Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
William Carlos Williams.  PORTRETTEN.  NETBOOK NUMMER 24,
uitgegeven door Het Prieeltje Online.  Keuze en vertaling: Henri Thijs

William Carlos Williams (17-09-1883/04-03-1963) auteur en fysicus werd
geboren in Rutherford, New Jersey als de zoon van William Georges
Williams, een New-Yorker zakenman van Britse signatuur, en Raquel Hélène
Hoheb, die afkomstig was van Puerto Rico.  William Carlos sprak Spaans,
Frans en uiteraard Engels.  Van 1897 tot 1899 liep hij school in Zwitserland,
alsook enige tijd in Parijs. In 1902 beëindigde hij zijn middelbare studies in
New York en schreef zich eerst in voor een opleiding in tandheelkunde aan
de universiteit van Pennsylvania, maar koos al vlug voor een algemene
medische opleiding.  Daar begon zijn levenslange vriendschap met Erza
Pound, Hilda Doolittle en kunstenaar Charles Demuth.  Omdat zijn moeder
ook een artieste was, probeerde ook Carlos eerst wat te schilderen.  Tussen
1906 en 1909 liep hij een paar jaren stage aan het Oud Frans Hospitaal en
de Kinderkliniek in New York en flirtte hij met Florence “Flossy” Herman,
die beloofde op hem te wachten toen hij pediatrie ging studeren in Leipzig.
Na zijn studies in Duitsland,  reisde Williams naar Nederland, Frankrijk en
Spanje.  In 1910 opende hij een private praktijk in Rutherford, New Jersey
en in 1912 trouwde hij met Flossie;  zij zouden samen twee zonen krijgen.  
Ondertussen had hij poëtisch niet stil gezeten en publiceerde hij zijn eerste
gedichtenbundel “Poems” in 1909;  in 1913 publiceerde Elin Mathews, zijn
uitgever, een tweede dichtbundel “The Tempers” in Londen.  
Hij werkte harder aan zijn talent van dichter en schrijver als aan zijn beroep
van fysicus en maakte kennis met verschillende bekende dichters zoals: Alfred
Kreymborg, Marianne Moore, Wallace Stevens, Marcel Duchamp, Maxwell
Bodenheim en last but not least Eddna St. Vincent Millay.  Zijn werk
verscheen ook regelmatig in zowel Pounds als Lowels “Imagist”-reeksen.  
Zijn derde bundel “Al Que Quiere”, dat zijn Spaanse en Puertoricaanse roots
weerspiegelde, verscheen in 1917.  Weinig schrijvers hadden een intenser
inzicht van wat “het amerikanisme” betekende dan hij.  Zijn liefde voor zijn
land werd langzamerhand een overheersend thema in zowel zijn poëzie als in
de fictie die hij begon te schrijven in de jaren twintig.  
Ook het experiment werd een soort levensstijl voor hem, bewijze waarvan de
schijnbaar toevallig geschreven gedichten “This is just to say” en “At the
Ballgame”.  Met Mina Loy acteerde hij in een van Kreymborgs toneelstukken
en hij schreef zelf ook een toneelstuk nl. “The Apple Tree” waarvan de enige
kopie bij Kreymborg verloren gegaan is.  Na zijn ervaringen met het theater
werd zijn nood aan innovatie gekanaliseerd in prozawerken zoals het
belangrijke “Kora in the Hell: Improvisations” (1920) .  Zijn montage van
gedichten en proza getiteld “Spring and All” (1923) verkende de wijzen
waarop het dagelijks gesprek en alledaagse gebeurtenissen tot kunst werden
verheven in de literatuur.  Dat bewees hij ook met zijn komische parodie op
Joyce’s Ulysses getiteld “Sour Grapes; The Great American Novel”
geschreven in 1923.  In 1924 nam hij een sabbatjaar gedurende hetwelk hij
een half jaar werkte in de Openbare Bibliotheek van New York en de rest
van de tijd spendeerde aan het schrijven van prachtige karakteriseringen van
Amerikaanse historische figuren zoals "“In the American Grain” (1925).  
