Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
Tom PAULIN (Ierse Poëzie)
keuze en vertaling: Henri Thijs
DE LYRISCHE EPILOGEN van Tom Paulin

Geboren in Leeds, Yorkshire op 25 januari 1949, groeide de dichter, criticus en
toneelschrijver Tom (Thomas Neilson) Paulin op in Belfast (Noord-Ierland) waar zijn
vader schoolhoofd was van een middelbare school en zijn moeder het beroep van arts
uitoefende.  Hij genoot een opleiding aan de Hull Universiteit en in het Lincoln College
van Oxford.  Hij doceerde Engels aan de Universiteit van Nottingham van 1972 tot
1989 en gaf er vervolgens lezingen in poëzie van 1989 tot 1994.  Hij was ook
theaterdirecteur van de Field Day Theatre Company  in Derry (Noord-Ierland) en
doceerde ook een tijdje aan de Universiteit van Virginia.  Verder was hij docent in
creatief schrijven aan de Universiteit van Reading.  Thans is hij nog steeds docent
Engels aan Herftord College.  Hij is een welbekende radiojournalist en een regulier
panellid van het BBC-kunstenprogramma “Newsnight Review”.
Zijn vroegste poëzie is veelal een afspiegeling van de politieke situatie in Noord-Ierland
en van het geweld van de afscheiding van de deelstaten dat sinds de jaren 1960 hevig
woedt in die contreien.  De publicaties van zijn hand omvatten vooreerst A State of
Justice (1977) dat de Somerset Maughanprijs won, The Strange Museum (1980) dat
de Geoffrey Faber Memorial Prijs wegkaapte,  Liberty Tree (1983) en het alom
gewaardeerde Fivemiletown (1987), dat de Noord-Ierse cultuur en identiteit belichtte.  
Hierna volgden Walking a line (1994) en vooral The Wind Dog (1999) dat werd
genomineerd voor de T.S. Eliotprijs.  The Invasion Handbook (2002) is de eerste
aflevering van een episch gedicht over de Tweede Wereldoorlog.
De non-fictionpublicaties van de auteur omvatten vnl. Ireland and the English Crisis
(1984), Minotaur: Poetry and the Nation State (1992) en The Day-Star of Liberty:
William Hazlitt’s Radical Style (1988), een kritische analyse van het werk van de
negentiende-eeuwse essayist.
Tom Paul is uitgever van The Faber Book of Potitical Verse (1986) en van The Faber
Book of  Vernacular Poetry (1990).  Zijn toneelspelen omvatten The Riot Act: A
Version of  Sophocles’ Antigone, dat overal in Ierland werd opgevoerd in 1984 en All
the Way to the Empire Room dat werd uitgezonden door de BBC in 1994.
De auteur woont en werkt in Oxford met vrouw en twee zonen.

* * *

Tom Paulin is een dichter wiens werk min of meer kan worden ingedeeld in twee
episodes.  Het vroege werk voor het eerst gepubliceerd in A State of Justice (1977) is
eerder van een strakke structuur en politiek getint en voert een Ulster ten tonele dat er
even beroerd en akelig uitziet als Oost-Europa.

“The city is built on mud and earth,
Its weather predicted, its streetlamps
Light up in the glowering, crowded evenings”

(Uit: Under the Eyes)

