Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag
worden gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en
Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel.
013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
standaardschermresolutie van 800 x 600.  
ARISTOTLE VALAORITIS (1824-1879)
DE SCHIJNDOMINANTIE BIJ A. VALAORITIS door
Henri Thijs

In september 1988 publiceerde 't Prieeltje een bloemlezing met vertaalde
Griekse poëzie(*) die bijzonder veel weerklank vond bij de toenmalige
lezers.  Deze sedert lang uitverkochte bundel bevatte een staalkaart van
de zgn. moderne Griekse poëzie met ronkende namen zoals Odysseus
Elytis, Kostis Palamas om er maar een paar te noemen.

Een dichter kreeg hierbij niet de aandacht die hij o.i. ruimschoots
verdiende, nl. ARISTOTLE VALAORITIS (1824-1879), die in het spoor van
de grote vernieuwer van de Griekse poëzie, Dionysios Solomos
(1798-1857), verzen schreef die een fervent en volgehouden gebruik van
de gesproken volkstaal verraadden.  Een meesterlijk staaltje van zijn
kunnen gaf Valaoritis met het gedicht De Rots en de Golf.  Op even
eenvoudige als sublieme wijze wordt hierin een streefideaal opgebouwd
dat het leven beschouwt als een echo van verlangen, een weerklank van
strijd voor vrijheid en onbevangenheid die "als een roos boven een storm
openbloeit".  "Ongebreideldheid" weerkaatst zich vooral in het
vrijheidsideaal dat kleeft op de taal van de dichter: de schepper van
oneindigheden, de "door een laurier gekroonde verschoppeling van het
lot".  

In de voortdurende schepping, het pas ontluiken, klimt de lach op het
gezicht van elke morgen.  Anders is er geen toekomst dan de eeuwige
spiegel van het verleden, nutteloos voor ons geplaatst en sleept het
individu moeizaam niets dan zijn verleden voort.  Deze zo verheerlijkte
suprematie van de geest (het verrijkend denken, het schismatiek
dromen) over de geplogenheden van het fysische, het alledaagse, wordt
zeer mooi geïllustreerd in het verhaal van de vermeende tweestrijd tussen
de rots en de golf dat hierna wordt weergegeven.  

Cynisch klinkt de conversatie die zich tussen beide onspint wanneer
langzaam duidelijk wordt dat de machtige hegemonie van de ene over de
andere  maar een schijndominantie is.  De illusie verwekt door uiterlijke
tekens van macht en vertoon, kweekt in haar onachtzaamheid en naïvitiet
de langzame ondergang in haar bloedeigen grondvesten.  Het stenen
geweld, de brutale overheersing van het harde materiaal van heerszucht
over het waterig gevoelen van opstand en onderdrukking, ontwikkelt een
klassieke tweestrijd, een dualisme dat zijn wortels heeft in alle tijden.  

Het is het verhaal over de fragiliteit van de zichtbare dominanten die het
leven en de maatschappij met hun schijnkrachten overheersen, maar in
de schaduw van hun majesteitelijke grootsheid langzaam maar zeker
wegzinken in het bestaan.  De rivaliteit van de bijbelse David en Goliath
zijn hier beslist niet ver af.  De overwinning van de fijnzinnige, sluwe
geest op de brute krachtpatserij van een gigantisch fysisch interludium in
de voortschrijdende beschavingsmythe van de mens, wordt hier poëtisch
bezongen met de kracht van een vrijheidsorkaan.

Het is de ode aan de vindingrijke geest, het eeuwigdurende oerelement
van de genesis in het menselijk brein, dat de oorlog verklaart aan het
grote onheil dat het vergeten, de vergeetzucht is.  Een ander groot
dichter zei het ergens klaar en duidelijk: "Alleen diegenen die van het
embryonale leven houden, zijn bij machte de lange graanstengel van het
bestaan te oogsten."