Nog steeds even rusteloos begon hij vanaf 1927 te reizen in Europa en
ontmoette daarbij bekende figuren zoals James Joyce, Brancusi, Gertrude
Stein, Pound en nog vele anderen hetgeen hem nog ambitieuzer maakte dan
ooit en ervan overtuigde dat de basis van zijn succes moest gezocht worden
in zijn Amerikaanse ervaringswereld.  Hij publiceerde een nieuwe proza-
poëziemengeling “The Descent of Winter” en in 1928 “A voyage to Pagany”,
een eerste romantische roman met dezelfde toonaard van zijn eerste
gedichten.  Het jaar daarop vertaalde hij de surrealist Philippe Soupault (Last
Night of Paris) en in 1930 gaf hij samen met Richard Johns, het experimenteel
tijdschrift Pagany uit.  In 1932 combineerde hij het onvoorspelbare met het
komisch surrealisme in “A Novelette and Other Prose”.  Bezorgd en
bedroefd om de depressie van de jaren ’30, ging hij verder met het
publiceren van korte verhalen in tijdschriften zoals “New Masses, Anvil en
Litte Review”; deze verhalen werden later verzameld in de bundel “Life along
the Passaic River”.  Ofschoon hij tegenwoordig meer fictie schreef dan
poëzie, publiceerde Zukofsky in 1934  Williams verzameld werk “Complete
Poems 1921-1931”; in 1936 verscheen zijn opera libretto “The First
President” samen met een andere dichtbundel “Adem& Eve&The City”.  In
1937 publiceerde hij “White Mule”, de eerste uitgave van wat hij zelf noemde
“The Stretcher”-trilogie: fictie gebaseerd op de verwanten van zijn
echtgenote.  Deze succesvolle en zeer Amerikaans getinte roman over Duitse
immigranten werd gevolgd in 1940 door “In the Money” en in 1952 door
“The Build-Up”.  Alhoewel zoals gezegd in 1938 zijn volledig poëtisch werk
werd gepubliceerd werd hij meer erkend als prozaschrijver dan als dichter
vooral dan om zijn duidelijke politieke visionaire fictie.
De tweede wereldoorlog en zijn drukke praktijk met burgerpatiënten bracht
zijn schrijverscarrière even tot stilstand.  In 1944 pas publiceerde hij een
nieuwe bundel “The Wedge”, waarin zijn problemen in verband met het
combineren van zijn job als arts en als literator aan bod komen.
Eindelijk verscheen in 1946 “Paterson I”, het eerste boek van het epische
gedicht dat hij al meer dan twintig jaren voor ogen had.  In zijn geheel was
Paterson  min of meer een antwoord op T.S. Eliots klacht over het verval van
de waarden van de mechanische cultuur in de twintigste eeuw.   De dokter-
dichter van het gedicht, die zichzelf Paterson noemt en leeft in het
industriestadje Paterson, New Jersey, leidt een normaal leven en leert om te
gaan met filosofische en seksuele vrijheden.  Misschien is hij helemaal geen
voorstander van het gedrag van zijn “stadsmensen”, maar hij verleent hun ten
minste het recht hun eigen gedragspatronen zelf te bepalen.  Door zich te
concentreren op de dagelijksheid van de ervaring en door het gebruik van de
idiomen en ritmen van de spreektaal in poëzie dwingt hij a.h.w. zijn lezers tot
het genoegzaam inzicht dat hun levens zelf eigenlijk volledig poëtisch zijn.  
In 1947 gaf hij een reeks lezingen en workshops over de techniek van het
korte verhaal aan de Universiteit van Washington.  Zij vormden zijn eerste
academisch optreden.  Maar jaren van strijd, om de twee carrières in zijn
leven nl. schrijver en arts in stand te houden, hadden hem danig verzwakt. In
1948 kreeg hij zijn eerste hartaanval.  Dat belette hem echter niet om nog
datzelfde jaar zijn tweede editie van het episch gedicht te publiceren getiteld
“Paterson, a dream of Love” evenals nog enkele andere kleinere
dichtbundels.  In 1949 publiceerde hij “Selected Poems” en “Paterson III”.  
