Copyright © 2002/ 2005: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag
worden gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en
Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel.
013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
standaardschermresolutie van 800 x 600.  
DE MAN DIE MIJ DROMEN DOET

vertaald naar het Engels van Graham Thomson door Henri Thijs

Me, the book.
You...
Saint George's Day, 1997

Ik ben tweeënveertig jaar oud, het leven achtervolgt mij elke dag en duwt mij verder,
ongetwijfeld naar de dood en de vergetelheid.  Zo is dat nu eenmaal en niets kan ik
daaraan doen dan het betreuren telkenmale ik eraan denk.  Als ik er niet aan denk
komt dat geloof ik omdat ik erin geslaagd ben mij daarmee te verzoenen en me zo een
periode van rust toe te kennen.
Anderzijds voel ik het aan alsof ik mijzelf heb voor schut gezet en mijn tijd heb verloren
in vergeefse hoop.  ’s Nachts wanneer de saaiheid van de slapeloosheid nog bitterder
dreigt te worden, wanneer het bekijken van een film de onrust niet wegneemt, hoe
spannend of ruw of pornografisch die ook is; om nog maar te zwijgen van de schaarse
optie van een boek met krachtige verzen, of het dagblad dat ik net uit heb of een
toevallig ander tijdschrift; wanneer ik denk dat het denken nutteloos is geworden, en
de liefde niet in staat is meer dan een klein gedeelte van de povere nacht op te
vrolijken.  En ik alle hoop op het vinden van de warme draad van de slaap heb
opgegeven en in het niemandsland van de nacht ik zelfs geen pluimpje van marihuana
wil laten opstijgen, kijkend naar de verlichte vensters van de gebouwen aan de
overkant van de straat die een spelletje van aan en uit spelen.  Om toch maar niets te
laten gebeuren, regent het niet en rijden er ook geen auto’s voorbij.  De telefoon
rinkelt evenmin (waarom zou ie ook op dit uur van de nacht als ie morgen de hele dag
daartoe de kans heeft?).  Het dient tot niets al de seconden op te tellen zonder een
fout te begaan, want zij zijn toch altijd hetzelfde.  Het kan zijn dat zij minder van
elkander verschillen dan een uur van een ander, en zeker minder dan een dag
vergeleken met de volgende.  Ofschoon je op de leeftijd van tweeënveertig jaar al
eens de dagen en de seconden en zelf sommige jaren door elkaar haalt.
Dan herinner ik mij de man die mij dromen doet.  Het is meer dan dertig jaren geleden
nu, maar ik kan hem nog duidelijk zien.  Hij was niet gehaast om mijn souper te
onderbreken en nu is hij niet gehaast om mij naar bed te doen gaan.  En later zal hij
ook niet gehaast zijn om mij in slaap te doen vallen.  Want wat hij wil is mij te
overtuigen dat de dingen gebeuren zelfs wanneer jij dat niet wenst.  De goede
dingen, de kwade dingen en, zelfs meer, de dingen die elke dag gebeuren;  Zoals de
tijd die nodig is voor een kind om zijn avondeten op te peuzelen, zich uit te kleden, zijn
pyjama aan te trekken, het bed op te kloppen en te beginnen luisteren naar zijn
dromen.  De man die mij doet dromen achtervolgt mij niet door de gangen of  roept
niet tegen mij om op te passen.  Hij kijkt niet ongeduldig naar de klok die nu reeds
lang voorbij het uur is gegleden dat kinderen naar bed gaan..  Hij schenkt zelfs geen
enkele aandacht  aan mijn langzame, loze gebaren die de tijd doden, die hem tegen
mij opzetten, en de slapeloosheid bevechten die ik morgen weer zal voelen wanneer
de man die mij doet dromen het licht van de slaapkamer aanknipt, neer gaat zitten op
mijn bedeinde en zegt, zoals iemand die de nacht heeft doorgebracht met het waken
over een lichaam:
- Het is tijd om te beginnen met het tellen van de uren van de beginnende dag.
En ik die placht te denken elke dag dat er zovele uren waren waarin de uren van de
dag en de spijt te tellen waren zonder ze te verwensen, dat het precies op dit oenblik
was dat ik moest beginnen met het achtervolgen van de wijzers van de klok.  Van mijn
nieuwe polshorloge om acht uur.  Van de opgewonden wekker van elke nacht om vijf
na acht.  Van de elektrische klok in de keuken om het kwartier.  Van de Zwitserse klok
in de eetkamer, van twintig na naar vijfentwintig na vijf.  Van de grootvadersklokken in
de vestibule, die slaat elk half uur… Nu ben ik vertrouwd met de tijd.  Ik weet hoe lang
een seconde duurt en ik kan ze optellen tot tweehonderd zonder meer dan twee of
drie te veel of te weinig te tellen.  Ik kan nu zelfs een half uur ramen met mijn ogen
gesloten zonder meer dan een halve minuut ernaast te zijn als het acht uur is, vijf na
acht, kwart na acht, twintig na acht en vijfentwintig na acht.  Grootvaders klok slaat elk
half uur net op het moment dat de koord daalt en de hamer van een andere muurklok
wordt losgelaten om een laag geluid te produceren van de metalen spoel die trilt voor
de eerste keer en wordt geslagen in een tweede spel van slagen van twee
kwartieren.  Het is dus een half uur.
Bij de bureauklok – zelfs voor hij slaat – kan ik de bruisende energie van de seconden
horen vooraleer hij de kwartieren slaat, en ik hoor ook het wegsterven van het geluid.  
En daarna hoor ik hem op de manier waarop mijn buur hem hoort.   Ik ben
tweeënveertig jaar oud, volledig uitgegalmd, en zelfs nog wat meer.  Iemand
feliciteerde mij op mijn verjaardag, iemand anders heeft er niet aan gedacht en zal het
morgen wellicht doen of op het einde van de maand of volgend jaar, als het hun past.  
De meeste mensen echter denken er niet aan mij te feliciteren omdat zij zelfs niet
weten dat ik hier ben en dat ik woon in deze straat – die sommigen van hen beter
kennen dan mijn bestaan – in de stad – die bijna iedereen kent.  Niet dat zij groter of
eleganter of levendiger of meer historisch is dan vele andere, maar iedereen kent
haar, of toch haar naam, en veel mensen kunnen je vertellen in welk land zij zich
bevindt en kunnen ze zelfs lokaliseren op een kaart en je de weg erheen aanwijzen.  
Maar zij weten niet dat ik tijdens vele nachten denk aan hen, een voor een.  Aan
degenen die mij niet kennen en erin slagen hun leven te leiden zonder dat ook maar
een greintje van mij ooit in hun geesten dringt, in tegenstelling tot mij verlicht door het
bewustzijn van het denken aan hen, een voor een.
Enkel als ik erin slaag  mij de man te herinneren die mij dromen doet wordt de nacht
veel vredevoller en gaat zij vlugger voorbij, zoals de verwachting van een schitterende
zomerdag waarover je uitbundig uitwijdt met je vrienden.  



(geplaatst op 22-03-2005)

terug naar boven
JAUME CAPÓ FRAU (Mallorca, 1964)