Copyright © 2002/ 2006: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en
werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
HET GEHEIM

Toen mijn vader de normale pensioenleeftijd bereikte, bracht ik
hem op een avond  een bezoek.  Kwestie van hem aan te
moedigen om de overgangsperiode te verwerken van een periode
van levenslang hard labeur naar een tijd van ontspanning en
rust.  Mijn tocht bracht mij in de oudste buurten van de stad, over
geplaveide straten half overwoekerd door vingergras en bosjes
paardebloemen.
Hij had een kandelaar geplaatst voor het raam van zijn klein
buurthuisje waarin ik het levenslicht zag en mijn jeugd had
doorgebracht.  De andere huizen in de straat waren
dichtgetimmerd.  Hun bewoners waren eruit getrokken.  Vele
huizen zagen er donker en leeg uit. Er hing ook een brandgeur in
de lucht, zoals verse teer.
Ik ging onder een hoger gelegen snelweg door.  Uit fabrieken een
halve mijl verderop, stegen achter hoge hekken, dikke
rookpluimen en sissende vuurgensters op uit torenhoge
schouwen. Door een serie vensterramen hoog in de lucht werd een
vreemd flikkerend licht geworpen veroorzaakt door het
onophoudelijk snijden en lassen van metalen bladen en ijzeren
balken.
Mijn vader groette mij aan de deur.  Hij zag er moe en afgemat
uit, al deed  ik alsof ik daarvan niets merkte.  Hij nam de
kandelaar van het vensterraam en leidde me naar de keuken.  We
gingen zitten aan dezelfde tafel die ik mij nog herinnerde uit mijn
jeugd.  Uit een half lege fles rode wijn schonk hij twee glaasjes
vol.  Met de kandelaar in ons midden, praatten wij over zijn
opruststelling, en hoe het huis het uithield.  Tussendoor vroeg hij
ook hoe mijn vrouw en kinderen het stelden.  
Ik stuurde de conversatie naar het onderwerp van zijn
gezondheid.  Wat was hij van plan te gaan doen tijdens de
komende jaren?  Ik bracht hem iets in herinnering.  Als een jonge
knaap was hij goed in handwerk, en had hij gehoopt  een vakman
te worden – een schrijnwerker namelijk, of misschien een
meubelmaker.  Omstandigheden hadden dit echter verhinderd.  
Tijdens zijn laatste jaar op school werden zijn vaardigheden
opnieuw opgemerkt en kreeg hij een meer technische opleiding.
Nochtans zei ik, mij goed te herinneren van toen ik nog een
jongen was, hoe hij een reeks merkwaardige en levensechte
poppen had vervaardigd voor mijn zusters om mee te spelen.  
Deze mooie voorwerpen waren gemaakt van was, katoen en hout
van een appelboom die stond in onze tuin.  Hij had de hoofden en
handen gekerfd uit een afgevallen tak van die vergeten boom.  
Mijn twee zussen hebben met deze poppen elke dag gespeeld tot
zij uiteen vielen in stukken.  Ik vertelde hem dat nu in de hoop
dat die vroegere bezigheid hem een bron van vreugde zou
bezorgen in zijn oude dagen.
Hij dankte mij en zei dat het tijd was mij in te wijden in iets dat
hij nog aan niemand had verteld.  Zelfs mijn moeder had dat
nooit geweten toen zij nog leefde.   Hij nam een mijnwerkerslamp
– van de soort gebruikt in de eerste dagen van de spoorwegen –
en stak hem aan met de kaars.  Hij wenkte mij en ik volgde hem
door de deur naar de kelder en daalde met hem de trappen af.  
Wij gingen door wit gewassen kamers waar draden van
spinnenwebben onze gezichten borstelden.  Hij bleef even staan
voor een lage houten deur geplaatst in de grond – een toegang
die ik nooit eerder had opgemerkt.  En opende de deur.  Wij
kwamen in een neergaande tunnel terecht en daalden verder af
gedurende verschillende minuten, steunend en onze weg zoekend
langs vochtige, ruwe muren.  Het viel mij op dat ik het hameren
en trillen van de fabrieken en molens in de industriële wijk boven
niet meer kon horen, noch voelen.  Wij betraden tenslotte een
onmetelijke, donkere, koele ruimte ergens diep onder de stad.  Ik
toonde mij erg verrast, want ik wist dat er in deze streek nergens
grotten of spelonken te bespeuren vielen.  
Hij gaf dat toe, zeggend terwijl hij een tweede lantaarn aanstak
en mij overhandigde, dat hijzelf die ruimte jarenlang had
uitgehold – de aarde in kleine hoeveelheden naar boven had
gesjouwd en uitgespreid op verlaten en verwilderde plaatsen op
zo’n slinkse manier dat de autoriteiten dat nooit gemerkt
hebben.  
Het geluid van zijn stem werd opgeslorpt door de duisternis die
ons omringde.  Ik hield de tweede lantaarn omhoog.   Het licht
was onvoldoende om de hele ruimte van de uitgraving te
omvatten, en ik kon mij geen enkel idee vormen over de ware
afmetingen ervan. Ruwe balken stonden in de hoeken, maar het
