Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
ROBERT CREELEY (N.-
Amerikaanse Poëzie)
keuze en vertaling Henri Thijs
Robert Creeley werd geboren in Arlington, Massachusetts, in 1926.  Hij studeerde
aan de Harvarduniversiteit van 1943 tot 1946.   Publiceerde in 1946 zijn eerste
gedicht “Wake” in het Harvardmagazine.  In 1949 begon hij te corresponderen
met de dichter William Carlos Williams en Erza Pound.  Het jaar daarop leerde hij
de dichter Charles Olson kennen.  Als rector van de Black Mountain College in
North Carolina nodigde Olson de dichter uit om de faculteit komen te vervoegen
en de “Black Mountain Review” uit te geven.  In 1960 ontving hij zijn “Masters”-
graad aan de universiteit van New Mexico.  Door zijn publicaties in de Black
Mountain Review en zijn eigen kritische geschriften zette hij een opkomende
nieuwe literaire traditie de zgn. “naoorlogse poëzie” in gang die rechtstreeks
indruiste tegen het toenmalig literaire establishment en  die begon met Pound,
Williams en Zukofsky en verder bleef doorzinderen in de werken van Olson, Robert
Duncan, Allen Ginsberg, Denise  Levertov, Edward Dorn en vele anderen.
Robert Creeley heeft meer dan zestig poëziebundels gepubliceerd, evenals een
dozijn prozawerken, essays en interviews.  Hij werd meermaals gelauwerd voor
zijn oeuvre.  Hij was "poet laureate" van New York van 1989 tot 1991 en doceert
sedert 1989 aan de State Universiteit van New York.  Hij werd in 1999 vereerd
met het lidmaatschap van de Academy of American Poets.
Henri Thijs vertaalde drie gedichten van Creeley gekozen uit de bekende
verzameling “ Contemporary American Poetry edited by Donald Hall” (Penguin
Books London, 1988).


DRIE GEDICHTEN VAN ROBERT CREELEY vertaald door
Henri Thijs

UIT LIEFDE

(voor Bobbie)

Gisteren wou ik erover
spreken, over dat gevoel
boven alle andere voor mij
zo belangrijk omdat alles

wat ik ken voortvloeit
uit wat het mij leert.
Vandaag, wat is het
dat finaal zo hulpeloos is,

verschillend, wanhoopt van zijn eigen
verklaring, wenst weg
te lopen, voortdurend
weg te lopen.

Als de maan niet…
neen, als jij niet
ik zou het ook niet, maar
wat zou ik al niet

doen, welke preventie, welk
ding zo vlug gestopt.
Dat is liefde gisteren
of morgen, niet

nu.  Kan ik opeten
wat je me geeft.  Ik
heb het niet verdiend.  Moet
ik aan alles denken in

termen van gewin.  Nu wordt
liefde ook een beloning zo
ver van mij dat ik ze
enkel met mijn geest heb ervaren.

Hier heerst verveling,
wanhoop, een pijnlijk gevoel
van isolement en een  grillig
zelfs pompeus

zelfrespect.  Maar dat beeld
komt enkel van de vage structuur
van de geest, vaag voor mij
omdat het van mijzelf is.

Liefde, wat denk ik erover
te zeggen.  Ik kan het niet zeggen.
Wat brengt jou ertoe om vragen te stellen,
waarin heb ik jou veranderd,

gezel, goed gezelschap,
gekruiste benen met rok, of
zacht lichaam onder
de beenderen van het bed.

Niets zegt iets anders
dan wat het wenst
te zien uitkomen, vreest
wat anders zou kunnen gebeuren

op een andere plaats, op
een ander tijdstip niet het huidige.
Een stem in mijn plaats, een
echo ervan in de jouwe.

Laat mij strompelen in
niet de bekentenis maar
de obsessie waarmee ik begin
nu.  Voor jou

ook (ook)
eens buiten elke plaats, of
een plaats voorbij de tijd, blijft
er geen geest meer over

om nog iets te zeggen,
dat gezicht verdwenen, nu.  
In het gezelschap van de liefde
keert alles weder.   

(FOR LOVE)


KORE

Al wandelend
kwam ik als bij
toeval mijzelf
tegen op dezelfde weg.

Al rustend
om bij gelegenheid later
verder te gaan
als en voor zover ik dat zou doen,

was het bos licht,
licht en groen,
en wat ik zag
voor ik niet had gezien.

Het was een dame
vergezeld van
geitenhoeders
die haar leidden.

Haar haar bevatte aarde.
Haar ogen waren duister.
Een dubbele fluit
zette haar in beweging.

“O liefde,
waar breng je
mij nu
naar toe?”


WATERMUZIEK

De woorden zijn een mooie muziek.
De woorden wippen als in water.

Watermuziek,
luid in het afdruipen

van de boten,
vogels, bladeren.

Zij zoeken naar een plaats
om te zitten en te eten –

geen zin,
geen bedoeling.

(WATER MUSIC)

(geplaatst op 03-03-2004)

terug naar boven