Hij won ook de “Russell Loines Award” en werd opgenomen als lid van het
“Library of  Congress”.
In 1950 beleefde hij als auteur zijn hoogtepunt: hij werd bekroond met de
National Book Award voor zijn “Selected Poems” en “Paterson III”.  
In maart 1951 kreeg hij weer een beroerte en werd hij verplicht zich terug te
trekken uit zijn praktijk als arts; in augustus 1952 kreeg hij een nieuwe
ernstige hartaanval.  
In 1954 publiceerde hij een van zijn beste werken nl. “The Desert Mule” en
in 1955 “Journey to love” dat het beroemde gedicht “Aan Affodil”, een
liefdesgedicht opgedragen aan Flossie, bevatte. In 1955 hernam hij zijn reeks
lezingen aan de universiteit en publiceerde in 1957 “Paterson V” evenals een
onderhoudende bibliografie “ I Wanted to Write a Poem”.
In oktober 1955 kreeg hij zijn derde verlammende aanval.  Hij moest daarna
zichzelf leren spreken en leerde te typen met zijn nog niet verlamde hand.  In
1959 publiceerde hij “Yes, Mrs. Williams” een biografie van zijn moeder en
participeerde in het succes van zijn toneelstuk “Many Loves” opgevoerd in
Broadway.  Korte verhalen liet hij bundelen in “The Farmers’ Daughters”
evenals toneelspelen in “Many Loves and other plays” in 1961.  Hij
overleefde opnieuw een nieuwe reeks hartaanvallen.  In 1962 publiceerde
New Directions wat later zijn laatste gedichtenbundel zou worden, nl.
“Pictures from Brueghel and Other Poems”, bundel die in 1963 postuum de
Pulitzer Prijs voor Poëzie zou opleveren.  Williams stierf in Rutherford.
Het belang van Williams voor de Amerikaanse en wereldliteratuur kan niet
onderschat worden.  Hij vestigde nieuwe regels en principes voor het
schrijven van poëzie.  Hierbij belichaamde hij essentieel de geest van
avontuur en ontdekkingstocht constant luisterend naar de stelling van Pound:”
make it new”.
Hij bracht als geen ander de dagelijkse spreektaal evenals het leven van elke
dag als gemeengoed in de poëzie en leerde zijn lezers het leven te
aanschouwen door het oog van de dichter.  Zo kunnen ook de moeilijkste
levensomstandigheden een hogere dimensie krijgen en ontdaan worden van
hun beperkte, dagelijkse context.  Williams grote verdienste is het de
alledaagse taferelen van het menselijk bestaan op een hoger platform
gebracht te hebben zodat zij fascinerend werken en in het gedicht een thuis
bouwen waar het goed is te vertoeven .
In dezelfde mate heeft hij ook de Amerikaanse fictie gerevitaliseerd.  Veel
van zijn prozawerken worden gedragen door de dialoog.  Hierbij probeert hij
zich zo ver mogelijk te verwijderen van elke literaire conventie en is zijn fictie
plotloos hetgeen veel critici van zijn tijd ertoe gebracht heeft zijn werk af te
schilderen als niet-artistiek.  Later heeft men ontdekt hoe de auteur de nadruk
legde op de basiselementen van de taal, structuur en karakters die zo
essentieel en waardebepalend zijn voor elk postmodernistisch werk.  De
geschriften van deze dichter zijn een haast onuitputtelijk reservoir van de
twintigeeuwse Amerikaanse thema’s en beeldcultuur die een uitdrukking
krijgen toegemeten middels een unieke stem in de geschiedenis van de
wereldliteratuur.

terug naar boven
ONDER DE LEESLAMP

“WILLIAM CARLOS WILLIAMS: LEVEN EN
WERK”
door Henri Thijs