Dit is duidelijk het werk van een jeugdig iemand die ook affiniteiten vertoont met de
vroege Thom Gunn (“…Up here I’m free / and know a type of power, a certain kind
of law”).  
In The Strange Museum (1980) wordt zijn leefwereld reeds meer verbeeldings-rijk en
fictioneel van aard.
Liberty Tree (1983) focust al explicieter op Noord-Ierland  maar voor het eerst duikt
er een neiging op om woorden uit de streektaal op te voeren zoals “fremd”, “neapish”.  
In 1994 geeft hij The Faber Book of Vernacular Verse uit en wordt een grote
pleitbezorger en beoefenaar van zowel streektaalgebonden als verzonnen woorden en
uitdrukkingen, aangezien de bestaande officiële woordenschat niet meer voldoet aan
zijn wensen.
Een radicale verandering in stijl kondigt zich aan in “I am Nature: Hommage to Jackson
Pollock 1912-56” uit de verzameling Fivemiletown (1987).  Dit is een uiterst
vrijgevochten gedicht dat poogt de improvisatieprocessen van de gevierde “actie”-
schilder op te roepen.  Deze tendens wordt verder gezet en uitgediept in Walking a
Line (1994) en in The Wind Dog (1999).  Zijn stijl wordt nu los en ongebonden, en
opgesmukt met  vele verzonnen woorden en uitdrukkingen die a.h.w. een eigen uiterst
persoonlijk idioom scheppen ten einde
de aard en het improvisatorisch gehalte van de gedachte te doorgronden. In Walking a
Line treedt hij resoluut in de voetsporen van D.H. Lawrence door te trachten de
essentie van de dingen te benaderen in vrije versvormen.  De gekende improvisaties
van Paul Klee en vooral de fel gekleurde lokaliteiten van de schilder Marc Chagall zijn
belangrijke inspiratiebronnen voor zijn werk.  In vele van zijn gedichten uit zijn rijpere
periode tracht hij het wezen van de dingen uit te beelden door alle zintuigen te
verkennen.  
Toch is er niet altijd een breuk tussen de jonge en de oudere Paulin, de strakke politiek
geinspireerde en de vrije en ongebonden dichter.  Altijd immers drukt hij in de verzen
zijn bezorgdheid uit over de toestanden van orde en wanorde, die zijn dichterschap
hem zelf oplegde.  Orde overheerste duidelijk in zijn vroegste verzen, ordeloosheid
(eerder dan wanorde) in zijn recente gedichten.  De strijd tussen beide hield en houdt
hem nog steeds actief bezig.  Getuige hiervan het gedicht Cuass uit The Wind Dog.  
Het gedicht gaat over een lederen zak die zomaar rondfladdert vormloos en haveloos
en dat bekommert hem ten zeerste waar hij stelt:

“But what interests me
is my own unease
And the way that unease
Is close to thinking
To a dull dreamless sleep
State of collapse
Or even a last gasp”

De zak moet worden “getemd en vastgemaakt zoniet vertoont hij geen vorm, noch
aanwijsbaar patroon”.  Worstelen met de grenzen van vormen en patronen (stijlen) was
en is zijn poëtische hoofdbekommernis.  
Henri Thijs koos en vertaalde vier gedichten van Tom Paulin.


VIER GEDICHTEN VAN TOM PAULIN

LYRISCHE EPILOOG


Kurkdroog was het die zomer
dat jij elke dag in de hete tuin genoot
tot al die acteurs in uniform
opdaagden in de straat met hun grote
witte ambulance,
om je te halen en terug te brengen
naar mij.
Ver van de zee van onszelf wachtten
wij toen en verlangden naar het geschenk
van de diepblauwe stilte.
In jouw afwezigheid klom ik naar een
brede kamer waar gedroogde bloemen
stonden en mapjes lagen met sonnetten en
kruiswoordraadsels: noem ze
muzikale snuifdozen, gekunstelde
anachronismen, of liever nog nodeloos
ingewikkelde koffertjes van de dode geest.
Hun bittere dwang en formele genoegens
straalden een sfeer uit van gedegenheid
gekweekt in wanhoop;
zij spraken met de valse, gestrikte
schreeuw van een winterkoninkje.
Maar dat is veranderd nu, want
wandelend bij de rivier met jou aan
mijn zijde ontwaar ik niets dan grootse
vriendelijkheid overal:
de wereld in zijn volle gratie nu en altijd.


