Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
DOOD

“Je bereidt je best voor op het ergste.”
Zo geformuleerd met een bezorgde en vriendelijke intonatie in de stem van Octavio,
niet enkel een arts maar boven alles een vroegere vriend van de middelbare school,
deze helpende zin, die bijna zonder verpozen was blijven hangen in Mariano’s oor, had
zijn maag overhoop gehaald waar de pijn onophoudelijk had gewoed tijdens de
laatste vier weken.  Op dat moment had Mario zelfs voorgewend hem niet te horen,
had schamper gelachen en zelfs gezegd: “ Maak je geen zorgen, ik heb mij al zeer lang
voorbereid.”  Maar dat was niet waar, dat was helemaal niet zo en nooit zo geweest.  
Toen hij had aangedrongen bij Octavio – in het licht van hun vroegere vriendschap (“Ik
zweer dat ik hetzelfde zou doen met jou”) – om hem de ware diagnose te vertellen,
had Mariona dat gedaan met de stille hoop dat zijn oude kameraad hem de waarheid
zou vertellen, maar een waarheid die zijn redding zou betekenen niet zijn
veroordeling.  Maar Octavio had Mariano’s verzoek net omwille van hun vroegere
affectie al te letterlijk genomen.  Hij had anderhalf uur van zijn schaarse tijd besteed
aan het onderzoeken en opnieuw onderzoeken van hem, met zijn onvermijdelijke
starende ogen achter de dikke glazen van zijn bril en was dan begonnen met het
gemakkelijk te accepteren nieuws:” Op dit ogenblik is het onmogelijk van te zeggen
wat er precies aan de hand is. We zullen bijkomende testen, radiografische
onderzoekingen moeten doen en een volledig medisch dossier samenstellen.  En dat
kan een tijdje duren.  Het enige dat ik je kan zeggen is dat het eerste onderzoek geen
goede resultaten oplevert.  Jij hebt jezelf wat verwaarloosd.  Jij had naar mij moeten
komen bij de eerste tekenen van de ongemakken.” En dan kwam de aankondiging van
de eerste rechtstreekse klap:” Vermits je mij vraagt in naam van onze vriendschap van
heel eerlijk met je te zijn, zou ik je willen vragen, voor het geval dat…” En dan
pauseerde hij, nam zijn bril af en veegde hem schoon met de punt van zijn
voorschoot.  Een nauwelijks verhulde geste, concludeerde Mario in het midden van zijn
hartverscheurende verwachting.  “Voor het geval wat?  “ antwoordde hij, pogend om
kalm te blijven en zelfs een beetje onverschillig.  En dan viel de hemel op hem neer: “
Je bereidt je best voor op het ergste.” Mario bereidde zichzelf voor gedurende negen
dagen.  Dan kwam de batterij van testen, X-stralen, enz.  Hij had de prikken en de
typische ontkledingen ondergaan met zulk een gevoel van vastberadenheid dat hij er
zelf van verbaasd was. Op een keer, toen hij terug naar huis ging en daar alleen was
(Agueda was weggegaan met de kinderen, en zijn vader zat binnen), besefte hij dat
hij alle zelfcontrole verloren had, en staande daar, aan het open vensterraam dat
werd overstroomd door de weelderige avondzon, had hij gehuild als een baby, zonder
zelfs zijn tranen weg te vegen.  Hoop, hoop, er is hoop, hoop is er, soms in het
enkelvoud en dan weer in het meervoud; Octavio had dat voor hem herhaald op wel
honderd verschillende manieren, met grappen, met medelijden, met vriendelijke
kloppen op de schouders, met halve omhelzingen, met schoolherinneringen, met de
groeten aan Agueda, met een sceptische frons, met half gesloten ogen, met nerveuze
trekjes, met vragen naar de kinderen.  Het was duidelijk dat Octavio wat berouw had
over zijn brutale eerlijkheid en de klap wat wou verzachten.  Natuurlijk.  Maar wat als
daar toch nog hoop was?  Eén sprankeltje hoop.  Eén enkel straaltje hoop zou
voldoende zijn, een minuutje hoop in het enkelvoud.  En wat als de testen, de X-
stralen en andere lastposten zouden voorspellen in hun esoterische taal en
gecodeerde profetie dat zijn leven nog een paar jaren kon blijven duren?   Mariano
vroeg niet veel: vijf jaren, tien was natuurlijk nog beter.  Nu dat hij het Plaza
Independencia ging oversteken om Octavio te zien en zijn uiteindelijke diagnosis te
vernemen, voelde hij dat deze enkelvoudige en meervoudige sprankeltjes hoop,
niettegenstaande alles, in hem hadden gekiemd.  Misschien dat daarom de pijn
aanzienlijk was verminderd, alhoewel hij zeer goed besefte dat het ook kon komen
door de pillen die Octavio hem had voorgeschreven en die hij punctueel had
ingenomen.  Maar ondertussen, terwijl hij zijn eindbestemming ging bereiken, werd
zijn verwachting bijna ondraaglijk.  Op een gegeven ogenblik begonnen zijn benen te
