Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
REQUIEM MET EEN TOAST

Ja, mijn naam is Eduardo.  Jij vraagt mij dat om op die manier een conversastie te
kunnen  beginnen en ik begrijp dat.  Maar jij hebt mij al een hele tijd gekend, zelfs van
verre.  Zoals ik ook jou ken. Sinds jij begon met mijn moeder te frequenteren in de
Café op Larra-Naga, Rivera of hier. Denk nu niet dat ik je bespioneerde.  Helemaal
niet.  Jij zult dat misschien veronderstellen, omdat je het hele verhaal niet kent.  Of
vertelde mama het je ?  Ik wou al een tijdje geleden eens praten met jou, maar ik
durfde niet.  Zo ben ik je achteraf beschouwd eigenlijk dankbaar dat jij mij gedwongen
hebt het te doen.  Weet jij waarom ik wou praten met jou?  Omdat ik de indruk heb
dat je een toffe kerel bent.  Moeder was ook een goed mens.  Wij praatten niet veel
met elkaar, zij en ik.  Thuis was het ofwel stil of klonk alleen het woord van vader.  
Maar de oude kerel  praatte alleen maar wanneer ie dronken was, bijna elke nacht, en
dan gilde hij.  Wij waren dan alle drie erg bang: moeder, mijn zusje Mirta en ikzelf.  Ik
ben dertien en een half nu en heb vele dingen geleerd, zoals dat kerels die gillen,
straffen en schelden eigenlijk van binnen arme drommels zijn.  Maar toen was ik nog
een stuk jonger en wist ik dat niet.  Mirtah weet dat zelfs nu nog niet maar zij is drie
jaar jonger dan ik, en ik weet dat zij ’s nachts soms wakker schiet al wenend.  Het is
de angst.  Ben jij ooit bang geweest?  Mirtha denkt nog altijd dat de Ouwe nog
dronken kan te voorschijn komen om haar met zijn broeksriem te slaan.  Zij is nog niet
gewoon geraakt aan de nieuwe situatie.  Ik daarentegen heb geprobeerd mij aan te
passen.  Jij daagde anderhalfjaar geleden op, maar geruime tijd daarvoor was de
Ouwe al vaak dronken en begon hij later ons alle drie te slaan.  Hij sloeg Mirta en
mijzelf met zijn broeksriem, het deed veel pijn, maar moeder sloeg hij met zijn vuisten.  
Zo maar zonder duidelijke reden: omdat de soep te heet was, of te koud, of omdat zij
niet wakker gebleven was om hem op te wachten tot drie uur in de ochtend, of omdat
haar ogen zo gezwollen waren  van het huilen. Na een tijdje stopte moeder met
huilen, ik weet niet hoe zij het deed, maar zij verbeet haar lippen en huilde niet meer,
en dat maakte de Ouwe nog woester.  Zij was zich daarvan bewust en toch vertikte ze
het van nog te huilen.  Jij leerde mijn moeder kennen nadat zij al heel wat had
doorgemaakt en veel geleden, maar nog maar vier jaren daarvoor (Ik herinner het mij
nog perfect) was zij nog heel mooi en had zij een frisse tint.  Zij was ook een sterke
vrouw.  Tijdens sommige nachten wanneer de Ouwe op de vloer viel en begon te
snurken, hesen zij en ik hem terug op het bed.  Hij was werkelijk zwaar en het was
zoals het ophijsen van een dode.  En het was zij die al het zware werk deed.  Ik kon
nauwelijks een been ophijsen, met zijn smerige broek en een bruine schoen met losse
veters.  Nu denk jij waarschijnlijk dat onze Ouwe altijd zo een bruut is geweest.  Dat
was niet zo, vader is gekraakt geworden door een gemene streek.  Het was een van
moeders neven, die werkte voor de gemeente.  Ik heb nooit geweten wat die vuile
streek precies is geweest, maar ergens vergaf moeder hem zijn ploertig gedrag omdat
zij zichzelf een beetje mede schuldig achtte en omdat het iemand van haar familie was
die hem dat had aangedaan.  Nooit heb ik de details vernomen van die gemene streek,
maar zeker is dat vader in zijn beschonken toestand haar altijd beschouwde als de
enige schuldige.  Voor die gemene streek leefden wij zeer gelukkig.  Niet omwille van
het geld, daar zowel mijn zus als ik geboren zijn in hetzelfde appartement (als een