DE HAVEN BIJ VALAVOND


Verloren jaren hebben zich gevestigd
in dit geërkerd familiepension bij de havenwal.
Ieder van ons hield van een man die stierf
en leerde daarna hoe oud te worden en vrolijk te
blijven. Ik denk aan de jongelingsjaren in een
kabine van de kustwacht. En aan betonnen
huisjes met de was waaiend in de zeewind. Wat
ziet het meisje waartegen ik praat?
Victoriaanse kinderjaren die als kleine houten
figuurtjes fladderen over de wegen? Wat een
stoet van verlangens ging er al niet voorbij: een
beenhouwerij, een familiepension waar zoveel doden
lachen achter de ramen.
De vele namen, gezichten en vergeten dingen.
Gedroogde katoen, de geur van cederhout...
ik bewaar ze in een soezerige soort van wijsheid,
in mijn lade bij mijn ringen en foto's.
De golven ruisen op het strand dat oogt als
gesteven zijde. En meisjes dalen af van een trap
en wandelen naareen brede kamer waar lampen
branden. Liefde was gevaar en kinderen.
Bij zonsondergang, witte bakens op het strand
en in mijn oog een zwellende traan.
Maar ik, gelukkig als een vrouw die een deur
opent en muziek hoort, wist dat het jouw gelaat
was dat ik zag. En jouw milde stem die ik hoorde.
Wist dat ik het was die staarde over het water
gewiegd in een slaap van stemmen.


TROTSKY IN FINLAND (incident uit zijn memoires)

Het pension is zeer rustig. Het heet
Rauha, wat "vrede" betekent in het Fins.
De transparante lucht zet een kroon op
De pijnbomen en meren.
Onbewust bewondert hij de stilte
van een zuiver landschap. En verorbert het.
Een bourgois-moment. Het kon ergens in
Zwitserland zijn. Houten koekoeken roepen
Een vervelende afwezigheid op door hun meertalige
woordspelingen te smelten in Triëste of Zürich.
De laatste dagen van de herfst. De Zweedse
schrijver voegt een nieuw sonnet toe aan een
cyclus. Zijn Engelse maîtresse dartelt door de
tuin. Als een actrice bekijkt ze haar gebloesemd
gelaat in de spiegel van het meer.
's Nachts ontsieren haar gegiechel en avances
De verhevenheid van de kleinste kunst.
Ze gaan weg zonder hun rekening te betalen.
De baas verjaagt hen naar Helsingfors.
Zijn onzichtbare vrouw ligt in de kamer boven - men
moet haar champagne geven om haar hart op gang te
houden, maar tevergeefs, zij sterft terwijl haar
man luidkeels zijn geld opeist.
De butler rent weg om hem te vinden.
En laat een krat vol vergulde flessen achter
bij het lijk boven.
Stilte hier.
En plotse zware sneeuwval. Het huis een
dood monument. Ziekelijk traditioneel.
Helemaal alleen is hij. Tegen de avond
bezorgt de brievendrager hem een ware storm
uit zijn ransel: nieuws uit St. Petersburg - de
staking neemt uitbreiding.
Hij vraagt de tengere jongen om de rekening.
Laat zijn paarden zadelen. En denkt:
"Als dit een fictie is, kan het niet anders
dan Byron zijn die incognito uitrijdt naar de
Tivolituinen, gedreven door meer dan hemzelf."
Hij steekt de grens over en spreekt
de verzamelde krachten toe in het Instituut.
En duikt meteen uit de stilte in de geschiedenis.


TWEEDERANGSREPUBLIEKEN


De oervervelende rijpe geur van gas,
Een stapel omslagen die liggen te verkleuren
Op de tafel in de vestibule - niemand
In deze vreemde sfeer kan zich nog de
Naam herinneren van wie ooit dit adres gegeven
Heeft.
Wij zouden het al vergeten kunnen zijn,
Denkt zij, terwijl ze naar boven gaat
Om met hem een lang weekend door te brengen.
De bomen in deze bakstenen lanen
Steken reusachtig en groen af
Tegen de ramen van de afscheiden kamers.
De lucht is vochtig en beneden op straat
Hoort zij enkel het geblaf van een toegeslagen
Autoportier.
Hij raakt haar aan en zij ziet zichzelf
Achtergelaten in een vuile stad
Ergens in Europa: hoe klammig
Alles is en hoe de mensen drummen en
Duwen op het trottoir, om een foto te
Kunnen nemen van een of ander politicus
Opgetut met krulhaar in het gezicht.
Als er alleen nog maar een dun blad
Overblijft tussen hun worstelende lichamen
En de gekleurde matras,
Ziet zij plots zijn gezicht verstijven
Als op een foto.
En hoort zij in de verte
Het afgedwongen gejubel van een erg
Verlaten en onderdrukt volk.


terug naar boven