wankelen, hij dacht bij zichzelf dat hij niet bij de dokter zou kunnen geraken in deze
toestand en besloot om op een bank op de Plaza te gaan zitten.  Met een
hoofdschuddend gebaar  sloeg hij een voorstel van een schoenpoetser af (hij voelde
zich niet sterk genoeg  om de tijdsgebonden dialoog over het weer en de inflatie aan
te vatten), en wachtte om een beetje te kalmeren.   
Agueda en Susana, Susana en Agueda.  Wat zou de beste keuze zijn?  Was hij niet in
staat om dat te beslissen op dit ogenblik?  Agueda stond voor begrip en onbegrip was
nu de strategische factor; de grens zonder proces; het heden herhaald (maar er
ontstond ook een onvervangbare warmte in de herhaling); de jaren en jaren van
wederzijdse voorspelbaarheid, van elkaar grondig te kennen; de twee kinderen, de
twee kinderen.  Susanna was clandestiniteit, verrassing (maar verrassing evolueerde
ook naar gewoonte); de zones van onfamiliair leven, niet gedeeld, in de schaduw; de
ruzie en de emotionele verzoeningen; de conservatieve jaloersheden en de
revolutionaire jaloersheden; de onbesliste grens, de nieuwe streling (die ongevoelig
begon te worden als een herhaald gebaar), het niet voorspelbare maar profetische,
het niet kennen van elkaar vanuit het hart maar eerder vanuit de intuïtie.  Agueda en
Susana.  Susane en Agueda.   Hij kon niet beslissen.  En hij kon dat niet (hij had het
zich net gerealiseerd op het precieze ogenblik dat hij een groet deed naar een oude
vriend van op het werk), eenvoudig omdat hij hen beschouwde als zijn eigen objecten,
als sectoren van Mariano Ojeda en niet als onafhankelijke levens, als wezens die
leefden volgens hun eigen verantwoordelijkheid en risico’s.  Agueda en Susana,
Susana en Agueda waren een deel van zijn organisme op dit moment evenzeer als
deze afschuwelijke, treiterende ingewanden van hem.  Daarenboven was er ook nog
Coco en vooral Selvita, maar hij wou niet, neen, hij wou niet, neen, hij wou niet
denken aan de kinderen nu, zelfs al realiseerde hij zich soms dat hij daar toch niet zou
aan ontsnappen.  Hij wou niet denken aan hen omdat hij anders echt uiteen zou vallen
en zelfs de kracht niet zou hebben om het kabinet van de dokter te bereiken.
Nochtans moet men ook eerlijk zijn en op voorhand toegeven dat het ongelooflijk
nobel en altruïstisch van hem was van zichzelf ten gronde te richten door te piekeren
niet in de eerste plaats over hem maar over hen of toch tenminste meer over hen dan
over hemzelf, meer over het nieuw verdriet dat hem te wachten stond dan over het
verwachte einde van hem zonder hen.  Zonder hen, bah, zonder iemand, zonder iets.  
Zonder zijn kinderen, zonder zijn vrouw, zonder zijn minnares.  Maar ook zonder de
zon, deze zon; zonder deze dunne wolken, uitgeteerd, in overeenstemming met het
land; zonder al die overige arme, beschaamde Gepensioneerden; zonder de routine
(gezegende, geliefde, zoete, erotische, beschermde, perfecte) van de Kassierster van
Kas nummer 3 en haar rapporten en langetermijn controles met die altijd aanwezige
fouten; zonder dit doorlezen van de kranten in het café, bij het grote vensterraam
tegenover de Andes, zonder dit grappen met de garçon, zonder die episodes van
aangename duizelingen die plots opduiken bij het kijken naar de zee en zeker bij het
kijken naar de hemel, zonder deze gehaaste mensen, gelukkige mensen omdat zij
niets weten van zichzelf, en maar al te graag liegen tegen zichzelf, om zich van hun
zetel in de eeuwigheid te verzekeren of die kletsen over het fascinerend heroïsme van
de anderen, zonder de rust van een balsem; zonder de boeken als een intoxicatie;
zonder de alcohol als een hulpmiddeltje; zonder de slaap als een dode; zonder het
leven als een wachter; simpel zonder leven.
Dit is waar Mariana’s wanhoop de bodem raakte, en paradoxaal genoeg het is ook wat
hem toeliet zichzelf te vermannen.  Hij stond op, probeerde of zijn benen mee wilde,
en stak de plaza over.  Hij ging het café binnen, bestelde een tas koffie met wat melk
en dronk die langzaam leeg zonder in- of uitwendige verwarring en met een geest die
praktisch zuiver was.  Hij zag hoe de zon onderging en hoe de laatste stralen gingen
verdwijnen.  Voor de straatverlichting aanging betaalde hij zijn consumptie en liet
zoals gewoonlijk wat drinkgeld achter.  Hij wandelde dan vier blokken verder draaide
rechts om naar Rio Negro en hield halt voor een appartementenblok.  Hij ging naar de
vijfde verdieping  en belde aan naast het  kleine bronzen plaatje: Octavio Massa, M.D.

