
Ik nam een taxi naar haar woonplaats en zij zei dat we samen een eindje moesten rijden.  
Ik nam plaats in haar auto.  Aangekomen aan het kerkhof stapte zij uit terwijl ik bleef
zitten.
“Kom met mij mee,” zei ze.
Wij begaven ons naar haar zoons graf.  Ik kon mijzelf er niet toe dwingen te kijken naar
zijn grafsteen. “Kijk naar zijn naam,” zei ze.
Zij stak haar hand diep in haar zak en kwam dan met een cheque te voorschijn.  “Dit is een
cheque van 5000 $,” zei ze.
En ze scheurde hem in tweeën en gaf mij een helft.
“Scheur hem kapot,” zei ze, “ Scheur hem in kleine snippers en gooi ze op het graf.”
Ik moet er wat verward hebben uitgezien.
Ik was bang.
Ik wist niet wat te doen.
“Doe wat ik zeg,” zei ze.
Ik deed dan maar wat ze vroeg.

Nadat ik de snippers verspreid had over het graf, volgde zij mijn voorbeeld.  Het was koud.  
Het was koud en windering.  Het waaide zo hard dat het gras op het graf bibberde, en het
was alsof de grafsteen ging bewegen.  Je zou hebben gedacht dat er iemand begon te
leven onder de grond, rusteloos trachtend ons te wijzen op zijn aanwezigheid, zijn
spontane vitaliteit.

* * *

(geplaatst op 22-05-2006)

Voor nog meer verhalen van deze auteur op deze site, klik hier!

terug naar boven
STEVE FELLNER
keuze en vertaling Henri Thijs
Steve Fellner woont in Utah (USA).  Zijn werk verscheen of gaat verschijnen in Brevity, Northwest Review,
Another Chicago Magazine, Alaska Quarterly Review en vele andere.
Copyright © 2002/ 2009 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768