klein klooster) kortbij Villa Dolores.  Pa’s loon was nauwelijks genoeg om te overleven
en moeder moest wonderen doen om ons iets te eten te geven en wat kleren te
kopen.  Op sommige dagen aten wij helemaal niet (als je eens wist hoe akelig het is
honger te lijden),  maar afgezien daarvan leefden wij toch in vrede.  De Ouwe dronk
niet, sloeg ons ook niet en nam ons zelfs mee naar de schouwburg als er eens wat
geld over was.  Ik denk dat pa en ma elkaar nooit echt lief gehad hebben.  Zij waren
ook zo verschillend.  Zelfs voor die gemene streek, toen hij nog niet dronk, was hij een
zeer stille man.  Soms stond hij pas tegen de middag op en sprak hij tegen niemand,
maar hij sloeg ons ten minste niet en schold mijn moeder ook niet uit.  Ik wou dat het
zo gebleven was voor altijd.  Natuurlijk kwam die gemene streek later en hij stortte in
elkaar, begon te drinken en kwam pas na middernacht naar huis stinkend naar de
drank.  Daarna verviel hij van kwaad naar erger en bedronk zich ook al overdag zodat
wij helemaal geen rust meer hadden.  Ik ben er zeker van dat de buren zijn getier
goed gehoord hebben, maar niemand durfde blijkbaar iets te zeggen want vader was
een grote, sterke kerel en zij waren allen bang van hem.  Ik was ook bang van hem
niet alleen voor mij en voor Mirtha, maar speciaal voor mama.  Soms ging ik zelfs niet
naar school, niet omdat ik wou spijbelen, maar om rond het huis te blijven, daar ik
bang was dat hij overdag naar huis zou komen dronken zoals gewoonlijk en moeder
zou kunnen kwaad doen.  Ik kon haar niet verdedigen, je kunt zien hoe mager ik ben
en in die tijd was ik zelfs nog dunner, maar ik wou in de buurt zijn om in geval van
nood de politie te kunnen verwittigen.  Wist jij dat mijn moeder en mijn vader geen
arme drommels waren?Maar mijn grootouders, ik zal niet zeggen dat zij rijk zijn, maaar
zij wonen in deftige buurten en hebben balkons die uitgeven op de straat en
badkamers met bidet en wastobbe.  Na al wat gebeurd is is Mirta gaan wonen bij mijn
grootmoeder Juana, mijn vaders moeder en ik woon nu in het huis van grootmoeder
Blanca, de moeder van mijn moeder.  Weet je dat ze bijna gevochten hebben om ons
op te nemen, maar toen mijn vader en moeder trouwden waren zij resoluut tegen het
huwelijk (en of ze gelijk hadden denk ik nu) en hielden zich niet met ons op.  Ik  zeg
duidelijk ons omdat mijn ouders huwden toen ik al zes maanden oud was.  Ik vernam
dat op school en ik sloeg Beto die het me vertelde een bloedneus, maar toen ik
moeder daarnaar vroeg zei ze onomwonden dat het waar was.  Wel, ik wou met je
spreken omdat (ik ben niet zeker hoe jij dat zal opnemen) jij belangrijk waart voor mij,
daar je ook belangrijk waart voor mijn ma.  Ik hield veel van haar, wat normaal is,
maar ik hebhaar dat nooit kunnen zeggen.  Wij waren altijd zo bang, wij hadden geen
tijd voor tederheid.   Nochtans als zij niet naar mij keek en ik wel naar haar ervoer ik
een bepaalde emotie die geen spijt was, maar een mengeling van tederheid en
boosheid om haar zo jong nog te moeten zien lijden onder het juk van dat
schuldgevoel dat het hare niet was of van een straf die zij helemaal niet verdiende.  
Misschien heb jij ook gemerkt hoe verstandig zij wel was, veel meer dan mijn vader,
denk ik, en dat maakte het voor mij dubbel zo erg: wetende dat zij dat afschuwelijk
leven aanschouwde met wijdopen ogen, en dat noch de ellende, noch de slagen, zelfs
de honger niet van haar een bruut konden maken.  Het stemde haar wel droevig.  
Want soms had zij blauwe ringen onder haar ogen maar zij werd kwaad als ik haar
vroeg of er iets scheelde met haar.  Eigenlijk wende zij alleen maar die boosheid voor.  
Want tegenover mij heb ik haar nooit echt kwaad gezien.  Noch met iemand anders.  