* * *

“Dat is net wat ik vreesde”
Dat  is net wat ik vreesde was in deze context synoniem van het ergste.  Octavio had
rustig gesproken en in zijn slotwoorden troost en opbeuring verwerkt, maar Mariano
luisterde naar hem in stilte, met een stevige glimlach die niet bedoeld was om zijn
vriend uit het lood te slaan maar toch die uitwerking scheen te hebben.  “Maar ik voel
mij prima,” zei hij slechts toen Octavio hem bezorgd vroeg naar zijn toestand.  
“Verder” zei de dokter, op de toon van iemand die een verborgen kaart uit de lade
haalt,” zullen wij alles doen wat nodig is en ik ben zeker, dat jij begrijpt dat een
operatie succesvol zal zijn.  Anderzijds komt er geen hoogdringendheid bij te pas.  Wij
beschikken ten minste over twee weken om je te versterken, rustig, geduldig en
streng.  Ik zeg niet dat je kunt gelukkig zijn, Mariano, noch dat je je onnodig zorgen
moet maken, maar je mag ook niet overreageren.  Tegenwoordig zijn we veel beter
uitgerust om te vechten tegen…” Enzovoort, enzovoort.  Plots voelde Mariano een
onverklaarbare behoefte om het kabinet van de dokter te verlaten om te vermijden dat
hij weer wanhopig zou worden.  De zekerheid van de diagnosis had – en dat was
ongelooflijk – een vorm van opluchting verwekt, maar ook de behoefte om alleen te
zijn, iets als een bange nieuwsgierigheid naar het genieten van die nieuwe zekerheid.  
Zo terwijl Octavio verder ging met zijn betoog:” … en verder weet je dat ik goed
bevriend ben met de dokter van je bank, zodat er voor jou voor geen probleem zal zijn
om het nodige verlof te krijgen…”, glimlachte Mariano en het was geen bittere, boze
lach, maar (voor de eerste keer in vele dagen) een ietwat tevreden, aangename lach.  
Van bij het uitstappen uit de lift en het opnieuw zien van de straat kwam Mariano in
een geestestoestand die als een openbaring overkwam bij hem.  Het was nacht
natuurlijk, maar waarom leken de lichten zo ver verwijderd?  Waarom begreep hij niet
of wou hij niet de knipperende inscriptie van het verlichte teken tegenover hem
begrijpen ?  De straat was een grote laan, ja, maar waarom waren die figuren die hem
voorbijgingen meer dan twee voet verwijderd van zijn hand, als losse beelden, die
men ziet in een kleurenfilm maar die hun voordeel deden (omdat in werkelijkheid het
een verbetering was) met een onregelbaar geluidsspoor, waarvan elk geluid hem
bereikte onrechtstreeks langs een onbepaald tussenstation, tot het slechts een
gedempte echo van andere gedempte geluiden was in zijn oren?  De straat was een
laan die alsmaar breder werd, maar waarom werden de huizen tegenover hem altijd
maar kleiner, tot zij verdwenen en hem met verstomming achterlieten?  Een laan, niets
anders dan een laan, maar waarom werden de snel naderende koplampen van de
auto’s kleiner en kleiner, tot zij eruitzagen als zaklampjes?  Hij werd gewaar dat de
vloertegel waarop hij stond plots veranderde in een eiland, een gebrekkige tegel die
hygiënisch werd afgestoten door de gezonde tegels. Hij kreeg ook de indruk dat de
voorwerpen weg gingen, waanzinnig afstand nemend van hem zonder te verhelen dat
zij scheidden van zichzelf .  Het was een hypocriete ontsnapping, zeker weten.  
Waarom had hij dat vroeger niet gezien?


In elk geval dat duizelig vluchten van voorwerpen en wezens, van de vloer en de
hemel, gaf hem een soort kracht.  “ Zou dat dan de dood zijn, en niets anders?”  dacht
Mariano met een onverwacht enthousiasme.  Nochtans was hij nog in leven.  Geen
Agueda, noch Susana, noch Coco, noch Selvita, noch Octavio, noch zijn vader binnen,
noch Kassierster van kas nr. 3.  Slechts dat spotlicht, reuzegroot; het is te zeggen,
groot in het begin, dat kwam van wie weet waar, en dan weer afnam in grootte; het
was de moeite waard om het vloertegeleiland te verlaten, veel kleiner daarna; het was
het waard met dat alles geconfronteerd te worden in het midden van de straat, klein,
veel kleiner, ja ,onbeduidend, net hier; het maakt niet uit  dat al de rest wegvlucht, dat
het spotlicht, het kleine spotlicht nadert en wegvlucht, net hier, net hier, het kleine
zaklichtje, de vuurvlieg, steeds verder weg en dichterbij, tien kilometers en ook tien
centimeters verwijderd van een paar ogen die nooit meer zullen schijnen.


(geplaatst op 18-11-2004)

terug naar boven
EEN KORT VERHAAL VAN MARIO
BENEDETTI (3)
vertaald naar het Engels van Harry Morales door Henri Thijs