EEN GEDICHT VAN A. VALAORITIS

DE ROTS EN DE GOLF

"Maak plaats, rots, en laat mij door",
schreeuwt de donkere, ziedende golf
overmoedig naar de rots op de kust.
"Maak plaats, want in mijn borst, eens
dood en koud, heeft de zwarte Noor-
denwind zijn nest gebouwd en huist
een zware storm!  Mijn schuim is mijn
wapen niet, noch is mijn leeg geruis
een oorlogsschreeuw; ik draag in mij
de rivieren van het bloed en de vloek
van de wereld die er genoeg van had
en mij reusachtig heeft doen zwellen,
een wereld die zei: rots, nu zul je
vallen, je gevreesde uur is gekomen.
Toen ik bescheiden, lief en bruin-
geslagen jouw geknechte voeten waste
en likte, keek jij hooghartig op mij
neer en schreeuwde je verachting
uit over mijn schamel sproelsel.  En
ik, terwijl ik je kuste, groef in het
geheim, dag en nacht,  je wortels
uit en beet in je vlees.  En de wond
die ik opende, het graf dat ik dolf
bedekte ik met wier en verborg ze
onder het zand.  Zo heb ik jouw
grondvesten weggevreten en je her-
schapen in puimsteen.
Maak plaats, rots, en laat mij door!  De
voet van de slaaf zal op jouw nek trappen.
Ik ben ontwaakt als een leeuw."
De rots sliep.  Verborgen in de mist leek
hij verdoofd, dood en in een lijkwade ge-
wikkeld.  Zijn voorhoofd, beploegd door
rimpels, werd verlicht door de halfdode
stralen van de bleke maan.  Rondom
hem zweefden dromen en vervloekingen,
geesten die joegen als een wervelwind,
of als roofvogels die de wind met hun
luidruchtige vleugels slaan als zij de
geur van een lijk ontwaren.
De rots had trouwens al meer dan dui-
zend keer dit grommen van de golf ge-
hoord, evenals zijn harteloze bedrei-
gingen met hun schrikbare weerklank
in de wind.  Nooit was hij daar van
wakker geschoten.  Vandaag echter
voelde hij een huiver, bijna alsof hij
de moed zou gaan verliezen.
"Golf, wat verlang je van me?  Wie
ben je, gekroond dat je bent met
schuim, dat je het aandurft mij stee-
vast te bedreigen, in plaats van mij
zoals gewoonlijk te verfrissen en mijn
slaap te balsemen met je gezang en
mijn voeten te wassen met je water?
Weet echter, wie je ook bent, dat ik
mij zo maar niet, zonder meer, over-
geef!"
"Rots, ik word wraak genoemd.  De tijd
heeft mij gevoed met bitterheid en ver-
achting.  De pijn heeft mij verheven.
Eens was ik maar een traan, en bekijk
me nu eens: ik ben een brede zee ge-
worden.  Val voor mijn voeten neer en
aanbid mij.  Kijk, hier in mijn hart
draag ik geen zeewier, maar een wolk
zielen, eenzaamheid en vervloeking.
Word eindelijk wakker nu...de voetuitwa-
teringen van mijn Hadès zitten achter
je aan.  Jij veranderde mij in een doods-
bed; jij stapelde lichamen op mij; jij
stuurde me weg naar vreemde kusten;
velen lachten met mijn doodsangst en
vegiftigden discreet mijn lijden met
aalmoezen.  Maak plaats en laat mij
door, rots, het kalme weer is voorbij;
ik ben de golf die je verdrinkt, je on-
verzoenlijke vijand die als een reus
voor je staat!"
Hierop werd de rots bewusteloos ge-
slagen en zweeg.  De voortstormende
golf bedekte vlug het weggerotte li-
chaam.  Het viel verloren in de af-
grond, verbrokkeld, gedempt, gesmolten
als was het sneeuw.  De wilde
zee gromde een tijdje boven hem en
sloot dan weer haar gelederen.  Daar
waar een rots stond als een schim,
blijft sindsdien niets meer over.
Enkel een golf die, wit en blauw,
speelt op zijn graf.

(*) Odysseus Elytis, Kostis Palamas, e.a.  IN DE BOEZEM VAN DE ZON.
Moderne Griekse Poëzie, gekozen en vertaald door Henri Thijs. Muzensprokkels
nr. 12--64 blz.  Uitgave 't Prieeltje vzw.1988.

(geplaatst op 16-03-2005)

terug naar boven