Maar voor jij op het toneel verscheen merkte ik wel dat zij meer en meer depressief  
werd, stiller ook en eenzamer. Het is misschien daarom dat ik zo goed het verschil kon
zien.  Op een nacht kwam zij een beetje laat naar huis (alhoewel nog altijd veel
vroeger dan mijn vader) en keek zij naar mij op een andere manier, zo anders dat ik
wist dat er iets gaande was.  Alsof zij voor het eerst aanvoelde dat ik in staat was
haar te begrijpen.  Zij omhelsde mij hartelijk alsof zij beschaamd was voor iets en zij
glimlachte naar mij.  Herinner jij je haar glimlach?  Ik wel.  Aanvankelijk maakte ik mij
zoveel zorgen over die verandering dat ik twee of drie keren mijn werk verzuimde (ik
werkte toen als loopjongen in een kruidenierswinkel) om haar te volgen en uit te
vinden wat er aan de hand was.  Het was dan dat ik jou gezien heb.  En ik was blij.  
De mensen dachten misschien dat ik een gemeen ventje was, en misschien was het
ook verkeerd van mij om blij te zijn dat mijn moeder vader bedroog.  Zij kunnen dat
misschien denken.  Daarom zeg ik het nooit.  Met jou is dat anders.  Jij hield van haar.
En voor mij was dat reuzefijn.  Omdat zij het verdiende te worden geliefd.  Want jij
hield van haar, nietwaar?  Ik zag je dikwijls en daarom ben ik er bijna zeker van.  
Natuurlijk probeer ik ook de ouwe te begrijpen. Het is moeilijk maar ik probeer het.  Ik
kon mijzelf nooit ertoe brengen hem te haten, begrijp jij dat? Misschien omdat hij, na
alles wat hij deed, toch nog steeds mijn vader was.  Als hij ons sloeg, Mirtha en mij, of
wanneer hij moeder weer aanviel, voelde ik zowel afschuw als spijt.  Spijt voor hem,
voor haar, voor Mirtha en voor mij.  Zelfs nu voel ik nog altijd spijt, nu dat hij mijn
moeder doodde en voor ik weet niet hoelang in de gevangenis moet blijven.  In het
begin wou hij mij niet zien, maar het is nu al een maand geleden dat ik hem bezocht  in
Miquelete en hij staat nu toe mij te ontmoeten.  Het is vreemd hem zo in zijn
natuurlijke staat te zien, ik bedoel: niet dronken. Hij kijkt dan naar mij en zegt meestal
helemaal niets.  Ik denk dat hij, eens buiten, mij niet meer zal slaan.  En daarenboven
zal ik dan al een man zijn, misschien getrouwd en kinderen hebben.  Maar ik zal nooit
mijn kinderen slaan, wat denk jij?  Ik ben er ook zeker van dat pa niet zou gedaan
hebben wat hij nu deed als hij niet dronken was geweest. Denk jij dat ook niet?   Jij
meent dat hij moeder toch zou gedood hebben op die bewuste namiddag  toen hij mij
gevolgd was en jullie beiden had betrapt. Ik denk toch van niet.  Kijk, hij deed jou
helemaal niets.  Slechts later nadat hij meer dan gewoonlijk gedronken had, viel hij
mijn moeder aan.  Ik denk dat in andere omstandigheden hij wel zou begrepen
hebben dat moeder tederheid nodig had en sympathie en dat hij haar alleen maar
slagen zou gegeven hebben.  Omdat moeder een goed mens was.  Jij moet dat zo
goed weten als ik.  Het is daarom dat ik een tijdje geleden, toen jij mij benaderde en
uitnodigde voor een cappucino met een toast hier  in het café waar jij haar ontmoette,
het nodig vond jou dit alles te vertellen. Misschien wist jij dat alles niet of alleen maar
een deel, omdat moeder nogal een zeer gesloten persoonlijkheid was en er niet van
hield over haarzelf te praten.  Nu ben ik zeker dat ik goed gedaan heb omdat jij huilt
en nu mijn moeder dood is, dit  als een geschenk klinkt voor haar die zelf nooit heeft
gehuild.


(geplaatst op 01-11-2004)

terug naar boven
EEN KORT VERHAAL VAN MARIO
BENEDETTI
keuze en vertaling (naar het Engels van Marco de la Cruz-Heredia): Henri Thijs