aardse gewelf hangend in de duisternis over onze hoofden scheen
de afmetingen te hebben van een kathedraal.
Op hetzelfde moment zag ik de reden van onze afdaling: recht
voor ons, op een platform van planken, lag achteroverliggend een
kolossale mannelijke figuur, vijftig voet of meer lang.  Hij was
naakt, gespierd en mager, en buitengewoon levendig in elk
detail.  Zijn afmeting en de zwakte van het licht belette mij hem
in zijn geheel te zien, maar op mijn vaders teken kwam ik wat
naderbij en begon hem meer van dichtbij te onderzoeken.
Een omgekeerde hand lag langs de reusachtige torso.  De diepe
lijnen van de palm, de kronkels van de vingertippen, de dikke
nagels – dat alles was duidelijk zichtbaar.  Bij het bestuderen van
al deze details had ik op een bepaald ogenblik de indruk –
ongetwijfeld door het spel van de schaduwen – dat een lichte
huivering trok over de borst van de figuur.
Ik bewoog mij in die richting en lichtte bij met de lantaarn maar
kon geen spoor van enige beweging ontdekken.
Alles was stil.  Een zekere onvatbare aanwezigheid, voor het
ogenblik naderbij gekomen, scheen even onderbroken te wachten
nu om opnieuw op gang te komen.  Ik stond naast een massieve
voorarm waarover grote aderen liepen en elkaar doorkruisten als
de bovenaardse wortels van een boom.  Ik wendde mij tot mijn
vader: “ Is het af?”  vroeg ik.
“Neen, nog niet.”
“Werk je er nog aan?  En is het daarom dat je altijd zo moe bent?”
“ Nog een beetje”, zei hij.” Als het af is, zal het mijn hele leven
in beslag genomen hebben.”
“Maar hoe?” vroeg ik. “ En waarom?”
“Dat weet ik niet,” zei hij.” Ik begon er al zolang geleden aan,
zelfs nog voor jij werd geboren. Verborgen in mijn lunchbox bracht
ik de nodige materialen in kleine hoeveelheden mee van de
fabriek elke nacht.  En ook de gereedschappen, al waren er dat
niet veel om geen argwaan te wekken.  Maar de vaardigheden die
ik ontwikkelde waren belangrijker dan de uitrusting.
“Ik leerde vele zaken terwijl ik hier heel alleen werkte.  Nu zoals
je kan zien, ben ik bijna aan het einde van mijn krachten.  Mijn
hersenen zijn vermoeid, mijn lichaam versleten van het jarenlang
labeur en de lange nachten die ik hier doorbracht bij schemerlicht
en vochtigheid van de aarde.   Het heeft mij zolang beroerd
omdat het mij inwijdde in de geheimen van het vakmanschap.  
Mijn geest is nu in verval.  Ik zou je niet kunnen zeggen hoe ik
het heb klaar gespeeld om het te bouwen, zelfs niet waarom ik
eraan begon.  Alles wat ik weet is dat het hier ligt en bestaat.”
“Ja,” zei ik, toen ik weer de moed vond om een van de enorme
vingers aan te raken en voelde hoe de huid even warm en soepel
leek als de mijne.
“Aanvankelijk is het mogelijk dat ik het had opgevat als een te
vereeuwigen schuilplaats of graf,” zei hij. “ Ik meen mij eens te
herinneren dat zijn borst een holte bevatte, onder een stel
glijdende panelen – een ruimte groot genoeg om een menselijk
lichaam in onder te brengen.  Of misschien had ik het opgevat als
een soort brug of een stuurhut van waaruit de figuur kon worden
bestuurd na te zijn voorzien van een bewegingsmechanisme.   
Maar het had ook even goed een voorlopige constructie kunnen
zijn die kon worden geëlimineerd bij de verdere afwerking ervan.”
“Wat ook mijn plan was,” zei hij, terwijl hij zijn lantaarn omhoog
bracht over de kolossale borst – waar ik stiekem verschillende
keren naar keek om mijzelf te verzekeren dat het ook niet echt
ademde – “ er is, zoals je kunt zien, geen spoor van deur of
opening.”
Hij liet mij verstaan dat we moesten terugkeren.  “Maar wat zal er
nu mee gebeuren?” vroeg ik.  “Wat zal ervan geworden?”
“Het zal hier blijven natuurlijk,” antwoordde hij.” Het zou
onmogelijk  zijn zelfs ondenkbaar van het naar de oppervlakte te
hijsen, tenzij de fabrieken en de winkels direct hierboven ons
eerst werden verwijderd.  Wij zitten te diep onder de grond en
het is veel te groot.  Mijn laatste daad voor mijn dood zal zijn de
enge passage naar hier voor goed af te sluiten, zodat niemand
het ooit kan vinden.”
“ En het zal hier dan blijven liggen voor altijd?”
“ Dat weet ik niet,” zei hij, terwijl hij de lantaarn die ik vasthield
overnam, ophing aan een haak en de vlam uitblies.  Hij hief nog
even de andere lantaarn omhoog zodat haar zwak schijnsel viel
op de enorme, schaduwrijke creatie.
“Dat is niet aan mij om dat te weten”, zei hij, wijzend voor zich
uit nu en mij terug begeleidend naar de ingang van de tunnel, “
noch aan jou”.

(geplaatst op 30-04-2006)

terug naar boven
JARED CARTER (USA)
keuze en vertaling Henri Thijs