ELSE LASKER SCHUELER (Duitse Poëzie)
Keuze en vertaling: Hans Kilian
BIOSCHETS door Reinout van Montelbaan

Else Lasker, geb. Schüler is, met de Oostenrijkse Ingeborg Bachmann, ongetwijfeld de
belangrijkste Duitstalige dichteres van de 20e eeuw.  Zij werd in 1869 geboren in
Wuppertal-Elberfeld, en is dus getogen in het Ruhrgebied, waarmee zij zich altijd
verbonden bleef voelen, ook qua taal en folklore.  Doch zij vluchtte als jodin in 1933 via
Zwitserland naar Palestina, waar zij in 1945 in Jeruzalem stierf, vlak voor de capitulatie.  
Als men Bachmanns gedichten, hoorspelen en verhalen kenmerkend wil noemen voor de
vrouwelijke stem in de Duitse literatuur van na de W.O. II, dan is de poëzie, het toneel
en het korte proza van Lasker-Schüler dat zeker voor die van het interbellum.
Haar werk is zowel romantisch en symbolistisch als expressionisch van aard.  Dit is niet
zo vreemd als men bedenkt dat zij in Berlijn omging met schrijvers als Takl en Werfel en
– zelf tevens tekenares – bevriend was met schilders als Klee en Marc.  Het romantische,
dat zich vooral uit in een “heimwee naar de verte”, komt vooral voort uit haar eigen
persoonlijkheid, haar ongelukkig huwelijken en natuurlijk haar tragisch joodse levenslot.  
Het uitte zich ook in haar excentrieke levensstijl en kleding, waarachter zij zich als de
fictieve Oosterse “Prins Joessoef van Thebe” verschool.  Altijd herkenbaar in haar vrije,
met het lied verwante verzen is de tristichon, de strofe van drie regels, ontleend aan de
psalmen.
In Duitsland is haar verzamelde werk in pocketvorm verkrijgbaar.  In Nederland had zij in
de jaren twintig al contacten met schrijvers als A. Roland Holst en Jan Campert en nog in
1987 verschijn bij Nijgh & Van Ditmar haar door Ruth Wolf geschreven biografie.  Hoewel
Paul van Ostajen al een gedicht op haar schreef, is zij in Vlaanderen een relatieve
onbekende gebleven.


VIER GEDICHTEN

WERELDEINDE

Er wordt geweend in de wereld,
alsof de goede God gestorven is.
En de loden schaduw valt als een graf.

Kom, wij gaan ons dichterbij verbergen.
Het leven ligt in ieders hart
als in doodskisten.

Jij!  Wij moeten elkaar stevig kussen.
Er klopt een verlangen aan bij de wereld,
waaraan wij moeten sterven.


* * *

HET LIED VAN DE SNOEPPRINS

Hoe kan ik meer van je houden?
Ik zie de dieren en de bloemen
Door de liefde heen.

Kussen twee sterren elkaar,
of vormen wolken een beeld –
Wij spelen het tederder.

En tegen je harde voorhoofd
kan ik precies leunen,
Ik zit erop als een gevel.

En in de kuil van je kin
bouw ik mij een rovershol –
totdat jij mij opgegeven hebt.

Vind dan op een ochtend eens
alleen maar mijn knieën, twee gele
scarabeeën uit een keizersring.

* * *

AVOND

Fluistering van mijn koude hart
en als jij het hoort kwinkeleren
vrees je de zwarte lente niet.

Altijd dacht de kille toverfee
aan mij en zaaide giftig kruid
onder mijn voeten.

Nu wordt het in sterren
op mijn liefdeszuil geschreven
door een wenende engel.

* * *

MIJN LEVENSLIED

Zie mijn verdwaalde gezicht,
dieper buigen zich de sterren,
zie mijn verdwaalde gezicht.

Al mijn bloemenwegen
leiden naar donkere wateren,
broers en zusters, dodelijk twistend.

Zie mijn verdwaalde gezicht,
grijsaards zijn de sterren geworden,
zie mijn verdwaalde gezicht.


Uit: “Scherven uit de Spiegel” , Duitse poëzie van de twintigste eeuw gekozen en vertaald
door Hans Kilian, Stichting Literaire Workshop, Gorinchem (Nl).


(geplaatst op 28-05-2004)

terug naar boven
Copyright © 2002/ 2009 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768